Brief regering : Kabinetsreactie AIV-adviesrapport ‘Krimpende maatschappelijke ruimte: vrijheid en veiligheid onder druk'
36 800 XVII Vaststelling van de begrotingsstaat voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (XVII) voor het jaar 2026
Nr. 9
BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 31 oktober 2025
Het kabinet dankt de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) voor het adviesrapport,
gepubliceerd op 10 april 2025 onder de titel «Krimpende maatschappelijke ruimte: vrijheid
en veiligheid onder druk». De toenmalige Ministers van Buitenlandse Zaken en voor
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben de AIV in juni 2023 om dit
advies verzocht. Hierbij bied ik u de kabinetsreactie op het rapport aan.
Het kabinet deelt de zorgen van de AIV over de krimpende maatschappelijke ruimte en
het feit dat er sprake is van een wereldwijde negatieve spiraal, waarin mensenrechten
die juist de maatschappelijke ruimte moet beschermen, in toenemende mate worden geschonden.
Het kabinet onderschrijft de aanbevelingen van de AIV in grote lijnen. Het merendeel
ervan sluit aan bij het bestaande beleid en wordt reeds in de praktijk gebracht.
Tegelijkertijd ziet het kabinet op enkele punten geen mogelijkheden om de aanbevelingen
over te nemen, met name waar deze niet passen binnen de gewijzigde koers van het ontwikkelingsbeleid
en de hernieuwde focus binnen het mensenrechtenbeleid. Dit geldt in het bijzonder
voor voorstellen die vragen om het opzetten van nieuwe strategieën of het verhogen
van de financiële inzet. Gezien de budgettaire krapte en de afspraken uit het Regeerprogramma
is daar geen ruimte voor. Hieronder volgt een puntsgewijze appreciatie van de aanbevelingen:
Aanbeveling 1: Wees consequent in de uitvoering van de beleidsnota «Mensenrechten,
Democratie en Internationale Rechtsorde». Draag continu en consistent een overtuigende
boodschap uit over het belang van een veilige, pluriforme maatschappelijke ruimte
voor een vitale, vreedzame politieke samenleving waarin mensen zich gehoord voelen.
Doe dit in binnen- en buitenland, met kracht, urgentie en lef, juist ook op het niveau
van de Minister-President en de Minister van Buitenlandse Zaken. En benadruk hierbij
het belang van de mensenrechten.
Het kabinet onderschrijft deze aanbeveling en voert de beleidsnota «Mensenrechten,
Democratie en Internationale Rechtsorde»1 reeds actief en consistent uit. De bevordering van respect voor mensenrechten is
een welbegrepen eigenbelang. Nederland zal zich daarom blijven inzetten binnen dit
beleid op vijf thematische prioriteiten: gelijke rechten voor vrouwen en meisjes,
gelijke rechten voor lhbtiq+-personen, vrijheid van religie en levensovertuiging,
bescherming van vrijheid van meningsuiting online en offline, en bescherming van mensenrechtenverdedigers
en maatschappelijke ruimte. De voorheen als zesde prioriteit aangeduide strijd tegen
straffeloosheid van de meest ernstige misdrijven («accountability») is ondergebracht onder het thema «Internationale rechtsorde».
Aanbeveling 2: Hanteer als uitgangspunt bij het maken van keuzes voor buitenlandbeleid
het no harm-beginsel. Nederlands handelen mag geen schade aanrichten aan anderen. Ook mag het
geen rol spelen bij mensenrechtenschendingen hier of elders, en moet het waar mogelijk
de maatschappelijke ruimte actief beschermen. Houd daarom altijd rekening met de heersende
context bij prioritering en beleidsafwegingen ter ondersteuning van de maatschappelijke
ruimte in landen waar Nederland betrekkingen mee onderhoudt. Hanteer daarnaast bij
de uitvoering van het beleid drie richtsnoeren om rekening te houden met de andere
belangen die Nederland nastreeft: beleidsconsistentie; een langetermijnvisie en diplomatieke
risico’s.
Het kabinet onderschrijft de aanbeveling van de AIV dat een gecoördineerd en consistent
diplomatiek optreden in multilateraal verband een krachtig signaal kan afgeven bij
een krimpende maatschappelijke ruimte. De EU kan bijvoorbeeld dankzij jarenlange diplomatieke
inspanningen van Nederland wereldwijd sancties opleggen voor mensenrechtenschendingen.
Dit kan ook in het geval van een schending van de vrijheid van mening en meningsuiting
en van vreedzame vergadering en vereniging. Sinds de frauduleuze verkiezingen van
augustus 2020, zijn in Wit-Rusland bijvoorbeeld 310 personen en 46 entiteiten door
de EU aan sancties onderworpen voor de zware onderdrukking en intimidatie van vreedzame
demonstranten, oppositieleden en journalisten.
Rekening houdend met diplomatieke risico’s, spreekt Nederland zich daarnaast ook op
bilateraal niveau uit tegen de beperking van maatschappelijke ruimte, bijvoorbeeld
via bezoeken van de Mensenrechtenambassadeur en de Speciaal Gezant voor Religie en
Levensovertuiging. Beleidsafwegingen worden reeds getoetst op internationaal rechterlijke
consistentie en langetermijnbelangen, inclusief risico’s op schade en diplomatieke
repercussies. Het no-harm-principe staat hierbij centraal. Mede daarom wordt er ook niet gekozen voor het uitwerken
van nieuwe landenstrategieën, zoals door de AIV voorgesteld.
De AIV vraagt aandacht voor het belang van sociaaleconomische rechten die toegang
tot en functioneren in de maatschappelijke ruimte net zo goed beïnvloeden. Het kabinet
erkent dit en maakt zich in dit verband bij voorbeeld binnen de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) hard voor de fundamentele vrijheid van vakvereniging en voor de sociale dialoog
met vakbonden en werkgeversorganisaties. Ook hecht het kabinet aan de uitvoering van
het Internationale Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR).
Aanbeveling 3: Zet in het bijzonder in op de bescherming van persvrijheid en politieke
en burgerlijke rechten en vrijheden in het algemeen als randvoorwaarden voor een gezonde
maatschappelijke ruimte. Zorg voor financiering die beleidskeuzes kan ondersteunen,
passend bij de omvang van de problematiek van toenemende autocratie en schendingen
van mensenrechten wereldwijd.
Het Nederlandse mensenrechtenbeleid is sterk gericht op de bevordering en bescherming
van burger- en politieke rechten. Het kabinet onderschrijft de bescherming van persvrijheid
en politiek en burgerlijke rechten en vrijheden als belangrijke randvoorwaarde voor
een gezonde maatschappelijke ruimte.
Het mensenrechtenfonds (MRF) blijft voor dit kabinet het voornaamste financiële instrument
om deze mensenrechten wereldwijd te bevorderen. Het centrale mensenrechtenfonds wordt
via de Safety for Voices partnerschappen (2022–2027) ingezet ten behoeve van verhoogde online en offline veiligheid
van mensenrechtenverdedigers en van journalisten, wereldwijd. Het decentrale gedeelte
van het mensenrechtenfonds wordt door het postennet lokaal ingezet om organisaties
te steunen die zich op verschillende manieren inzetten voor mensenrechten. De posten
worden hierbij geacht de MDIR-nota uit te voeren met name door lokale maatschappelijke
organisaties te steunen en de programma’s in te richten met focus op de 5+1 bovengenoemde
prioriteiten, waaronder vrijheid van meningsuiting en mensenrechtenverdedigers.
In het nieuwe beleidskader Focus (2026–2030)2 wordt expliciet ruimte gecreëerd voor het tegengaan van geweld tegen vrouwen, de
ondersteuning van vrouwenrechtenverdedigers, het thema vrouwen, vrede en veiligheid
en het beschermen en promoten van mensenrechten en fundamentele vrijheden. Daarnaast
wordt binnen alle instrumenten in dit kader specifiek aandacht besteed aan de positie
van vrouwen en meisjes, aangezien dit bijdraagt aan de effectiviteit van ontwikkelingsbeleid.
In het kader blijft het respecteren van universele mensenrechten ook een uitgangspunt.
Door bezuinigingen op ontwikkelingshulp gebeurt dit met minder budget.
De IOB-evaluatie van het mensenrechtenbeleid (2017–2022)3 heeft specifiek op het mensenrechtenfonds (MRF) aanbevolen dat er meer focus en strategische
aansturing van het mensenrechtenbeleid in de landenpraktijk nodig is. Dit door meer
geografische focus aan te brengen en het aantal mensenrechtenthema’s waarop Nederland
inzet per land te beperken. In de kabinetsreactie op de IOB-evaluatie zijn deze aanbevelingen
overgenomen. Dit, gecombineerd met de bezuinigingsopdracht, heeft geleid tot een herinrichting
van het decentrale gedeelte van het mensrenrechtenfonds. Hiermee zullen er vanaf 2026
minder posten aanspraak kunnen maken op het gedelegeerde mensenrechtenfonds, maar
krijgen ze meer financiële ruimte om meerjarig hun mensenrechteninzet in te richten.
Deze posten wordt tevens gevraagd hun programmering te koppelen aan maximaal twee
van de staande 5+1 thematische prioriteiten van de MDIR-nota. Het inperken van het
aantal posten dat gebruik maakt van het decentrale MRF, zal de huidige geografische
reikwijdte van het Nederlandse mensenrechtenbeleid verkleinen. Tegelijkertijd is de
verwachting dat deze aanpak zal leiden tot grotere impact en effectiviteit binnen
de beschikbare ruimte.
Aanbeveling 4: Speel op het mondiale niveau een aanjagende rol bij initiatieven die
zijn gericht op het beschermen en vergroten van maatschappelijke ruimte. Geef prioriteit
aan initiatieven die de online ruimte beschermen en versterken.
Nederland hecht grote waarde aan het beschermen en vergroten van maatschappelijke
ruimte. We steunen organisaties zoals CIVICUS, die zich inzetten voor maatschappelijke
ruimte. In samenwerking met Nederlandse ambassades organiseert CIVICUS de afgelopen
jaren regelmatig Diplomats & Defenders Dialogues voor diplomaten op ambassades en lokale mensenrechtenverdedigers om kennis uit te
wisselen en zo de gezamenlijke inzet op de bescherming van mensenrechtenverdedigers
en de maatschappelijke ruimte te versterken.
Nederland bevordert digitale veiligheid via het Digital Defenders Partnership (DDP), een initiatief van de Freedom Online Coalition (FOC) dat noodhulp biedt aan digitale activisten en mensenrechtenverdedigers onder
dreiging of repressie. Als voorzitter van de FOC, een diplomatieke coalitie van 42
landen wereldwijd, heeft Nederland in 2024 stevig ingezet op het bevorderen van een
op mensenrechten gebaseerde en multi-stakeholder benadering van de governance van digitale technologieën, en het waarborgen van internetvrijheden. Dankzij diplomatieke
inzet rond het in september 2024 aangenomen Global Digital Compact, is het kabinet tevreden met de gemaakte afspraken over de bescherming van online
mensenrechten en met het multi-stakeholder model voor internet governance.
Het kabinet herkent de observatie van de AIV over de beperkte ruimte voor het maatschappelijk
middenveld binnen de Verenigde Naties (VN). Nederland pleit in VN-onderhandelingen
voor vooruitstrevende procesafspraken over betekenisvolle deelname van niet-gouvernementele
stakeholders, inclusief jongeren. Daarnaast organiseert Nederland proactief informele
consultaties met maatschappelijk organisaties rondom belangrijke VN-onderhandelingen,
bijvoorbeeld tijdens de Commission on the Status of Women (CSW) en met het FOC Advies Netwerk en andere betrokken organisaties tijdens de onderhandelingen
over de Global Digital Compact, het VN-cybercrimeverdrag en in 2025 over de World Summit on the Information Society +20 review (WSIS+20).
In 2025 blijft Nederland binnen de FOC co-voorzitter van de Taskforce voor AI en mensenrechten,
inclusief het leiden van diplomatieke coördinatie rond de WSIS+20 onderhandelingen.
Prioriteiten voor het kabinet in deze WSIS+20 onderhandelingen zijn de multi-stakeholder
benadering van de governance van digitale technologieën, waaronder het internet, en het verstevigen van de verbinding
tussen (economische) digitale ontwikkeling, cyberveiligheid, digitale inclusie en
de bescherming van mensenrechten online. De huidige inzet van de Ambassadeur voor
Cyber en Veiligheid komt overeen met de inzet van het kabinet op een wereldwijd open,
vrij en veilig internet, conform de Internationale Cyberstrategie 2023–2028. Het bevorderen
van de bescherming van mensenrechten online is hiervan een expliciet en integraal
onderdeel.
Aanbeveling 5: Maak de inzet voor maatschappelijke ruimte onderdeel van de geopolitieke
agenda van de Europese Unie. En blijf ook de (online) maatschappelijke ruimte binnen
de EU beschermen en versterken. Intensiveer de samenwerking op het terrein van maatschappelijke
ruimte.
De Europese Commissie speelt als hoedster van de EU-verdragen een sleutelrol in het
bevorderen van fundamentele EU-waarden en het handhaven van EU-wetgeving. In dat licht
vroeg het kabinet de Europese Commissie optimaal gebruik te maken van de beschikbare
instrumenten, waaronder het EU-rechtsstaatinstrumentarium, bij schending van het Unierecht
op dit terrein.
Het Team Europe Democracy-verband biedt een platform om handelingsperspectieven te verkennen, zoals de door
de Europe Commissie geïnitieerde civil society strategy. Met het EU-actieplan voor mensenrechten en democratie (2020–2027) maakt de inzet
op maatschappelijke ruimte reeds deel uit van de Europese agenda.
Tevens verwelkomde Nederland de richtlijn die strategische rechtszaken tegen publieke
participatie moet tegengaan (de kennelijk ongegronde of onrechtmatige gerechtelijke
procedures om maatschappelijke inspraak tegen te gaan). Het kabinet acht het positief
dat deze richtlijn ook als eerste expliciet binnen de EU bescherming biedt aan vrouwelijke
mensenrechtenverdedigers of verdedigers die opkomen voor vrouwenrechten of lhbtiq+-rechten
in de EU. Daarnaast is het kabinet voorstander van belangrijke initiatieven in EU-verband
zoals het voorgenomen European Democracy Shield, dat bijdraagt aan het beschermen van de maatschappelijke ruimte.
Het kabinet onderschrijft het belang van inzet op genoemde thema’s ook in Raad van
Europa (RvE)-verband. Naleving van uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten
van de Mens (EHRM) blijft een prioriteit van Nederland. Nederland is bovendien medeoprichter
en actief lid van de Group of Friends of the Council of Europe on the Safety of Journalists and Media Freedom, die zich inzet voor de bescherming van journalisten en het bevorderen van mediavrijheid.
Voor 2025 heeft Nederland wederom een financiële bijdrage aan dit Platform geleverd.
In het kader van de RvE-budgetonderhandelingen zet het kabinet steevast in op voldoende
middelen voor de Mensenrechtencommissaris, evenals voldoende financiering voor het
EHRM en het Department for the Execution of Judgments, die tevens van belang zijn voor bescherming van de maatschappelijke ruimte. In het
Comité van Ministers van de RvE vraagt Nederland met gelijkgezinde landen regelmatig
om aandacht voor mensenrechtenverdedigers en maatschappelijke organisaties. De aanbeveling
ten aanzien van de rapporten van de Expert Council on NGO Law bij het monitoren van maatschappelijke ruimte zal het kabinet meenemen in de beleidsvorming.
Bovendien zet het kabinet zich actief in voor de herziening van de aanbeveling van
het Comité van Ministers inzake de rechtspositie van maatschappelijke organisaties.4 Deze herziening ziet onder andere op het beschermen en versterken van de (online)
maatschappelijke ruimte.
Aanbeveling 6: Voer de Nederlandse richtlijn voor ambassades, Strengthening and Protecting Civic Space and its Defenders, systematisch door. Blijf daarnaast een van de belangrijkste bilaterale donoren voor
lokale maatschappelijke organisaties, maar innoveer wel. Zorg voor consistentie van
inzet op bilateraal niveau met aangenomen multilaterale resoluties.
Het kabinet bevestigt de belangrijke rol die ambassades spelen bij het beschermen
en versterken van de maatschappelijke ruimte ter plaatse. Tegelijkertijd erkent het
kabinet dat bezuinigingen op de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken
weerslag zullen hebben op de reikwijdte van deze inzet. Zoals aangegeven in de kabinetsreactie
op de IOB-evaluatie van het mensenrechtenbeleid,5 dient het ambitieniveau van Nederland te worden bijgesteld, al blijft Nederland in
vergelijking met veel andere landen veel aan mensenrechten doen.
Via ambassades, ook die geen decentraal mensenrechtenfonds meer zullen ontvangen,
blijft Nederland waar mogelijk met partners wereldwijd diplomatieke bijstand bieden
aan mensenrechtenverdedigers en andere beschermers van de maatschappelijke ruimte,
onder andere door het bijwonen van rechtszaken, het bieden van een veilige haven op
ambassades, het faciliteren van dialoog en het aankaarten van zorgen bij autoriteiten.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken werkt reeds met de richtlijn voor ambassades
Strengthening and Protecting Civic Space and its Defenders. De richtlijn en cursussen zullen worden voortgezet en doorontwikkeld, onder andere
door de bevindingen uit dit adviesrapport mee te nemen in het trainingsmateriaal.
In lijn met de kabinetsreactie op het IOB-evaluatierapport «Tussen papier en praktijk:
Evaluatie van het Nederlandse mensenrechtenbeleid in een veranderende wereldorde (2017–2022)»
neemt het kabinet de aanbeveling ter harte om posten, waar relevant, in hun jaarplanning
explicieter in te laten gaan op de uitvoering van multilaterale richtlijnen, instrumenten
en resoluties.
Aanbeveling 7: Geef het goede voorbeeld met bescherming van maatschappelijke ruimte
in Nederland en Europa. Zet extra in op diplomatieke dialoog en druk voor bescherming
van diaspora’s of tegen andere buitenlandse inmenging, zoals in het Nederlandse medialandschap.
Het kabinet erkent het belang van het beschermen van maatschappelijke ruimte in Nederland
en Europa, onderschrijft deze aanbeveling en acht van belang om Nederland, en specifiek
in Nederland woonachtige diasporagemeenschappen, te beschermen tegen statelijke inmenging.
Het kabinet is zich al langer bewust van de dreiging die uitgaat van inmenging door
buitenlandse overheden en de manier waarop deze de maatschappelijke ruimte van gemeenschappen
in Nederland op onaanvaardbare manier kan schenden. Sinds 2018 hanteert de Rijksoverheid
de aanpak ongewenste buitenlandse inmenging (OBI). Hierbinnen worden verschillende
maatregelen genomen om statelijke inmenging tegen te gaan en aan te pakken, bijvoorbeeld
door de dreiging tegen de nationale veiligheid inzichtelijk te maken, door op strafrechtelijke
dan wel bestuurlijke of diplomatieke wijze in te grijpen en door de weerbaarheid van
gemeenschappen te verhogen. Daarnaast bezien wij in het kader van de Rijksbrede strategie
voor de effectieve aanpak van desinformatie ook de maatschappelijke ruimte in de digitale
context.6
Aanbeveling 8: Investeer extra middelen in de uitvoering van de nieuwe Europese zorgplichtrichtlijn
voor het bedrijfsleven. Maak gebruik van deze richtlijn om aandacht te vragen voor
maatschappelijke ruimte bij economische diplomatie en bijbehorende instrumenten.
Veel van de aanbevelingen op dit terrein zijn onderdeel van staand beleid. Het kabinet
verwacht van Nederlandse bedrijven die internationaal opereren dat zij de OESO-richtlijnen
voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen toepassen.
Het betrekken van relevante (lokale) stakeholders is daar een belangrijk onderdeel
van.
Ten aanzien van de aanbeveling om diverse ministeries te betrekken bij de implementatie
van de Corporate Sustainability Due Diligence Directive CS3D), is relevant te vermelden dat in de zomer van 2024 de Interdepartementale Werkgroep
Implementatie (IWI) van start is gegaan ten behoeve van een effectieve implementatie
van de richtlijn. Hierin zijn – naast het Ministerie van Buitenlandse Zaken – de Ministeries
van Economische Zaken, Klimaat en Groene Groei, Financiën, Justitie en Veiligheid,
Infrastructuur & Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Sociale Zaken
en Werkgelegenheid, Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en Algemene Zaken
betrokken. Net als de AIV ziet het kabinet, zeker gezien de raakvlakken met onderwerpen
van andere departementen (klimaat, civiele aansprakelijkheid, mkb etc.), het belang
van interdepartementale samenwerking bij een effectieve implementatie van de richtlijn.
Binnen de IWI is ruimte om een veelheid aan onderwerpen te agenderen, waaronder het
beschermen van maatschappelijke ruimte in Europa en daarbuiten.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken faciliteert daarnaast een IMVO-werkgroep voor
ambassades. Het Nederlandse handelsbeleid is immers gebaseerd op balans: het gaat
om de versterking van ons internationale verdienvermogen en tegelijkertijd om blijvend
te engageren met landen in een brede bilaterale relatie. Mensenrechten en handel sluiten
elkaar niet uit, maar kunnen juist elkaar aanvullen. Keuzes voor prioritaire markten
en de economische relaties die hieruit voortvloeien bieden mogelijkheden om binnen
deze brede bilaterale relatie het gesprek te voeren over onderwerpen zoals mensenrechten
en IMVO. Ook wordt vanuit ontwikkelingshulp met subsidies ondersteuning geboden aan
multistakeholder initiatieven om te komen tot duurzame oplossingen in productielanden,
zodat waardeketens die belangrijk zijn voor Nederland voldoen aan de mensenrechten
en milieunormen waarop de CS3D is gebaseerd. In het kader van de Omnibus-I-onderhandelingen
blijft regeldrukvermindering ook bij deze richtlijn een prioriteit van het kabinet.
Tevens is het kabinet conform Regeerprogramma voornemens de CS3D lastenluw te implementeren,
zonder nationale koppen.
In reactie op de aanbeveling over exportkredietverzekeringen (EKV) stelt het kabinet
dat bij de verstrekking van EKV’s de risico’s voor mens, dier en milieu altijd zorgvuldig
in kaart worden gebracht. Daarbij worden ook mensenrechten in de specifieke context
van het project meegewogen, conform internationale standaarden. Door hier als onderdeel
van het Arrangement on officially supported export credits en daaraan gelieerde regelgevende kaders in OESO verband afspraken over te maken wordt
het gelijke speelveld geborgd.7 Het toepassen van de OESO-richtlijnen is een voorwaarde om als bedrijf aanspraak
te kunnen maken op het BHO-handelsinstrumentarium. Via een risicogestuurde en proportionele
aanpak wordt gecheckt of bedrijven hieraan voldoen. Tijdens dit proces wordt continu
ingezet op het vergroten van algemene kennis en het bewustzijn bij alle ondernemers
die aanspraak willen maken op steun, om het bedrijfsleven te laten groeien in IMVO-volwassenheid
en zo voor te bereiden op IMVO-wetgeving.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
D.M. van Weel
De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,
A. de Vries
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
A. de Vries, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken