Brief regering : Toelichting op verhoging vergoedingspercentages kinderopvangtoeslag in 2026
31 322 Kinderopvang
Nr. 562
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 juli 2025
Inleiding
De regering wil de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag volgend jaar weer
verhogen. Meer dan 540.000 huishoudens met werkende ouders krijgen daardoor volgend
jaar een hogere toeslag. Ik heb het ontwerpbesluit waarmee dit geregeld wordt op 13 juni
naar uw Kamer gestuurd1 voor de voorhangprocedure. In het commissiedebat Kinderopvang van 3 juli heb ik met
leden van uw Kamer gesproken over dit ontwerpbesluit. Het lid Haage (GL-PvdA) heeft
daarbij een alternatieve invulling van het ontwerpbesluit voorgesteld, waarin de vergoedingspercentages
niet verhoogd worden voor hogere inkomens. Ik heb toegezegd uit te leggen waarom de
regering niet heeft gekozen voor deze alternatieve invulling. Met deze brief kom ik
deze toezegging na.
Ik vind het alternatief van het lid Haage begrijpelijk. Maar het sluit minder goed
aan bij de doelen van het ingroeipad naar de hoge inkomensonafhankelijke vergoeding
voor alle werkende ouders. Het nadeel hiervan weegt zwaarder dan het relatief beperkte
financiële voordeel dat dit alternatief zou bieden aan de doelgroep (toetsingsinkomens
tussen ongeveer € 56.000 en € 173.000). Hieronder leg ik eerst uit hoe de regering
de kinderopvangtoeslag volgend jaar wil verhogen, en waarom. Daarna laat ik zien wat
het alternatief van het lid Haage zou betekenen. En leg ik uit waarom niet voor dit
alternatief is gekozen. Tot slot ga ik in op het proces rond de voorhangprocedure
en het krappe tijdspad tot publicatie van het besluit.
Voornemen regering
We willen de vergoedingspercentages in 2026 verhogen om de vraag naar kinderopvang
geleidelijk en gecontroleerd te laten stijgen. In de nieuwe financiering van kinderopvang
hebben alle werkende ouders recht op dezelfde hoge inkomensonafhankelijke vergoeding
voor kinderopvang. Dat is goed nieuws voor ouders: terugvorderingen bij ouders (bijvoorbeeld
door inkomensstijgingen) komen nooit meer voor en de kinderopvang wordt voor veel
ouders beter betaalbaar. Maar die hoge(re) vergoeding zorgt ook voor meer vraag naar
kinderopvang. Als de sector die vraag niet voldoende kan absorberen, kan dit leiden
tot tariefstijgingen en langere wachtlijsten. Zeker als de vergoedingen van de ene
op de andere dag sterk omhoog gaan, geeft dat een marktschok. Dat willen we voorkomen.
Daarom hanteren we een ingroeipad naar die hoge inkomensonafhankelijke vergoeding.
Elk jaar gaan de vergoedingspercentages omhoog. In 2025 hebben we dit voor het eerst
gedaan. En in 2026 zetten we de volgende stap op dit ingroeipad. Alle inkomensgroepen
die nu nog niet recht hebben op het maximale vergoedingspercentage van 96% gaan er
volgend jaar op vooruit. Ook de hogere inkomens. Het is namelijk belangrijk om de
vraag naar kinderopvang voor alle inkomensgroepen gelijk en geleidelijk te stimuleren.
Anders kan er alsnog een plotselinge vraagstijging plaatsvinden bij de invoering van
de nieuwe financiering in 2029. Ook moeten we monitoren hoe verschillende inkomensgroepen
reageren op een hogere vergoeding. Dat maakt het namelijk mogelijk om tussentijds
gericht bij te sturen. Maar deze effecten monitoren voor alle inkomensgroepen kan
alleen als we de vergoedingspercentages ook voor alle inkomensgroepen verhogen.
Concreet betekent dit dat de vergoedingspercentages in de eerste kindtabel volgend
jaar met (maximaal) 3,2 procentpunt omhoog gaan, tot het maximum van 96%. Ook de zogenaamde
«vaste voet» in de eerste kindtabel (het minimale vergoedingspercentage) gaat omhoog,
van 33,3% naar 36,5%. Hierdoor gaan ongeveer 544.000 huishoudens er op vooruit. En
hierdoor krijgen alle huishoudens met een toetsingsinkomen tot ongeveer € 56.000 al
per 2026 recht op 96%. Dat zijn ongeveer 92.000 huishoudens. Grafiek 1 toont de vergoedingspercentages
per 2026 («basispad») in vergelijking met 2025.
Wat betekenen deze wijzigingen voor individuele huishoudens? Om dat duidelijk te maken
heb ik in de bijlage bij deze brief enkele rekenvoorbeelden opgenomen. Tabel 1 in
de bijlage laat zien dat een voorbeeldhuishouden met een dubbelmodaal toetsingsinkomen
in 2026 een eigen bijdrage van 18,1% (€ 4.777) betaalt. In 2025 is dat nog 20,2% (€ 5.087).
Dit zijn gestileerde voorbeelden. In het echt zal het per situatie verschillen hoeveel
ouders er op vooruit gaan. Dit is namelijk afhankelijk van allerlei factoren, zoals
het type opvang, de uurtarieven, hoeveel kinderen naar de opvang gaan en voor hoeveel
dagen per week.
Alternatief voorstel lid Haage
Het lid Haage heeft voorgesteld om de vergoedingspercentages in 2026 niet te verhogen
voor de hoogste inkomens. En in plaats daarvan de vergoedingspercentages voor huishoudens
met toetsingsinkomens tussen ongeveer € 56.000 en € 173.000 meer te verhogen. Ik vind
dit een begrijpelijk voorstel, want ik vind het ook belangrijk om deze ouders zo veel
mogelijk te ontlasten en werken ook voor hen (nog) meer te laten lonen. Toch hebben
we niet voor dit alternatief gekozen.
Dit voorstel sluit namelijk minder goed aan bij de doelen van het ingroeipad dan het
regeringsvoornemen. Het stimuleert de vraag naar opvang namelijk niet voor alle inkomensgroepen.
Daardoor kan bij invoering van de nieuwe financiering alsnog een grote, plotselinge
vraagstijging plaatsvinden onder hogere inkomens. Zij zitten op dit moment immers
nog het verst af van 96%. Belangrijker nog is dat we met dit alternatief niet zouden
kunnen leren hoe (en in welke mate) hogere inkomens gaan reageren op het hoge vergoedingspercentage
in de nieuwe financiering. En juist die informatie is essentieel om de komende jaren
de effecten van een hogere vergoeding goed in beeld te krijgen. En om, waar nodig,
bij te sturen. Tot slot is het werkelijke verschil tussen het ontwerpbesluit van de
regering en het voorstel van het lid Haage in de portemonnee van ouders naar verwachting
niet zo groot. Dit leg ik hieronder uit.
Concreet betekent het voorstel van het lid Haage dat de vergoedingspercentages in
de eerste kindtabel volgend jaar met (maximaal) 3,7 procentpunt omhoog zouden gaan.
En dat de vaste voet in de eerste kindtabel gelijk blijft (33,3%). De (beperkte) verhoging
in de tweede kindtabel is bij dit alternatieve voorstel hetzelfde als in het ontwerpbesluit
van de regering. De tweede kindtabel kent namelijk geen vaste voet. Als we de vergoedingspercentages
voor het tweede kind, net als voor het eerste kind, alleen voor toetsingsinkomens
tussen ongeveer € 56.000 en € 173.000 zouden verhogen dan wordt het afbouwpad steiler.
Dat vergroot de marginale druk en zorgt ervoor dat meer werken relatief minder gaat
lonen. Dat is onwenselijk.
Met het alternatieve voorstel gaan ongeveer 465.000 huishoudens er op vooruit. Dus
ongeveer 80.000 minder dan met het voornemen van de regering. Met het voorstel van
het lid Haage hebben alle huishoudens met een toetsingsinkomen tot ongeveer € 58.000
al per 2026 recht op 96%. Dat zijn circa 96.000 huishoudens, dus ongeveer 4.000 meer
dan in het regeringsvoornemen. Huishoudens met een toetsingsinkomen boven ongeveer
€ 173.000 gaan er met dit alternatief in 2026 niet op vooruit. Grafiek 2 toont zowel
voor dit alternatieve voorstel («variant 1») als voor het ontwerpbesluit van de regering
(«basispad») de vergoedingspercentages per 2026 in vergelijking met 2025.
In tabel 2 in de bijlage bij deze brief heb ik enkele rekenvoorbeelden opgenomen die
de gevolgen van dit alternatieve voorstel laten zien voor een aantal voorbeeldhuishoudens.
Tabel 3 in de bijlage laat zien dat het huishouden met een dubbelmodaal toetsingsinkomen
op jaarbasis € 64 minder zou betalen voor kinderopvang met dit alternatieve voorstel
dan met het regeringsvoornemen. Dit voordeel is hetzelfde voor voorbeeldhuishoudens
met toetsingsinkomens tussen circa € 56.000 en € 170.000. Hoewel ik vind dat elke
euro telt in de portemonnee van werkende ouders, vind ik ook dat dit relatief beperkte
voordeel niet opweegt tegen de nadelen die ik hierboven heb geschetst. Om die reden
heeft de regering besloten om de vergoedingspercentages in 2026 te verhogen voor alle
werkende ouders die nu nog geen recht hebben op 96%.
Proces
Het regelgevingstraject rond dit wijzigingsbesluit kent net als vorig jaar een zeer
strakke planning. Dat lijkt helaas onvermijdelijk. Wij begrijpen dat dit ongemakkelijk
is. De voorhangprocedure van dit ontwerpbesluit kon echter niet eerder starten dan
13 juni, omdat de inhoud (het ingroeipad en het indexeren van de maximum uurprijs)
onderdeel was van de budgettaire voorjaarsbesluitvorming. Tegelijkertijd is het resterende
tijdspad kort: het besluit moet uiterlijk 15 oktober gepubliceerd zijn, zodat Dienst
Toeslagen op tijd de systemen kan aanpassen. In december worden namelijk al de eerste
voorschotten voor 2026 uitgekeerd. En daarvoor moeten nog een aantal verplichte stappen
worden doorlopen, zoals advisering door de Raad van State en de reactie van de regering
daarop in het nader rapport. Dit alles betekent dat het praktisch gezien niet mogelijk
is om de vergoedingspercentages in het ontwerpbesluit na het zomerreces nog te wijzigen.
Conclusie
Met het ontwerpbesluit dat ik begin juli naar uw Kamer heb gestuurd, zetten we weer
een stap richting een eenvoudig financieringsstelsel met een hoge vergoeding. Een
stelsel waarin ouders vooraf weten waar ze recht op hebben en er nooit meer bij hen
teruggevorderd wordt. Zodat zij hun kinderen met een gerust hart naar de opvang kunnen
brengen. Ik zie dan ook uit naar de publicatie van dit besluit.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.N.J. Nobel
BIJLAGE
Tabel 1: rekenvoorbeelden regeringsvoornemen1
Laag inkomen
(had recht op 96% in 2024)
2025
2026
Kosten opvang per jaar:
€ 25.168
€ 26.386
KOT/VKO per jaar:
€ 23.524
€ 24.666
Eigen bijdrage per jaar:
€ 1.644
€ 1.720
Percentage eigen bijdrage:
6,5%
6,5%
Middeninkomen
(1 x modaal in 2024)
2025
2026
Kosten opvang per jaar:
€ 25.168
€ 26.386
KOT/VKO per jaar:
€ 23.524
€ 24.666
Eigen bijdrage per jaar:
€ 1.644
€ 1.720
Percentage eigen bijdrage:
6,5%
6,5%
Middeninkomen
(2 x modaal in 2024)
2025
2026
Kosten opvang per jaar:
€ 25.168
€ 26.386
KOT/VKO per jaar:
€ 20.081
€ 21.609
Eigen bijdrage per jaar:
€ 5.087
€ 4.777
Percentage eigen bijdrage:
20,2%
18,1%
Hoger inkomen
(had recht op 33,3% in 2024)
2025
2026
Kosten opvang per jaar:
€ 25.168
€ 26.386
KOT/VKO per jaar:
€ 12.301
€ 13.451
Eigen bijdrage per jaar:
€ 12.867
€ 12.935
Percentage eigen bijdrage:
51,1%
49,0%
X Noot
1
Gebaseerd op een huishouden met twee jonge kinderen die beiden twee dagen per week
naar de dagopvang gaan tegen een uurtarief van € 11,00 (2025). Het enige waarop de
voorbeeldhuishoudens verschillen, is het de hoogte van het toetsingsinkomen. Normale
tariefstijging (in 2026 t.o.v. 2025) verondersteld.
Tabel 2: rekenvoorbeelden alternatief voorstel lid Haage
Laag inkomen
(had recht op 96% in 2024)
2025
2026
Kosten opvang per jaar:
€ 25.168
€ 26.386
KOT/VKO per jaar:
€ 23.524
€ 24.666
Eigen bijdrage per jaar:
€ 1.644
€ 1.720
Percentage eigen bijdrage:
6,5%
6,5%
Middeninkomen
(1 x modaal in 2024)
2025
2026
Kosten opvang per jaar:
€ 25.168
€ 26.386
KOT/VKO per jaar:
€ 23.524
€ 24.666
Eigen bijdrage per jaar:
€ 1.644
€ 1.720
Percentage eigen bijdrage:
6,5%
6,5%
Middeninkomen
(2 x modaal in 2024)
2025
2026
Kosten opvang per jaar:
€ 25.168
€ 26.386
KOT/VKO per jaar:
€ 20.081
€ 21.673
Eigen bijdrage per jaar:
€ 5.087
€ 4.713
Percentage eigen bijdrage:
20,2%
17,9%
Hoger inkomen
(had recht op 33,3% in 2024)
2025
2026
Kosten opvang per jaar:
€ 25.168
€ 26.386
KOT/VKO per jaar:
€ 12.301
€ 13.040
Eigen bijdrage per jaar:
€ 12.867
€ 13.346
Percentage eigen bijdrage:
51,1%
50,6%
Tabel 3: verschillen regeringsvoornemen en alternatief voorstel lid Haage
Laag inkomen
(had recht op 96% in 2024)
Verschil in eigen bijdrage in 2026:
€ 0
Verschil in percentage eigen bijdrage in 2026:
0,0%
Conclusie: geen verschil tussen ontwerpbesluit regering en voorstel lid Haage
Middeninkomen
(1 x modaal in 2024)
Verschil in eigen bijdrage in 2026:
€ 0
Verschil in percentage eigen bijdrage in 2026:
0,0%
Conclusie: geen verschil tussen ontwerpbesluit regering en voorstel lid Haage
Middeninkomen
(2 x modaal in 2024)
Verschil in eigen bijdrage in 2026:
– € 64
Verschil in percentage eigen bijdrage in 2026:
– 0,2%
Conclusie: voorstel lid Haage is voordeliger dan ontwerpbesluit regering
Hoger inkomen
(had recht op 33,3% in 2024)
Verschil in eigen bijdrage in 2026:
€ 411
Verschil in percentage eigen bijdrage in 2026:
1,6%
Conclusie: ontwerpbesluit regering is voordeliger dan voorstel lid Haage
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.N.J. Nobel, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid