Brief regering : Voortgang waterstofbeleid
32 813 Kabinetsaanpak Klimaatbeleid
Nr. 1529 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 14 juli 2025
Na de eerdere besluiten over marktordening en infrastructuur heeft het kabinet met
de voorjaarsbesluitvorming over subsidies en verplichtingen de basis voor de waterstofmarkt
gelegd.1 Het kabinet geeft zo verder uitvoering aan de wens van de Kamer om de waterstofmarkt
snel van de grond te laten komen.2 Deze brief beschrijft de relevante ontwikkelingen verdeeld in vier paragrafen: wetgeving
en infrastructuur, vraagsturing, opschaling van het aanbod, en innovatie en maakindustrie.
Daarbij komen verschillende moties en toezeggingen aan bod.
Wetgeving en infrastructuur
Duidelijkheid over wetgeving en betrouwbare realisatie van infrastructuur zijn de
belangrijkste randvoorwaarde voor de ontwikkeling van de markt. Zo kan het kabinet
de risico’s voor bedrijven die willen investeren verminderen. Hiervoor heeft het kabinet
stappen gezet met de implementatie van het Europese waterstof- en gasdecarbonisatiepakket
en de uitrol van het landelijk transportnet inclusief aansluiting voor vier zoutcavernes
voor waterstofopslag. Over waterstofopslag ontvangt de Kamer een aparte brief deze
zomer.
Consultatie implementatie Europese waterstof- en gasdecarbonisatiepakket
Het wetsvoorstel ter implementatie van het Europese waterstof- en gasdecarbonisatiepakket
in de Energiewet, gaat in het derde kwartaal in consultatie. Het wetsvoorstel legt
de rechten en plichten van producenten, afnemers, beheerders van waterstofinfrastructuur
en toezichthouders wettelijk vast, en vormt daarmee de basis voor een goed functionerende
waterstofmarkt. Belanghebbenden worden gevraagd om gedurende de consultatieperiode
te reageren op het wetsvoorstel.
In het consultatiedocument worden belanghebbenden specifiek gevraagd naar de marktordening
van regionale waterstofinfrastructuur. Zoals toegezegd in het commissiedebat Waterstof,
groen gas en andere energiedragers van 16 januari jl. (Kamerstuk 32 813, nr. 1468), zal het kabinet na de zomer de Kamer informeren over de consultatiereacties en
het beoogde beleid voor regionale waterstofinfrastructuur.3 Het kabinet onderzoekt welke rol het Rijk, provincies, netbeheerders, en andere stakeholders
kunnen spelen bij de ontwikkeling van regionale waterstofinfrastructuur. Daarnaast
wordt op verzoek van Eerste Kamerlid Panman de mogelijkheid getoetst om per Ministeriele
Regeling nadere regels te stellen aan de voorwaarden waaronder een publiek infrastructuurbedrijf
activiteiten met betrekking tot importinfrastructuur mag verrichten.4
Uitrolplan, begroting en tariefstructuur landelijk waterstoftransportnet
Het landelijk transportnet voor waterstof is een randvoorwaarde voor de ontwikkeling
van een liquide waterstofmarkt en stakeholders moeten kunnen vertrouwen op een tijdige
realisatie. Daarom is het kabinet nu bezig om een betrouwbaar uitrolplan en een robuuste
begroting vast te stellen en beziet het met de ACM opties voor de tariefstructuur.
Zoals eerder met de Kamer gedeeld blijkt uit de herziene begroting van Hynetwork Services
dat de kosten hoger en de inkomsten op korte termijn lager lijken uit te vallen dan
eerder verwacht. Om de impact daarvan op de tarieven te mitigeren en ten behoeve van
een stabiele en voorspelbare tariefontwikkeling, kijkt het kabinet met de ACM naar
het toepassen van intertemporele kostentoerekening in de tariefstructuur. Vooralsnog
lijkt het erop dat de beschikte subsidie van € 750 miljoen voldoende is voor het dekken
van de aanloopverliezen. Dit wordt meegenomen bij het onderzoek naar de tariefstructuur;
de Kamer ontvangt hier eind 2025 nadere informatie over. Met het nieuwe scopebesluit
van de Delta Rhine Corridor (DRC) Procedure realiseert het kabinet bovendien een belangrijke
waterstofcorridor. Dit is een belangrijk onderdeel van de importcorridor die Nederland
met Europa verbindt. In september 2025 worden de Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau
(NRD) en het hernieuwde Voornemen en voorstel voor participatie (VenP) van de DRC
gepubliceerd.
Vraagsturing
Met de voorjaarsbesluitvorming stimuleert het kabinet het gebruik van hernieuwbare
waterstof met een mix van realistische verplichtingen en subsidies.5 Door vraagsturing en het verwachte aanbod op elkaar aan te laten sluiten krijgen
bedrijven de zekerheid die ze nodig hebben om te investeren. Waar het gebruik van
koolstofarme waterstof bijdraagt aan kosteneffectieve CO2-reductie zet het kabinet in beginsel in op stimuleren hiervan met generiek beleid
(via bijvoorbeeld SDE++ en NIKI).
Raffinageroute
Met het besluit over de vormgeving van de raffinageroute creëert het kabinet vanaf
2026 een zekere afzetmarkt voor hernieuwbare waterstof en een aantrekkelijke route
voor verduurzaming van de raffinagesector. Het kabinet heeft besloten om de correctiefactor
voor de raffinageroute te verhogen van de initieel beoogde 0,4 naar 1,0, waardoor
elektrolyseprojecten minder onzekerheid ervaren door concurrentie met alternatieven.
Het kabinet baseert dit besluit op een onderzoek naar de impact van de voorgestelde
hoogte voor de correctiefactor voor de raffinageroute van 0,4 op de businesscase voor
elektrolyseprojecten in Nederland en de verduurzaming van de industrie dat het kabinet
naar aanleiding van de motie van de leden Bontenbal en Vermeer6 heeft laten uitvoeren door TNO. Tevens wordt de subverplichting voor hernieuwbare
brandstoffen van niet-biologische oorsprong (RFNBO) in wegvervoer verhoogd van 2,0 PJ
naar 5,6 PJ waardoor de totale RFNBO-subverplichting voor vervoer uitkomt op 7,5 PJ
in 2030. Zo vergroot het kabinet de betrouwbare afzetmarkt voor maximaal 750 megawatt
aan geplande elektrolyseprojecten. De achtergrond en verdere planning heeft de Staatssecretaris
van Infrastructuur en Waterstaat eerder gedeeld.7
Jaarverplichting industrie
Met de invoering van een relatief lage jaarverplichting RFNBO’s in de industrie (verder:
jaarverplichting) en het beschikbaar stellen van subsidies voor industriële waterstofgebruikers
beoogt het kabinet het industrieel gebruik van hernieuwbare waterstof op korte termijn
te stimuleren, rekening houdend met het Europese speelveld. De jaarverplichting is
bedoeld om het kip-ei probleem te doorbreken waarbij partijen in de hernieuwbare waterstofmarkt
op elkaar wachten en investeringsbeslissingen uitstellen. Tegelijkertijd moeten de
subsidies hen verleiden om meer te doen dan voor de jaarverplichting nodig is. Voor
de (middel)lange termijn zet het kabinet in op vraagcreatie via groene eindmarkten
op EU-niveau. De gepresenteerde plannen in de Clean Industrial Deal (CID) zijn, wat
het kabinet betreft, slechts een eerste stap in vraagstimulering en verdere marktcreatie
voor schone producten.8 Het kabinet beoogt zo ook uitvoering te geven aan de motie Grinwis, die pleit voor
normering van eindmarkten die het gebruik van hernieuwbare waterstof bevordert.9
Het kabinet heeft besloten om de jaarverplichting met ingang van 1 januari 2027 van
start te laten gaan met een ingroeipad naar 4% in 2030. In het wetsvoorstel wordt
ook het perspectief geschetst tot en met 2035. Hiermee geeft het kabinet inzicht in
de langere termijn, waarmee tegemoet wordt gekomen aan verzoeken uit de markt. De
flexibiliteitsmechanismen, zoals het opbouwen van spaartegoeden, het doorschuiven
van de jaarverplichting en de tijdelijke versoepeling inboekregels, worden verruimd
en zijn ook na 2030 van toepassing. Tabel 1 geeft een overzicht van het voorgenomen
ingroeipad, wat bestaat uit een percentage per jaar en flexibiliteitsmechanismen voor
de periode van 2027 t/m 2035. Er is sprake van een periodieke monitoring en evaluatie.
Na invoering zal het kabinet elke twee jaar bezien of het ingroeipad nog passend is
gegeven de marktontwikkelingen op dat moment. Binnen vijf jaar na inwerkingtreding
van de wet wordt een algemene evaluatie uitgevoerd: bijbehorend verslag zal ingaan
op de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Hiermee beoogt
het kabinet bedrijven de gewenst zekerheid en voorspelbaarheid te geven, en is er
ook voldoende flexibiliteit om waar en wanneer nodig de jaarverplichting aan te passen.
De Kamer ontvangt het wetsvoorstel naar verwachting begin 2026.
Meerdere bepalingen uit het wetsvoorstel werkt het kabinet verder uit in lagere regelgeving,
met name de flexibiliteitsmechanismen en verschillende uitzonderingen. De uitzonderingen
voor waterstofgebruik zoals geformuleerd in de herziene EU-richtlijn voor hernieuwbare
energie (RED III, artikel 22 bis) worden tevens nader uitgewerkt in lagere regelgeving.
Waterstofgebruik voor ammoniakproductie wordt voor 60% uitgezonderd. Daarnaast wordt
onder voorwaarden het gebruik van waterstof uitgezonderd als het gaat om waterstof
die is geproduceerd in een installatie waarvoor subsidie uit het Europese Innovatiefonds
is toegekend en die een gemiddelde broeikasgasemissiereductie van jaarlijks 70% bereikt.
De beoogde algemene maatregel van bestuur beoogt het kabinet in de eerste helft van
2026 te consulteren.
Tabel 1 – Voorgenomen vormgeving jaarverplichting periode 2027 t/m 2035
Jaar
Hoogte verplichting per jaar
Percentage dat kan worden doorgeschoven naar opvolgend jaar
Spaarlimiet is het maximum van
Versoepeling inboekregels
Percentage van jaarverplichting
Percentage van ingeboekte HWI’s
2027
0,2%
100%
Ongelimiteerd
80%
Ja
2028
1%
100%
Ongelimiteerd
60%
Ja
2029
2%
100%
Ongelimiteerd
40%
Ja
2030
4%
100%
150%
20%
Ja
2031
4,9%
100%
100%
20%
Ja
2032
6,1%
80%
50%
20%
Ja
2033
7,4%
60%
50%
20%
Nee
2034
8,6%
40%
50%
20%
Nee
2035
9,9%
20%
50%
20%
Nee
Met de uitzondering van waterstofgebruik voor ammoniakproductie voor 60% wordt niet
volledig invulling gegeven aan de gewijzigde motie Flach c.s. die het kabinet verzocht
om een 100% vrijstelling.10 Het kabinet blijft bij de motivatie die het voorafgaand aan het indienen van de motie
heeft gedeeld met de Kamer als onderdeel van de schriftelijke beantwoording op de
openstaande vragen die waren gesteld tijdens het commissiedebat Waterstof, groen gas
en andere energiedragers van 16 januari jl.11 en in de reactie op de oorspronkelijke motie Flach c.s.12 In deze motivatie geeft het kabinet aan dat een juridische grondslag voor een volledige
vrijstelling van ammoniakproductie in RED III ontbreekt. De Europese Commissie kan
een inbreukprocedure starten en eventuele boetes opleggen als gevolg van het niet
behalen van de RED III lidstaatverplichting. Op basis van de huidige gesprekken met
de Europese Commissie over de ammoniaksector lijkt een volledige vrijstelling niet
tot de mogelijkheden te behoren. Om deze reden vindt het kabinet het onverstandig
anders te besluiten. Het kabinet blijft wel actief in gesprek met de Europese Commissie
en andere lidstaten met een grote ammoniaksector over de RED III implementatie.
Naast het ontbreken van een juridische grondslag speelt dat bij een volledige vrijstelling
van ammoniakproductie de overige industriële waterstofgebruikers in Nederland worden
benadeeld; zij krijgen geen vrijstelling en moeten meer RFNBO’s gebruiken zodat Nederland
alsnog de RED III lidstaatverplichting kan halen. Hierdoor wordt een ongelijk speelveld
tussen Nederlandse industriële waterstofgebruikers gecreëerd. Naast deze juridische
argumenten behoort ook te worden gekeken naar het bredere plaatje. Het waterstofbeleid
zet ook in op het opschalen van binnenlandse productie van hernieuwbare waterstof
via elektrolyse en het ondersteunen van importterminals voor hernieuwbare waterstof
(via waterstofdragers als ammoniak). Zoals onder het kopje «Import» in deze brief
wordt toegelicht, zijn investeringen in import juist van belang voor het versterken
van de leveringszekerheid. Indien de ammoniaksector bestaande grijze ammoniakimport
omzet in de import van hernieuwbare ammoniak kan zij hieraan bijdragen. Bedrijven
die in projecten voor het aanbod van hernieuwbare waterstof en waterstofdragers (willen)
investeren hebben zekerheden nodig over de relevante vraag. Dit hebben belanghebbenden
ook aangegeven in de internetconsultatie van de voorgenomen jaarverplichting.
Ten behoeve van de jaarverplichting is door TNO een onderzoek uitgevoerd om de huidige
industriële waterstofgebruikers in kaart te brengen en daarbij ook te kijken welke
bedrijven boven of onder de voorgenomen ondergrens van 0,1 kton waterstof op jaarbasis
vallen. Het eindrapport van dit onderzoek is als bijlage 1 meegezonden. In dit onderzoek
zijn 36 bedrijven geïdentificeerd die boven de voorgenomen ondergrens vallen waarop
de jaarverplichting van toepassing is.
Vraagsubsidies industrie
Het kabinet werkt daarnaast aan een subsidieregeling voor het stimuleren van de afname
van hernieuwbare waterstof in de industrie. Met het besluit tot invoering van de jaarverplichting
lijkt het ook logisch om deze subsidie aan te laten sluiten bij de systematiek van
hernieuwbare waterstofeenheden industrie (HWI’s) die het wetsvoorstel voor de jaarverplichting
introduceert.13 Met de Europese Commissie zijn de gesprekken gestart als onderdeel van de staatssteuntoets.
Hierbij zal de Europese Commissie met name toetsen of de regeling niet kan leiden
tot oversubsidiëring, bijvoorbeeld in combinatie met andere subsidieregelingen. Het
streven is om de vraagsubsidieregeling na de zomer te consulteren. In de voorjaarsbesluitvorming
is het budget met € 104,8 miljoen verminderd tot € 662,2 miljoen.
Afgelopen jaar heeft Trinomics vijf varianten voor de subsidieregeling onderzocht.
Deze varianten zijn beoordeeld op effectiviteit, efficiëntie, coherentie, gaming,
conformiteit aan staatssteunregels, administratieve complexiteit en marktmacht. Uit
het onderzoek blijkt dat aan alle varianten voor- en nadelen zitten. Dit is terug
te lezen in het onderzoeksrapport dat als bijlage 2 is meegezonden. Op basis van dit
onderzoek is gekozen om een subsidieregeling uit te werken waarin afnemers van hernieuwbare
waterstof een subsidieaanvraag via een tender kunnen indienen en de door hen verkregen
HWI’s onder voorwaarden kunnen verkopen aan de overheid. Deze subsidieregeling wordt
uitgewerkt in een wat minder complexe vorm dan oorspronkelijk ontworpen op basis van
bevindingen van het onderzoek door Trinomics.
Opschaling van het aanbod
Bij de opschaling van het aanbod van waterstof wil het kabinet meer aandacht besteden
aan het verlagen van kosten en het vergroten van de slaagkans van de eerste projecten.
De gestegen kosten van hernieuwbare waterstof vragen om voortzetting van gerichte
ondersteuning, maar wel in combinatie met realistische doelen.
Beleidsverkenning koolstofarme waterstof
In de brief over het waterstofbeleid van 10 december jl.14 heeft het kabinet aangegeven een belangrijke rol te zien voor koolstofarme waterstof
in de energietransitie. In het beleid hiervoor maakt het kabinet onderscheid tussen
verschillende productiemethoden. Deze productiemethoden kennen grote verschillen en
uiteenlopende toepassingen, ook ten opzichte van hernieuwbare waterstof. Koolstofarme
waterstof kan niet simpelweg gezien worden als goedkopere hernieuwbare waterstof,
zoals duidelijk wordt met twee voorbeelden:
• Sommige productiemethoden verduurzamen uitsluitend lokale industriële processen. De
afstemming tussen productie en gebruik vindt dan ook lokaal plaats, waarbij geen gebruik
gemaakt wordt van het landelijk waterstofnet. Zo is het bijvoorbeeld niet logisch
om industriële restgassen te vervangen door hernieuwbare waterstof, zolang die restgassen
een onvermijdelijk bijproduct zijn. Dan is het beter deze te verwerken in de productie
van koolstofarme waterstof om zo CO2-reductie te realiseren. In dergelijke gevallen is er doorgaans geen sprake van concurrentie
met hernieuwbare waterstof.
• Ook de interactie met Europese regelgeving verschilt per type waterstof:
o Koolstofarme waterstof telt niet mee voor de Europese RFNBO-verplichtingen voor hernieuwbare
waterstof in de industrie en mobiliteit.
o Tegelijkertijd is het eigen gebruik van koolstofarme waterstof uit restgassen juist
uitgezonderd van de «noemer» in het Europese doel voor hernieuwbare waterstof in de
industrie.
Gezien deze verschillen in productiemethode en toepassingscontexten, kiest het kabinet
voor gericht beleid per combinatie van productiemethode en toepassing. In de huidige
fase fungeert koolstofarme waterstof uit fossiel dan ook vooral als instrument voor
snelle en substantiële CO2-reductie, en maar beperkt als opstap naar een toekomstig fossielvrij waterstofsysteem.
Tabel 2 – inzet kabinet op verschillende soorten koolstofarme waterstof
Productiemethode koolstofarme waterstof
Inzet kabinet
CCS bij bestaande productiecapaciteit grijze waterstof uit aardgas
Bestaande beleid is toereikend
Syngas uit niet-recyclebaar gemengd stedelijk afval en daarop gelijkend bedrijfsafval
Beleid toereikend door openstelling nieuwe categorie in SDE++ 2025
CCS bij reststromen petrochemie
Sterke inzet kabinet op verduurzamen reststromen petrochemie door verkenning aanpassing
bestaand instrumentarium
Nieuwe productie koolstofarme waterstof uit aardgas met CCS
Geen extra stimulering nu voorzien vanwege achterblijven grootschalige binnenlandse
vraag, onderzoek naar toekomstig potentieel
Productie van waterstof uit biogrondstoffen
Het kabinet verkent nog of aanvullende beleidsinterventie wenselijk is.
Productie koolstofarme waterstof uit kernenergie (elektrolyse of thermolyse)
Additioneel beleid voor nu niet noodzakelijk, gegeven dat nieuwe kerncentrales pas
na 2035 beschikbaar komen
Voor het verduurzamen van waterstof uit bestaande productiecapaciteit voor grijze
waterstof uit aardgas met CCS is het bestaande overheidsbeleid (SDE++ en maatwerksubsidies)
toereikend. Zo zijn er investeringsbeslissingen genomen voor het verduurzamen van
deze bestaande productiecapaciteit, zoals het Northern Lights project bij Yara Sluiskil
en het Porthosproject in de Rotterdamse haven.
Ook voor koolstofarme waterstof uit vergassing van niet-recyclebaar gemengd stedelijk
afval en daarop gelijkend bedrijfsafval is geen aanvullend beleid nodig, aangezien
het kabinet hiervoor dit jaar al een categorie heeft geopend in de SDE++. Voorwaarde
is dat dit type koolstofarme waterstof alleen voor non-energetische doelstellingen
wordt ingezet, bijvoorbeeld als grondstof in de chemie. Lokale productie van koolstofarme
waterstof kan helpen de industrie te verduurzamen die pas later wordt aangesloten
op het landelijk waterstofnetwerk, zoals op Chemelot.
Het verduurzamen van restgassen biedt de grootste CO2-reductiepotentie voor koolstofarme waterstof in de industrie. Verbranding van restgassen
in de petrochemie veroorzaakt tot 12 megaton CO2-uitstoot per jaar. Het kabinet zet daarom sterk in op het verduurzamen van deze restgassen
via koolstofarme waterstof. Momenteel is in de SDE++ al een categorie beschikbaar
voor het verduurzamen van restgassen. Het huidige instrumentarium is nog onvoldoende
om projecten van de grond te tillen. Het kabinet is met PBL in gesprek over de CCS
bij restgassen categorie in de SDE++. Het kabinet komt in het eerste kwartaal van
2026 met een update over eventuele aanpassingen in de SDE++-regeling naar aanleiding
van het PBL-advies.
Het kabinet ondersteunt en faciliteert nieuwe productiecapaciteit van koolstofarme
waterstof uit aardgas met toepassing van CCS, mede met het oog op de positie van Nederland
als energie- en grondstoffenhub. Tegelijkertijd ziet het kabinet op dit moment onvoldoende
aanleiding om aanvullend financieel instrumentarium in te zetten voor het wegnemen
van de onrendabele top, gezien de onzekerheden rondom marktontwikkeling, kosten en
vraag15. Ten eerste is de concrete vraag naar het aanbod van deze grootschalige projecten
nog onzeker. Het kabinet verwacht beperkte vraag in de grote industrieclusters, waar
bedrijven vooral op alternatieve verduurzamingsopties inzetten. Uitzondering hierop
vormt cluster 6, waar voor sommige bedrijven elektrificatie zeer uitdagend is en CCS-infrastructuur
niet beschikbaar is, waardoor koolstofarme waterstof mogelijk een alternatief kan
bieden. De eventuele uitrol van regionale waterstofinfrastructuur met lange doorlooptijden
vormt hier echter een belangrijke uitdaging. Daarnaast is de onrendabele top ten opzichte
van aardgas nog hoog en zijn de kosten van het vervangen van aardgas via dit type
koolstofarme waterstof relatief hoog ten opzichte van alternatieven voor broeikasgasemissiereductie
op de korte tot middellange termijn. Hierdoor wordt mogelijke substantiële vraag vanuit
de industrie pas na circa 2035 realistisch geacht. Ook in de elektriciteitssector
bestaan momenteel nog aanzienlijke uitdagingen voor het grootschalig gebruik van koolstofarme
waterstof. De benodigde transport- en opslaginfrastructuur voor inzet in gascentrales
is nog niet gerealiseerd, en kent lange doorlooptijden. Daarnaast is het instrumentarium
voor een CO2-vrije elektriciteitssector nog in ontwikkeling. Naar verwachting zal mogelijke grootschalige
vraag naar waterstof hier pas richting 2040 kunnen ontstaan.
Op basis van deze overwegingen kiest het kabinet ervoor om op dit moment geen grote
extra overheidsinterventie te initiëren om grootschalig aanbod van dit type koolstofarme
waterstof te stimuleren. Wel gaat het kabinet actief verkennen hoe (potentiële) waterstofgebruikers
in de industrie en elektriciteitssector kunnen worden geholpen in de specifieke uitdagingen
van hun verduurzaming en de rol van koolstofarme waterstof daarbij.
Wat betreft waterstofproductie uit biogrondstoffen verkent het kabinet nog of aanvullende
beleidsinterventie wenselijk is.
Tot slot kan ook uit kernenergie waterstof worden geproduceerd. Dit kan op twee manieren:
via elektrolyse, waarbij de elektriciteit wordt gebruikt, en via thermolyse, waarbij
de hitte wordt gebruikt om waterstof te maken. Het kabinet staat hier positief tegenover
maar ziet op dit moment geen noodzaak voor nieuw beleid, aangezien nieuwe kerncentrales
pas na 2035 worden verwacht.
Elektrolyse
De opschaling van elektrolyse in Nederland heeft veel last van gestegen kosten, waardoor
vraag uitblijft. De genoemde vraagsturing hierboven moet dit voor een belangrijk deel
oplossen. Daarnaast gaat het kabinet de komende tijd nadrukkelijk inzetten op het
vergroten van de slaagkans en het verlagen van de kosten en risico’s van projecten.
Over offshore elektrolyse ontvangt de Kamer binnenkort meer informatie in de brief
over het Windenergie infrastructuurplan Noordzee.
Naar verwachting maakt RVO deze maand de uitslagen van de tweede ronde van de OWE-regeling
bekend. Vervolgens zal het kabinet in de Klimaat- en Energienota bekendmaken welke
elektrolysecapaciteit het mede op basis daarvan en op basis van de verwachte vraag
en kosten realistisch acht voor 2030 en verder. Dat de tender met meer dan drie miljard
euro aan aanvragen zwaar is overtekend biedt hoop op een goed resultaat. De beoordeling
van RVO heeft langer geduurd dan voorzien, wat onder andere is veroorzaakt doordat
meerdere projecten van onvoldoende kwaliteit bleken om gerangschikt te worden.
Bij de miljoenennota van dit jaar besluit het kabinet welk deel van het resterende
budget van € 2,1 miljard het wil inzetten voor een ronde van de OWE in 2026. De openstellingsperiode
van de volgende ronde van de OWE hangt af van de aanpassingen die nodig zijn aan de
huidige regeling. Openstelling zal op zijn vroegst begin 2026 plaatsvinden.
Voor de volgende OWE-rondes onderzoekt het kabinet aanpassingen die de daadwerkelijke
slaagkans van projecten na toekenning van subsidie moeten vergroten. Daarbij kijkt
het naar meer flexibiliteit bij vertragingen van de infrastructuur (zoals ook verzocht
in de motie Bontenbal c.s.16), strengere eisen ten aanzien van de volwassenheid van projecten en een sterkere
koppeling aan afnemers. Daarnaast heeft Berenschot het ontwerp van de OWE-regeling
geëvalueerd met als doel de lessen hieruit mee te nemen in de vormgeving van de volgende
OWE-ronde (zie bijlage 3). Berenschot concludeert dat de OWE met het huidige ontwerp
kostenefficiënte projecten en projecten met de meeste slaagkans subsidieert. Op aanbeveling
van Berenschot onderzoekt het kabinet daarnaast hoe het de administratieve lasten
in volgende rondes kan verminderen.
Daarnaast gaat het kabinet gericht werken aan het verlagen van kosten en risico’s
van projecten. NLHydrogen heeft op verzoek een marktonderzoek uitgevoerd naar kansrijke
opties hiervoor. TNO gaat de uitkomsten van dit marktonderzoek beoordelen. De resultaten
verschijnen naar verwachting eind 2025. Daarnaast vinden op verzoek van lid Erkens
ook gesprekken plaats met de ACM over locatiedifferentiatie in nettarieven.17 De ACM treft voorbereidingen voor een nader onderzoek met als hoofdvraag: «worden
elektrolysers en batterijopslag via de alternatieve transportrechten voldoende gecompenseerd
voor hun bijdrage aan het verzachten van netcongestie?»
Import
Zoals toegezegd aan het lid Bontenbal bevat deze brief ook een toelichting op de Nederlandse
importstrategie. Uit verschillende analyses18 blijkt dat het grootste deel van het in Nederland en Noordwest-Europa benodigde volume
aan hernieuwbare waterstof en derivaten geïmporteerd moet worden. De productiekosten
hiervan zijn in andere delen van Europa en de wereld veel lager als gevolg van comparatieve
voordelen zoals goedkopere hernieuwbare elektriciteit en meer ruimte. Zoals eerder
aan uw Kamer vermeld, blijft het kabinet de voor import benodigde regelgeving, infrastructuur
en instrumentarium aanvullen met actieve energiediplomatie. Prioriteiten zijn het
creëren van intra-Europese corridors, het bijdragen aan een transparante en eerlijke
internationale markt via multilaterale organisaties, en het onderhouden van bilaterale
relaties met exportlanden binnen en buiten de EU, met aandacht voor IMVO en de internationale
verdienkansen voor het Nederlandse bedrijfsleven.
Diversificatie is een belangrijke pijler onder de leveringszekerheid en daarom zet
het kabinet in op import vanuit een brede groep landen. Bovendien leiden investeringen
in deze landen tot kansen voor Nederlandse bedrijven en onderzoeksinstellingen. In
de komende periode is de uitdaging om vraag en aanbod in overeenstemming te brengen
met elkaar, en te bezien welke importinfrastructuur hiervoor nodig is. Verschillende
toepassingen vragen immers om verschillende typen importinfrastructuur, onder meer
afhankelijk van afnemer en locatie. De importtender van Nederland en Duitsland onder
H2 Global heeft als doel om ontwikkelingen en keuzes in de importketen goed op elkaar
te laten aansluiten. Met de publicatie van de aankoopcontracten die geveild moeten
gaan worden is deze importtender officieel gelanceerd.19 Ten slotte moeten algemene studies zoals de Northwest European Hydrogen Monitor en
studies naar de ontwikkeling van specifieke importcorridors, zoals die tussen Brazilië
en Nederland20, helpen om onze beleidskeuzes aan te scherpen.
Aan het Eerste Kamerlid Panman is toegezegd om in het eerste kwartaal van 2025 met
de sector in gesprek te gaan over investeringsbeslissingen in infrastructuur, met
name over de rolverdeling tussen publieke infrastructuurbedrijven en private partijen
bij de ontwikkeling van importinfrastructuur.21 Samen met de ACM, in haar rol als beoogd toezichthouder op waterstofinfrastructuur,
vinden doorlopend gesprekken plaats met private partijen die mogelijk willen investeren
in importinfrastructuur voor waterstof en derivaten. Die gesprekken zijn gericht op
het wegnemen van onzekerheden over Europese regelgeving bij het nemen van investeringsbeslissingen,
of het verkennen van (Europese) financieringsopties.
Zoals toegezegd22 verkent het kabinet de mogelijkheid de sector te laten aansluiten bij het IMVO-convenant
voor hernieuwbare energie. Sinds 2023 vinden er verkennende gesprekken plaats over
IMVO en mogelijkheden voor sectorale samenwerking met de brancheorganisatie NLHydrogen
en individuele bedrijven uit de sector. De brancheorganisatie zal deze zomer gesprekken
voeren met haar leden. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijft actief betrokken
tijdens deze verkenning.
Dankzij deze inzet zien veel landen Nederland bij de ontwikkeling van waterstofbeleid
als een belangrijke partner en gidsland. Een goed voorbeeld hiervan is de World Hydrogen
Summit die in mei plaatsvond in Rotterdam. De deelname van meer dan 10.000 deelnemers
uit 120 landen en de aanwezigheid van vele overheidsvertegenwoordigers maakte duidelijk
dat waterstof wereldwijd nog hoog op de agenda staat en de inzet op energiediplomatie
van belang blijft. Nederland heeft de World Hydrogen Summit goed benut om uitvoering
te geven aan de Nederlandse importstrategie.
Innovatie en maakindustrie
Ondersteuning via GroenvermogenNL
Voor de beoogde groei van het industrieel gebruik van hernieuwbare en koolstofarme
waterstof is nog veel innovatie nodig. Een belangrijke rol daarbij speelt GroenvermogenNL23, een programma gefinancierd uit het Nationaal Groeifonds. Naast technologische innovaties
op gebied van productie, import, transport, opslag en gebruik van waterstof besteedt
het programma ook aandacht aan veiligheid, sociale acceptatie, human capital, systeemvraagstukken
en economische inpassing. Voorbeeld van dat laatste is de steun die GroenvermogenNL
geeft aan de realisatie van een handelsplatform (HyXchange). GroenvermogenNL heeft
inmiddels diverse R&D-programma’s lopen, ruim tien pilots en demonstratieprojecten
mede gefinancierd en stimuleert ook de ontwikkeling van nieuwe projecten met subsidie
voor FEED- en haalbaarheidsstudies. De komende jaren zullen deze de kennis en ervaring
opleveren die noodzakelijk is om bedrijven te helpen overstappen naar hernieuwbare
en koolstofarme waterstof.
GroenvermogenNL heeft samen met het kabinet de IMKE-regeling ontwikkeld, waarmee fabrieksmatige
productie van elektrolyse-apparatuur wordt gestimuleerd. Het voornemen is om eind
dit jaar een tweede openstelling van deze regeling te realiseren. Ter versterking
van het innovatieve ecosysteem in Nederland is het belangrijk voldoende testfaciliteiten
te hebben in Nederland op alle fasen van innovatie (TRL’s). Daartoe is GroenvermogenNL
een samenwerking gestart met TNO en werkt het momenteel aan het realiseren van een
faciliteit voor duurtesten van elektrolyse-apparatuur. Zo’n faciliteit helpt bedrijven
bij certificering van apparatuur en het wegnemen van risico’s bij de realisatie van
grotere projecten.
Momenteel werkt het Rijk samen met GroenvermogenNL aan een subsidieregeling voor kleinere
elektrolyseprojecten in zogenaamde waterstofhubs. Met deze regeling beogen Rijk en
GroenvermogenNL te leren van ketenprojecten, die naast productie van waterstof ook
transport, opslag en gebruik door meer dan één afnemer bevatten. De kleinere schaal
sluit goed aan bij diverse lokale initiatieven waar lokale vraag naar waterstof, (en
mogelijk) restwarmte en zuurstof bestaat. In netcongestiegebieden kunnen deze projecten
bovendien helpen het elektriciteitsnet te ontlasten. Ook zijn deze projecten in ieder
geval in de eerste fase minder afhankelijk van het landelijke transportnet. De consultatie
van deze regeling moet nog dit jaar plaatsvinden, met oog op een openstelling in de
eerste helft van 2026.
Ontwikkelingen circulaire maakindustrie
Als onderdeel van de circulaire maakindustrie en Nationale Grondstoffen Strategie
heeft het kabinet in samenwerking met koepelorganisaties en bedrijven gewerkt aan
een routekaart voor de elektrolysersector om circulariteit te bevorderen. De doelstelling
van het traject is om doelen te formuleren voor een termijn van 5 tot 7 jaar. Dit
betreft onder andere het versterken van het verdienvermogen van de zich ontwikkelende
Nederlandse maakindustrie op het gebied van elektrolyse, het verlagen van de afhankelijkheid
van kritieke grondstoffen waardoor Nederland en Europa weerbaarder worden tegen verstoringen
van internationale aanvoerketens van grondstoffen en het verlagen of vermijden van
de milieubelasting en de klimaatimpact van het gebruik van grondstoffen inclusief
componenten zoals PFAS. De routekaart wordt deze zomer gepubliceerd.
Daarnaast heeft het kabinet oog voor de regionale ontwikkeling van maakclusters in
het waterstofdomein, zoals maakclusters in Zuid-Holland, regio Eindhoven, Groningen
en Oost-Nederland. Daarom wordt momenteel geïnventariseerd hoe de Nederlandse sector
regionaal is gepositioneerd, welke regionale expertises in de keten zijn te definiëren,
of regio’s elkaar kunnen versterken en of er aanvullend beleid nodig is om de Nederlandse
sector hierin internationaal te verstevigen. In het tweede helft van dit jaar worden
de resultaten verwacht en zullen de uitkomsten aan de Kamer worden aangeboden.
Gebruik van PFAS
Ter voorbereiding op een mogelijk Europees verbod op het gebruik van PFAS heeft TNO
in opdracht van het ministerie onderzocht wat de impact van een verbod is op de sector
(zie bijlage 4). Het onderzoek richt zich op de vraag wat het effect is op het uitfaseren
van PFAS op de waterstofketen. Bij een aantal typen elektrolysers is het gebruik van
PFAS momenteel essentieel vanwege de specifieke eigenschappen van PFAS, waardoor een
verbod een beperking op de beschikbare elektrolysers kan opleveren. Het rapport laat
zien dat een tijdelijke uitzonderingspositie van 10 jaar de sector voldoende ruimte
geeft om zich aan te passen. Het rapport bevat nuttige aanknopingspunten waar het
kabinet proactief mee aan de slag gaat, omdat de ontwikkeling van alternatieven van
PFAS tijd kost. Via innovatieprogramma’s zoals GroenvermogenNL besteedt het kabinet
nu al aandacht aan PFAS-vrije alternatieven: zo zijn de eerste PFAS-vrije pilotprojecten
al gelanceerd.
Afsluiting
Met bovenstaande acties geeft het kabinet uitvoering aan de wens van de Kamer om vaart
te houden in de ontwikkeling van de waterstofmarkt.24 Beleid gericht op infrastructuur, aanbod en vraag moet het kip-ei-probleem doorbreken
en investeringen stimuleren. De uitvoering van het beschreven beleid legt de basis
voor de verdere groei van de waterstofmarkt, waar een volgend kabinet richting aan
moet geven.
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.T.M. Hermans
Indieners
-
Indiener
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei