Brief regering : Zevende voortgangsbrief ontwikkelingen gevangeniswezen
24 587 Justitiële Inrichtingen
Nr. 1058 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 juli 2025
1. Inleiding
Ieder jaar voor de zomer wordt uw Kamer geïnformeerd over ontwikkelingen in het gevangeniswezen
en de uitvoering van de visie «Recht doen, kansen bieden».1Hierbij ontvangt u de zevende voortgangsbrief. De visie komt uit 2018 en is met onder
meer de implementatie van de wet Straffen en Beschermen aan vernieuwing toe. Het gevangeniswezen
in Nederland staat voor forse uitdagingen. De recidivepercentages zijn, ondanks alle
inspanningen, al jaren stabiel en dalen niet.2 Zowel aard als omvang van de detentiepopulatie zijn geen statische gegevens. Het
oplopend capaciteitstekort en een toename van gedetineerden met een complexe zorg-
en veiligheidsbehoefte zetten het gevangeniswezen zwaar onder druk. Om in telkens
veranderende omstandigheden een basis te hebben van waaruit te vertrekken, is het
tijd om deze visie te herijken en moderniseren. Er wordt toegewerkt naar een visie
die ook voor de langere termijn houvast biedt aan beleid, wetgeving en uitvoering.
Voordat ik inga op de inhoudelijke thema’s uit deze brief, vind ik het van belang
stil te staan bij het personeel van de Dienst Justitiële inrichtingen (DJI). Zij verdienen
erkenning voor hun dagelijkse inzet om gevangenisstraffen op een veilige en humane
manier te laten verlopen. Zeker gezien de huidige situatie van personele krapte waarin
een extra beroep op hen gedaan wordt. Het aanpakken van het capaciteitstekort bij
DJI heeft grote prioriteit. Het is essentieel voor het functioneren van de rechtstaat
dat straffen ten uitvoer worden gelegd. Samen met de ketenpartners zijn daarom alle
inspanningen erop gericht het capaciteitstekort terug te dringen. Omdat de Kamer hierover
apart periodiek wordt geïnformeerd, gaat deze brief hier niet nader op in. Dit geldt
eveneens voor de aanpak van voortgezet crimineel handelen in detentie.3
In deze brief ga ik in op diverse andere onderwerpen binnen het gevangeniswezen. Op
het gebied van re-integratie zijn mooie resultaten behaald, zoals de verlenging van
de succesvolle pilot Huis van Herstel Twente. De afgelopen periode is daarnaast meer
aandacht geweest voor de positie van (jong)volwassen vrouwen in detentie.
Zowel bij de herijking van de visie op het gevangeniswezen als bij de ontwikkeling
van nieuwe behandel- en detentieconcepten door DJI zal de (vormgeving van) detentie
van (jong)volwassen vrouwen een specifiek focuspunt zijn.
Inhoudsopgave
blz.
2.
Re-integratie van (ex-)gedetineerden
2
2.1
Detentie & re-integratieproces
2
2.2
Beleidsreactie evaluatie nieuwe werkwijze ID-kaarten in detentie
3
2.3
Huis van Herstel Twente
4
2.4
Pilot maatwerk van gevangenenzorg Nederland
5
3.
(Jong)volwassen vrouwen in detentie
5
3.1
Advies RSJ Ingesloten vrouwen in beeld
5
3.2
Bureau Clara Wichmann
6
4.
Overige onderwerpen
9
4.1
Ontwikkelingen Inrichting voor Stelselmatige Daders
9
4.2
Motie over niet-gebonden geestelijke verzorging
9
4.3
Voortgang motie Singh
10
4.4
Motie reisverbod zedendelinquenten
10
2. Re-integratie van (ex-)gedetineerden
Aan een veilige terugkeer in de samenleving na detentie moet al tijdens detentie gewerkt
worden. Uit de Nazorgmonitor4 blijkt dat de inzet op re-integratie een positieve bijdrage levert aan de afname
van recidive. Daarom worden gedetineerden vanaf de aanvang van hun detentie actief
voorbereidt op terugkeer in de samenleving. Centraal daarbij staan de vijfbasisvoorwaarden:
identiteitsbewijs, onderdak, werk en inkomen, schuldenaanpak, zorg. En ook een sociaal
netwerk is essentieel voor welzijn en re-integratie. Samen met ketenpartners blijft
de inzet hierop onverminderd voortgaan en wordt continu gewerkt aan verbeteringen.
Hieronder wordt ingegaan op de bereikte resultaten en vernieuwing die in gang is gezet.
2.1 Detentie & re-integratieproces
Op 20 juni 20245 is door mijn ambtsvoorganger de Kamer geïnformeerd over de concrete wijzingen die
voortvloeien uit de dialoogsessie van de invoeringstoets op de Wet straffen en beschermen
(Wet SenB). Hieruit bleek dat de pijlers waarop de wet gebaseerd is – straf is straf,
gedrag telt en werken aan een veilige terugkeer – breed ondersteund worden door ketenpartners.
Echter, er zijn verschillende signalen van onbedoelde effecten en knelpunten bij de
invoering. Mede naar aanleiding hiervan is een verbetertraject gestart om het detentie
en re-integratieproces beter aan te sluiten bij de bedoeling van de Wet (werktitel:
D&R 2.0).
Het centrale uitgangspunt van D&R 2.0 is: doen wat nodig is, voor wie dat nodig is,
wanneer dat nodig is. Met dit traject streeft DJI ernaar om medewerkers en middelen
zo effectief mogelijk in te zetten en tegelijkertijd de administratieve lasten te
beperken. Hierdoor ontstaat er meer ruimte voor aandacht aan gedetineerden die dat
nodig hebben vanwege zorg- en veiligheidsrisico’s, en voor verdieping van de re-integratie
voor hen die langer in detentie verblijven.
Per 1 januari 2025 zijn de eerste wijzigingen ingevoerd. In de eerste plaats betreft
dit het afschaffen van het promoveren/degraderen in het Huis van Bewaring (HvB). Deze
werkwijze leidde tot een aanzienlijke rapportagedruk, zonder een direct doel. Immers,
in het Huis van Bewaring kan geen plusprogramma worden aangeboden. Dit betekent echter
niet dat er niet meer gerapporteerd hoeft te worden. Integendeel, maatwerk blijf cruciaal.
Voor elke gedetineerde wordt bepaald met welke frequentie rapportages worden opgesteld
en hoe vaak bespreking in het multidisciplinair overleg plaatsvindt. De focus ligt
daarbij vooral op het bespreken van en rapporteren over zorg- en veiligheidsrisico’s.
Een tweede signaal uit de invoeringstoets betreft de forse onvoorziene toename van
verlofaanvragen als gevolg van de invoering van de Wet SenB. Met name het verlofdoel
sociaal netwerk leidde tot veel aanvragen, mede door het ontbreken van duidelijke
kaders om te beoordelen of een aanvraag gerechtvaardigd was. Per 1 januari 2025 zijn
daarom de voorwaarden voor het re-integratieverlof sociaal netwerk aangescherpt. De
frequentie, duur en het maximaal aantal keren dat dit verlof kan worden aangevraagd,
zijn aangepast. Daarnaast is het moment waarop een gedetineerde hiervoor in aanmerking
kan komen, verplaatst naar een later stadium in de detentie. Ook kunnen vrijheden
slechts worden toegekend als deze passen binnen het individuele traject en expliciet
zijn opgenomen in het D&R-plan. Hiermee is toegewerkt naar een logische, passende
en onderbouwde opbouw van vrijheden, die nodig zijn voor een verantwoorde en geleidelijke
terugkeer naar de maatschappij. Met deze wijzigingen wordt meer gewerkt volgens de
bedoeling van de visie en de Wet SenB: «straf is straf», «gedrag telt» en «een veilige
terugkeer».
Daarnaast is eerder uit diverse onderzoeken gebleken dat de werkdruk onder casemanagers
hoog is.6 Het is van essentieel belang dat zij over voldoende tijd en ruimte beschikken om
hun verantwoordelijkheden op het gebied van re-integratie op een zorgvuldige en verantwoorde
wijze te kunnen uitvoeren.7 Om hier gericht op te kunnen sturen, zal door DJI in het derde kwartaal van 2025
een werklastmeting worden uitgevoerd. Op basis hiervan kan worden bezien op welke
wijze casemanagers zo effectief mogelijk ingezet kunnen worden om D&R goed vorm te
geven.
2.2 Beleidsreactie evaluatie nieuwe werkwijze ID-kaarten in detentie
Het hebben van een ID-kaart is een van de basisvoorwaarden voor een goede re-integratie.
Daarom is het sinds 1 september 2023 mogelijk gemaakt dat de burgemeester van de gemeente
waar iemand in detentie zit een ID-kaart verstrekt aan een gedetineerde, ook wanneer
deze elders als woonachtig staat ingeschreven. Door deze nieuwe werkwijze kan een
gedetineerde sneller aan een ID-kaart komen en wordt de kans groter dat gedetineerden
de PI verlaten met een geldige ID-kaart. Bij aanvang van het traject is bepaald dat
de werkwijze in 2025 wordt geëvalueerd om een besluit te kunnen nemen over de wijze
van voortzetting en de financiering ervan vanaf 2026. Het onderzoeksbureau Significant
Public heeft de evaluatie uitgevoerd. Hierbij bied ik uw Kamer het rapport aan (zie
bijlage 1).
De onderzoekers concluderen dat het beoogde doel van de nieuwe werkwijze wordt bereikt
en dat de werkwijze voldoende rendement oplevert om gecontinueerd te worden. Zij doen
enkele voorstellen om de doorlooptijd voor het aanvragen van een ID kaart te verkorten.
Omdat bijna de helft van de gedetineerden korter in detentie verblijft dan de huidige
doorlooptijd van de procedure, is hier winst te behalen. Denk aan het naar voren halen
van het moment dat wordt vastgesteld of een gedetineerde een geldig identiteitsbewijs
heeft. Ook in de procedure voor het aanvragen van een ID kunnen vertragende factoren
worden aangepakt zoals problemen met de benodigde apparatuur.
Ik ben de onderzoekers erkentelijk voor de inzichten en aanbevelingen die in het rapport
staan. Het is van groot belang dat zoveel mogelijk gedetineerden detentie verlaten
met een geldige ID-kaart. Het beoogde doel van de nieuwe werkwijze wordt dan ook bereikt.
Tegelijkertijd geven de onderzoekers aan dat op onderdelen verbetering mogelijk is.
Samen met de betrokken partijen als de VNG en DJI zal ik inzetten op het wegnemen
van de knelpunten in het proces waardoor het proces versneld kan worden en het bereik
vergroot wordt.
2.3 Huis van Herstel Twente
De pilot Huis van Herstel Twente bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Almelo is een
van de trajecten onder de paraplu van «Koers en Kansen»: een innovatieprogramma van
het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het Huis van Herstel Twente richt zich
op Twentse mannen die in de laatste fase van hun detentie zitten en kampen met problemen
op meer dan één leefgebied. Binnen de pilot stond centraal om in samenwerking met
andere professionals en de gedetineerde te werken aan een succesvolle terugkeer in
de Twentse regio. Het doel van de pilot was om daarmee allerhande maatschappelijke-,
zorg- en veiligheidskosten te voorkomen en het risico op recidive te verminderen.
De looptijd van de pilot Huis van Herstel Twente is in 2018 vastgesteld op vijf jaar,
tot en met december 2023. In 2021 is de pilot operationeel geworden. Naar aanleiding
van een door de Tweede Kamer aangenomen motie en gesprekken met onder andere bestuurders
van de Twentse gemeenten, is in oktober 2023 overeenstemming gekomen over een verlenging
van de pilot met nog twee jaar (2024 en 2025) met een bijdrage vanuit het Ministerie.8 Het Ministerie heeft aangegeven dat vanaf 2026 geen bijdrage meer volgt, het is dan
aan de Twentse gemeenten of zij wel of niet door willen gaan met het Huis van Herstel
Twente. Destijds is afgesproken dat de Twentse gemeenten hier uiterlijk juli 2025
duidelijkheid over geven.
Onlangs hebben de Twentse gemeenten gezamenlijk besloten het Huis van Herstel Twente
in 2026 en 2027 voort te zetten en de extra kosten, naast de reguliere kosten die
DJI heeft voor de celcapaciteit, te financieren. De inzet, impact en resultaten van
het Huis van Herstel Twente zullen jaarlijks worden gemonitord en geëvalueerd. In
2027 nemen de Twentse gemeenten een besluit over mogelijke structurele voortzetting
na 2027.
Het is goed te zien dat de Twentse gemeenten zich de komende twee jaar blijven inzetten
voor een succesvolle terugkeer van Twentse ex-gedetineerden. Voor deze inzet wil ik
hen graag bedanken.
Ik blijf de voortgang en besluitvorming met belangstelling volgen en hoop dat het
Huis van Herstel als inspiratie kan dienen voor andere gemeenten en regio’s.
2.4 Pilot Maatwerk van Gevangenenzorg Nederland
Maatwerk is een pilot die sinds 2022 door Gevangenenzorg Nederland wordt uitgevoerd
in de Penitentiaire Inrichting (PI) in Alphen aan den Rijn. Deze pilot is erop gericht
gedetineerden te motiveren om aan de slag te gaan met hun toekomst, onder andere door
te helpen in bij de zoektocht naar passend werk. De aanpak is positief geëvalueerd:
volgens onderzoekers is aannemelijk dat de aanpak bijdraagt aan het hebben van geschikt
en duurzaam werk na detentie.9 Eerder heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer al laten weten dat de beschrijving van
de aanpak in 2025 gedeeld zal worden met andere PI’s en vrijwilligersorganisaties,
zodat een zo groot mogelijk groep gedetineerden de nodige ondersteuning kan ontvangen
bij toeleiding naar werk en arbeidsbemiddeling10. Deze handreiking is inmiddels gereed en door Gevangenenzorg Nederland gedeeld met
andere vrijwilligersorganisaties die actief zijn in het gevangeniswezen. Zij kunnen
daar inspiratie uit halen en (onderdelen van) de aanpak toepassen in hun eigen werkzaamheden.
Ik wil Gevangenenzorg Nederland bedanken voor alle inzet, zowel voor het ontwikkelen
van een nieuwe aanpak als voor hun betrokkenheid bij individuele gedetineerden. Andere
vrijwilligersorganisaties kunnen hier hun voordeel mee doen en zo gezamenlijk (ex-)gedetineerden
helpen stappen te zetten naar een betere, delict vrije toekomst.
3. (Jong)volwassen vrouwen in detentie
3.1 Advies RSJ Advies Ingesloten vrouwen in beeld
Op 10 maart jl. heeft de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ)
een advies uitgebracht over ingesloten vrouwen.11 De RSJ geeft aan dat er meer aandacht moet komen voor de positie van meisjes en vrouwen
binnen een gesloten justitiële setting, zodat het systeem beter kan aansluiten op
de genderspecifieke achtergrondkenmerken en behoeften. Meisjes en vrouwen maken slechts
een klein deel uit van de mensen die in aanraking komen met justitie (6%). Bij de
beleidsvorming zijn mannen het uitgangspunt, bijvoorbeeld als het gaat om het aanbod
van het dagprogramma, de beveiliging en praktische zaken. Omdat de achtergrond en
behoeften van meisjes en vrouwen verschillen van die van mannen, sluiten de organisatie
van justitiële inrichtingen, het beleid en de bejegening niet altijd goed op hen aan.
Dit kan volgens de RSJ leiden tot ongelijkheid en tot extra schade. Dit alles heeft
ook zijn uitwerking na vrijlating, met een verminderde kans op een geslaagde resocialisatie.
De RSJ besteedt in het advies aandacht aan de specifieke behoeften van vrouwen en
meisjes en de beschikbaarheid van voorzieningen voor hen in het gevangeniswezen, de
forensische zorg en de Justitiële Jeugdinrichtingen en doet enkele aanbevelingen.
Naar aanleiding van het Inspectierapport is de universiteit Leiden verzocht, in opdracht
van DJI, de sociale veiligheid in de PI’s voor vrouwen in kaart te brengen – zoals
ervaren door medewerkers en gedetineerde vrouwen.12
Het onderzoek geeft inzicht in de factoren die bijdragen aan de ervaren sociale veiligheid
en onveiligheid en het schetst een kwalitatief beeld van dit onderwerp in de context
van vrouwen en meisjes in detentie. Zo komt in het onderzoek duidelijk naar voren
dat de gevangenis een setting is met unieke contextuele kenmerken die op zichzelf
al een duidelijke stempel drukken op de beleving van sociale veiligheid. Het onderzoek
biedt voor de hele DJI-organisatie handvatten om met thema’s als bewustzijn van het
werken in een machtspositie aan de slag te gaan, specifiek met het werken met mensen
die in grote mate afhankelijk zijn van het personeel, en in het bijzonder vrouwen
en meisjes in detentie.
Naar aanleiding van het Inspectierapport, het advies van de regeringscommissaris tegen
seksueel grensoverschrijdend gedrag en het onderzoek van de universiteit Leiden zijn
door DJI concrete verbetermaatregelen getroffen. Zo zijn maatregelen getroffen om
de drempels voor het melden van ongewenst gedrag te verlagen, om de informatievoorziening
aan de gedetineerde vrouwen te verbeteren, om kennis te bevorderen ook bij de commissies
van toezicht, zijn verplichte opleidingsmodules ontwikkeld voor medewerkers die werken
met gedetineerde vrouwen, wordt er waar nodig gewerkt aan een betere man/vrouw samenstelling
van de teams, wordt er stevig geïnvesteerd in de sociale/psychologische veiligheid
binnen teams zodat collega’s elkaar (durven) aanspreken op (mogelijk) ongewenst gedrag,
is de visitatieprocedure aangepast en zullen bodyscans ingevoerd worden.
De rapporten van de universiteit Leiden en de RSJ laten echter ook zien dat detentie
voor vrouwen te zeer een afgeleide is van detentie voor mannen en daarmee onvoldoende
recht doet aan de specifieke kenmerken van vrouwelijke gedetineerden. Een meer fundamentele
herbezinning is dus wenselijk. DJI is daarom een traject gestart om tot een herontwerp
van detentie van (jong)volwassen vrouwen te komen waarbij. Daarbij wordt ook gekeken
naar goede voorbeelden uit het buitenland. Een eerste stap die DJI hierin heeft gezet
is een landelijk symposium op 20 juni jl. met een grote groep medewerkers uit het
gevangeniswezen, de vreemdelingenbewaring, de forensische zorg en jeugdinrichtingen.
Onderzoekers van de Universiteit Leiden en van de RSJ hebben daarbij inleidingen verzorgd.
Het doel van deze dag was om tot een gezamenlijk beeld te komen van wat er, op basis
van relevante onderzoeken en adviezen, nodig is om detentie voor (jongvolwassen) vrouwen
veilig, mensgericht en effectief vorm te geven – passend bij de behoeften en kenmerken
van (jongvolwassen) vrouwelijke justitiabelen. In het vervolg van dit traject zullen
ook ketenpartners en andere externe partijen en deskundigen betrokken worden.
Ik houd u door middel van deze voortgangsbrief op de hoogte van het verloop van dit
traject.
3.2 Bureau Clara Wichmann
Op 27 maart jl. heeft mijn ambtsvoorganger het Misstandenboek van Bureau Clara Wichmann
(BCW) in ontvangst genomen, waarin verhalen worden gedeeld van (ex-)gedetineerden
over hun ervaringen met de medische zorg in penitentiaire inrichtingen voor vrouwen.
Het boek belicht verschillende gevallen waarin vrouwen ervaarden dat hun gezondheidsklachten
onvoldoende serieus werden genomen. BCW benadrukt een aantal thema’s, namelijk:
• Onvoldoende kennis van ernst van geuite klachten.
• Ontoegankelijkheid van specialistische medische zorg.
• Fouten bij medicatieverstrekking en het overmatig toedienen van kalmerende middelen.
• Onvoldoende gendersensitieve zorg.
Bureau Clara Wichmann doet verschillende aanbevelingen:
1. Er dienen protocollen opgesteld te worden voor adequate signalering en behandeling
van acute gezondheidsklachten bij afwezigheid van medische staf in de avond, nacht
en weekend.
2. Gedetineerden dienen dagelijks toegang te hebben tot medische staf.
3. Er dient betere continuïteit van de medische zorg te zijn (vaste huisarts).
4. Een second opinion moet beschikbaar komen voor gedetineerden zonder dat zij daarvan
de kosten moeten dragen.
5. Binnen detentie dienen dezelfde standaarden te gelden op het gebied van lichamelijke
autonomie en informed consent als buiten detentie.
6. Binnen detentie moeten genderspecifieke beleidsmaatregelen worden ontwikkeld.
Alvorens in te gaan op deze aanbevelingen uit het misstandenboek is van belang te
benadrukken dat gedetineerden aan de zorg van de Staat (DJI) toevertrouwd worden en
dat zij er daarom vanuit moeten kunnen gaan dat zij zich in een sociaal veilige omgeving
bevinden en ook de (medische) zorg krijgen die zij nodig hebben. Ik neem daarom signalen
vanuit de misstandenboek zeer serieus.
DJI staat voor de kwaliteit van zorg die door de zorgprofessionals in de inrichtingen
dagelijks geboden wordt langs dezelfde professionele standaarden die ook buiten detentie
gelden. Ook het onafhankelijk toezicht is op deze wijze ingericht. Zorgverlening blijft
echter zowel binnen als buiten DJI mensenwerk, waarbij fouten gemaakt kunnen worden
met soms zeer ingrijpende gevolgen.
Uitgangspunten voor DJI zijn transparantie, het leren van fouten en het voor de toekomst
zoveel als mogelijk voorkomen ervan. DJI maakt hierbij gebruik van instrumenten zoals
die ook in de reguliere zorg worden gehanteerd.
DJI heeft voor ieder afzonderlijk onderwerp, zoals genoemd in het misstandenboek,
uitgezocht hoe vaak vrouwelijke gedetineerden een klacht hebben ingediend over medische
zorg en hoe vaak zij in het gelijk zijn gesteld bij de RSJ. Dit bleek zeer geringe
aantallen en percentages te gaan. Ook is er de afgelopen jaren bij de vrouwengevangenissen
geen sprake van waarschuwingen of verscherpt toezicht door de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd.
Dat laat onverlet dat het misstandenboek van Bureau Clara Wichmann op onderdelen wel
degelijk aanleiding geeft tot het doorvoeren van aanpassingen op het terrein van de
zorg binnen DJI. Tevens stuurt DJI het misstandenboek toe aan de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd (IGJ).
De eerste drie aanbevelingen zien op dagelijkse toegang (ook bij afwezigheid van medische
staf in avond, nacht en weekend) en continuïteit van zorg. DJI heeft de huidige werkwijze bezien. Geconcludeerd wordt dat de
huidige werkwijze functioneert. Uit de praktijk blijkt dat de arts veelvuldig wordt
ingeschakeld. In de avond, nacht een weekenduren is altijd een huisarts telefonisch
bereikbaar die binnen 1 uur op locatie kan zijn. De instructie aan penitentiair inrichtingswerkers
(PIW’er)/beveiligers is om altijd de dienstdoende arts te raadplegen.
Indien er bijzonderheden zijn geeft de medische dienst een nachtoverdracht mee aan
de PIW’ers/beveiligers.
Uit cijfers blijkt dat de arts tijdens de avond, nacht een weekenduren veelvuldig
consulten op locatie houdt (enkele honderden keren per jaar per vrouweninrichting).
Dit bevestigt het beeld dat dit systeem in zijn algemeenheid naar behoren werkt.
Net zoals vaak in de (vrije) maatschappij het geval is, is het niet haalbaar en uitvoerbaar
om een vaste huisarts voor elk PI te organiseren. DJI beziet wel de mogelijkheden
om de regie op zorgtrajecten van justitiabelen verder te verbeteren.
Ten aanzien van aanbeveling vier geldt dat DJI haar beleid rondom de financiering
van een second opinion voor medisch-specialistische zorg gaat aanpassen. Momenteel
staat in het Vademecum dat justitiabelen recht hebben op een second opinion. Het vervoer,
de personeelskosten en alle bijbehorende kosten zijn voor eigen rekening. Dit wordt
aangepast in die zin dat kosten van onderzoek en vervoer voor rekening van DJI kunnen
komen. Hierbij wordt aangesloten op de werkwijze ten aanzien van second opinions in
de vrije maatschappij. Dit wordt per casus afgewogen, op dezelfde manier als dat in
de reguliere zorg gebeurt.
Voor wat betreft aanbeveling vijf geldt dat DJI deze aanbeveling onderschrijft. Zorgprofessionals
werken volgens dezelfde beroepsnormen- en kaders als buiten DJI. De eisen aan de kwaliteit
van zorg binnen DJI zijn niet anders dan buiten DJI. Daarmee gelden dus dezelfde standaarden
op het gebied van lichamelijke autonomie en informed consent. Vanuit de Penitentiaire
beginselenwet (PBW) zijn er mogelijkheden om de lichamelijke autonomie te beperken,
maar dat staat (behoudens dwang(be)handeling op medische gronden) los van de zorg.
De zesde aanbeveling ziet op dat het voor gedetineerde vrouwen van belang is dat hun
genderspecifieke behoeften worden erkend en geïntegreerd in de zorg die zij ontvangen.
Er zijn inmiddels meerdere adviezen en rapporten uitgebracht over vrouwen in detentie,
zoals het advies van de RSJ en van de Universiteit Leiden. Ik wijs daarvoor op hetgeen
hierover is opgemerkt over het herontwerp van de vrouwendetentie.
Naast bovenstaande acties naar aanleiding van de aanbevelingen heeft DJI ook op een
aantal andere onderwerpen aanpassingen in gang gezet, die ook terugkomen in het misstandenboek
van BCW. DJI gaat de tekst in het Vademecum verduidelijken. In het Vademecum, dat
elk jaar wordt opgesteld aan de hand van het basis zorgverzekeringspakket in de vrije
maatschappij, beschrijft DJI welke (para) medische en mondzorg verstrekkingen geboden
worden. Hierin staat dat de zorgprofessional een rol speelt in de kostenbeheersing
van de gezondheidszorg binnen DJI. Dit kan de indruk geven dat zorgprofessionals het
kostenaspect zwaarder mee laten wegen in hun oordeel om zorg te bieden dan dat zij
buiten DJI zouden doen. Dat is echter niet het geval. Net zoals in de vrije maatschappij
is er een veelheid aan factoren die meespelen in de overweging van zorgprofessionals.
De kosten- en doelmatigheidsaspecten van zorg zullen in het Vademecum worden verduidelijkt,
volgens de lijn «deze overwegingen zijn hetzelfde als in de vrije maatschappij».
Ten aanzien van aanwezigheid van beveiliging bij medisch onderzoek in bijvoorbeeld
het ziekenhuis, loopt er al een traject om artikel 19 van de Regeling vervoer van
justitiabelen aan te passen.
Het huidige uitgangspunt is dat de transportbegeleider aanwezig is, tenzij de behandelaar
anders wenst en dit met het oog op de veiligheid verantwoord wordt geacht. In het
voorstel voor het nieuwe artikel 19 wijzigt dit uitgangspunt naar «de transportbegeleider
is niet aanwezig tijdens het medisch onderzoek, tenzij dit vanuit veiligheidsoverwegingen
niet verantwoord wordt geacht«.
Tot slot, wat betreft het punt omtrent de medicatieverstrekking is er binnen elke
penitentiaire inrichting een medische dienst, bestaande uit in ieder geval psychiaters,
psychologen, artsen en justitieel verpleegkundigen. De apotheek zorgt ervoor dat de
juiste medicatie en dosis in afgesloten medicijnzakjes per persoon worden geleverd.
Verpleegkundigen zorgen ervoor dat de medicatie op de juiste afdelingen terecht komt.
De PIW’ers en de complexbeveiligers (in de avond) reiken de voorverpakte medicatie
uit. Zij hebben hiervoor een e-learning medicatietoediening gedaan. Hiermee zijn zij
bekwaam om medicatie te verstrekken. Het verstrekken van medicatie is geen voorbehouden
handeling die alleen door zorgprofessionals mag worden gedaan.
4. Overige onderwerpen
4.1 Ontwikkelingen Inrichting voor Stelselmatige Daders
In maart 2025 is het handboek Inrichting voor Stelselmatige Daders (ISD) gepresenteerd
op de Landelijke Expertmeeting ISD. Dit handboek is te gebruiken door alle zeven ISD-inrichtingen.
In de loop van 2025 worden er proeftuinen gedraaid in de ISD-inrichtingen om tot een
optimaler en inhoudelijk beter en efficiëntere uitvoering van de ISD-maatregel te
komen. Ook wordt in 2025 tijd besteed aan het optimaliseren van rapportage formats
en die landelijk uniform uit te rollen. Begin 2026 wordt een ISD Expertmeeting voor
ketenpartners van de ISD georganiseerd. Tevens zal gestart worden met de motie Bruyning
(NSC)13, waarbij wordt bezien of een groter deel van de ISD-maatregel extramuraal ten uitvoer
kan worden gelegd.
4.2 Motie over niet-gebonden geestelijke verzorging
Tijdens het tweeminutendebat op 20 maart jl. dat plaatsvond naar aanleiding van het
commissiedebat gevangeniswezen op 12 maart jl. is er een motie aangenomen van het
lid van Nispen (SP) over het aanbieden van ongebonden geestelijke verzorging (Kamerstuk
24 587, nr. 1031). Gevraagd is dat DJI ervoor zorgdraagt dat de toegang tot overige geestelijke verzorging,
waaronder ongebonden geestelijke verzorging, praktisch beter wordt georganiseerd.
De toegang tot overige geestelijke verzorging was al wettelijk geregeld.14 Er is in de Penitentiaire beginselenwet opgenomen dat de directeur van de inrichting
de ingeslotene in de gelegenheid stelt op in de huisregels vastgestelde tijden en
plaatsen contact te onderhouden met andere dan de aan de inrichting verbonden geestelijk
verzorgers.
Bij binnenkomst wordt gedetineerden gevraagd van welke geestelijke verzorging zij
gebruik zouden willen maken.
Er kon al door gedetineerden op hun aanvraagbriefje voor geestelijke verzorging worden
aangegeven dat zij «overige» geestelijke zorg willen. Bij «overig» staat nu ook de
toelichting dat dat andere dan aan de inrichting verbonden geestelijke verzorgers
zijn. Op basis van het verzoek van een gedetineerde kan dan aan ongebonden geestelijk
verzorgers toegang tot de inrichting worden verleend door de directeur van de inrichting.
Gedetineerden hebben de mogelijkheid om hun voorkeur voor geestelijke verzorging later
te wijzigen. De directeur van de inrichting weegt, bij de beoordeling van het toelaten
van de andere, dan aan de inrichting verbonden geestelijk verzorgers, zijn verantwoordelijkheid
voor de orde en veiligheid uitdrukkelijk mee.
Het beeld is op basis van de praktijk dat er slechts zeer geringe behoefte is aan
overige – dan aan de inrichting verbonden – geestelijke verzorging. DJI zal monitoren
hoe zich dit ontwikkelt. Ik doe de motie hiermee gestand.
4.3 Voortgang motie Singh
Eind 2024 is een motie aangenomen van de Leden Ceder (ChristenUnie) en Van Nispen
(SP), waarin verzocht wordt om alsnog een verzoek tot strafoverdracht (Wots-verzoek)
op te starten en maatwerk te bieden binnen het beleidskader, om de heer Singh op korte
termijn naar Nederland over te laten brengen.15 Zoals in eerdere Kamerbrieven van mijn ambtsvoorgangers is aangegeven, kan de heer
Singh op basis van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (Wots) niet
naar Nederland worden overgebracht omdat hij niet aan de vereisten voldoet van duurzame
binding met Nederland en aanwezigheid van strafrestant, die nodig zijn om succesvol
een Wots-procedure te doorlopen.16 Hiertegen loopt een hoger beroepsprocedure bij de civiele kamer van het gerechtshof
Den Haag. De zitting vond plaats op 30 juni 2025. De uitspraak in hoger beroep volgt
(doorgaans) tien weken na de inhoudelijke behandeling van de zitting. Daarom wordt
deze eerst afgewacht, voordat besloten wordt hoe verder wordt gegaan met de motie
van de Leden Ceder en Van Nispen. Tot die tijd houd ik vast aan de lijn dat de heer
Singh geen juridische basis heeft om in aanmerking te komen voor strafoverdracht.
4.4 Motie reisverbod zedendelinquenten
De in 2023 aangenomen motie17 van de leden Kuik (CDA) en Ellian (VVD) verzoekt de regering om het reisverbod dat
zedendelinquenten en tbs’ers opgelegd kunnen krijgen effectiever te handhaven. Daarnaast
wordt er in de motie verzocht om te onderzoeken hoe andere EU-landen dit probleem
aanpakken. Ook wordt er een beroep gedaan op de regering voor betere internationale
samenwerking en gegevensdeling met landen buiten de Europese Unie, om zo veel mogelijk
te voorkomen dat het kindersekstoerisme in stand wordt gehouden.
De Wet Langdurig Toezicht (WLT) maakt het mogelijk om langer en intensiever toezicht
te houden op (voormalige) tbs-gestelden en zedendelinquenten. De rechter kan op basis
van de WLT een gedrags- beïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) opleggen.
Aan de GVM worden voorwaarden verbonden waaraan de betrokkene zich moet houden, zoals
een meldplicht, locatieverbod, locatiegebod, en een reisverbod.
Daarnaast biedt de Paspoortwet (Ppw) mogelijkheden om een paspoort in te trekken of
een aanvraag te weigeren, waardoor het reizen van Nederland naar een land buiten de
EU wordt bemoeilijkt.
In gesprekken met mijn ambtsvoorganger lieten de politie en de Koninklijke Marechaussee
weten handhavend op te treden als tbs-gestelden of zedendelinquenten met een uitreisverbod
worden gesignaleerd. Echter, vanwege het vrije verkeer van personen binnen de EU is
het mogelijk om zonder restricties binnen de EU te reizen. Dit bemoeilijkt handhaving
van een eventueel uitreisverbod binnen de EU.
De reclassering houdt toezicht op de voorwaarde van een uitreisverbod. Dit toezicht
vindt plaats door middel van opgelegde bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht
of elektronische monitoring via een enkelband.
Als blijkt dat iemand met een uitreisverbod tóch is uitgereisd, bijvoorbeeld via een
ander EU-land, en er sprake is van een internationale signalering of een Europees
arrestatiebevel, dan houdt FASTNL, een samenwerking tussen het Landelijk Parket van
het OM en de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies van de politie, zich bezig
met het opsporen van veroordeelde voortvluchtigen.
In het rapport Grenzeloos18 van het WODC is onderzocht welke aanpak gevolgd wordt in Duitsland, Ierland en Zweden
voor het tegengaan van transnationaal seksueel kindermisbruik, waaronder de maatregel
van een uitreisverbod. De maatregelen komen grotendeels overeen met Nederland, daarom
komen er uit het onderzoek geen nieuwe maatregelen naar boven voor toepassing in Nederland.
Wat betreft internationale samenwerking zet Nederland zich al langere tijd in voor
EU-brede afspraken over gegevensdeling met derde landen die voldoen aan EU-rechtsnormen.
Bij nieuwe bilaterale rechtshulpverdragen die worden opgesteld of als bestaande verdragen
worden gewijzigd, wordt waar mogelijk en wenselijk de uitwisseling van justitiële
gegevens voor preventieve doeleinden opgenomen. Hiermee is de motie reisverbod zedendelinquenten
uitgevoerd.
5. Tot slot
Met deze voortgangsbrief is uw Kamer op de hoogte gebracht van actuele ontwikkelingen
die het gevangeniswezen in Nederland raken. Naast alle inzet om de capaciteitsproblemen
het hoofd te bieden, mogen we ook de belangrijke thema’s zoals re-integratie, en (jong)volwassen
vrouwen in detentie niet uit het oog verliezen. Ook deze onderwerpen zijn van belang
voor een veilige detentie en een veilige terugkeer in de samenleving wanneer de straf
is uitgezeten.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, T.H.D. Struycken
Indieners
-
Indiener
T.H.D. Struycken, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid