Brief regering : Kabinetsreactie op het adviesrapport STOER
32 847 Integrale visie op de woningmarkt
Nr. 1383
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 oktober 2025
1. Inleiding
In Nederland is de behoefte aan nieuwe, betaalbare woningen urgenter dan ooit. Starters
hebben veel moeite met het vinden van een plek op de woningmarkt, gezinnen kunnen
hun woonwensen niet realiseren en voor kwetsbare groepen is passende huisvesting steeds
moeilijker te vinden. Tegelijkertijd lopen woningbouwprojecten onnodige vertragingen
op, stijgen de kosten en worden procedures steeds complexer.
Ook de opeenstapeling van regelgeving leidt tot extra complexiteit. Hoewel elke regel
een legitiem publiek belang dient, zorgt de veelheid ervan voor een ondoorzichtig
en moeilijk voorspelbaar proces. Voor initiatiefnemers en overheden is daardoor vaak
onduidelijk welke eisen en stappen nodig zijn om projecten te realiseren. Dit leidt
tot vertragingen, hogere kosten en grote onzekerheid. Projecten worden aangepast,
uitgesteld of zelfs afgeblazen – juist op het moment dat snelheid en betaalbaarheid
cruciaal zijn.
Het is daarom essentieel om woningbouwopgaven een centralere plek te geven in besluitvorming.
Door regelgeving slimmer toe te passen en waar mogelijk te vereenvoudigen, wordt bijgedragen
aan de realisatie van ten minste 100.000 woningen. Vanuit deze insteek is in 2024
het programma STOER (Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regelgeving)
gestart. Dit programma richt zich niet alleen op het opsporen en schrappen van onnodige
of tegenstrijdige regels, maar ook op het beter benutten van bestaande wettelijke
ruimte en het versterken van samenwerking tussen overheden en marktpartijen. Deze
aanpak sluit aan bij het Actieprogramma Minder Druk Met Regels zoals dat in de brief
5 september jl.1 over Ondernemingsklimaat door de Minister van Economische Zaken is geschetst.
Een externe adviesgroep onder leiding van de heer Friso de Zeeuw heeft op 10 juli
2025 een eindrapport opgeleverd waarvan de strekking is, dat de stapeling, versnippering
en het gebrek aan een samenhangende toepassing van regels tot vertraging, hogere kosten
en onzekerheid leidt. Daarbij komt dat het belang van woningbouw en van de woningzoekende
vaak minder expliciet wordt meegewogen in de bestuurlijke en juridische afwegingen.
Met deze brief informeer ik namens het kabinet uw Kamer over de kabinetsreactie op
het eindrapport van de adviesgroep STOER. Dit is een voortzetting van mijn eerder
aan uw Kamer toegezonden brief naar aanleiding van het eerste rapport2. Het kabinet onderschrijft de noodzaak van een verandering in de wijze waarop regelgeving
rond woningbouw wordt vormgegeven en toegepast. Het kabinet doet dit niet lichtzinnig.
Bestaande regels en werkwijzen dienen vaak een doel. In praktijk draagt dit echter
niet altijd bij aan het realiseren van de benodigde woningen. Gezien de woningnood
maakt het kabinet op sommige thema’s daarom de keuze om het realiseren van woningbouw
centraler te stellen.
Het realiseren van ten minste 100.000 woningen per jaar is geen vrijblijvende ambitie,
maar een dringende maatschappelijke opdracht die om daadkracht vraagt. Dit traject
STOER is onderdeel van een bredere beweging om de woningbouw daadwerkelijk te versnellen.
Hierbij is nauwe samenwerking met medeoverheden, marktpartijen, woningcorporaties
en een goede afstemming met uw Kamer onmisbaar. Hoewel het kabinet demissionair is,
maken de ernst van het woningtekort en de aanhoudende woningnood het noodzakelijk
om ook in deze demissionaire fase door te pakken.
Het kabinet gaat aan de slag met het merendeel van de adviezen uit het adviesrapport.
Voor adviezen die gericht zijn aan medeoverheden en bouwpartijen doet het kabinet
nadrukkelijk de oproep om deze voortvarend op te pakken.
1.1. Afwegingskader STOER
De adviesgroep STOER hanteert een afwegingskader dat richting geeft aan voorstellen
voor het verminderen van regeldruk en het versnellen van de woningbouw. Het doel is:
meer woningen, sneller en tegen lagere kosten. Dit vraagt om het schrappen, aanpassen
of juist toevoegen van regels, instrumenten of handreikingen die bijdragen aan tijd-
en kostenbesparing. De adviesgroep waarschuwt voor het stapelen van voorschriften
en ambities. Wat afzonderlijk beperkt lijkt, leidt in samenhang vaak tot vertraging
en hogere kosten. Bij elke voorgestelde wijziging van regelgeving is zorgvuldig gekeken
naar de balans tussen woningbouw en andere maatschappelijke belangen. Woningbouw krijgt
daarbij een centrale, maar geen absolute prioriteit. Gezondheid, veiligheid en leefomgevingskwaliteit
blijven randvoorwaarden.
Voor locatie- en ontwerpkeuzes blijft de decentrale autonomie van gemeenten, provincies
en waterschappen leidend, tenzij lokale regels woningbouw onevenredig belemmeren.
Europese kaders zijn richtinggevend; extra nationale regels («koppen») wil STOER vermijden.
De voorstellen sluiten aan bij bestaande bestuurlijke en juridische structuren en
richten zich op eenvoud en kostenbeheersing. Waar mogelijk wordt ingezet op standaardisering,
industrialisatie en digitalisering. De daarmee behaalde tijd- en kostenwinst moet
ten goede komen aan betaalbare woningbouw, zoals beoogd in het wetsvoorstel Versterking
regie volkshuisvesting.
Het kabinet onderschrijft de hoofdlijnen van dit afwegingskader en ziet het als waardevolle
leidraad voor beleid en besluitvorming rond woningbouwversnelling en -betaalbaarheid.
1.2. Agenda kabinet bij de uitvoering adviezen STOER
In onderstaand overzicht zijn de acties waarmee het kabinet de komende tijd aan de
slag gaat opgenomen:
Snellere woningbouw
• Besluitvorming bezwaarschriften binnen de wettelijke termijn.
• Versnelling beroepsprocedures bij de bestuursrechter (opgenomen in de Wet versterking
regie op de volkshuisvesting) en voorrang voor woningbouwzaken.
• Vergroten van de uitvoeringskracht van medeoverheden.
• Inzet van AI bij standaard bezwaar- en beroepszaken.
Meer woningbouw
• Ontwikkelen en toetsen van een alternatieve methode voor cumulatie van geluid.
• Aanpassen geluidsproductieplafonds bij spoorwegen.
• Gebruik van een landelijk netwerk van soortenmanagementplannen (SMP’s) stimuleren.
• Convenant tussen waterschappen en gemeenten over water en bodem, inclusief landelijke
norm tegen wateroverlast bij extreme regenval.
• Gebruik van bodemkwaliteitskaarten en stimuleren van hergebruik van grond en bagger.
• Het kabinet gaat praktische handvatten bieden voor gebiedsontwikkeling nabij spuitzones.
• Verbeteren besluitvorming archeologie, stimuleren van het maken en gebruiken van archeologische
verwachtings- en beleidskaarten door gemeenten.
• Europese inzet voor versoepeling van natuurcompensatie en flora-faunaprocedures.
• Ondersteuning van decentrale overheden bij maatwerk bodemsanering.
• Digitalisering en standaardisering van gegevensuitwisseling (DSO, DSGO, DSFL).
• Uitvoering van het Actieprogramma Beschikbaarheid Drinkwaterbronnen samen met drinkwaterbedrijven
en provincies.
Goedkopere woningbouw
• Aanpassing van technische eisen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (trappen, plafondhoogte,
geluid tussen ruimten, terugdraaien van de daglichtnorm en beperking van de checklistplicht).
• Vanaf 17 november 2025 het inzicht in NEN-normen gratis digitaal beschikbaar maken.
• Fabrieksmatige woningen met erkende kwaliteitsverklaring vrijstellen van vergunning-
of meldingsplicht.
• Verruiming van de bouwmogelijkheden langs spoor door verlaging van geluidplafonds.
• Opschorting besluit over verlaging standaardwaarde geluid door spoorwegen.
2. Inhoudelijke reactie op advies STOER
Het adviesrapport van de adviesgroep STOER richt zich op het verminderen van regeldruk
en het versnellen van de woningbouw, en bestrijkt alle fasen van het bouwproces –
van de planvorming tot en met bezwaar en beroep. Het kabinet geeft in dit hoofdstuk
per thema een inhoudelijke reactie op de aanbevelingen uit het rapport. Per onderdeel
wordt eerst kort de kern van het advies weergegeven (cursief), gevolgd door de kabinetsreactie.
2.1. Technische kwaliteit woningen (hoofdstuk 3 adviesrapport)
De adviesgroep stelt voor om diverse bouwtechnische eisen in het Besluit bouwwerken
leefomgeving (verder: Bbl) te versoepelen om woningbouw goedkoper, efficiënter en
duurzamer te maken. De voorgestelde versoepelingen vereisen een zorgvuldige afweging
van kwaliteit versus kostenreductie. Volgens de adviesgroep is dit mogelijk zonder
in te boeten op veiligheid of gezondheid, mits slim ontworpen en uitgevoerd.
In de eerste reactie op het STOER advies ben ik ingegaan op de meeste voorstellen
van de adviesgroep over de technische kwaliteit van woningen.3 Het eindrapport van de adviesgroep is op deze voorstellen ongewijzigd. De kabinetsreactie
op dit hoofdstuk is beperkt tot een korte stand van zaken.
De voorgestelde4 aanpassingen van het Bbl (trappen, plafondhoogte en geluid tussen ruimten binnen
een woning) worden dit najaar ter advisering aan het Overlegplatform Bouwregelgeving
voorgelegd. In deze wijziging wordt ook de voorgenomen aanwijzing van de nieuwe daglichtnorm
teruggedraaid. Verder is in overleg tussen VRO, SZW en de Arbeidsinspectie afgesproken
om de plicht tot het toepassen en aanleveren van de checklist veilig gebouwonderhoud
bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit te beperken tot
die gevallen waarbij mogelijk aanvullende (bouwkundige) maatregelen nodig zijn. Bij
woningen en woongebouwen die niet hoger zijn dan 13,5 meter is dat niet het geval
en deze zullen dan ook van de plicht worden uitgezonderd. Deze wijzigingen van het
Bbl worden in het voorjaar van 2026 aan uw Kamer ter voorhang aangeboden. Ook ben
ik voornemens om, mede op advies van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR), vanaf
17 november 2025 de inzage in de in het Bbl aangewezen NEN-normen gratis digitaal
beschikbaar te maken.
De door de adviesgroep STOER voorgestelde aanpassing van de zogenoemde 55%-eis in
relatie tot de regels voor daglicht en ventilatie wordt op dit moment nader onderzocht.
Hetzelfde geldt voor het voorstellen van de adviesgroep STOER over spuien via niet-geluidgevoelige
gevels en geluidwering bij tijdelijke bouw, waarbij het kostenaspect, naast het gezondheidsbelang,
een belangrijk aandachtspunt is. Mocht het onderzoek leiden tot een voorstel voor
aanpassing in de regelgeving dan zal dit in de tweede helft 2026 worden meegenomen
in een wijziging van het Bbl.
In navolging van het advies over typegoedkeuring en Woontopafspraak 15 ga ik (fabrieksmatige)
woningen die voorzien zijn van een erkende kwaliteitsverklaring voor zowel de productie
en de assemblage op de bouwplaats vrijstellen van de vergunning- of meldingsplicht
voor de technische bouwactiviteit. Met een erkende kwaliteitsverklaring is immers
al aangetoond dat aan de bouwtechnische regels van het Bbl is voldaan en kan worden
volstaan met het informeren van het bevoegd gezag over de start en beëindiging van
de bouwwerkzaamheden. Ik zal dit nog dit jaar, in samenwerking met de VNG en andere
betrokken partijen, verder uitwerken.
Tot slot wil ik aandacht vragen voor de constatering van de adviesgroep dat er, met
name in het kader van energiezuinigheid, te weinig gebruik gemaakt wordt van gelijkwaardigheid.
Het uitgangspunt dat ook op een andere manier dan via de aangewezen norm, in dit geval
de NTA 8800, kan worden aangetoond dat een gebouw aan de regels voldoet is op alle onderdelen van de bouwregelgeving toepasbaar. Dit maakt het mogelijk om installatiearme
concepten toe te passen, wat aanzienlijk kan schelen in kosten, onderhoud en uitvoeringscomplexiteit,
zolang maar sprake is van een «bijna energieneutraal» gebouw. De komende tijd zal
ik met een aantal aanbieders van dat soort concepten in gesprek gaan om gezamenlijk
te bezien hoe de gelijkwaardigheid beter kan worden aangetoond. Ik roep ook adviseurs
en opdrachtgevers op om hiermee aan de slag te gaan en maximaal gebruik te maken van
de ruimte die de regelgeving biedt.
2.2. Landelijke normering omgevingskwaliteit (hoofdstuk 4 adviesrapport)
2.2.1. Geluidproductieplafonds hoofdspoorwegen
De adviesgroep stelt voor om snel over te gaan tot verlaging van de geluidproductieplafonds
voor spoorwegen om zo meer en goedkoper woningbouw nabij spoorwegen mogelijk te maken.
Met dit voorstel borduurt de adviesgroep voort op de eerdere bestuurlijke afspraak
tussen de Staatssecretaris van IenW en de VNG uit december 2023 om de vrije geluidruimte
bij het spoor transparant te maken en waar mogelijk locatie specifiek beschikbaar
te stellen voor woningbouw.
De verlaging van de geluidproductieplafonds leidt tot een kostenreductie voor woningbouw
op de betreffende locaties, doordat in veel gevallen met minder geluidwering volstaan
kan worden dan voor de verlaging en ook minder vaak speciale geluidwerende gevelconstructies
met bouwkundige maatregelen nodig zullen zijn (voorheen «dove gevels» genoemd). In
de uitvoering van deze bestuurlijke afspraak is inmiddels goede voortgang geboekt,
waarbij met betrokken partijen een evenwicht is gevonden tussen vervoersbelangen en
woningbouwbelangen. De Staatssecretaris van IenW zal naar verwachting nog dit jaar
een definitief besluit tot grootschalige verlaging van de geluidproductieplafonds
kunnen nemen. Onderdeel van die procedure is de publicatie van het ontwerpbesluit,
waarover zienswijzen kunnen worden ingediend. Voor de periode tot aan het besluit
heeft het Ministerie van IenW aan de VNG informatie en handvatten voor gemeenten aangereikt
hoe omgegaan kan worden met, en hoe mogelijk geanticipeerd kan worden op de definitieve
verlaging van de geluidproductieplafonds.
Naast snel overgaan tot verlaging van de geluidproductieplafonds adviseert de adviesgroep
ook om af te zien van het voornemen om de standaardwaarde voor het geluid door spoorwegen
op de gevel van geluidgevoelige gebouwen te verlagen van 55 naar 52 dB Lden. Dit voornemen, dat is vastgelegd in eerdere kamerbrieven5 vindt zijn oorsprong in de WHO-richtlijnen6, waarin onder andere werd aanbevolen om de bescherming tegen slaapverstoring door
nachtelijk geluid van spoorwegen te verbeteren.
Een mogelijke verlaging van 55 dB naar 52 dB kan voor extra onzekerheid zorgen voor
de woningbouwopgave. Daarom zal het kabinet hier niet over besluiten.
2.2.2 Cumulatie vliegtuiglawaai
De adviesgroep heeft voorgesteld luchtvaartgeluid uit te zonderen in de regelgeving
over cumulatie van geluid en daarnaast in die regelgeving te voorzien in een limitatieve
in plaats van indicatieve opsomming van bronnen die bij cumulatie betrokken moeten
worden. Onderdeel van het voorstel is ook om in deze limitatieve opsomming wel andere
activiteiten met een geluidniveau boven de standaardwaarden uit artikel 5.65 van het
Besluit kwaliteit leefomgeving op te nemen. Verder wordt voorgesteld om gemeenten
te steunen bij de inzet van innovatieve methoden om geluidadaptief te bouwen.
In februari 2024 heeft de toenmalige Staatssecretaris van IenW met de VNG, het IPO,
de Bestuurlijke Regie Schiphol (BRS) en de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening bestuurlijk afgesproken om gezamenlijk stevig in te zetten op onderzoek naar
een alternatieve methode om de samenloop van geluid van meerdere bronnen te bepalen
en de aanvaardbaarheid daarvan (kwalitatief) te beoordelen. Dat traject loopt nu goed
en alle inzet is gericht op een methode die recht doet aan de hinder van verschillende
geluidbronnen en tegelijk in de uitvoeringspraktijk beter toepasbaar is. Onderdeel
van dit proces is een «botsproef» om een goed beeld te krijgen van de werking en van
de voor- en nadelen van mogelijke alternatieven in de uitvoeringspraktijk. Dit sluit
eveneens aan bij één van de voorstellen van de adviesgroep om ook op de langere termijn
de regeldruk te beheersen (advies 12.3). Deze «botsproef» is op 14 oktober gepland
en daarin wordt het voorstel van de adviesgroep worden betrokken. Waar relevant wordt
een relatie gelegd met andere lopende trajecten, zoals de Woondeals, de NOVEX Schipholregio
en de Woontop. Onderdeel van deze trajecten is ook het stimuleren van geluidadaptief
bouwen in de Schipholregio. Het kabinet ziet het als een gezamenlijk belang om het
lopende proces daadkrachtig voort te zetten en op basis van de «botsproef» zo spoedig
mogelijk een gedragen besluit te nemen.
De Staatssecretaris van IenW zal in overleg met alle betrokken partijen nog dit jaar
een besluit nemen over een mogelijke alternatieve methode voor cumulatie, waarna deze
keuze in de regelgeving wordt geïmplementeerd.
2.2.3 Basisnet gevaarlijke stoffen/omgevingsveiligheid
Het advies van de adviesgroep op het gebied van omgevingsveiligheid focust op drie
punten: 1) het schrappen van de verplichting om binnen een aandachtsgebied een voorschriftengebied
aan te wijzen voor zeer kwetsbare gebouwen, in gevallen waarin risico’s verwaarloosbaar
klein zijn, 2) het gelijk stellen van zeer kwetsbare gebouwen aan kwetsbare gebouwen,
waarmee af wordt gezien van de verplichte voorschriften voor zeer kwetsbare gebouwen,
en 3) het inzichtelijker maken van het toepassen van gelijkwaardigheid in het Bbl.
Onlangs hebben het Rijk en decentrale overheden afspraken gemaakt over een bestuurlijk
overleg over het basisnet dat nog dit jaar tussen deze partijen plaats zal vinden.
In dat bestuurlijk overleg zullen de maatschappelijke en economische noodzaak van
het vervoer van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van de leefomgeving en de effecten
en de consequenties van Basisnet op de urgente verstedelijkingsopgave in samenhang
worden beschouwd.
In lijn met het voorstel van de adviesgroep om «de verplichte voorschriftengebieden
[te] schrappen voor Basisnetroutes waar de risico’s lager zijn» gaat het kabinet in
gesprek met decentrale overheden over de precieze invulling hiervan. Dit wordt gedaan
via het ontwikkelen van een zogeheten «kernnet spoor». Daarbij zullen omleidingsroutes
uit het Basisnet spoor komen te vervallen, zodat voor die routes zonder structureel
vervoer geen aandachtsgebieden meer van toepassing zijn. De inzet van het kabinet
is om in 2026 tot besluitvorming te komen binnen de bestuurlijke gesprekken over het
Basisnet.
Het kabinet gaat ook in lijn met het advies aan de slag om handreikingen en standaarden
te ontwikkelen om toepassingsmogelijkheden voor het treffen van gelijkwaardige maatregelen
inzichtelijk te maken. Zo wordt momenteel al de laatste hand gelegd aan een handreiking
gelijkwaardigheid in voorschriftengebieden. Ook zijn er al bestaande praktijkvoorbeelden
en andere handreikingen te vinden op de Maatregelenwiki, die in opdracht van het Ministerie
van IenW door het RIVM gemaakt is.
Het kabinet voelt ook de urgentie om het omgevingsveiligheidsbeleid op enkele punten
door te ontwikkelen en neemt actief maatregelen om ruimtelijke ontwikkelingen nabij
risicobronnen te vergroten. Zo vervallen de rechtstreeks geldende aanvullende bouweisen
bij nieuwbouw in de voormalige plasbrandaandachtsgebieden langs enkele Basisnet-routes.
Ook werkt het kabinet aan het voorwaardelijk aanwijzen van een voorschriftengebied
in het omgevingsplan, waardoor een locatie pas die status krijgt als daar daadwerkelijk
een zeer kwetsbaar gebouw wordt gebouwd.
Het kabinet beziet samen met VNG en IPO hoe om te gaan met het advies om de categorie
zeer kwetsbare gebouwen gelijk te stellen met de categorie kwetsbare gebouwen. Het
uitgangspunt van het Rijk hierbij is dat het schrappen van de categorie zeer kwetsbare
gebouwen de bescherming van niet-zelfredzame personen tegen incidenten met gevaarlijke
stoffen wegnemen, wat onwenselijke gevolgen heeft voor het bredere omgevingsveiligheidsbeleid.
Daarnaast vallen woningen niet onder de categorie «zeer kwetsbaar gebouw» en de bouw
hiervan binnen aandachtsgebieden is al toegestaan zonder aanvullende bouwmaatregelen,
mits vooraf een bestuurlijke veiligheidsafweging wordt gemaakt. Aandachtsgebieden
dienen juist om het gesprek te faciliteren over ruimtelijke ontwikkelingen in relatie
tot vervoer van gevaarlijke stoffen.
2.2.4. Bodemonderzoek en sanering
De adviesgroep pleit voor het onder voorwaarden versoepelen van bodemsanering, het
ruimte geven aan gemeenten voor specifiek beleid en voor het stimuleren van het gebruik
van licht verontreinigde grond. Te strakke regels kunnen volgens de adviesgroep leiden
tot vertragingen, hogere kosten en zelfs het stilvallen van bouwprojecten.
Bodemonderzoek en -sanering zijn nodig om een veilige en schone omgeving voor burgers
te garanderen. Met de Omgevingswet zijn aanwijzingen en bevoegdheden aan decentrale
overheden gegeven voor het definiëren van een schone omgeving voor bijvoorbeeld woningbouw.
De bodemregelgeving geeft verschillende mogelijkheden voor regionaal maatwerk. Het
kabinet herkent de wens om projecten te versnellen door de complexiteit van bodemonderzoek
en -sanering te verminderen. De adviezen worden nauw betrokken bij het lopende project
«Herijking bodemregelgeving», waar de bodemregelgeving tegen het licht wordt gehouden
en aangepast wordt naar de eisen van de tijd. Ook signalen over onduidelijkheden omtrent
Aanvullingswet bodem Omgevingswet en het overgangsrecht Wet bodembescherming (Wbb)
worden daarbij betrokken. Dit vindt plaats in overleg met betrokken stakeholders en
met de koepels binnen de samenwerkingsagenda bodem en ondergrond. Zo maakt bijvoorbeeld
het stimuleren van hergebruik van grond en bagger onderdeel uit van dit traject.
Bodemsanering
In lijn met het advies gaat de Minister van IenW in het kader van de samenwerkingsagenda
bodem en ondergrond samen met de koepels verkennen hoe decentrale overheden ondersteund
kunnen worden om op basis van de lokale specifieke situatie andere grenswaarden te
hanteren bij saneringen (indien geen risico’s voor de mens optreden). Dit kan het
makkelijker maken om op specifieke locaties woningen te ontwikkelen zoals in binnensteden
met veel historische verontreiniging. De wet kent al de mogelijkheid om eisen voor
bodemsanering voor woningbouw in die situaties te versoepelen. Het in zijn algemeenheid
beperken van het overgangsrecht is niet wenselijk; het biedt namelijk de mogelijkheid
om de aanpak van verontreinigingen onder de Wbb ordentelijk af te ronden.
De adviesgroep stelt dat er veel verschil van interpretatie is over de Aanvullingswet
Bodem en het overgangsrecht Wet bodembescherming (Wbb). Het kabinet acht onduidelijkheid
hierover onwenselijk. Daarom heeft het kabinet reeds voorzien in uitleg op de website
van IPLO en in een toelichtende brief naar bevoegde overheden.
Bestaande subsidies zoals de Woningbouwimpuls kunnen worden benut als financiële ondersteuning
voor bodemsanering ten behoeve van woningbouw. De adviesgroep stelt voor om deze subsidiemogelijkheden
uit te breiden, bijvoorbeeld door de Woningbouwimpuls ook voor kleinere projecten
mogelijk te maken. Met de aanstaande realisatiestimulans kunnen ook kleinere projecten
financiële ondersteuning vanuit het Rijk benutten voor bodemsanering. Het advies om
de Woningbouwimpuls ook beschikbaar te stellen voor kleinere projecten (onder 200
woningen) wordt niet overgenomen, omdat deze subsidie juist is gericht op grotere
projecten. Verlaging van de grens van 200 heeft negatieve gevolgen voor de doelmatigheid
en effectiviteit van de Woningbouwimpuls.
Het advies om voor licht verontreinigde grond terug te gaan naar de voorlaatste versie
CROW4007 neemt het kabinet niet over Het kabinet gaat daar niet over, omdat CROW 400 is opgesteld
door een breed samengestelde groep partijen vanuit opdrachtgevers, de markt en de
overheid. Bovendien zou de voorgestelde wijziging niet leiden tot minder regels. De
wettelijke verplichting blijft bestaan om waar nodig maatregelen te nemen om een te
hoge blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen te voorkomen. Die maatregelen
kunnen ook nodig zijn bij het werken met licht verontreinigde grond.
Toepassen en hergebruik
Het kabinet deelt het standpunt van de adviesgroep dat het gebruik van bodemkwaliteitskaarten
in plaats van individuele bodemonderzoeken het ontwikkelproces kan versnellen. Gemeenten
hebben de mogelijkheid een bodemkwaliteitskaart voor hun beheergebied op te stellen.
Vrijwel alle gemeenten hebben die ook al. Het Ministerie van IenW gaat met de VNG
in gesprek hoe dit advies in de praktijk gebracht kan worden.
Hergebruik van grond en bagger op gebiedsniveau wordt gestimuleerd door het Rijk,
omdat er dan minder materiaal aangevoerd hoeft te worden. Hoogwaardig hergebruik van
grond komt ten goede aan diverse maatschappelijke opgaven, zoals de woningbouw. Bodemkwaliteitsklassen
zijn gebaseerd op risico’s, onder andere op het gebied van gezondheid, voor het specifieke
gebruik van de locatie.
De adviesgroep stelt voor om de klassen «wonen» en «industrie» samen te voegen. Het
kabinet neemt dit advies niet over. De bepaling van de bodemkwaliteitsklassen is gebaseerd
op risico’s, onder andere op het gebied van gezondheid. Bij de functies wonen en industrie
past een andere kwaliteit. Samenvoegen van de twee kwaliteitsklassen kan ondermijnend
werken voor het maatschappelijk draagvlak voor het hergebruik van grond, omdat dan
niet gegarandeerd kan worden dat er geen risico’s voor mens en milieu optreden. Daarnaast
zorgt samenvoegen van deze twee kwaliteitsklassen tot het verder diffuus verontreinigen
van de klasse wonen door samenvoegen met klasse industrie. Verminderd draagvlak voor
afzet van grond kan voor extra kosten en vertraging bij woningbouw zorgen. Als de
grond niet meer wordt geaccepteerd, moet deze worden afgevoerd naar elders of een
stortplaats.
PFAS
PFAS behoren tot de categorie zeer zorgwekkende stoffen en daarom is zorgvuldigheid
geboden. Op dit moment zijn er geen normen voor PFAS (Per- en polyfluoralkylstoffen)
vastgelegd in wet- en regelgeving8 en geldt voor het toepassen van grond en baggerspecie de zorgplicht. Het Handelingskader
PFAS bevat advies voor invulling van die zorgplicht en geeft daarmee handvatten aan
de uitvoeringspraktijk. Met een goede onderbouwing kan afgeweken worden van dit advies.
Dit is altijd ter beoordeling aan het bevoegd gezag; gemeente of provincie.
Voor de afzet van grond is het noodzakelijk dat er duidelijkheid is over mogelijke
verontreiniging. PFAS komt op zeer veel locaties voor. Wanneer PFAS-houdende grond
zonder dat te weten elders wordt hergebruikt kan dat leiden tot zeer hoge herstelkosten.
Overigens kan voor veel gemeenten gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart
voor onverdachte locaties. Het advies om PFAS-analyses bij depotkeuringen te schrappen
wordt daarom niet overgenomen.
2.2.5. Milieueffectrapportage (MER)
De adviesgroep doet een aantal voorstellen gericht op het zo pragmatisch mogelijk
inrichten van de mer. Zo roept de adviesgroep op bij de mer-plicht expliciet te toetsen
op wat wettelijk verplicht is en te kiezen voor een pragmatische vorm van de Notitie
Reikwijdte en Detailniveau (NRD) en de project-mer, of de NRD zo nodig over te slaan.
Daarnaast adviseert de adviesgroep om niet alle alternatieven in het onderzoek van
het MER mee te laten lopen tot de eindfase en de afweging van de alternatieven.
Notitie Reikwijdte en Detailniveau
Het kabinet erkent dat een goede afbakening overbodig onderzoek kan voorkomen en tot
tijdswinst kan leiden en onderschrijft dit advies. Aansluiting bij de wetgeving is
voor het kabinet het uitgangspunt. Het kabinet is echter geen voorstander van het
overslaan van de NRD want deze NRD-fase is juist geschikt om alternatieven vroegtijdig
te laten afvallen (conform het advies). Dat is de plek om die keuze te motiveren.
Dit juist ter voorkoming van onnodig onderzoek en bezwaren achteraf dat bepaalde alternatieven
ten onrechte niet zouden zijn meegenomen.
Ter ondersteuning van de adviezen op dit terrein biedt de website van het Informatiepunt
Leefomgeving (IPLO) aan de praktijk al veel relevante informatie. Aanvullend zal in
bestaand overleg worden besproken of vanuit de praktijk aanvullende ondersteuning
gewenst is.
Woningbouwprojecten en milieueffectrapportage
De adviesgroep stelt voor de woningbouwopgave al op omgevingsvisieniveau in een omgevingseffectrapportage
(OER) te toetsen, zodat project-mer’s grotendeels overbodig worden. Het kabinet erkent
en ondersteunt het belang van vroege afstemming van de woningbouwopgave met andere
ruimtelijke opgaven in de omgevingsvisie. De mer-richtlijn staat het overslaan van
project-mer’s echter niet toe. De achtergrond daarvan is dat het abstractie- en detailniveau
van een omgevingsvisie en een omgevingsplan of -vergunning verschillen. Maar in lijn
met het advies kan eerder onderzoek de latere onderzoekslast op projectniveau verlichten.
De Omgevingswet biedt namelijk expliciet de mogelijkheid om bestaande rapportages
te hergebruiken. Voor kleine woningbouwprojecten volstaat vaak een mer-beoordeling,
als aanzienlijke milieueffecten kunnen worden uitgesloten. Bij grotere projecten is
meestal een project-mer verplicht, omdat die effecten niet kunnen worden uitgesloten.
Vaak wordt dan direct een project-mer uitgevoerd, zonder dubbele procedures. Advies
van de Commissie mer is daarbij niet verplicht.
Voor de vaststelling van het omgevingsplan is voor woningbouwprojecten soms ook een
plan-mer nodig. Dit is afhankelijk van keuzes van de gemeente. Wordt het woningbouwproject
dan later concreet uitgewerkt met een vergunning, dan is nog een project-mer-beoordeling
nodig, waar een project-mer-plicht uit kan volgen als er aanzienlijke milieueffecten
kunnen zijn. Ook daarbij kunnen eerdere onderzoeken opnieuw worden gebruikt. Zo wordt
dubbel werk zoveel mogelijk voorkomen.
De Staatssecretaris van IenW werkt aan een wijziging van het Omgevingsbesluit (Verzamelbesluit
Ow 2027) om de mer-richtlijn beter te implementeren. Voorgesteld wordt de project-mer
beoordeling voor onder andere woningbouwprojecten voortaan aan het omgevingsplan te
koppelen en niet aan een latere omgevingsvergunning. Daarmee vervalt voor die woningbouwprojecten
de eventuele plan-mer-verplichting voor het omgevingsplan. Voor woningbouwprojecten
die via een buitenplanse procedure (BOPA) lopen verandert niets.
Thema gezondheid
Tot slot adviseert de adviesgroep om het thema «gezondheid» in de handreiking Milieueffectrapportage
te definiëren als de optelsom van de bestaande «milieunormen» (geluid, geur, bodem
etc.). De adviesgroep vindt dat alleen als een nieuw gezondheidsrisico onomstotelijk
wetenschappelijk is onderbouwd, en het vooruitzicht is dat een bestaande norm wordt
aangepast of een nieuwe norm wordt vastgesteld, dit (nieuwe) gezondheidsrisico moet
worden meegenomen in de MER. Het kabinet kan dit advies niet onderschrijven. Het realiseren
van een gezonde leefomgeving is ook een belangrijk onderdeel bij nieuwe woningbouw.
Gezondheid moet worden meegenomen als er sprake is van aanzienlijke effecten, ook
beneden eventuele wettelijke normen en ook bezien in cumulatie met andere effecten.
Dit ontwerp sluit ook aan bij het bovenstaande advies om vroegtijdig helder af te
bakenen welke gezondheidseffecten in het milieueffectrapport worden meegenomen en
met welke motivatie. Hiervoor is volgens het kabinet de fase van de NRD uiterst geschikt.
Het kabinet zal op de geëigende manier op Europees niveau aandacht vragen voor vereenvoudiging
van de uitvoering van de mer-richtlijn door het terugdringen van overlap met andere
Europese regels.
2.2.6. Archeologie
De adviesgroep benadrukt het belang van archeologisch onderzoek voor het behoud van
erfgoed, maar doet enkele voorstellen om het planproces te versnellen en daarmee onderzoekslasten
te versoepelen. Gemeenten wordt aangeraden archeologie proactief te benaderen met
verwachtings- en beleidskaarten en vroegtijdig onderzoek te stimuleren.
Zoals de adviesgroep aangeeft is het van groot belang dat initiatiefnemers – in een
vroegtijdig stadium van hun planproces – zo veel mogelijk duidelijkheid hebben over
de (mogelijke) aanwezigheid van archeologische resten en hoe hiermee kan of moet worden
omgegaan. Het kabinet deelt het standpunt van de adviesgroep dat gemeenten hierin
een belangrijke rol kunnen spelen, door proactief archeologische verwachtings- en
beleidskaarten te laten maken en (digitaal) te laten ontsluiten en door vroegtijdig
onderzoek, archeologievriendelijk bouwen en behoud van archeologische resten in de
bodem te bevorderen. Daarnaast beveelt de adviesgroep het Ministerie van OCW aan om
een Rijksprogramma te starten dat zich richt op besluitvorming met betrekking tot
archeologische waarden door gemeenten (het zogenaamde selectiebesluit) en de goedkeuring
van archeologische Programma’s van Eisen (PvE’s). Het kabinet werkt reeds aan deze
thema's, echter niet in het kader van een Rijksprogramma, maar in het kader van het
traject Wijziging Erfgoedwet.
Met het programma Erfgoed & Overheid zet de Minister van OCW, samen met het IPO en
de VNG, stappen om archeologie beter te incorporeren in de Omgevingswetinstrumenten
die gemeenten tot hun beschikking hebben. De Minister van OCW betrekt het STOER-advies
bij dit programma.
Het kabinet deelt de mening dat het goed zou zijn als de implicaties voor onderzoeksbudgetten
inzichtelijk worden gemaakt bij wijzingen van onderzoeksprotocollen en leidraden van
de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De Minister van OCW gaat in gesprek
met vertegenwoordigers van initiatiefnemers en het archeologisch werkveld over de
mogelijkheden die er zijn om dit te doen. Wel moet daarbij worden opgemerkt dat, op
basis van het internationale verdrag van Valletta, het borgen van de archeologische
processen ten behoeve van het belang van het behoud van archeologische monumenten
(in of ex situ) altijd leidend is voor de inhoud van de KNA. De onderzoeksprotocollen
en leidraden van de KNA zijn gericht op eenduidigheid in de uitvoering van archeologisch
onderzoek. Dit draagt eraan bij dat bij de voorbereiding van woningbouw duidelijk
is wat men kan verwachten qua archeologisch onderzoek, zodat men hier rekening mee
kan houden en onnodige vertraging kan voorkomen.
2.2.7. Flora en Fauna
De adviesgroep doet verschillende voorstellen om de vereisten rondom flora en fauna
te versoepelen, zoals het inzetten van Soorten Management Plannen (SMP’s), standaardisering
van maatregelen, het verruimen van compensatiemogelijkheden en het Europees agenderen
van het versoepelen van procedures.
Het kabinet is positief over het advies om stevig in te zetten op landelijk dekkende
soortenmanagementplannen (SMP’s) voor woningbouw en woningrenovatie zoals bijvoorbeeld
de na-isolatie van spouwmuren. Op basis van een SMP kunnen provincies omgevingsvergunningen
voor flora-en fauna-activiteiten verlenen voor een bepaald gebied. Ten behoeve van
na-isolatie zijn vanuit het Rijk middelen uitgekeerd aan de provincies om samen met
gemeenten te komen tot SMP’s voor na-isolatie. Enkele provincies, zoals Zuid-Holland
en Utrecht, werken al met breder toepasbare SMP’s ook voor de woningbouwopgave. De
Tweede Kamer heeft op 5 december 2024 een motie aangenomen om de procedure voor het
verkrijgen van een omgevingsvergunning aan de hand van een SMP te versnellen. Een
SMP in combinatie met innovatieve onderzoeksmethoden en maatregelen voor natuur kan
een versnelling geven aan de woningbouwopgave. Samen met de Staatssecretaris van LVVN
wil ik eerst in gesprek met provincies over hun ervaringen met de huidige SMP’s. Op
basis daarvan bepaal ik of een landelijk dekkend netwerk van SMP’s het juiste instrument
is om de woningbouwopgave te versnellen, welke mogelijke alternatieven er zijn en
wat er nodig is om tot een landelijk dekkend netwerk van SMP’s te komen. Daarmee geef
ik tevens uitvoering aan de motie Van Campen/Bromet9 die de regering verzoekt een handreiking op te stellen waarmee provincies en gemeenten
via een gefundeerde beoordelingsmethodiek natuurinclusieve en klimaatadaptieve woningbouwprojecten
sneller te kunnen vergunnen.
De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is waardevol en ondersteunend voor de
inschatting of beschermde soorten aanwezig zijn, maar bevat alleen waarnemingen en
geen context van de waarneming (zoals functie van de plek voor de soort). Dit maakt
de NDFF niet geschikt om als enige basis te dienen voor een SMP. Er is meer informatie
nodig om ook verblijfplaatsen te kunnen bepalen. Vanaf 11 februari 2025 zijn de natuurdata
in de NDFF kosteloos te raadplegen en in 2026 wordt de NDFF als natuurregister opgenomen
in de Omgevingswet. IPO/BIJ12 is verantwoordelijk voor het beheer van de databank,
waarbij continu geïnvesteerd wordt in uitbreiding en kwaliteit van de data.
De regels voor natuurcompensatie en het beschermingsniveau voor soorten van nationaal
belang zijn gebaseerd op Europese wet- en regelgeving en internationale verdragen.
In lijn met het advies zal het kabinet op Europees niveau in gesprek gaan over de
vereenvoudiging van deze regels, met oog voor de (gunstige) staat van instandhouding
van soorten en habitattypen, én met als doel waar mogelijk bij te dragen aan een snellere
realisatie van woningbouw.
2.2.8. Spuitzones
Het advies stelt dat spuitzones voor gewasbescherming in toenemende mate een ruimtelijke
belemmering vormen voor woningbouw. De adviesgroep beveelt aan om een landelijk model
te ontwikkelen voor het beoordelen van spuitzones, agrarisch gebruik van spuitzones
te verbieden indien het gebruik gedurende een periode van 2 jaar is gestaakt, vertraging
te verminderen en een lijst maatregelen te publiceren waarmee de afstand tot spuitzones
kan worden verkleind.
Op initiatief van de Landelijke Versnellingstafel Woningbouw en de Rijksdienst voor
Ondernemend Nederland (RVO) is een handreiking10 opgesteld met oplossingsrichtingen om spuitvrije zones te realiseren. Deze handreiking
wordt meegenomen in het onderzoek dat in de volgende paragraaf wordt toegelicht. Het
kabinet geeft hiermee invulling aan het advies om te komen met een lijst aan concrete
maatregelen. Dit helpt bij het mogelijk maken van woningbouw op locaties gelegen nabij
agrarische gronden.
Het advies om tot een landelijk model te komen voor beoordeling en toetsing van spuitzones
gaat het kabinet onderzoeken. Een objectieve onderbouwing van de door jurisprudentie
ontstane «standaardafstand» van 50 meter voor nieuwe functies in omgevingsplannen
als buffer tussen agrarisch grondgebruik met open teelten waar gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
is toegestaan en bebouwing, heeft al langer de aandacht. Momenteel geven RIVM en de
WUR uitvoering aan een verkennend onderzoek om tot een wetenschappelijk onderbouwd
rekenmodel te komen ter onderbouwing van spuitzonering.11 Beide instanties bekijken in dit onderzoek ook of een afstand van 50 meter tussen
agrarische percelen met open teelten en woningbouw waarbinnen niet gespoten mag worden,
verminderd kan worden met mitigerende maatregelen. Naar verwachting zal uw kamer in
2026 geïnformeerd worden over de uitkomsten.
Het kabinet deelt het standpunt van de adviesgroep dat het in algemene zin wenselijk
is om vanaf het begin van een bouwproject een minnelijk traject te starten met agrariërs
over functiewijzigingen en, indien nodig, nadeelcompensatie mocht een dergelijke functiewijziging
noodzakelijk zijn voor de realisering van een woningbouwproject. Het advies dat, indien
het agrarisch gebruik van de spuitzone gedurende een periode van twee jaar niet heeft
plaatsgevonden, gemeenten het betreffende agrarische gebruik kan verbieden zonder
aanspraak op nadeelcompensatie is te verstrekkend. Er zijn argumenten denkbaar waarom
het agrarisch grondgebruik niet heeft kúnnen plaatsvinden. De voorgestelde maatregel
vraagt nader onderzoek naar de impact en bevoegdheden en inbreuk op eigendomsrecht.
2.2.9. Milieuzonering
De adviesgroep stelt dat de milieuzonering in de praktijk nog kan leiden tot onduidelijkheid,
met vertraging als gevolg. De adviesgroep doet daarom een aantal aanbevelingen om
tot meer duidelijkheid te komen en de VNG-handreiking «Activiteiten en milieuzonering»
aan te vullen met tekst over geluidgezoneerde industrieterreinen.
De aanbevelingen van de adviesgroep richten zich vooral op provincies, gemeenten en
omgevingsdiensten, waarvan ik ze stimuleer deze integraal over te nemen. De VNG heeft
in de Handreiking Activiteiten en Milieuzonering een nieuwe zoneringssystematiek ontwikkeld
en biedt ondersteuning aan gemeenten om deze te gebruiken en toe te passen. Ook de
vragen die hierover komen, pakt de VNG op. Wat betreft de geluidgezoneerde industrieterreinen
is de VNG voornemens om met een handreiking te komen waarin deze systematiek ook wordt
gehanteerd.
2.3. Water en bodem (hoofdstuk 5 eindrapport)
De adviesgroep adviseert landelijke eenduidige normeringen voor klimaat adaptieve
bouw waarbij vroegtijdig in het proces water en bodem kennis betrokken wordt om snellere
woningbouw mogelijk te maken. De adviesgroep adviseert vereenvoudiging van categorieën
voor locaties, beperkte bodemdaling in kwetsbare gebieden, alleen bouwen in 5–10%
van de diepst gelegen polders indien in noodzakelijk waterberging is voorzien en bouw
die anticipeert op extreme regenval. Voor KRW wordt aanbevolen om juridische maatwerkoplossingen
te gebruiken en op EU-niveau te lobbyen zodat woningbouw als «dwingend algemeen belang»
wordt erkend en KRW-eisen minder beperkend zijn.
Net als de adviesgroep, vindt het kabinet een landelijke normstelling voor het beperken
van wateroverlast bij extreme regenval of een stortbui gewenst en nodig. Dit creëert
duidelijkheid voor onder meer ontwikkelaars en bouwers en versnelt de woningbouw.
Tijdens de Woontop van 2024 is afgesproken om voortvarend aan de slag te gaan om duidelijkheid
en handelingsperspectief te bieden aan woningbouwlocaties die een opgave hebben op
het vlak van water en bodem. Hiervoor werkt het kabinet, samen met de medeoverheden,
aan een uniform kader met een landelijke norm voor wateroverlast, een landelijke norm
voor bodemdaling en een convenant over een geüniformeerde werkwijze tussen gemeenten
en waterschappen. Hiervoor is de landelijke maatlat als basis genomen. Het doel is
om voor het eind van dit jaar een (principe)besluit te nemen over borging van deze
landelijke norm.
Het ruimtelijk afwegingskader is bedoeld om overheden snel inzicht te geven welke
gebieden meer of minder geschikt zijn om in te bouwen, waarna vervolgens altijd in
samenspraak door de overheden besluiten genomen moeten worden. Deze categorieën sluiten
aan bij kaarten die door provincies en waterschappen al zijn ontwikkeld. De verschillende
«ja-mits» categorieën laten daarbij zien dat er ook locaties zijn met een kleinere
opgave voor water en bodem, wat helpt in de woningbouwopgave. Het advies om deze categorieën
samen te voegen wordt dan ook niet overgenomen. Zowel het ruimtelijk afwegingskader
als de overige thema’s uit de landelijke maatlat zijn hulpmiddelen en zijn in hun
opzet al instrumenten die een uniform kader bieden. Zo dragen ze bij aan vereenvoudiging
en versnelling van de woningbouwopgave, evenals aan besparing van capaciteit bij gemeenten.
Niet iedere gemeente hoeft zo immers opnieuw het wiel uit te vinden.
In het kader van de Woontop wordt ook gewerkt aan een convenant tussen waterschappen
en gemeenten voor water en bodem. Met dit convenant worden afspraken gemaakt over
de expertise en betrokkenheid van waterschappen en gemeenten bij woningbouwprojecten.
Dit verbetert de onderlinge samenwerking in deze projecten. Op basis van ervaring
uit de bestaande praktijkvoorbeelden wordt het convenant verbeterd. In de afzonderlijke
woningbouwprojecten wordt vervolgens gezamenlijk uitgewerkt hoe aan de randvoorwaarden
voor water en bodem wordt voldaan. Niet bij elke ontwikkeling is dezelfde maatregel
nodig of wenselijk. De benodigde wateropvang in de 5–10% diepste delen van de polders
en het verhogen van het bouwpeil met 20 centimeter zijn mogelijke maatregelen. Een
landelijke uniforme toepassing van het bouwpeil is niet doelmatig.
De adviesgroep adviseert ook een andere omgang met woningbouw aan de randen van het
Markermeer, Gouwzee, IJmeer, Gooimeer en Eemmeer, alsmede voor drijvend wonen in de
uiterwaarden. In het kader van de Nota Ruimte heeft het kabinet besloten dat het van
belang is terughoudend te zijn met landaanwinning en buitendijks bouwen in het IJsselmeergebied:
binnendijks bouwen wat binnendijks kan. Tegelijkertijd zijn woningbouwinitiatieven
langs de randen van de meren mogelijk. De huidige regels in het Besluit kwaliteit
leefomgeving blijven hiervoor de kaders bieden.12 De eerder beoogde aanscherping van de regels voor buitendijks bouwen in het IJsselmeergebied
zet het kabinet niet door. In de uiterwaarden is de Beleidslijn grote rivieren leidend.
De adviesgroep roept tot slot ten aanzien van de Kaderrichtlijn Water op om preventief
actie te ondernemen om negatieve gevolgen voor de woningbouwopgave te voorkomen. De
regering heeft zich in Brussel al hard gemaakt voor enkele uitzonderingen op de KRW.13 Dit is momenteel in onderhandeling. Met deze beoogde uitzonderingen zou het risico
op eventuele vertraging voor woningbouwprojecten aanzienlijk worden beperkt.
2.4. Stikstof (hoofdstuk 6 eindrapport)
De adviesgroep stelt dat woningbouwprojecten moeten kunnen doorgaan ondanks stikstofregels,
mits ecologisch verantwoord.
In de eerste reactie op het STOER advies ben ik ingegaan op de voorstellen van de
adviesgroep over stikstof. Het eindrapport van de adviesgroep is op deze voorstellen
zo goed als ongewijzigd. Een aanvullende reactie namens het kabinet is op dit hoofdstuk
niet noodzakelijk.
2.5. Geldigheidsduur en kosten onderzoeken (hoofdstuk 7 eindrapport)
De adviesgroep stelt dat bij de ontwikkeling van woningbouwprojecten diverse onderzoekverplichtingen
van toepassing zijn. In het adviesrapport doet de adviesgroep diverse voorstellen
om deze te vereenvoudigen. Zo stelt de adviesgroep onder meer voor om een standaard
geldigheidsduur in te stellen van 5 jaar voor onderzoeken, zoveel mogelijk gebruik
te maken van open data en het Omgevingsloket te koppelen aan openbare GIS-data.
Het kabinet onderschrijft de oproep van de adviesgroep van het belang van een meer
datagedreven werkwijze. Dit sluit aan bij de meerjarenvisie «Zicht op Nederland», om samen datagedreven te werken aan maatschappelijk vraagstukken in de fysieke leefomgeving,
waarvan de aanpak van het woningtekort een prominent voorbeeld is.14
De houdbaarheid van onderzoeksgegevens hangt samen met de aard van het onderzoek.
Sommige onderzoeken kunnen oudere gegevens bevatten, zoals een bodem- en archeologisch
onderzoek, terwijl andere onderzoeken sneller geactualiseerd moeten worden om een
betrouwbaar beeld te behouden, zoals een ecologisch onderzoek. In de Omgevingswet
is bepaald dat in principe gegevens kunnen worden gebruikt die niet ouder zijn dan
twee jaar, ook als er inmiddels meer actuele gegevens beschikbaar zijn. Gegevens die
ouder zijn dan twee jaar kunnen ook nu al worden gebruikt, mits het bestuursorgaan
beoordeelt dat deze nog voldoende actueel zijn om zorgvuldig een besluit te kunnen
nemen. Het kabinet neemt het advies van de adviesgroep over om voor bepaalde onderzoeken
of besluiten uit te gaan van een termijn van vijf jaar. Dat betekent dat in die gevallen
zonder nadere onderbouwing oudere gegevens mogen worden gebruikt. Wel wil het kabinet
daarbij expliciteren dat de termijn – net als de huidige termijn van twee jaar – niet
legitimeert dat verouderde, niet representatieve gegevens kunnen worden gebruikt,
mits deze voldoende actualiteitswaarde hebben om het besluit daarop te baseren.15 De rechter kan uiteindelijk toetsen op deze actualiteit en representativiteit.
Het kabinet ondersteunt dat het wel wenselijk is om zo efficiënt mogelijk onderzoeken
te doen, die nodig zijn voor woningbouwrealisatie. Een van de nieuwe elementen van
de Omgevingswet is de beoordeling van de uitvoerbaarheid van nieuwe functies bij planvorming.
Hierdoor kunnen de onderzoekslasten in het omgevingsplan beperkt worden en bestaat
er geen noodzaak meerdere uitvoeringsvarianten te onderzoeken. Ook wordt er volop
gewerkt aan het standaardiseren van onderzoeken. Een voorbeeld is de «mer-basis»,
een handreiking die bevoegde gezagen helpt eerdere milieueffectinformatie efficiënt
te hergebruiken, zodat voor elke nieuwe ontwikkeling niet opnieuw uitgebreid onderzoek
nodig is.
Het kabinet onderschrijft ook de noodzaak dat het DSO/Omgevingsloket gelinkt moet
worden aan openbare GIS-informatie. De visie Zicht op Nederland voorziet in een federatief
georganiseerde dataspace fysieke leefomgeving (DSFL) die een belangrijke bijdrage
zal leveren aan de oplossing van dit probleem. Ik zie deze oproep dan ook als een
drijfveer om deze ambitie zo snel als mogelijk te realiseren. Door aanvullend goede
afspraken te maken over interoperabiliteit tussen de DSFL, het Digitaal Stelsel Gebouwde
Omgeving (DSGO) en het DSO zorgen we dat gebruikers geo-, vastgoed-, planinformatie
en wet- en regelgeving op een eenvoudige manier kunnen combineren. Dit kan de vergunningsprocedures
rondom de woningbouw echt versnellen.
2.6. Lokale planvorming en omgevingsbeleid (hoofdstuk 8 eindrapport)
De adviesgroep geeft praktische adviezen aan gemeenten en woningbouwpartners om planprocedures
te versnellen en vereenvoudigen.
In de eerste reactie op het STOER advies is de Minister van VRO ingegaan op een aantal
voorstellen van de adviesgroep (voorfase planvorming, bouw in bestaand stedelijk gebied
en welstand) over lokale planvorming. Het eindrapport van de adviesgroep is op deze
voorstellen ongewijzigd. De meeste adviezen in dit hoofdstuk bevatten praktische adviezen
aan gemeenten en woningbouwpartners om planprocedures te versnellen en vereenvoudigen.
Het kabinet gaat hiermee aan de slag via het programma Uitvoeringskracht Woningbouw
dat we samen met IPO en VNG starten.
2.6.1. Mengpaneel
De adviesgroep stelt voor om het zogenaamde mengpaneel beter te gebruiken. Aanbevolen
wordt om de afwegingsruimte die de Omgevingswet biedt zo nodig maximaal te benutten
met het zwaarwegende maatschappelijke belang van de woningbouw als motivering om vaker
op de grenswaarde te zitten.
Het kabinet onderschrijft dat de omvangrijke woningbouwopgave vergt dat optimaal gebruik
wordt gemaakt van de afwegingsruimte van de Omgevingswet. Het Besluit kwaliteit leefomgeving
(Bkl) biedt decentrale overheden bestuurlijke afwegingsruimte via standaard- en grenswaarden,
waarbij het mengpaneel als hulpmiddel dient om in complexe situaties een verantwoorde
afweging te maken. De standaardwaarden in het Bkl zijn gebaseerd op eerdere regelgeving
en worden maatschappelijk als acceptabel beschouwd, terwijl de grenswaarden aanzienlijk
meer hinder toelaten. Het kabinet onderkent dat de druk op de woningmarkt en het ontbreken
van alternatieve locaties in veel gemeenten het nodig maken om dichter tegen grenswaarden
aan te bewegen. Maar een locatie waar meerdere grenswaarden worden benaderd kan onleefbaar
zijn.16 Het zonder locatie-specifieke afweging opvullen van de ruimte onder de grenswaarden
voldoet dan ook niet aan de wettelijke eis van een evenwichtige toedeling van functies
aan locaties en de in de Omgevingswet verankerde verplichting om daarbij rekening
te houden met de gezondheid.17
In het eerste reflectierapport «In werking, maar onderbenut» van de Evaluatiecommissie
Omgevingswet kwam naar voren dat het instrumentarium van de Omgevingswet nog niet
ten volle benut wordt.18 Ze beschrijft ook dat de afwegingsruimte nog maar beperkt benut wordt. De evaluatiecommissie
doet daarom een oproep aan alle gebruikers (bevoegde instanties) van de Omgevingswet
om die kansen te benutten. Deze oproep onderschrijf ik van harte en blijf ik onder
de aandacht brengen, ook bij de toepassing van het mengpaneel in het licht van de
woningbouwopgave. Daartoe wordt ingezet op uitwisselen van goede voorbeelden, training
en informatievoorziening. De VNG heeft in haar Handboek opstellen omgevingsplan19 een toelichting op het mengpaneel opgenomen. Op de website van het Informatiepunt
Leefomgeving (IPLO) is al veel informatie beschikbaar over de bestuurlijke afwegingsruimte.20 Bij vragen kunnen gemeenten ook terecht bij het IPLO. IPLO beantwoordt enkele honderden
vragen per jaar over afwegingsruimte binnen thema’s, zoals geur en geluid en evenwichtige
toedeling van functies aan locaties.
2.6.2. DSO-omgevingsplannen
Het kabinet onderkent het belang van harmonisatie van regelgeving in de omgevingsplannen
van gemeenten. Tegelijkertijd bevinden de gemeenten zich, in lijn met de conclusies
uit het rapport, nu in een overgangsfase. Gemeenten hebben in deze fase de tijd om
te werken aan het harmoniseren van hun regels en vanuit de uitvoeringsondersteuning
is hier ook aandacht voor. Daarbij onderstreep ik tegelijkertijd de oproep van de
adviesgroep dat gemeenten eerst zelf met een stofkam door hun eigen beleid heen gaan,
wat kan helpen bij prioritering en de overgang naar een gebiedsdekkend omgevingsplan.
Daarnaast kunnen voorbeeldregels mogelijk voordelen hebben voor gemeenten. Het is
hierbij ook belangrijk om oog te hebben voor de lokale beleidsvrijheid van gemeenten,
zoals opgenomen in de Omgevingswet. Op veel plekken in het land lopen ook al trajecten
die de samenwerking en het komen tot goede voorbeelden stimuleren en bevorderen. Een
mooi voorbeeld hiervan is SPRONG in Noord-Brabant.21 Ook kunnen gemeenten in het Omgevingsloket andere omgevingsplannen (regels) raadplegen
ter inspiratie. Ik blijf mij dan ook inzetten op het onderling uitwisselen van kennis,
ervaringen en (praktijk)voorbeelden.
Ook erkent het kabinet dat de vind- en raadpleegbaarheid van alle regels in het DSO/Omgevingsloket
inderdaad nog beter kan. Er lopen al verschillende trajecten om de vind- en raadpleegbaarheid
van regels te verbeteren. Allereerst wordt het DSO en in het bijzonder de viewer de
komende periode verder doorontwikkeld. Ook is er vanuit de partijen in de uitvoeringsondersteuning
extra aandacht voor het goed annoteren van omgevingsdocumenten, waarvoor ook een annotatierichtlijn
is opgesteld22 en wordt, in het kader van de uitwerking van de motie Moonen c.s.23 gewerkt om de kennisgevingen van wijzigingen van het omgevingsplan ook via het DSO
raadpleegbaar te maken.
2.6.3. Parkeernormen
De adviesgroep stelt voor om gebruik te maken van realistische, data gedreven parkeernormen
en om maximale parkeernormen vast te stellen bij (H)ov-knooppunten.
Gemeenten spelen een centrale rol bij het bepalen van parkeernormen en het blijft
aan het lokaal bestuur om hier keuzes in te maken. De parkeerbehoefte en mogelijkheden
voor het realiseren van extra parkeerplekken verschilt namelijk per wijk en per project.
Gemeenten zijn daarom ook primair verantwoordelijk voor het vaststellen van parkeernormen.
Op 23 juli is er door het CROW een notitie gepubliceerd die de stappen beschrijft
voor gemeenten om met de laatste kencijfers te komen tot passende parkeernormen die
duurzame gebiedsontwikkeling faciliteert.24 Ik ga in gesprek met de Minister van IenW om flexibeler parkeerbeleid te stimuleren.
Een landelijke minimum- of maximumnorm sluit niet aan bij de lokale verantwoordelijkheid
en het gewenste maatwerk. Hoewel de adviesgroep pleit voor het invoeren van landelijk
geldende maximale parkeernormen in invloedgebieden rondom (hoogwaardig) openbaar vervoer,
heeft uw Kamer inmiddels de motie van de leden Mooiman en Heutink25 aangenomen die opriep om het voorstel voor een landelijke parkeernorm van maximaal
0,7 niet over te nemen. In die lijn met deze motie zal het kabinet dan ook geen landelijke
maximale parkeernormen vaststellen.
2.6.4. Doorstroming
De adviesgroep stelt voor om duidelijke grenswaarden op te stellen voor acceptabele
verkeerdoorstroming.
De doorstroming op het wegennet maakt deel uit van een groter geheel van ruimtelijke
ordening, voorzieningen- en mobiliteitsbeleid. Samen zorgen deze voor een goede bereikbaarheid
van banen en voorzieningen. Het kabinet heeft dit opgepakt met het standpunt Bereikbaarheid op Peil, waarin het nationaal bereikbaarheidspeil is geïntroduceerd. Samen met medeoverheden
wordt dit verder uitgewerkt in regionale bereikbaarheidsanalyses en -profielen. De
referentiewaarden die hieruit voortkomen zijn bedoeld als nuttige informatie bij locatiekeuzes
en woningbouwopgaven, niet als beperkende factoren. Ze bieden inzicht in kansrijke
locaties met goede bereikbaarheid. Het Rijk zorgt daarmee voor een uniforme basis,
terwijl regio’s ruimte hebben voor maatwerk. Door woningbouw vanaf het begin te verbinden
met infrastructuur en mobiliteit worden vertragingen voorkomen en ontstaat kwalitatief
goed wonen op goed bereikbare plekken.
2.7. Grondbeleid (hoofdstuk 9 eindrapport)
De adviesgroep vindt het wettelijk instrumentarium en de daaruit voortvloeiende regelingen
voor het (gemeentelijk) grondbeleid behoorlijk adequate om woningbouw tijdig en tegen
maatschappelijk aanvaardbare kosten te faciliteren. De adviesgroep heeft een aantal
voorstellen gedaan om het grondbeleid te verbeteren en aan te vullen.
In de eerste reactie op het STOER-advies ben ik ingegaan op de meeste voorstellen
van de adviesgroep over grondbeleid. Het eindrapport van de adviesgroep is op deze
voorstellen ongewijzigd. Het verlengen van de termijnen van het voorkeursrecht naar
5 jaar is middels amendement verwerkt in het Wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting.
Volledigheidshalve verwijs ik u naar mijn brief hierover van 26 augustus jl.26 Deze kabinetsreactie is daarom beperkt tot de voorstellen omtrent de responstijd
van RVB en ProRail bij een verzoek om medewerking een woningbouwontwikkeling en de
besluitvorming van verenigingen van eigenaars bij optoppen.
Medewerking ProRail
ProRail is de beheerder van de hoofdspoorweginfrastructuur in Nederland. Dit Europees
vastgestelde netwerk is van nationaal belang. De behoefte van gemeenten en ontwikkelaars
om naast of boven het spoor/station te bouwen wordt herkend en het is begrijpelijk
dat ontwikkelende partijen snel uitsluitsel willen hebben over de medewerking van
ProRail. Mits goed ontsloten, kan woningbouw in de buurt van stations maatschappelijk
een grote meerwaarde hebben en daar wil Prorail ook aan bijdragen.
Het is bij dergelijke ontwikkelingen van belang dat partijen elkaar vroegtijdig betrekken
en van goede en volledige informatie voorzien. In de praktijk kan niet altijd medewerking
worden verleend omdat plannen te dicht op het spoor of bijbehorende gronden zijn geprojecteerd.
Hierdoor komt de veiligheid, het functioneren én uitbreiding van het hoofdspoorwegnet
in het geding. Het moet altijd mogelijk blijven om het spoor te kunnen beheren, onderhouden
en gebruiken en bijbehorende voorzieningen te kunnen bereiken.
Daarnaast moet ProRail gronden voor verkoop eerst aanbieden aan NS of IenW voor tot
verkoop over kan worden gegaan.
Medewerking RVB
Het kabinet hecht eraan dat uitvoeringsorganisaties van het Rijk adequaat en tijdig
reageren op goed onderbouwde initiatieven van publieke en private partijen, zeker
ook als die woningbouw betreffen. Een reactietermijn van twee maanden acht het kabinet
daarbij voor het RVB realistisch. Indien een vastgoedtransactie op basis van het initiatief
daadwerkelijk mogelijk blijkt, dient het RVB wel in alle gevallen te zorgen dat deze
transactie via een openbare en marktconforme procedure tot stand komt. Deze procedure
kent uiteraard zijn eigen doorlooptijd.
Wel een vergunning, niet bouwen
De adviesgroep geeft aan geen reden te hebben om aan te nemen dat op grote schaal
om zuiver speculatieve redenen wordt gewacht met de bouw na vergunningverlening. Ik
heb geen aanleiding om dit anders te zien. Wel moedig ik gemeenten aan om met gedegen
grondbeleid te voorkomen dat dit probleem zich voor doet. Daarvoor verwijs ik graag
naar de handreiking «vertraging voorkomen met grondbeleid».27
Optoppen
Ik heb een onderzoek uitgezet naar de knelpunten rondom het wijzigen van de splitsingsakte
bij optoppen. De uitkomsten van dit onderzoek worden na de zomer verwacht. Over mogelijke
oplossingen n.a.v. dit onderzoek wordt in nauwe samenwerking met de Staatssecretaris
van JenV gesproken.
2.8. Netcongestie en drinkwater (hoofdstuk 10 eindrapport)
De adviesgroep heeft een aantal voorstellen gedaan over de nutsvoorzieningen (voorzieningen
elektriciteit en water) die essentieel zijn voor de woningbouw.
2.8.1. Netcongestie
In de eerste reactie op het STOER advies is de Minister van VRO ingegaan op de concrete
voorstellen van de adviesgroep over netcongestie. Het eindrapport van de adviesgroep,
en daarmee ook de reactie van het kabinet, is op deze voorstellen ongewijzigd.
In het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) werkt het kabinet samen met medeoverheden,
netbeheerders en marktpartijen aan de aanpak van netcongestie en het toekomstbestendig
maken van het elektriciteitsnet. In het LAN wordt gewerkt langs drie actielijnen:
sneller bouwen, beter benutten en slimmer inzicht. Begin oktober wordt de Kamer per
brief geïnformeerd over de aanpak van netcongestie en de voortgang van het LAN.
Op 25 april heeft het kabinet zijn aanpak aangekondigd voor het sneller uitbreiden
van het elektriciteitsnet28. Met deze aanpak neemt het kabinet meer regie op de doorlooptijd van elektriciteitsprojecten
en het beperken van de risico’s op vertraging. Hiervoor is onder andere een wetgevingsprogramma
en een set aan beleidsmaatregelen aangekondigd. Later dit jaar wordt de Kamer geïnformeerd
over de voortgang en de planning van de in te zetten maatregelen.
2.8.2. Drinkwater
Het kabinet gaat samen met drinkwaterbedrijven en provincies bij de uitvoering van
de regionale actieplannen uit het Actieprogramma Drinkwater aan de slag om projecten
te versnellen. Dan zal concreter worden om welke soort projecten dit zou kunnen gaan
en kan dit verder worden uitgewerkt. Dit doet het kabinet op basis van het Actieprogramma
beschikbaarheid drinkwaterbronnen 2023–2030 dat op 13 januari jl. door de Minister
van IenW aan de Kamer is gestuurd.29 Daarin hebben drinkwaterbedrijven, provincies en Rijk afgesproken te kijken naar
de mogelijkheden die het Wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting biedt voor
een grondslag voor de aanwijzing van projecten en besluiten waarop procedurele versnellingen
van toepassing zijn.
Dit wetsvoorstel voorziet in een algemene grondslag om bij algemene maatregel van
bestuur tijdelijk besluiten voor categorieën projecten te kunnen aanwijzen, waarvan
de versnelde uitvoering noodzakelijk is vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen.
Op deze projecten is dan een aantal procedurele versnellingen van toepassing. Deze
procedurele versnellingen zijn op grond van de Omgevingswet al van toepassing op projectbesluiten.
Provincies kunnen er al voor kiezen om een projectbesluit op te stellen ten behoeve
van de drinkwatervoorziening. Daarom is het niet nodig om drinkwater in het kader
van de wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting aan te wijzen als categorie
projecten met zwaarwegende maatschappelijke belangen. Daarmee is ook invulling gegeven
aan de Motie Grinwis c.s.30
De publieke drinkwatervoorziening is verder in artikel 2, tweede lid, van de Drinkwaterwet
benoemd als dwingende reden van groot openbaar belang. Daarmee zijn projecten die
zijn gericht op de openbare drinkwatervoorziening dat dus ook.
Artikel 8 van de Drinkwaterwet beschrijft de plicht die drinkwaterbedrijven hebben
om te voorzien in aansluitingen op het leidingnetwerk. Het waarborgen van de drinkwatervoorziening,
mede door het nemen van besluiten is dan ook al een opdracht die de provincies hebben,
waarmee voldaan wordt aan de intentie van het advies van de commissie.
Wanneer een drinkwaterbedrijf vanwege uitbreiding van de productiecapaciteit een initiatief
heeft dat een grote impact heeft op een Natura 2000-gebied kan het bevoegd gezag een
ADC toets uitvoeren. Dit vraagt van het bevoegd gezag een gerichte onderbouwing voor
het betreffende project. Een generiek beroep op de ADC staat de Habitatrichtlijn niet
toe.
2.9. Beschikbaarheid bouwgrondstoffen (hoofdstuk 11 eindrapport)
De adviesgroep stelt dat de beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen (zoals zand,
grind, klei) onder druk staat door lange en moeizame vergunningprocedures op provinciaal
niveau.
Het kabinet onderschrijft het essentiële belang van het borgen van de continuïteit
van bouwgrondstoffenvoorziening. De resultaten van de in het advies genoemde landelijke
integrale afweging bouwgrondstoffen worden eind 2025 verwacht. De daarbij betrokken
partijen nemen dit advies van de adviesgroep mee in de afweging richting het opstellen
van handelingsperspectieven.
2.10 Digitalisering (hoofdstuk 12 eindrapport)
De adviesgroep adviseert in te zetten op digitalisering om het woningbouwproces te
versnellen, kosten te verlagen en transparantie te vergroten.
Het huidige gebrek aan wetgeving leidt tot onduidelijkheid en versnippering, terwijl
stabiliteit, helderheid en eenduidigheid gewenst zijn. Het kabinet neemt daarom een
groot deel van de adviezen van de adviesgroep over.
Met betrekking tot het scheppen van mogelijkheden zet kabinet actief in op het benutten
van digitalisering. Er is reeds een project gestart om de wetgeving aan te passen,
zodat naast tweedimensionale tekeningen en tekstuele beschrijvingen ook driedimensionale
weergaven van gebouwen en percelen kunnen worden vastgelegd. Het kabinet zal tevens
de mogelijkheden onderzoeken om omgevingsrechtelijke regelgeving verplicht machine-leesbaar
te publiceren, zodat deze breed inzetbaar is in digitale processen. Daarnaast wordt
gewerkt aan een wettelijk en organisatorisch kader dat het hergebruiken van omgevingsonderzoeken
– bijvoorbeeld bodem- of geluidsonderzoeken – beter mogelijk maakt. Daarmee wordt
voorkomen dat gemeenten, ontwikkelaars en burgers telkens opnieuw kosten moeten maken
voor identieke onderzoeken.
Op het vlak van het creëren van helderheid werkt het kabinet aan een landelijk geldende
definitie van gebouwgegevens, inclusief een duidelijke afbakening van verantwoordelijkheden
en rechthebbenden, en met oog voor de balans tussen noodzakelijke datadeling en de
bescherming van persoonsgegevens. Het kabinet zal daarnaast de toepassing van digitale
standaarden voor gegevensuitwisseling en toegankelijkheid binnen de omgevings- en
bouwregelgeving verplicht stellen. Ook heeft het kabinet besloten om bepaalde collectieve
digitale bouwstenen en oplossingen verplicht in te voeren, zodat sectorbreed interoperabiliteit
ontstaat. Verder wordt de transparantie bij overheidsorganisaties vergroot door het
verplicht ontsluiten van gegevens via onder meer GIS en door te borgen dat systemen
als DSFL, DSGO en DSO goed op elkaar aansluiten.
Ten aanzien van samenwerking benadrukt het kabinet dat wetgeving alleen niet voldoende
is om de woningbouwopgave te versnellen. Het kabinet zal daarom zorgen voor centrale
ontsluiting en interoperabiliteit van gegevens over de fysieke leefomgeving, zodat
gemeenten, provincies, bouwbedrijven en andere partijen kunnen werken vanuit dezelfde
broninformatie. Specifiek voor de woningbouwopgave wordt via het programma Innovatie
en Opschaling Woningbouw ingezet op het actief verzamelen, testen en breed verspreiden
van innovaties en digitale toepassingen richting gemeenten, woningcorporaties en marktpartijen.
Dit kan de vergunningsprocedures rondom de woningbouw echt versnellen. Daarnaast stimuleert
het kabinet de sector om kennis, data en inzichten onderling te delen, zodat innovaties
sneller kunnen worden opgeschaald. Tot slot roept het kabinet de sector op om te investeren
in de digitale vaardigheden van medewerkers. Het kabinet zal deze ontwikkeling faciliteren
en ondersteunen, omdat de maatschappelijke opgaven in de woningbouw te groot zijn
om niet efficiënt en gezamenlijk te werken.
2.11. Betaalbaarheidseisen (hoofdstuk 13 eindrapport)
De adviesgroep gaat in dit hoofdstuk in op de uitwerking van de betaalbaarheidseisen
die via het Besluit versterking regie volkshuisvesting (de uitvoerings-AMvB) worden
ingevoegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit besluit zal nog bij uw
Kamer worden voorgehangen.
De adviesgroep adviseert om de betaalbaarheidseisen te hanteren als onder- en als
bovengrens op de programmering (niet meer en niet minder). Dit betekent dat een derde
deel behouden blijft voor de vrije sector. Dit met oog op het financieel haalbaar
houden van de woningbouwplannen. Dit advies sluit aan bij de doelstellingen voor betaalbaar
bouwen van het kabinet en het ontwerpbesluit. Daarin is geregeld dat op regionaal
niveau 2/3 van de te realiseren woningen betaalbaar moet zijn waarvan 30% sociaal.
De doelstelling geldt niet op het niveau van een project, wijk of gemeente. Het is
belangrijk dat gemeenten, met het oog op de financiële uitvoerbaarheid, niet meer
dan 2/3 betaalbare woningen programmeren. Om deze reden zal ook een koppeling worden
gemaakt met de financiële regelingen voor de woningbouw om bovenmatige betaalbaarheid
in de programmering te ontmoedigen.
De adviesgroep benadrukt daarnaast dat het belangrijk is om tijdig tot afspraken te
komen over de verdeling van de betaalbaarheids-segmenten in de regio tussen de gemeenten.
Het kabinet onderschrijft dit advies. Daarom zal in het besluit de termijn waarbinnen
afspraken moeten zijn gemaakt, expliciet worden gemaakt. Hiermee wordt uitvoering
geven aan de motie Vijlbrief c.s.31. De provincie is vervolgens bevoegd te besluiten over de uiteindelijke programmering
per gemeente, binnen het kader van de provinciale en regionale doelen. Mocht het voorkomen
dat een provincie het lastig vindt om een knoop door te hakken, dan zal ik niet aarzelen
om gebruik te maken van mijn bevoegdheid daartoe.
Tot slot benadrukt de adviesgroep dat gemeenten oog moeten houden voor de financiële
haalbaarheid wanneer zij aanvullende betaalbaarheidseisen opnemen en waar nodig flankerende
maatregelen nemen. Het kabinet sluit zich ook aan bij dit advies en erkent dat de
specifieke situatie op de lokale woningmarkt kan vragen om aanvullende gemeentelijke
betaalbaarheidseisen, maar gemeenten moeten hier terughoudend in zijn. Essentieel
bij het stellen van aanvullende eisen is dat de combinatie van regels financieel uitvoerbaar
is. Dat is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeenten en marktpartijen. Dit
betekent bijvoorbeeld dat de gemeente, indien nodig, in overleg met de marktpartijen
flankerende maatregelen treft, zoals een lagere grondprijs of meer verdichting, om
de financiële haalbaarheid te waarborgen.
Conform het advies van de adviesgroep verbreedt het kabinet het (bestuurlijk) meldpunt
dat is ingericht voor bovenlokale technische eisen met melden van bovenmatige betaalbaarheidseisen.
Zoals in de Kamerbrief STOER van 23 juni 2025 beschreven worden signalen over bovenwettelijke
eisen verzameld via de regionale en landelijke versnellingstafel. Daarnaast zullen
ook de financiële regelingen ingericht worden om bovenmatige betaalbaarheidseisen
tegen te kunnen gaan conform de Wet versterking regie op de volkshuisvesting. Hierbij
wordt rekening gehouden met de impact op de uitvoering. Naast de realisatiestimulans
gaat het daarbij ook om de gebiedsgerichte financiële regelingen zoals de Woningbouwimpuls.
2.12. Bezwaar en beroep (hoofdstuk 14 eindrapport)
De voorstellen van de adviesgroep richten zich op versnelling en vereenvoudiging van
vergunning- en rechtsprocedures. Kernpunten van het advies vormen: herinvoering van
Lex silencio positivo (vergunning automatisch verleend bij termijnoverschrijding),
strikte naleving van beslistermijnen en voorrang bij bezwaren voor woningbouwprojecten.
Daarnaast wordt voorgesteld een voorlopige voorziening te vragen voor vergunninghouders,
hogere griffierechten toe te passen, de eisen van banken ten aanzien van onherroepelijke
vergunningen ter verruimen en in te zetten op AI bij standaard bezwaar- en beroepsgronden.
Lex silencio positivo
Het kabinet is geen voorstander van het herinvoeren van het herinvoeren van de lex
silencio positivo voor omgevingsvergunningen voor (woning)bouwprojecten, die met de reguliere procedure worden voorbereid. De lex silencio positivo
kan op dit moment namelijk niet gelden voor een aantal activiteiten, onder meer vanwege
verplichtingen voorvloeiend uit internationaal recht, zoals de mer-richtlijn en het
Verdrag van Aarhus. Deze vereisen een voorafgaande inhoudelijke beoordeling. In de
praktijk komt dit erop neer dat de lex silencio positivo alleen zou kunnen gelden
voor een losstaande «technische» bouwactiviteit. De «technische» bouwactiviteit voor
woningbouw is in veel gevallen echter al uitgezonderd van de vergunningplicht door
de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Voor onder meer complexe projecten is er
nog wel een omgevingsvergunning nodig, denk daarbij aan niet grondgebonden woningen,
zoals appartementencomplexen. Voor deze projecten is een vergunning van rechtswege
zonder voorafgaande toetsing aan de technische eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving
risicovol. Bovendien brengt een van rechtswege verleende vergunning de aanvrager lang
niet altijd de gewenste zekerheid. Ook tegen een van rechtswege verleende vergunning
staan bezwaar en beroep open. Gezien de bovenstaande kanttekeningen ziet het kabinet
de lex silencio positivo in deze vorm op dit moment niet als een effectief instrument
om de vergunningverlening in de woningbouw te versnellen.
Versnellen van de bezwaarprocedure
In aanvulling hierop doet de adviesgroep de aanbeveling om voor bezwaarprocedures
inzake omgevingsvergunningen voor woningbouwprojecten strak de hand te houden aan
de 12-wekentermijn, bijvoorbeeld door voorrang te geven aan omgevingsvergunningen
voor woningbouwprojecten. Daarbij behoren overheden wettelijke termijnen te respecteren.
Om decentrale overheden te faciliteren om besluitvorming te bespoedigen zet het kabinet
zich in om de uitvoeringskracht van medeoverheden door middel van bijvoorbeeld de
flexpoolregeling en de landelijke capaciteitspool te vergroten. Hierover zijn eind
2024 op de Woontop afspraken gemaakt met de desbetreffende medeoverheden. Ik zal inzetten
op het tijdig afhandelen van bezwaarschriften over woningbouw door dit onderwerp ook
op te nemen in het programma Uitvoeringskracht Woningbouw.
Beroep in enige aanleg bij de Afdeling bestuursrechtspraak
De adviesgroep adviseert in het eindrapport om beroep tegen omgevingsvergunningen
voor woningbouwprojecten in eerste en enige aanleg onder te brengen bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit is in lijn met het Wetsvoorstel versterking
regie volkshuisvesting dat bij de Eerste Kamer ligt, en de daarbij behorende onderliggende
regelgeving.
Versnelling beroepsprocedure
Bij de behandeling van de Wet versterking regie op de volkshuisvesting zijn er meerdere
amendementen aangenomen die zien op de versnelling van de beroepsprocedures, zoals
de mogelijkheid om hoger beroepzaken over woningbouwprojecten met een verkorte afspraak
af te doen32. Daarnaast heeft de adviesgroep een aantal aanbevelingen geformuleerd om de beroepsprocedure
voor woningbouwprojecten die zien op bestaande mogelijkheden in de werkwijze van de
bestuursrechter verder te versnellen. Deze aanbevelingen vragen niet om aanpassingen
van wetgeving maar zal ik onder de aandacht van de rechtspraak brengen.
Een goed reeds lopend voorbeeld hiervan is dat de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State vanaf de zomer van 2024 voorrang geeft aan woningbouwzaken (beroepen
en hoger beroepen betreffende twaalf woningen en meer) en dat deze aanpak succesvol
is. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in mei jl. medegedeeld dat deze voorrang
zal worden verlengd.33 Het kabinet is verheugd met de inspanning van de Afdeling bestuursrechtspraak om
de doorlooptijd van woningbouwzaken terug te dringen.
Voorlopige voorziening
De adviesgroep stelt verder voor om de vergunninghouder (of een andere derde-belanghebbende)
de mogelijkheid te bieden om een voorlopige voorziening te vragen op basis van het
spoedeisende (financiële) belang bij de start van de bouw van het desbetreffende woningbouwproject.
Dit advies neemt het kabinet niet over omdat het, naar haar oordeel niet bijdraagt
aan versnelling. Op basis van een nog niet onherroepelijke vergunning kan er namelijk
al worden gestart met de bouw. Het instellen van bezwaar en beroep heeft immers geen
schorsende werking. Een vergunninghouder, die beschikt over een in werking getreden
vergunning heeft op dit punt geen spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening.
Wanneer een andere partij om een voorlopige voorziening verzoekt, heeft ook een vergunninghouder,
als direct betrokken partij (derde-belanghebbende) in een bezwaar- of beroepsprocedure
een rechtsingang bij de voorzieningenrechter. Het kabinet zet zoals eerder aangegeven
vooral in op versnellen van deze procedures. Zodat er ingeval van bezwaar of beroep
zo snel mogelijk duidelijkheid komt van de rechter of het project door kan gaan.
Eisen financiële sector
Het kabinet begrijpt dat het nog niet onherroepelijk zijn van een vergunning een probleem
kan zijn bij het financieren van een project. Dit heeft te maken met de voorwaarden
van de geldverstrekker zowel voor investeerders als voor particulieren. De adviesgroep
doet de aanbeveling om met de bankensector te bezien of deze eis vaker kan worden
genuanceerd en de zogeheten bruikbare omgevingsvergunning het uitgangspunt kan zijn.
Het kabinet erkent dit probleem en is in gesprek met een aantal grote banken/hypotheekvertrekkers
om te kijken onder welke voorwaarde toch financiering kan worden verstrekt wanneer
nog geen sprake is van een onherroepelijke vergunning.
Om genoemd probleem te ondervangen zou gebruik kunnen worden gemaakt van een bestaand
verzekeringsproduct dat in de markt wordt aangeboden. Met dit verzekeringsproduct,
onder andere aangeboden door Marsh, kunnen ontwikkelaars een project verzekeren tegen
de financiële gevolgen van annulering door beroepen en negatieve rechterlijke uitspraken
bij de Rechtbank dan wel de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voorwaarde
is dat er voorafgaand een risicoanalyse worden uitgevoerd. Bij groen licht kan het
risico worden verzekerd. Het kabinet wil het verzekeren de komende tijd extra onder
de aandacht brengen bij ontwikkelaars en stimuleren onder meer door een handreiking
die hierover wordt opgesteld door de landelijke versnellingstafel.
Griffierechten
De adviesgroep stelt voor om het griffierecht voor omgevingsrechtszaken voor particulieren
en rechtspersonen te verhogen. De Tweede Kamer heeft bij de behandeling van het wetsvoorstel
versterking regie volkshuisvesting een amendement aangenomen dat voorziet in een substantiële
verhoging van griffierechten voor besluiten over woningbouwprojecten.34
Inzet AI
Ook de inzet van AI wordt door de adviesgroep gezien als grote kans voor de versnelling
van verwerking van bezwaar- en beroepszaken. Het kabinet ondersteunt de oproep om
AI als hulpmiddel in te zetten voor zover dat op verantwoorde wijze en vanzelfsprekend
binnen de grenzen van het recht kan geschieden.
2.13. Borging vermindering regeldruk (hoofdstuk 15 eindrapport)
De adviesgroep pleit voor structurele borging van de regeldrukvermindering, zodat
deze inspanningen niet tijdelijk zijn.
In de eerste reactie op het STOER-advies ben ik ingegaan op de voorstellen van de
adviesgroep over de borging vermindering regeldruk. Het eindrapport van de adviesgroep
is op deze voorstellen ongewijzigd. Een aanvullende reactie namens het kabinet is
op dit hoofdstuk niet noodzakelijk.
2.14. Financiële gevolgen
De voorstellen in deze kamerbrief zijn er vooral op gericht op het versnellen van
de woningbouw en om kostenbesparingen voor bouwers en ontwikkelaars te realiseren
om zo snellere betaalbare woningen voor de woningzoekende te realiseren. Hiervoor
zullen geen aanvullende middelen beschikbaar komen. De nalevingskosten van de verschillende
wijzigingen in regelgeving worden in kaart gebracht bij de betreffende wijzigingsbesluiten
en wetswijzigingen. De verwachting is dat de uitvoering van de adviezen waarmee het
kabinet aan de slag gaat geen budgettaire gevolgen heeft. Mocht blijken dat hier toch
kosten voor het Rijk uit voortkomen, dan moeten deze worden gedekt via bestaande middelen
op de departementale begroting(en).
3. Vervolgstappen
De kracht van het STOER-rapport zit in de concrete en praktijkgerichte aanbevelingen,
maar ook in de breedte ervan: de voorstellen variëren van technische bouweisen tot
milieuregels, en van archeologie tot digitale toegankelijkheid van het omgevingsplan.
Juist deze verscheidenheid maakt duidelijk dat een integrale aanpak vereist is. De
aanbevelingen raken de verschillende departementen, bestuurslagen en sectoren. Deze
verscheidenheid vereist niet alleen een beleidsmatige actie, maar ook juist oog voor
samenwerking en ondersteuning in de uitvoering. Per individueel advies de impact op
de woningbouwopgave duiden doet daarmee geen recht aan het totaal. De kracht van STOER
zit juist in de optelling van verschillende versoepelingen en vereenvoudigingen. Samen
moet dit bijdragen aan sneller, goedkoper en meer woningen kunnen bouwen.
Met de STOER-aanpak leggen we de basis voor structurele verbetering in het stelsel,
die een volgend kabinet direct verder kan brengen. De urgentie vraagt continuïteit
in de uitvoering, juist in het belang van de honderdduizenden woningzoekenden. Daarom
zal het kabinet in het kader van Woontop 2025 werken aan een voorstel voor uitwerking
en vervolg van het programma STOER. Dit voorstel wordt in nauwe samenspraak met departementen,
medeoverheden, marktpartijen en andere betrokken opgesteld.
In dit voorstel wordt inzichtelijk gemaakt welke stappen er per voorstel worden gezet
om de woningbouw te versnellen, op welke wijze de benodigde wetswijzigingen worden
voorbereid en waar mogelijk gebundeld en hoe de ondersteuning voor medeoverheden,
uitvoeringsinstanties en marktpartijen worden vormgegeven. In lijn met het advies
zal het kabinet op Europees niveau in gesprek gaan over de vereenvoudiging van de
Europese regels. Mocht er naar aanleiding van deze gesprekken meer ruimte in Europese
regelgeving komen of wanneer andere ontwikkelingen op Europees niveau daar aanleiding
toe geven kunnen adviezen opnieuw worden bezien, zoals bijvoorbeeld de lex silencio
positivo. Hiermee worden de uitkomsten van het programma STOER geborgd om zo ook tot
een integrale versnelling van de woningbouw te komen.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
M.C.G. Keijzer
BIJLAGE 1. REACTIE OP RAPPORT REGELDRUK BIJ WONINGBOUW
De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) van uw Kamer
heeft in het kader van haar kennisagenda het rapport Regeldruk bij woningbouw opgesteld35. Tijdens het commissiedebat Ruimtelijke Ordening heeft uw Kamer verzocht om een reactie
op dit rapport. Met deze brief geef ik daaraan invulling.
Bij vergelijking van het rapport van uw Kamer (februari 2025) met het eindrapport
van STOER, zijn zowel overeenkomsten als verschillen zichtbaar in de analyse van knelpunten
en de aangedragen oplossingen.
Beide rapporten delen de centrale ambitie om woningbouw in Nederland te versnellen
en belemmeringen weg te nemen. Daarbij wordt erkend dat regeldruk slechts één van
de oorzaken van vertraging is, naast onder andere capaciteitsgebrek, bestuurlijke
traagheid, conflicterende belangen en ruimtelijke concurrentie. Ook onderstrepen beide
rapporten dat een zekere mate van complexe regelgeving onvermijdelijk is, vanwege
het samenspel van maatschappelijke belangen zoals gezondheid, milieu, veiligheid en
leefkwaliteit. Zowel het Kamerstuk als het STOER-rapport pleiten voor meer bestuurlijke
prioritering, betere samenwerking tussen overheden en marktpartijen, en een slimmere
inzet van bestaande instrumenten onder de Omgevingswet.
Het rapport van de Tweede Kamer benadert de problematiek vooral vanuit de verschillende
fases van het bouwproces: locatiekeuze, planontwikkeling en juridische procedures.
De nadruk ligt op belemmerende regelgeving, zoals de ladder voor duurzame verstedelijking,
sectorale regelgeving (o.a. natuurbescherming en archeologie), en langdurige bezwaar-
en beroepsprocedures. De analyse is voornamelijk beschrijvend en procesmatig. Op enkele
punten zijn reeds stappen gezet, zoals de voorgenomen afschaffing van de ladder voor
duurzame verstedelijking voor woningbouw via het Besluit versterking regie volkshuisvesting
en de aanpassing van beroepsprocedures via het Wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting.36
Het STOER-rapport kiest voor een systemisch perspectief en legt de nadruk op de stapeling
en versnippering van regels, normen en ambities op alle niveaus. STOER introduceert
het concept van «het drama van goede bedoelingen», waarbij goedbedoelde regels bij
elkaar opgesteld averechts uitpakken. De analyse gaat verder dan juridische kaders
en omvat ook technische bouweisen, bestuurlijke organisatie, digitalisering, grondbeleid
en infrastructuur.
Waar het Kamerstuk zich vooral richt op het aanpassen of schrappen van specifieke
regels en het verbeteren van gemeentelijke werkwijzen (procesoptimalisatie binnen
het bestaande systeem), bevat STOER een breed scala aan concrete voorstellen voor
vereenvoudiging, standaardisering en kostenreductie. Voorbeelden zijn aanpassingen
van technische eisen in het Bbl, landelijke soortenmanagementplannen en digitalisering.
Deze voorstellen zijn ingrijpender en gericht op een structurele herziening van het
stelsel.
Beide rapporten benadrukken het belang van het verminderen van regeldruk om de woningbouw
te versnellen. In het vervolg van deze brief komen verschillende thema’s uit het rapport
van uw Kamer aan de orde.
BIJLAGE 2. REACTIE OP DE MOTIE WELZIJN C.S. OVER DE EFFECTEN VAN HET PROGRAMMA STOER
In reactie op de motie van het lid Welzijn c.s.37 en in vervolg op de beantwoording van Kamervragen van het lid Welzijn38 geef ik u hierbij een inhoudelijke terugkoppeling over de verwachte effecten van
het programma STOER (Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regelgeving)
uit het adviesrapport. De voorstellen van de adviesgroep STOER zijn gericht op het
sneller, meer en goedkoper realiseren van woningbouw. De maatregelen zijn breed van
aard en raken aan wetgeving, beleidsregels, processen en informatievoorziening.
De adviesgroep heeft een inschatting gemaakt van de impact indien alle maatregelen
uit het adviesrapport volledig zouden worden opgevolgd. Deze inschatting is hieronder
weergegeven. Omdat het kabinet niet alle voorstellen overneemt en de overgenomen maatregelen
nog verder moeten worden uitgewerkt, kan op dit moment nog geen aanvullend overzicht
worden gegeven van de verwachte effecten daarvan. In de verdere uitwerking van het
vervolg op STOER zal worden meegenomen welke effecten de overgenomen voorstellen naar
verwachting zullen hebben.
Bij de verdere uitwerking van de voorstellen in wet- en regelgeving zullen de uitgangspunten
en stappen van het Beleidskompas39 in acht worden genomen, waaronder een zorgvuldige onderbouwing van verwachte effecten
en de gevolgen voor regeldruk. Ook zal – conform artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet
2016 – de Tweede Kamer in een vroeg stadium worden geïnformeerd over de financiële,
juridische en beleidsmatige implicaties van concrete beleidsvoornemens.
Tot slot wijs ik erop dat de inzet op vereenvoudiging en verbetering van wetgevingskwaliteit
is ingebed in het bredere traject dat recent met de Kamer is gedeeld via de Agenda
wetgevingskwaliteit40, waarin structurele maatregelen worden aangekondigd voor betere wetgeving, minder
complexiteit en meer uitvoerbaarheid, waaronder bij woningbouwregelgeving.
Effecten maatregelen STOER uit het adviesrapport met door de adviesgroep geschatte
effecten
Snellere woningbouw
De adviesgroep doet voorstellen om planprocedures, vergunningverlening en bezwaar
en beroep aanzienlijk te versnellen. Belangrijke effecten zijn:
• Halvering van de tijdsduur in de planvoorbereidingsfase: van gemiddeld 7 jaar naar
circa 3,5 jaar;
• Versnelling bezwaar- en beroepsprocedures, o.a. door beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak
in eerste en enige aanleg, structurele voorrang bij bezwaarprocedures, en toepassing
van de lex silencio positivo (vergunning automatisch verleend bij overschrijding termijn);
• Snellere besluitvorming bij complexe knelpunten via interventiepunten en escalatiemogelijkheden
op lokaal niveau;
• Eenduidige toetsing MER-plicht en archeologie: minder, inzet op bestaande kennis,
en beperken van variantenstudies.
Meer woningbouw
De adviesgroep doet voorstellen die erbij dragen dat op meer locaties en in grotere
aantallen woningen gebouwd kunnen worden. Enkele belangrijke elementen zijn:
• Ruimere toepassing van de mogelijkheden die de milieuregels bieden;
• Uniformering en vereenvoudiging bodembeleid en PFAS-aanpak, waardoor meer locaties
beschikbaar komen;
• Aanpak van netcongestie en drinkwatervoorziening, via o.a. inzet van microgrids, prioritering
in vergunningverlening, en bestuurlijke afspraken over aansluiting;
• Soortenmanagementplannen voor flora en fauna, waarmee duizenden projecten sneller
en vergunningstechnisch eenvoudiger kunnen doorgaan;
• Ruimere benutting van bestaand stedelijk gebied, zoals splitsen, optoppen en transformatie,
ondersteund door een gemeentelijk stippenplan en aangepaste parkeernormen.
Hoewel een exacte inschatting van het aantal extra woningen per jaar niet zonder verdere
uitwerking mogelijk is, is het oordeel van de adviesgroep en het kabinet dat deze
voorstellen in potentie bijdragen aan een structurele toename van het bouwvolume.
Goedkopere woningbouw
De adviesgroep rekent voor dat de voorstellen bij volledige implementatie kunnen leiden
tot een gemiddelde kostenbesparing van circa € 30.000 per woning (exclusief btw)41. Deze besparing is opgebouwd uit:
• € 10.000 per woning door aanpassing van technische bouweisen in het Besluit bouwwerken
leefomgeving (Bbl), waaronder verlaging van plafond- en deurhoogtes, en verlichting
van daglichteisen
• € 20.000 per woning door standaardisatie en het tegengaan van lokale bovenwettelijke
kwaliteitseisen, die kostenverhogend werken en schaalvoordelen in de weg staan.
Daarnaast wordt een aanvullende besparing van € 900 tot € 1.200 per woning verwacht
op onderzoekskosten, onder meer door het gebruik van open data, standaardwaarden en
betere digitale informatievoorziening.
Een meer samenvattend overzicht van de voorgestelde maatregelen en hun verwachte effecten
is opgenomen in hoofdstuk 16 van het adviesrapport: Sneller, Meer en Goedkoper – kwantitatieve
indicaties.
Onderzoek verlofstelsel
Mede naar aanleiding van het rapport 1e fase van de adviesgroep en de motie Grinwis/Meulenkamp42 is in opdracht van het Ministerie van VRO onderzoek uitgevoerd naar de voor- en nadelen
van de introductie van een verlofstelsel. De adviesgroep had daarin de aanbeveling
opgenomen om de rechtbanken in eerste en enige aanleg te laten oordelen over omgevingsvergunningen
voor woningbouwprojecten met een mogelijkheid voor de bestuursrechter om prejudiciële
vragen te stellen. In het eindrapport is deze aanbeveling niet meer in die vorm opgenomen.
In het genoemde onderzoek zijn ook andere mogelijkheden om het hoger beroep te beperken,
betrokken.43 Nu in het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting is voorzien in beroep in
één instantie bij de Afdeling bestuursrechtspraak voor woningbouwprojecten van ten
minste één woning, is het op dit moment niet opportuun een verlofstelsel voor woningbouw
nader te beschouwen omdat dit geen verdere versnelling in de woningbouwprocedures
zal opleveren.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.C.G. Keijzer, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening