Brief regering : Beleidsreactie op Nibud onderzoek Meerkosten van het leven met een beperking
24 170 Gehandicaptenbeleid
Nr. 363 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 juli 2025
Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (hierna: Nibud) deed in 2024 onderzoek
naar de meerkosten waar mensen met een beperking mee te maken hebben. Dit rapport
is in juni 2024 aan de Tweede Kamer aangeboden.1 Met deze brief bied ik u, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
en de Staatssecretaris Participatie en Integratie de beleidsreactie aan op het onderzoek.
Aanleiding voor het onderzoek is het Verdrag inzake de rechten van personen met een
handicap (hierna: VN-Verdrag Handicap) dat stelt dat er voor hen sprake moet zijn
van een behoorlijke levensstandaard en werkgelegenheid. Nederland heeft het VN-verdrag
Handicap in 2016 geratificeerd. In het Verdrag staat dat iedereen gelijk is en dat
mensen met een beperking mee moeten kunnen doen in de samenleving. Sommige mensen
met een beperking lukt dit niet door de manier waarop zaken zijn geregeld in de samenleving.
De meerkosten waar mensen met een beperking mee te maken hebben, zouden kunnen leiden
tot een extra drempel om gelijkwaardig mee te doen.
Uit het onderzoek blijkt dat mensen met een beperking te maken kunnen hebben met hoge
noodzakelijke uitgaven, bijvoorbeeld vanwege zorgkosten. In het rapport heeft het
Nibud inzichtelijk gemaakt met welke meerkosten mensen met een beperking geconfronteerd
kunnen worden en wat de impact daarvan is op hun huishoudbudget. Dat hebben ze gedaan
door (minimum)voorbeeldbegrotingen op te stellen specifiek voor mensen met een beperking.
Tot nu toe was hier geen onderzoek naar gedaan.
Het Nibud stelt ieder jaar voorbeeldbegrotingen op van alle noodzakelijke uitgaven
waar een huishouden mee te maken heeft. Hierbij geven ze ook aan wat de impact daarvan
is op het besteedbare inkomen van het huishouden. Het Nibud heeft dit nu ook gedaan
voor mensen met een beperking. De acht voorbeeldbegrotingen zijn opgesteld op basis
van gesprekken met ervaringsdeskundigen met een chronische ziekte, lichamelijke, zintuigelijke
of verstandelijke beperking. De meerkosten zijn vergeleken met voorbeeldbegrotingen
van huishoudens zonder mensen met een beperking. Het Nibud heeft aangegeven dat er
slechts beperkt inzicht is in de omvang van groepen mensen met verschillende soorten
beperkingen. Door de variatie en het beperkt inzicht in de omvang van de verschillende
groepen geeft het onderzoek geen volledig beeld van alle meerkosten in alle mogelijke
omstandigheden. Het geeft wel een inzicht in de gevolgen voor een aantal veelvoorkomende
situaties. Het Nibud gebruikt de voorbeeldbegrotingen die zij gemaakt hebben tevens
in adviezen die zij maken voor gemeenten over hun minimabeleid.
Gemeentelijke regelingen zijn niet meegenomen in de voorbeeldbegrotingen, omdat de
inkomensondersteunende regelingen per gemeente kunnen verschillen. Het netto besteedbare
bedrag per maand kan hoger zijn als gemeenten aanvullende inkomensondersteuning bieden.
De voorbeeldbegrotingen gaan uit van gemiddelde bedragen voor de kosten. In individuele
situaties kunnen de meerkosten en het netto besteedbaar bedrag per maand (na aftrek
van noodzakelijke kosten) dus hoger of lager zijn dan berekend. Dat is het geval indien
de meerkosten van een huishouden hoger zijn dan gemiddeld en als een gemeente weinig
tot geen aanvullende inkomensondersteuning biedt. Het bedrag kan ook juist hoger zijn,
namelijk indien de meerkosten van een huishouden lager zijn dan gemiddeld en/of indien
er aanvullende inkomensondersteuning is vanuit gemeenten.
Het onderzoek laat zien dat sommige huishoudens met een beperking meer dan anderen
moeite hebben om rond te komen of structureel tekort komen door hogere uitgaven aan
meerkosten en minder inkomsten. Het gaat daarbij vaak om hoge uitgaven aan vervoer,
energie, medicijnen en de zorgverzekering. Soms spelen ook hoge uitgaven aan woonlasten,
intensieve begeleiding en verblijfskosten en voeding mee. De meerkosten die in de
voorbeeldbegrotingen zijn uitgewerkt variëren van € 90 tot € 342 per maand. Per jaar
gaat het om meerkosten tussen de € 1.000 en € 4.500.
Het kabinet waardeert de grondige wijze waarop het Nibud dit onderzoek heeft uitgevoerd.
Zij hebben dit gedaan door samen te werken met ervaringsdeskundigen, experts en vertegenwoordigers
van mensen met een beperking. Veel bevindingen uit het rapport zijn herkenbaar. Het
stelsel van inkomensondersteunende regelingen doet namelijk niet altijd waarvoor het
bedoeld is. Voor een deel van de mensen met een beperking draagt het geheel aan inkomensondersteunende
regelingen bij aan hun bestaanszekerheid. Maar er zijn ook mensen voor wie de complexiteit
van de regelingen voor financiële onzekerheid kan zorgen. Voor deze mensen helpt het
als het stelsel begrijpelijker en uitvoerbaarder is. Zodat zij alle tegemoetkomingen
kunnen aanvragen waar zij recht op hebben en zodat zij kunnen rondkomen. Ook hebben
de regels in sommige situaties tot gevolg dat reeds uitgekeerde bedragen moeten worden
terugbetaald, wat tot onzekerheid kan leiden. Sommige mensen krijgen door een loonsverhoging
bijvoorbeeld te maken met terugvorderingen. Anderen verdienen meer dan een bepaald
drempelbedrag waardoor zij het geheel aan ontvangen vergoedingen dienen terug te betalen.
In deze beleidsreacties spiegelen we de conclusies en aanbevelingen uit het rapport
aan de huidige beleidsontwikkelingen en mogelijke oplossingen voor geconstateerde
knelpunten. We leggen deze aan tegen de inkomensondersteunende regelingen en eigen
bijdragen zoals die nu zijn opgebouwd. Het vervolg van deze brief gaat in op de volgende
onderwerpen:
1. Relatief hoge meerkosten voor vervoer, energie, zorg en eigen betalingen
2. Minder mogelijkheden om de financiële situatie te verbeteren
3. Risico op tekorten en lagere levensstandaard door meerkosten
4. Administratieve lasten bij inkomensregelingen en ondersteuning
5. Vervolg
1. Relatief hoge meerkosten voor vervoer, energie, zorg en eigen betalingen
Het Nibud heeft laten zien dat er veel variatie in de meerkosten zit:
– Zo zijn er kosten die vaak voorkomen en op zichzelf bezien minder hoog zijn (telefonie,
begeleiding en wassen);
– Kosten die niet iedereen heeft maar een grote impact hebben (woonlasten, intensieve
begeleiding, verblijf en voeding);
– Kosten die niet goed vast te stellen zijn vanwege grote individuele verschillen, zoals
afstand, noodzaak van begeleiding of aangepaste faciliteiten (vervoer, vrijetijdsuitgaven
of deelname aan sociale activiteiten)
– Kosten die relatief eenvoudig te bepalen zijn en tevens de grootste kostenposten vormen
(energie, medicijnen, eigen risico en zorgverzekering).
Het Nibud constateert dat mensen met een beperking in veel situaties te maken hebben
met relatief hoge meerkosten voor uitgaven aan vervoer, energie, medicijnen, voedingssupplementen,
eigen betalingen voor hulpmiddelen en voor hun zorgverzekering. Hieronder reageren
we op wat het Nibud zegt. Ook leggen we uit op welke tegemoetkomingen mensen een beroep
kunnen doen.
Vervoer
Onder vervoerkosten vallen brandstof, kosten per kilometer, aanschaf, afschrijving
en het onderhoud van vervoersmiddelen. De gemiddelde meerkosten voor vervoer zijn
niet eenvoudig vast te stellen. Dit hangt af van de zorgbehoefte en het verschil in
afstanden die afgelegd worden. Hierdoor verschillen de meerkosten al snel van ruim
€ 10 per maand bij gebruik van regiotaxi/Valys tot € 35 tot € 200 per maand bij een
aangepaste auto en verder weg gelegen bezoek. Nibud spreekt alleen over Wmo-vervoer
en Valys-vervoer. Er zijn ook nog andere vormen van doelgroepenvervoer. Het gaat dan
bijvoorbeeld om zittend ziekenvervoer, de vervoersvoorziening werk en onderwijs en
vervoer in het kader van de Participatiewet en Jeugdwet.
Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) biedt een vervoersvoorziening
aan mensen met een mobiliteitsbeperking voor bovenregionale reizen met een sociaal-recreatief
karakter. Het vervoerssysteem Valys voert deze reizen uit. Zij regelen taxivervoer
over een afstand van vijfentwintig (25) kilometer of meer vanaf het woonadres van
de reiziger. Het Valys-taxivervoer is een aanvulling op het openbaar vervoer (OV)
en aanvullend
openbaar vervoer (AOV). Zo zorgt Valys voor van deur-tot-halte-vervoer en vice versa.
Bij Valys is het een bewuste keuze om de kosten voor de reiziger gelijk te trekken
met de kosten van het openbaar vervoer. Het is mooi dat uit het rapport is terug te
zien dat gemeenten dat ook doen voor het Wmo-vervoer (regiotaxi). De werkelijke kosten
van aangepast taxivervoer zijn hoger dan de reizigersbijdrage. Deze kosten worden
gedragen door de overheden.
Mensen kunnen een tegemoetkoming ontvangen voor de meerkosten voor vervoer via de
belastingaftrek voor specifieke zorgkosten, een vergoeding vanuit UWV of vanuit de
zorgverzekering. Bij regelmatig bezoek aan het ziekenhuis kan een beroep op de (hardheidsclausule
van de) eigen verzekering worden gedaan. Ook kunnen mensen met een aangepaste autobus
btw-vrijstelling krijgen. Naar aanleiding van de evaluatie van de fiscale regeling
aftrek specifieke zorgkosten zijn per 1 januari 2025 enkele kleine aanpassingen gedaan
in de fiscale regeling, zoals de vereenvoudiging van de aftrek van vervoerskosten.
Zo is de aftrekpost voor mensen met een ernstige mobiliteitsbeperking door ziekte
en invaliditeit vervangen door een vast bedrag van € 925. Bij het vaststellen van
dat bedrag heeft het demissionaire kabinet vorig jaar extra middelen beschikbaar gesteld.
Daarnaast is de kilometerprijs voor de aftrek van de autokosten voor bijvoorbeeld
een ziekenhuisafspraak bepaald op een vast bedrag van € 0,23. Hierdoor hoeven burgers
geen complexe berekeningen meer te maken voor vervoerskosten.
Er zijn kortom vele tegemoetkomingen voor de meerkosten voor vervoer mogelijk. Het
kabinet kan zich voorstellen dat niet iedereen goed op de hoogte is van de mogelijkheden
om eventuele extra kosten (deels) vergoed te krijgen. Daarnaast kan onduidelijkheid
over het precieze bedrag dat vergoed wordt, welke inkomensdrempel geldt voor welke
regeling en onduidelijkheid over de bruto-netto berekening leiden tot onzekerheid.
Proactieve communicatie hierover door de verantwoordelijke partijen is daarom essentieel.
Energiekosten
De bevindingen van het Nibud tonen aan dat de energiekosten voor mensen met een beperking
hoger kunnen liggen dan voor mensen zonder beperking. Vanwege hun beperking kunnen
deze huishoudens een hogere energievraag hebben, bijvoorbeeld doordat hun conditie
een hogere binnentemperatuur vereist, of doordat apparaten van elektriciteit voorzien
moeten worden. Deze extra vraag naar energie kan enkele tientallen euro’s per maand
schelen, en het verschil neemt toe als de energetische kwaliteit van de woning slechter
is. Deze extra kosten zijn onderdeel van de optelsom van meerkosten die het Nibud
in beeld brengt, en zet de begroting van deze huishoudens onder druk.
Er zijn geen maatregelen specifiek gericht op mensen met een beperking om de energiekosten
te drukken. Het kabinet heeft oog voor het belang van de energietransitie, ook voor
huishoudens met een kleine portemonnee. De aanpak van energiearmoede wordt gezamenlijk
opgepakt door de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) voor de inkomenskant,
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) voor de verduurzaming van woningen
en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) voor energiesysteem en klimaatrechtvaardigheid.
Veel mensen met te hoge energiekosten wonen in een sociale huurwoning. Met de prestatieafspraken
worden in 2028 alle labels E, F en G in sociale huurwoningen uitgefaseerd. Ook aan
andere huurders worden eisen gesteld waardoor zij de energievraag van de woning moeten
verlagen. Doen zij dit niet, dan kan de gemeente vanaf 1 januari 2029 handhaven om
ervoor te zorgen dat verhuurders de huurwoning verbeteren naar minstens energielabel
D.
Bewoners kunnen ook ondersteuning ontvangen bij het besparen van energie en verduurzamen.
Dit gebeurt onder andere door het Nationaal Isolatieprogramma, het Warmtefonds en
de Specifieke uitkering Aanpak Energiearmoede. Daarnaast is de regeling Afsluitbeleid
voor kleinverbruikers na de energiecrisis gewijzigd, waardoor de positie van consumenten
structureel is verbeterd, om te voorkomen dat ze worden afgesloten van energie, of
betalingsproblemen of schulden oplopen.
Ook was het Energiefonds 2025 eind april geopend. Huishoudens met een laag inkomen
en een hoge energierekening konden een aanvraag doen voor financiële steun bij het
betalen van de energierekening.2
Het kabinet gaat tevens in gesprek met gemeenten, mensen met een beperking en de organisaties
die hen vertegenwoordigen over de vraag in hoeverre mensen met een beperking voldoende
worden ondersteund om hun woon- en energielasten te kunnen dragen. Hiermee geeft het
kabinet invulling aan de invulling aan de motie Dobbe.3 De Tweede Kamer wordt over de uitkomsten van de gesprekken in het najaar van 2025
geïnformeerd.
Forse verlaging eigen risico zorgverzekering
Het kabinet herkent de conclusie dat mensen die veel zorg nodig hebben teveel betalen
aan eigen betalingen zoals het eigen risico. Daarom wordt het verplicht eigen risico
in 2027 fors verlaagd, naar 165 euro. Hierdoor wordt de financiële drempel tot zorg
flink verlaagd. Ook zullen minder mensen naar verwachting medische zorg uitstellen
of hiervan afzien. De premiestijging die het verlagen van het eigen risico met zich
meebrengt is al gecompenseerd door lastenverlichting via een verlaagd tarief van de
eerste schijf in de inkomstenbelasting. Ook krijgen mensen met lagere inkomens straks
meer zorgtoeslag. Vooral mensen die hun verplicht eigen risico volledig betaald hebben
en zorgtoeslag ontvangen gaan er financieel op vooruit (€ 115). Daarnaast wordt het
verplicht eigen risico per 2027 gemaximeerd op een bedrag van € 50 per behandelprestatie
in de medisch-specialistische zorg. Dit houdt in dat verzekerden maximaal € 50 eigen
risico kwijt zijn per diagnosebehandelcombinatie (dbc) en per overig zorgproduct (ozp).
De regering beoogt met deze wijzigingen van het eigen risico de toegankelijkheid van
de zorg te vergroten en gelijkwaardiger te maken. Het vaststellen van de hoogte van
het verplicht eigen risico is een afweging tussen betaalbaarheid, solidariteit en
toegankelijkheid van zorg. Het kabinet kiest door deze maatregel voor een andere balans
hiertussen.
Eigen bijdragen in de zorg en voorzieningen
Onder de eigen betalingen voor zorg worden verstaan de eigen bijdragen die mensen
moeten betalen voor zorg uit het basispakket. Het gaat dan om eigen betalingen op
grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorgzorg (Wlz) en/of de
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het kabinet erkent dat mensen
met een beperking te maken kunnen hebben met relatief hoge meerkosten voor de door
Nibud genoemde uitgaven, ook waar het gaat om eigen betalingen voor de zorg. Het gaat
dan om de volgende eigen bijdragen:
– verplicht eigen risico Zvw;
– eigen bijdragen in de Zvw voor extramurale farmacie, ziekenvervoer, kraamzorg, mondzorg
en bepaalde hulpmiddelen;
– eigen bijdragen in de Wlz en eigen bijdragen voor beschermd wonen en voor overige
maatwerkvoorzieningen in de Wmo 2015.
De redenen voor eigen bijdragen in de zorg zijn verschillend. Het kan gaan om de betaalbaarheid
van de zorg, medefinanciering van de zorgkosten, draagvlak voor inkomens- en risicosolidariteit
en het stimuleren van bewust zorggebruik. Uit de monitor eigen bijdragen en de analyse
hiervan blijkt dat een derde van de bevolking geen eigen bijdragen betaalt voor zorg
en ongeveer twee derde te maken heeft met eigen bijdragen.4 In de monitor zijn eigen bijdragen (incl. het verplicht eigen risico maar vooralsnog
met uitzondering van de eigen bijdrage voor hulpmiddelen) meegenomen die verzekerden
moeten betalen voor verzekerde zorg. Huishoudens betalen gemiddeld € 39 per maand.
Dit bedrag is de afgelopen jaren constant gebleven ondanks de gestegen zorguitgaven.
Het gemiddelde bedrag dat personen met meerdere eigen bijdragen per maand betalen
is gedaald van € 117 per maand in 2016 tot € 84 in 2021. Het aantal personen met meerdere
soorten eigen bijdragen is licht gestegen de afgelopen jaren. De daling van de gemiddelde
eigen bijdrage voor personen met meerdere eigen bijdragen komt mede door de beleidsmaatregelen
van de vorige kabinetten. Deze maatregelen zijn het maximeren van de eigen bijdragen
voor extramurale geneesmiddelen in 2019, de invoering van het abonnementstarief in
de Wmo 2015 in 2019 en de in 2018 en 2019 doorgevoerde maatregelen om het inkomen
en vermogen minder zwaar mee te tellen voor de eigen bijdragen in de Wlz en beschermd
wonen in de Wmo 2015.
Vanuit macro-perspectief geeft de monitor een positief beeld van de eigen bijdragen
in de zorg voor de burger, omdat de gemiddelde hoogte van (de stapeling van) eigen
bijdragen is verminderd, terwijl tegelijkertijd de totale zorguitgaven zijn gestegen.
Deze ontwikkeling blijft zichtbaar als er in de monitor wordt ingezoomd op bepaalde
achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht en inkomen. Dat neemt niet weg dat
voor bepaalde groepen, zoals mensen met een beperking, de eigen bijdragen in combinatie
met andere meerkosten de kosten kunnen stapelen. In het algemeen worden in Nederland
zorgkosten geheel of gedeeltelijk vergoed vanuit de Zvw, de Wlz of de Wmo 2015. Daarnaast
is er bij de combinatie van een eigen bijdrage voor de Wmo 2015 en een eigen bijdrage
voor de Wlz sprake van anti-cumulatie. Dit houdt in dat er, op het moment dat er door
de persoon of diens partner gebruik wordt gemaakt van zowel ondersteuning5 vanuit de Wmo 2015 en zorg vanuit de Wlz, alleen een eigen bijdrage voor de Wlz wordt
betaald.
Mensen die verblijven in een Wlz-instelling moeten na het betalen van de eigen bijdrage
een minimumbedrag overhouden, het zak- en kleedgeld. De Staatssecretaris Participatie
en Integratie laat op dit moment onderzoeken wat de beleidstheorie achter de bijstandsnorm
bij verblijf in een zorginstelling (zak- en kleedgeld) is en waardoor het komt dat
deze als niet-toereikend wordt ervaren.
Voor een deel van de hulpmiddelen moeten mensen eigen bijdragen betalen. Hulpmiddelen
worden verstrekt op basis van verschillende wetten. Op grond van de Wmo 2015 worden
hulpmiddelen die bedoeld zijn om thuis te kunnen blijven wonen of te kunnen participeren
als maatwerkvoorziening verstrekt. Mensen betalen hiervoor een eigen bijdrage. Voor
rolstoelen geldt een uitzondering die is opgenomen is het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
Algemeen gebruikelijke voorzieningen, zoals een fiets of een wandelstok, worden niet
vergoed.
Vanuit de Zvw worden in het algemeen hulpmiddelen vergoed die nodig zijn voor behandeling,
verpleging, revalidatie en verzorging. Dit gaat bijvoorbeeld om een verstelbaar bed,
een hoortoestel of incontinentiemateriaal. In de Zvw staat beschreven welke hulpmiddelen
voor vergoeding uit het basispakket in aanmerking kunnen komen. Een zorgverzekeraar
beoordeelt op basis van een indicatie of het hulpmiddel voor vergoeding uit het basispakket
in aanmerking komt. Hierbij volgt de zorgverzekeraar de aanspraken op hulpmiddelenzorg
zoals opgenomen in wet- en regelgeving.6 Soms kan voor een hulpmiddel een aanvullende verzekering worden afgesloten. Voor
sommige hulpmiddelen uit de Zvw moet de verzekerde een wettelijke eigen bijdrage betalen
of krijgt de verzekerde een maximumvergoeding.7 Alle basisverzekerde hulpmiddelen vallen ook onder het eigen risico. Voor hulpmiddelen
die op grond van de Wlz worden verstrekt aan mensen die in een Wlz-instelling verblijven,
hoeven cliënten geen aparte eigen bijdrage te betalen. Op grond van de Wet WIA, Wajong
en Participatiewet worden door UWV en gemeenten hulpmiddelen verleend voor werk. Voor
sporthulpmiddelen kunnen sporters met een beperking terecht bij gemeenten, zorgverzekeraars
of het Fonds Gehandicaptensport. Het Ministerie van VWS zet in samenwerking met verschillende
partijen de komende jaren in op het vereenvoudigen van de toegang tot sport zodat
het voor mensen met een beperking vanzelfsprekender wordt om te sporten of bewegen.
Op basis van de Wet overige OCW-subsidies (WOOS) kan UWV hulpmiddelen toekennen voor
onderwijs. Uit het rapport blijkt dat ouders niet altijd weten hoe ze hulpmiddelen
voor op school voor hun kind vergoed kunnen krijgen vanuit het UWV. Het UWV zet in
op het vergroten van de bekendheid van voorzieningen. Zo is het UWV actief op social
media en deelt het verhalen van mensen met een voorziening via een inspiratieplatform.
UWV geeft presentaties aan werkgevers en arbodiensten. Ook hebben de UWV arbeidsdeskundigen
contact met scholen, voornamelijk als het gaat om leerlingen die een lagere kans op
arbeidsparticipatie hebben. Verder heeft UWV regelmatig contact met allerlei belangengroepen,
bijvoorbeeld als het gaat om de tolkvoorziening. Het Ministerie van OCW werkt aan
de wijziging van de WOOS waardoor ook leerlingen en studenten die ouder zijn dan 30
jaar een onderwijsvoorziening kunnen aanvragen. Deze wetswijziging draagt bij aan
de toegankelijkheid van het onderwijs voor mensen met een beperking. De planning is
dat deze wijziging op 1 augustus 2026 in werking treedt. Het Ministerie van OCW is
daarnaast bezig met het wijzigen van het Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen.
Vanaf aankomend schooljaar is het UWV bevoegd om aan elke leerling, die vanwege ziekte
of een beperking een intermediaire activiteit (tolkvoorziening of voorleeshulp) nodig
heeft om onderwijs te kunnen volgen, deze toe te kennen.
Inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage
Op 26 maart 2025 is een wetsvoorstel aangeboden aan uw Kamer om het abonnementstarief
in de Wmo 2015 te vervangen door een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage
(ivb).8 Dit wetsvoorstel is op 25 juni 2025 controversieel verklaard door uw Kamer. Met de
invoering van een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage overeenkomstig
het wetsvoorstel, worden gemeenten beter in staat gesteld om de benodigde maatwerkvoorzieningen
te bieden aan burgers die – om financiële of andere redenen – niet zelf in hun ondersteuningsbehoefte
kunnen voorzien. Het wetsvoorstel heeft als doel om de beschikbaarheid van Wmo-voorzieningen
voor die burgers te vergroten en om ervoor te zorgen dat de uitvoering van de Wmo
2015 op zowel macroniveau als op lokaal niveau financieel houdbaar blijft. De invoering
van de ivb betekent dat een deel van de mensen die gebruik maken van maatschappelijke
ondersteuning – afhankelijk van hun inkomen, vermogen en dat van hun partner een hogere
eigen bijdrage gaat betalen. Om ervoor te zorgen dat de toename van de stapeling die
hier het gevolg van kan zijn, waar mogelijk wordt beperkt, zijn in het ontwerp van
de ivb ook de bovengenoemde maatregelen verwerkt (die in 2018 en 2019 zijn doorgevoerd)
om het inkomen en vermogen minder zwaar mee te tellen voor de eigen bijdragen in de
Wlz en beschermd wonen in de Wmo 2015.9 Verder is de ivb zo ontworpen dat cliënten met een inkomen tot 135% van het sociaal
minimum, niet meer dan de minimum-ivb betalen. De minimum-ivb is gelijk aan het geïndexeerde
abonnementstarief Wmo 2015. Bij de invoering in 2019 bedroeg het abonnementstarief
€ 19 per maand; geïndexeerd naar het actuele prijspeil bedraagt deze € 23,60 per maand
in 2025. Daarnaast wordt geregeld dat de ivb niet kan stapelen met eigen bijdragen
voor de Wlz en voor beschermd wonen of opvang vanuit de Wmo 2015. Gemeenten behouden
de mogelijkheid om mensen uit te zonderen van het betalen van de ivb, bijvoorbeeld
bij een gebrek aan betalingscapaciteit of in het kader van minimabeleid.
Gemeentelijke tegemoetkomingen
Gemeenten kunnen op basis van artikel 2.1.7 Wmo 2015 inwoners een tegemoetkoming aanbieden
ter bevordering van de zelfredzaamheid en participatie wanneer zij te maken hebben
met meerkosten als gevolg van een beperking of van chronische ziekte. In artikel 2.1.2
Wmo 2015 is ook bepaald dat in het beleidsplan voor maatschappelijke ondersteuning,
dat mede gericht dient te zijn op de uitvoering van het VN-Verdrag Handicap, moet
worden aangegeven op welke wijze de gemeente de mogelijkheid van het verstrekken van
een tegemoetkoming toepast dan wel de reden om deze mogelijkheid niet toe te passen.
Vanaf 2015 wordt ten behoeve van de uitvoering van artikel 2.1.7 Wmo 2015 jaarlijks
€ 268 miljoen in het gemeentefonds gestort (in het prijspeil van 2024 gaat het om
een bedrag van € 395 miljoen).
Uit het rapport «Goed geregeld?» uit 2021 blijkt dat het merendeel van de gemeenten
twee of drie regelingen heeft om mensen met een chronische ziekte en/of beperking
te ondersteunen, vaak specifiek gericht op mensen met een laag inkomen. Daarnaast
komt in het rapport naar voren dat 47% van de gemeenten een individuele financiële
tegemoetkoming aanbiedt. Andere regelingen die gemeenten veelal aanbieden zijn bijvoorbeeld
een collectieve zorgverzekering of individuele bijzondere bijstand.10
2. Minder mogelijkheden om de financiële situatie te verbeteren
Niet alleen meerkosten maar ook achterblijvende inkomsten hebben invloed op de bestedingsruimte
van mensen. Mensen met een beperking kunnen soms minder of helemaal niet betaald werken
waardoor zij minder mogelijkheden hebben om hun financiële situatie te verbeteren.
Ondersteuning van werkgevers en werknemers
Het kabinet zet zich er daarom voor in om de kansen op de arbeidsmarkt van en voor
mensen met een beperking te verbeteren. Onderdeel hiervan is bijvoorbeeld de banenafspraak.
Het kabinet heeft samen met sociale partners afgesproken dat er 125.000 extra banen
gerealiseerd gaan worden voor mensen met een arbeidsbeperking. De doelgroep van deze
banenafspraak bestaat uit mensen met een arbeidsbeperking die niet zelfstandig het
wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Op de korte termijn werken we aan het verbeteren
van de banenafspraak door onder andere de doelgroep beperkt te verbreden en te zorgen
dat er een werkende quotumregeling komt. Tegelijkertijd wordt er voor de langere termijn
samen met alle betrokken partijen gewerkt aan een toekomstvisie voor de banenafspraak.
Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat de ondersteuningsbehoefte van mensen
centraal staat. Uw Kamer is hierover recent geïnformeerd.11 Ook is er een sociaal innovatiefonds (SIF) opgericht. Dit publiek-private fonds ondersteunt
werkgevers bij het doen van investeringen om groepen mensen met een afstand tot de
arbeidsmarkt aan te nemen. Zo zorgen we voor duurzame banen en een inclusieve arbeidscultuur
waar iedereen zich thuis voelt. Daarnaast zet het kabinet in op de inzet van inclusieve
technologie, bijvoorbeeld door de subsidieregeling inclusiviteitstechnologie. Deze
regeling maakt het voor werkgevers mogelijk om met cofinanciering technologie aan
te schaffen die helpt bij het in dienst nemen of houden van mensen met een arbeidsbeperking.
Voor mensen met een beperking en een uitkering van UWV zet UWV persoonlijke ondersteuning
in om mensen te helpen om weer op de arbeidsmarkt aan de slag te gaan zodat zij de
mogelijkheden die zij nog wel bezitten kunnen inzetten. UWV kan re-integratietrajecten
en/of scholing inkopen. Ook ondersteunt UWV mensen door het wegnemen van belemmeringen
om te (gaan) werken met de inzet van werkvoorzieningen zoals werkplekaanpassing, intermediaire
en meeneembare voorzieningen, vervoersvoorzieningen en jobcoaching.
Gemeenten hebben de taak om mensen die behoren tot de doelgroep van de Participatiewet
te ondersteunen naar werk. Een belangrijk instrument in het kader van de Participatiewet
is loonkostensubsidie voor mensen die per uur niet het wettelijk minimumloon kunnen
verdienen. Voor mensen met een beschut werkindicatie moet de gemeenten beschut werk
organiseren. Dat is het geval als mensen zoveel begeleiding nodig hebben of waarbij
zoveel technische of organisatorische aanpassingen van de werkplek nodig zijn dat
dat niet van een reguliere werkgever kan worden verwacht. Gemeenten moeten zorgvuldig
onderzoeken welke ondersteuning gezien de mogelijkheden en beperkingen van iemand
nodig is. Als meer voorzieningen nodig zijn kan de gemeente die inzetten. De gemeenten
hebben binnen de wettelijke kaders beleidsvrijheid. Gemeenten stellen in hun gemeentelijke
verordening regels over de ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen. Het gaat
bijvoorbeeld om persoonlijke ondersteuning in al zijn verschijningsvormen, vervoersvoorzieningen
naar werk, proefplaatsing of opleiding, intermediaire en meeneembare voorzieningen.
Hervorming stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid
In februari 2024 heeft de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel
(OCTAS) haar eindrapport opgeleverd. Het rapport bevat verschillende scenario’s voor
aanpassingen in het stelsel voor ziekte en arbeidsongeschiktheid. De afgelopen maanden
is gewerkt aan een ambtelijke uitwerking van de verschillende ideeën. Hierover is
de Tweede Kamer op 28 januari geïnformeerd (Kamerstuk 26 448, nr. 799). In die brief heeft de Minister van SZW aangegeven dat hij in ieder geval de noodzaak
ziet om tot een vereenvoudiging van het stelsel te komen, zowel voor de mensen die
van regelingen afhankelijk zijn, als ook om de uitvoerbaarheid op de lange termijn
te kunnen waarborgen. Er zijn nog geen besluiten genomen over maatregelen die het
kabinet neemt om het arbeidsongeschiktheidsstelsel te verbeteren, maar gedacht wordt
aan manieren om het aantal verschillende regimes terug te brengen. Er zou dan bijvoorbeeld
geen onderscheid meer bestaan tussen duurzame en tijdelijke arbeidsongeschiktheid
en de huidige regeling die maakt dat mensen in een ander – financieel meestal minder
gunstig – regime terecht komen wanneer het hen niet lukt om de helft van hun resterende
verdiencapaciteit te verdienen, zou verdwijnen. Dat zou mensen meer duidelijkheid
geven over hun inkomen en over wat het effect van weer (meer uren) gaan werken op
hun financiële situatie is. De komende periode spreekt de Minister van SZW met sociale
partners en andere belanghebbenden over de mogelijke maatregelen. Uw Kamer is hierover
in juni geïnformeerd.12
Hervorming Participatiewet
Mensen met een beperking die niet in aanmerking komen voor een uitkering in het arbeidsongeschiktheidsstelsel,
kunnen voor inkomensondersteuning een beroep doen op de Participatiewet. Voor mensen
met structureel geen arbeidsvermogen door bijvoorbeeld een chronische ziekte is betaald
werk niet haalbaar. Deze doelgroep krijgt zo te maken met alle verplichtingen vanuit
de Participatiewet, zonder dat er uitzicht is op een eigen inkomen uit betaald werk.
Voor hen geldt dat zij langdurig zijn aangewezen op de bijstand en geen buffer kunnen
opbouwen. Mede daarom concludeerde de OCTAS dat de Participatiewet onvoldoende perspectief
biedt voor mensen zonder of met beperkt arbeidsvermogen. In het programma Participatiewet
in balans worden samen met gemeenten en andere partijen beleidsopties uitgewerkt voor
verbetering binnen en buiten de Participatiewet. Er wordt gekeken naar hoe deze groep
het beste
geholpen kan worden in inkomen en bij participatie, en of stelsels van arbeidsongeschiktheid
en inkomensondersteuning geschikt kunnen worden gemaakt om deze groep te helpen.
3. Hoger risico op tekorten en een lagere levensstandaard
Het Nibud concludeert dat in sommige situaties mensen met een beperking met een inkomen
boven het sociaal minimum door de meerkosten waar zij mee te maken hebben nauwelijks
beter af zijn dan mensen met dezelfde huishoudsamenstelling op bijstandsniveau. Hierdoor
is er een hoger risico op tekorten ten opzichte van andere huishoudens. De Commissie
sociaal minimum constateerde dit eerder ook al. Het kabinet realiseert zich dat de
levensstandaard van huishoudens van mensen met een beperking hierdoor lager kan zijn
dan de levensstandaard van huishoudens zonder beperking. Huishoudens van mensen met
een beperking kunnen moeite hebben om rond te komen. Dit kan op gespannen voet staan
met het standstill-beginsel en artikel 28 van het VN-Verdrag Handicap waarin staat
dat lidstaten het recht van personen met een handicap op een behoorlijke levensstandaard
voor henzelf en voor hun gezinnen, met inbegrip van voldoende voeding, kleding en
huisvesting en op de voortdurende verbetering van hun levensomstandigheden erkennen.
De Staten die partij zijn dienen passende maatregelen te nemen om de verwezenlijking
van dit recht zonder discriminatie op grond van handicap te beschermen en te bevorderen.
In februari 2024 is de lange termijn nationale strategie voor de verdere implementatie
van het VN-Verdrag Handicap gestuurd naar de Tweede Kamer.13 Daarna zijn de verschillende ministeries aan de slag gegaan met de vervolgstap, het
werken aan een werkagenda met maatregelen voor de komende vijf jaar om de doelen van
deze nationale strategie uiterlijk in 2040 te bereiken. De werkagenda met hierin de
maatregelen voor de komende vijf jaar stuur ik uw Kamer voor de zomer toe. Hierin
staan ook maatregelen die als doel hebben om de financiële positie van mensen met
een beperking te verbeteren. In aanvulling daarop werkt het kabinet in verschillende
trajecten aan de opvolging van de adviezen van de Commissie sociaal minimum, bijvoorbeeld
als het gaat om de vereenvoudiging van het gemeentelijke minimabeleid, of het borgen
van een toegankelijk sociaal minimum.
Afschaffen tegemoetkoming arbeidsongeschikten
In het hoofdlijnenakkoord (bijlage bij Kamerstuk 36 471, nr. 37) is afgesproken dat in verband met de verlaging van het verplicht eigen risico de
tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten (hierna: AO-tegemoetkoming) vanaf 2027 wordt
afgeschaft. Deze tegemoetkoming is in het verleden ingesteld als compensatie voor
hogere (ziektegerelateerde) kosten. Bij ongewijzigd beleid zou de tegemoetkoming naar
verwachting € 235,11 bedragen in 2027. Nu het eigen risico fors wordt verlaagd, is
er minder noodzaak om de regeling in stand te houden. Daarnaast leidt de tegemoetkoming
voor arbeidsongeschikten tot ongelijkheid die moeilijk uitlegbaar is. Alleen mensen
met een arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben namelijk recht op de tegemoetkoming.
Mensen die ziek zijn of als arbeidsongeschikt worden aangemerkt maar geen arbeidsongeschiktheidsuitkering
krijgen, krijgen geen tegemoetkoming. Het effect van de verlaging van het verplicht
eigen risico en de afschaffing van de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten zal
voor deze groep generiek worden gecompenseerd door de genoemde lastenverlichting (met
daarbinnen verschillen afhankelijk van de specifieke inkomenssituatie). Huishoudens
met lage en middelhoge inkomens profiteren het meest van deze compenserende lastenverlichting,
waaronder mensen met een WAO-, WIA-, WAZ- of Wajong-uitkering.
Aftrek Specifieke Zorgkosten
De aftrek specifieke zorgkosten is een fiscale regeling om zelf betaalde kosten vanwege
ziekte of beperking af te trekken van de belasting. In 2022 is de regeling geëvalueerd,
waarna een ambtelijke verkenning is toegezegd om te bezien of de regeling aangepast
of verbeterd kan worden. Het doel daarvan is om de regeling meer te richten op de
doelgroep chronisch zieken of mensen met een beperking. Het eindrapport van de ambtelijke
verkenning naar de mogelijkheden van verbetering en aanpassing van de regeling wordt
op korte termijn openbaar gemaakt.
Nationaal Programma Armoede en Schulden
Het kabinet heeft in het Nationaal Programma Armoede en Schulden maatregelen aangekondigd
om de toename van (kinder)armoede tegen te gaan en het aantal huishoudens met problematische
schulden te verminderen. Mensen met een beperking hebben ook baat bij de verschillende
maatregelen en acties uit het programma.
De nadruk ligt op het beter en eenvoudiger toegankelijk maken van voorzieningen. Inzet
is onder andere om mensen eerder te bereiken en om niet-gebruik van voorzieningen
tegen te gaan. Belangrijk onderdeel van het programma is het versterken en vereenvoudigen
van het armoedebeleid, zowel landelijk als lokaal. De Staatssecretaris Participatie
en Integratie werkt samen met gemeenten om het (kinder)armoedebeleid te verbeteren.
Ieder vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid.
In het programma is specifieke aandacht voor gezinnen in een kwetsbare positie die
vaak te maken hebben met problematiek op verschillende leefdomeinen. Zij hebben hierbij
tijdige hulp en ondersteuning nodig. Het is belangrijk dat deze ondersteuning elkaar
versterkt en niet tegenwerkt. De Ministeries van SZW, OCW, VWS, JenV en BZK werken
daarom, samen met gemeenten, ervaringsdeskundigen, kinderen, jongeren en andere stakeholders,
aan een overheidsbrede integrale aanpak rond kwetsbare gezinnen met kinderen en jongeren
in de leeftijd van 0–27 jaar. Het doel is om te komen tot betere ondersteuning van
gezinnen in een kwetsbare positie en tot een overheidsbrede samenwerking. Hiervoor
wordt onder andere gekeken naar de mogelijkheden om lopende programma’s en trajecten
die er zijn rond gezinnen in een kwetsbare positie beter aan elkaar te verbinden.
De Staatssecretaris Participatie en Integratie heeft het Nationaal Programma Armoede
en Schulden op 6 juni aan uw Kamer gezonden.14
4. Verlagen van administratieve lasten bij inkomensregelingen en ondersteuning
Het Nibud geeft aan dat de inkomensondersteuning voor mensen met een beperking versnipperd
is. Hierdoor kunnen mensen hoge administratieve lasten ervaren of niet goed op de
hoogte zijn van alle mogelijkheden. Tevens kunnen mensen met een beperking naar verwachting
lang niet altijd voldoen aan de aannames die het Nibud gebruikt voor de standaardvoorbeeldbegrotingen.
De aannames zijn dat huishoudens zeer goed met geld kunnen omgaan, alle inkomensondersteuning
waar ze recht op hebben aanvragen en geen grote persoonlijke onvermijdbare uitgaven
hebben. Naar verwachting is het niet voor iedereen met een beperking doenbaar om zelf
de administratie te voeren om alle inkomsten en ondersteuning aan te vragen die nodig
is. Dit zou ertoe kunnen leiden dat de voorbeeldbegrotingen voor mensen met een beperking
anders zouden kunnen uitpakken. Ook kunnen er specifieke voorwaarden verbonden zijn
aan de regelingen en de tegemoetkomingen per gemeente verschillen.
Vereenvoudiging inkomensondersteuning voor mensen/ Foto inkomensregelingen
Dat er veel tegemoetkomingen zijn die tegelijkertijd niet altijd inzichtelijk zijn
voor ervaringsdeskundigen en belangenorganisaties is herkenbaar. Dit knelpunt is ook
in het programma Vereenvoudiging Inkomensondersteuning voor Mensen (VIM) geconstateerd.
Er wordt daarom in kaart gebracht welke verschillende soorten financiële inkomensondersteunende
regelingen er zijn waar mensen een beroep op kunnen doen. Op basis van dit overzicht
bekijkt het kabinet hoe de regelingen verbeterd kunnen worden. Zodat het gehele stelsel
goed werkt voor de mensen voor wie het bedoeld is. Daarnaast kunnen mensen met een
lager of middeninkomen ook baat hebben bij de generieke koopkrachtmaatregelen van
dit kabinet. Zo is er een extra schijf in de inkomstenbelasting geïntroduceerd met
een verlaagd tarief, waardoor werken meer gaat lonen. Daarnaast gaat het kindgebonden
budget omhoog, en wordt de huurtoeslag vereenvoudigd en verhoogd. Het verplicht eigen
risico wordt in 2027 verlaagd naar € 165, zoals eerder in deze brief toegelicht.
Implementatie Verbeteragenda Hulpmiddelen
De Verbeteragenda Hulpmiddelen en bijbehorende convenanten «maatwerk» en «meeverhuizen»
dragen bij aan het verbeteren van de toegang tot (Wmo) hulpmiddelen en daarmee aan
het verlagen van administratieve lasten. De Verbeteragenda is nog niet bij alle gemeenten
geïmplementeerd. Daarom ben ik zoals benoemd in de Hoofdlijnenbrief wet maatschappelijke
ondersteuning van 20 december 2024, in gesprek gegaan met branchevereniging voor hulpmiddelen
Firevaned en de VNG over de aanbevelingen in het onderzoeksrapport «Implementatie
Verbeteragenda Hulpmiddelen» om de naleving van de convenanten te verbeteren.15 Dit was een positief gesprek. Wij hebben gezamenlijk een start gemaakt met de uitwerking
van de verschillende aanbevelingen, waaronder het herzien van het functioneel advies.
Daarnaast hebben we een groot deel van de aanbevelingen opgenomen in de maatregelen
voor toegankelijke en beschikbare hulpmiddelen in de Werkagenda van het VN-Verdrag
Handicap. Deze maatregelen voeren we onder andere uit met de VNG en Firevaned. Waarbij
alle partijen vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid bijdragen. Over de voortgang
en bereikte resultaten van deze maatregelen zal uw Kamer worden geïnformeerd in de
jaarlijkse voortgangsbrief over de Werkagenda van het VN-Verdrag Handicap.
Altijd de juiste deur
Het goed regelen van zorg en ondersteuning kan in de praktijk ingewikkeld zijn wanneer
mensen daarvoor te maken hebben met verschillende wetten. Daarom werk ik, in samenwerking
met ervaringsdeskundigen, aan oplossingen die mensen moeten ontlasten bij het organiseren
van hun zorg en ondersteuning. Hierbij sluit ik aan bij het «geen verkeerde, altijd
de juiste deur» principe. Het Ministerie van BZK geeft via dit principe al invulling
aan overheidsbrede ingangen en toegang tot publieke dienstverlening. Het doel daarvan
is dat het niet uitmaakt waar de burger bij de overheid aanklopt; de overheid zorgt
gezamenlijk voor een oplossing vanuit de beleving van mensen, ongeacht hoe de overheid
zelf is georganiseerd. Bij voorkeur door direct te helpen of door mensen warm door
te verwijzen naar een andere (overheids)organisatie of een overheidsdienstverlener
die directe lijnen heeft met relevante landelijke en lokale organisaties. Binnen de
werkagenda van de Nationale Strategie van het VN-Verdrag Handicap pak ik dit thema
verder op.
Verlagen administratieve lasten bij indicaties
Uit het Nibud onderzoek komt ook naar voren dat huishoudens met (kinderen met) een
beperking nog meer dan andere huishoudens afhankelijk zijn van het aanvragen van ondersteunende
regelingen. Bovendien blijkt dat deze huishoudens erg hun best moeten doen om aanspraak
te maken op vergoedingen en vormen van ondersteuning. Dit verhoogt de administratieve
lasten fors.
Dat er hoge administratieve lasten zijn, onder andere bij het (herhaaldelijk) aanvragen
van zorg en ondersteuning is bekend. Het is daarom waardevol dat meer gemeenten voor
de Wmo 2015 en Jeugdwet vaker beschikkingen met een lange(re) looptijd afgeven wanneer
er sprake is van een stabiele ondersteuningsvraag. Juist omdat het meer rust en zekerheid
biedt aan mensen met een levenslange beperking en omdat hierdoor de (herhaaldelijke)
administratieve lasten beperkt worden voor zowel mensen met een beperking als gemeenten.
Juridisch gezien staat gemeenten niets in de weg om beschikkingen af te geven met
een lange(re) looptijd voor de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Gemeenten kunnen tussentijds
evalueren of de geïndiceerde ondersteuning nog steeds toereikend is om zo vinger aan
de pols te houden. Dit biedt ook ruimte aan inwoners om aan te geven of en wanneer
hun ondersteuningsbehoefte toeneemt of verandert.
Samen met de VNG en het CAK stimuleer en ondersteun ik gemeenten op verschillende
manieren om een passende beschikkingsduur, en bij een stabiele ondersteuningsvraag
langdurig, in te stellen. Dit gebeurt in het traject «verrassend passend».16 Op basis van een enquête die in de zomer van 2024 is ingevuld door 54 gemeenten is
inzichtelijk gemaakt hoeveel gemeenten werken met een passende beschikkingsduur. Hieruit
bleek dat 40% van de gemeenten voor de verschillende Wmo-producten een verschillend
«afsprakenkader» gebruikt om de looptijd van de beschikking vast te stellen. En 45%
van de gemeenten zet verdere stappen in het leveren maatwerk bij het vaststellen van
de looptijd van de beschikking. Gemeenten gaven verder aan behoefte te hebben aan
een handreiking over het inrichten van het beschikkingsproces rond een passende beschikkingsduur.
Deze handreiking is onlangs gepubliceerd.17 Daarnaast worden gemeenten door regioadviseurs van de VNG ondersteund wanneer zij
(verder) willen inzetten op de passende beschikkingsduur. Ik blijf stappen zetten
zodat de duur van beschikkingen steeds beter passen bij de situatie van mensen met
een beperking. Onder andere door in de werkagenda aanvullende acties te formuleren
voor het verder stimuleren van de passende beschikkingsduur in alle zorgwetten.
Voor het Zvw-pgb is per mei 2023 de werkwijze verlengde toekenning ingegaan. Dit betekent
dat het voor budgethouders met een chronische en stabiele zorgvraag mogelijk is om
in aanmerking te komen voor een toekenning van het Zvw-pgb tot maximaal 5 jaar. Dit
leidt naar verwachting tot lagere administratieve lasten voor de burgers.
5. Vervolg
Uit het Nibud rapport blijkt met welke meerkosten huishoudens van mensen met een beperking
te maken kunnen hebben. Er is een grote variatie in de mate waarin mensen te maken
hebben met meerkosten en de hoogte daarvan. Sommige meerkosten verschillen sterk per
persoon en andere minder. Daarnaast spelen de aard en mate van beperking, gemeente
waar iemand woont, leefomstandigheden, huishoudsamenstelling en mogelijke achterblijvende
inkomsten mee in de totale huishoudbegroting. Een aantal zaken, zoals de omvang van
de groepen waar voorbeeldbegrotingen voor zijn gemaakt, is niet bekend. Op dit moment
wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn om de financiële positie en het besteedbare
inkomen van mensen met een beperking in de toekomst te monitoren. Hierover wordt u
bij de eerstvolgende monitorrapportage van de werkagenda VN-Verdrag Handicap nader
geïnformeerd.
Het Nibud heeft met dit rapport inzicht gegeven in de meerkosten waar mensen met een
beperking mee te maken hebben. Het rapport laat zien dat huishoudens van mensen met
een beperking in de beschreven voorbeeldbegrotingen minder financiële ruimte hebben
dan huishoudens van mensen zonder beperking met hetzelfde inkomen. Deze huishoudens
moeten daardoor meer dan anderen puzzelen om rond te komen. Het kabinet herkent deze
bevindingen. Door middel van de hierboven genoemde maatregelen zet het kabinet zich
ervoor in dat mensen met een beperking en hun gezinnen vergelijkbare financiële ruimte
hebben als huishoudens van mensen zonder beperking.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, N.J.F. Pouw-Verweij
Indieners
-
Indiener
N.J.F. Pouw-Verweij, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport