Brief regering : Armoede-intensiteit, niet-gebruik en energiearmoede
24 515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting
29 023
Voorzienings- en leveringszekerheid energie
Nr. 796
BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 april 2025
In Nederland leven 540.000 mensen in armoede, onder wie 115.000 kinderen1. Daarnaast leven 1,2 miljoen mensen net boven de armoedegrens, voor wie een kleine
tegenslag zoals een kapotte wasmachine al snel tot financiële problemen kan leiden.
Een derde van de mensen leeft met geldzorgen. Geldzorgen treft iedereen en kan ook
met mensen met voldoende inkomen kunnen door onverwachte levensgebeurtenissen in de
problemen raken. Leven met geldzorgen raakt alle aspecten van het leven, zoals wonen,
gezondheid, sociale relaties, werk en onderwijs. Zo vraagt ook de aanpak van energiearmoede
om aandacht. De energietransitie kan het risico op energiearmoede verkleinen, bijvoorbeeld
door energiebesparing in woningen. Daar tegenover staat de verwachting dat zowel het
vaste als het variabele deel van de energierekening de komende jaren zal stijgen.
Deze brief gaat in op een aantal specifieke verzoeken vanuit beide Kamers die betrekking
hebben op de armoedeproblematiek: in de eerste plaats het verzoek van het lid Omtzigt
tijdens de regeling van werkzaamheden van 11 maart jl. om in te gaan op de aanpak
van dit kabinet ten aanzien van energiearmoede, armoede-intensiteit en niet-gebruik
(de onderwerpen van de rapporten van TNO2
3 en CPB4
5). Ook gaat deze brief in op de motie Van Apeldoorn c.s. over beleidsvoorstellen om
kinderarmoede te verminderen6. In het Nationaal Programma Armoede en Schulden die ik uw Kamer in juni zal toesturen
staan de overige maatregelen die ik tref ten aanzien van (kinder)armoede.
Inzet armoedebestrijding
De meest recente raming van het CPB laat zien dat het aantal personen en kinderen
dat onder de gehanteerde armoedegrens leeft de komende jaren verder afneemt, mede
als gevolg van de maatregelen van dit kabinet. Het CPB-rapport «De armoede-intensiteit:
een raming van de diepte van armoede» laat echter ook zien dat de daling van de armoedecijfers
gepaard gaat met een stijging van de armoede-intensiteit, ook wel de diepte van armoede
genoemd.
Het CPB meet de diepte van armoede als het procentuele verschil tussen de armoedegrens
en het besteedbaar inkomen. Bij een hogere armoede-intensiteit komen mensen meer tekort.
Het CPB merkt op dat de stijging van de armoede-intensiteit samenhangt met de verandering
van de samenstelling van de groep in armoede: het aantal mensen met een lage armoede-intensiteit
neemt steeds verder af, terwijl het aantal mensen met een hoge intensiteit ongeveer
gelijk blijft. Hierdoor stijgt de mediane armoede-intensiteit. Het CPB-onderzoek «Onbenut
recht» toont aan dat veel mensen die recht hebben op toeslagen of andere voorzieningen,
hier bewust of onbewust geen gebruik van maken. Hierdoor lopen zij inkomensondersteuning
mis, terwijl zij deze mogelijk hard nodig hebben. Uit de CPB-publicatie blijkt dat
dit bijvoorbeeld gaat om recent gepensioneerden met een onvolledige AOW, werkenden
die relatief weinig uur per week werken en zelfstandigen met een (te) laag uurtarief,
dak- en thuislozen, asielzoekers of arbeidsmigranten.
Het kabinet wil armoede voorkomen, verzachten en structurele armoede oplossen. Het
kabinet heeft een aantal koopkrachtmaatregelen getroffen om armoede te verminderen.
Bijvoorbeeld de verhoging van het kindgebonden budget en de huurtoeslag. Naast verhoging
van de huurtoeslag vereenvoudigt het kabinet de toeslag. Ook wordt geregeld dat mensen
met een huur boven de liberalisatiegrens recht krijgen op toeslag, waaronder mensen
met een laag inkomen. Het kabinet komt dit jaar met aanvullende voorstellen om op
korte termijn knelpunten in het toeslagenstelsel te verhelpen.
Zoals aangekondigd in het regeerprogramma werkt het kabinet momenteel samen met een
grote groep betrokken partijen aan een Nationaal Programma Armoede en Schulden. We
streven ernaar om dit programma in juni aan uw Kamer aan te bieden.
Onderdeel van de kabinetsaanpak is de inzet om de grote groep mensen, in het bijzonder
werkenden, met geldzorgen en (beginnende) schulden eerder te bereiken. De verschillende
maatregelen die het kabinet hiervoor neemt worden toegelicht in het Nationaal Programma,
maar zullen in ieder geval inzetten op laagdrempelige financiële dienstverlening en
het project «Preventie van Geldzorgen». Dit project versterkt de netwerken rondom
verschillende vindplaatsen zoals huisartsen, geboortezorg, apothekers, vrijwilligersorganisaties
en jongerenwerkers op scholen. Daarnaast zet het kabinet sterk in op de vereenvoudiging
van het stelsel, om onder meer niet gebruik tegen te gaan.
Uit het CPB-rapport over de armoede-intensiteit blijkt dat werkenden steeds vaker
en dieper in armoede zitten. Naast de eerdere genoemde maatregelen helpt ook het arbeidsmarktbeleid
om de armoedeproblematiek onder werkenden tegen te gaan. Het richt zich bijvoorbeeld
op het creëren van meer werkzekerheid door schijnzelfstandigheid aan te pakken. Hierover
is de Tweede Kamer op 27 maart jongstleden geïnformeerd.
Het kabinet onderkent dat het aanvragen van toeslagen moeilijk en spannend kan zijn
voor mensen. Dienst Toeslagen heeft vier sporen ingezet om mensen meer en beter te
informeren over hun recht op toeslagen en te helpen bij het aanvragen van toeslagen.
Deze vier sporen zijn: brede publieksbenadering (zoals pr-campagnes), doelgroepgerichte
en themagerichte benaderingen (zoals het bereiken van mensen die de pensioengerechtigde
leeftijd bereiken), het benutten van bestaande contactmomenten (bijvoorbeeld bij de
Informatiepunten digitale Overheid (IDO’s) van bibliotheken en bij de toeslagservicepunten
bij loketten van gemeenten), en het persoonlijk benaderen van individuen. Tevens ontwikkelt
Dienst Toeslagen een monitor om het niet-gebruik van toeslagen meerjarig en consistent
bij te houden.
Ook de communicatiecampagne «laat geen geld liggen» wijst verschillende doelgroepen
op regelingen die door hen onvoldoende benut worden. Zo willen we bijvoorbeeld in
juli en augustus werkenden met lage en/of wisselende inkomens wijzen op het achteraf
aanvragen van toeslagen, in aanvulling op de communicatie vanuit Dienst Toeslagen.
Daarnaast loopt er een campagne om werkende armen met geldzorgen naar hulp via Geldfit
te leiden. Via Geldfit kunnen mensen zowel checken of ze recht hebben op (inkomens)ondersteuning
via de Potjescheck als hulp bij geldzorgen krijgen. In september richten deze campagne
zich op werkende armen met kinderen en in het najaar op werkende armen zonder kinderen.
Ook is het kabinet bezig met het wetsvoorstel proactieve dienstverlening. Dit wetsvoorstel
beoogt mogelijk te maken dat UWV, SVB en gemeenten proactieve dienstverlening kunnen
inzetten. Dit betekent dat zij mogen onderzoeken wie mogelijk recht heeft op bepaalde
uitkeringen en voorzieningen gericht op inkomensondersteuning, maar daarvan geen gebruikmaakt.
Voornoemde partijen mogen vervolgens contact opnemen met deze mensen en hen ondersteunen
als zij een aanvraag voor een uitkering of een voorziening willen doen.
Inzet energiearmoede
Energiearmoede verdient specifieke aandacht binnen het armoedevraagstuk, omdat energiekosten
verschillend neer kunnen slaan bij huishoudens, en veel huishoudens om uiteenlopende
redenen niet zelfstandig in staat zijn om mee te komen in de energietransitie. Onderzoek7 toont aan dat energie een grote en stijgende uitgavenpost is die vooral hard aankomt
bij huishoudens met lage inkomens. Bovendien is energiearmoede niet alleen een inkomensprobleem,
ook de energetische kwaliteit van de woning speelt een rol. Zonder ondersteuning in
de energietransitie dreigt achterblijven extra kostbaar te worden, wat bestaande verschillen
vergroot.
TNO heeft in korte tijd 2 rapporten uitgebracht. Een van deze rapporten8 betreft het eerste van twee onderzoeken in het kader van de motie Postma, waarin
gesteld wordt dat de energietransitie niet mag leiden tot een toename van energiearmoede
(en liefst zelfs een afname)9. Meer informatie over de inhoud van dit rapport en het proces rond de motie Postma
treft u in de Kamerbrief van 10 maart 2025.10
.Het tweede rapport11 betreft een inschatting van de mogelijke ontwikkeling van energiearmoede in 2025
op basis van drie scenario’s. Hierin schetst TNO de verwachting van de ontwikkeling
van de gasprijs voor huishoudens, op basis van de prijsontwikkeling op de wereldmarkt.
Een beperkte stijging van de energieprijs resulteert naar schatting in 6,6% (553 duizend)
energiearme huishoudens in Nederland. Een middenprijs resulteert in 7,1% (595 duizend)
huishoudens met energiearmoede, en bij een hoge prijs zorgt dat voor 7,6% (636 duizend)
huishoudens met energiearmoede.
In lijn met het amendement-Kröger wordt een nationale doorvertaling van de definitie
voor energiearmoede opgenomen in het Energiebesluit onder de Energiewet. Dit is de
basis voor de monitoring van de ontwikkelingen rond energiearmoede om deze goed in
beeld houden en beleid zo nodig op toe te spitsen.
De Kamer heeft recent de resultaten van het eerste deel van het onderzoek naar aanleiding
van de motie-Postma ontvangen. De resultaten van het tweede deel volgen eind dit jaar.
Het kabinet onderschrijft het belang van een betaalbare energietransitie; in het Regeerprogramma
is dan ook aangegeven dat werk gemaakt moet worden van de betaalbaarheid van de energierekening
en een rechtvaardige energietransitie, ook voor huishoudens met een kleine portemonnee
en de middeninkomens.
In gezamenlijk verband (Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening (VRO), en Klimaat en Groene Groei (KGG)) werkt dit kabinet aan
maatregelen die structureel bijdragen aan een betaalbare energierekening op de lange
termijn. Ook werkt het kabinet aan ondersteuning voor huishoudens in energiearmoede
voor de korte termijn. Hieronder staat een aantal acties omschreven die het kabinet
hiertoe neemt.
Energiefonds en Social Climate Fund (SCF)
Voor zowel 2025 als 2026 heeft het kabinet 60 miljoen gereserveerd voor ondersteuning
voor de energierekening. De laatste stand van zaken omtrent de opening van het energiefonds
2025 treft u in de Kamerbrief van 4 april 202512. Nederland werkt aan de uitwerking van het nationale SCF-plan, dat uiterlijk 30 juni
bij de Europese Commissie wordt ingediend. Het plan bevat maatregelen om de effecten
van ETS-213 te mitigeren voor groepen die hier het hardst door worden getroffen, met name huishoudens
in energiearmoede, mensen in vervoersarmoede en micro-ondernemers. De Kamer wordt
zo snel mogelijk geïnformeerd zodra er een definitief besluit is genomen over de samenstelling
van het Nederlandse plan.
Gebouwde omgeving
Energiebesparing en verduurzaming van woningen blijft een belangrijke route om bij
te dragen aan een betaalbare energierekening, ook voor bewoners met een kleine beurs.
Met de voortgangsrapportage van het Programma Versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving
van 2024 is de Kamer geïnformeerd over de resultaten en ontwikkelingen14. Huishoudens worden ondersteund via het Nationaal Isolatieprogramma (NIP), het Warmtefonds,
de regelingen voor de Stimulering van Aardgasvrije Huur (SAH) en voor verenigingen
van eigenaars is de Subsidieregeling verduurzaming voor verenigingen van eigenaars
beschikbaar (SVVE). Meer in het bijzonder hebben gemeenten in drie tranches in 2022
en 2023 in totaal € 550 miljoen ontvangen voor de aanpak van energiearmoede via de
Specifieke Uitkering (SPUK) Aanpak Energiearmoede. De uitvoeringstermijn van deze
SPUK is verlengd van 2025 naar tot en met 2027 zodat gemeenten meer tijd hebben voor
de uitvoering.
Daarnaast ondersteunt het Ministerie van VRO verschillende initiatieven die bijdragen
aan de aanpak van energiearmoede, zoals het netwerkprogramma van Milieu Centraal «Energiehulp
vanuit vertrouwde kring voor huurders in energiearmoede».
Arbeidsmarkt
Om huishoudens in energiearmoede te ondersteunen hebben veel gemeenten de afgelopen
twee jaar energiehulpen ingezet vanuit de SPUK-middelen van het Ministerie van VRO
voor de Lokale Aanpak Energiearmoede. Door het hele land zijn energiehulporganisaties
en energiehulpen gestart. Energiehulpen treffen kleine tot middelgrote energiebesparende
maatregelen, verbeteren het wooncomfort en adviseren over energiebesparing. Hiermee
dragen energiehulpen bij aan de preventie van armoede en schulden. Energiehulpen verwijzen
bewoners daarnaast wanneer zij eenmaal achter de voordeur zijn geregeld door naar
andere instanties in het sociaal domein en hebben daarmee bredere preventieve werking.
Tevens levert het werken met energiehulpen banen op. Wanneer ingezet wordt op energiehulpen
uit de wijk, vindt er een win-winsituatie plaats waarbij het netwerk van de hulp wordt
ingezet en de hulp een baan vindt. Inzet op een betaalbare energietransitie blijft
onverminderd belangrijk en de energiehulpen leveren hier een belangrijke bijdrage
aan. Daarom zetten wij in op de duurzame inzetbaarheid van energiehulpen via het ontwikkelpad
Energiehulp. In het ontwikkelpad Energiehulp wordt inzichtelijk gemaakt hoe mensen
kunnen instromen als energiefixer of energiecoach, welke ontwikkelmogelijkheden er
zijn en welke doorstroommogelijkheden er bestaan naar functies binnen de sectoren
van de techniek, bouw en energie. De functie energiehulp is daarmee een instapbaan
voor mensen met een ondersteuningsbehoefte. Diverse energiefixbedrijven hebben al
ervaring met, en interesse in, het begeleiden van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
Inzet op een betaalbare energietransitie blijft onverminderd belangrijk en de energiehulpen
leveren hier een belangrijke bijdrage aan. Daarom zetten wij in op de duurzame inzetbaarheid
van energiehulpen via het ontwikkelpad Energiehulp.
Consumentenbescherming
Het kabinet wil te allen tijde voorkomen dat gezinnen worden afgesloten van energie
of water. In 2023 is het afsluitbeleid van energielevering aan (klein)verbruikers
structureel aangescherpt. Daarmee is de positie van de consument structureel verbeterd,
om te voorkomen dat mensen afgesloten worden van energie, of betalingsproblemen en
schulden oplopen.15 Hierdoor is afsluiting van energie alleen mogelijk nadat de energieleverancier meerdere
verplichte stappen heeft doorlopen. Meer informatie over deze afsluitregeling treft
u in de Kamerbrief van 8 maart 2023.16
Daarnaast wordt er ook gewerkt aan de verbetering van het afsluitbeleid voor kleinverbruikers
van drinkwater. Hierin worden twee sporen gevolgd: het eerste spoor is het verbeteren
van het sociaal incassoproces en het tweede spoor is het verbeteren van de afsluitregeling
drinkwater. Meer informatie hierover treft u in de Kamerbrief van 29 augustus 2024.17
Motie Van Apeldoorn c.s. over voorstellen om kinderarmoede te verminderen
De Eerste Kamer heeft bij de Algemene Financiële Beschouwingen de motie-Van Apeldoorn
aangenomen, die de regering verzoekt beleidsvoorstellen uit te werken met als doel
om nog gedurende deze kabinetsperiode de kinderarmoede verder, en significant onder
het niveau van 2024, te verminderen, en de Kamer hierover vóór publicatie van de Voorjaarsnota
2025 te informeren.
Het dictum van deze motie is in nieuw licht komen te staan door de meest recente armoederaming
van het CPB. Op het moment dat deze motie werd ingediend (november 2024), bevatte
de Macro Economische Verkenning (MEV) uit september 2024 de meest recente armoederaming.
Het CPB verwachtte toen dat kinderarmoede gedurende deze kabinetsperiode gelijk zou
blijven, en in 2028 zou uitkomen op het niveau van 2024 (namelijk 4,7 procent). Daarna
hebben SCP, Nibud en CBS in oktober 2024 een nieuwe methode om armoede te meten gepubliceerd.
Deze nieuwe methode is ook gehanteerd bij de meest recente CPB-raming, het Centraal
Economisch Plan (CEP), uit februari 2025. Figuur 1 toont een vergelijking van de verwachte
ontwikkeling van kinderarmoede volgens de raming uit september 2024 (MEV) en de raming
uit februari 2025 (CEP).
Onderstaande figuur laat zien dat de (kinder)armoede volgens de februariraming in
alle ramingsjaren ongeveer 1,5 à 2 procentpunt lager uitvalt dan in de septemberraming.
Dat hangt grotendeels samen met de overgang naar de nieuwe armoededefinitie. Het meenemen
van bezittingen en werkelijke uitgaven zorgt ervoor dat de raming van het aandeel
personen (en kinderen) in armoede lager uitvalt.18 Daarnaast valt op dat het aandeel kinderen in armoede in de periode 2024–2028 onder
de nieuwe definitie daalt, van 3,4 procent in 2024 naar 2,7 procent in 2028, terwijl
het aandeel kinderen in armoede onder de oude definitie gelijk bleef. Vermoedelijk
speelt hierbij mee dat overheidsbeleid gericht op het verminderen van armoede (zoals
de verhoging van de huurtoeslag in 2026 en de stapsgewijze verhoging van de kindbedragen
van het kindgebonden budget in de komende jaren) onder de nieuwe definitie meer effect
hebben dan onder de oude definitie.
Figuur 1: Verwachte ontwikkeling kinderarmoede (september 2024 versus februari 2025)
In het licht van de meest recente armoederaming voldoet het kabinet aan het doel van
de motie, namelijk kinderarmoede verder verlagen ten opzichte van het niveau in 2024.
Desalniettemin blijft inzet op armoedebeleid van belang. Er zijn nog steeds mensen
die onder de armoedegrens leven. Bovendien wordt in de armoedecijfers niet volledig
rekening gehouden met alle onvermijdelijke kosten waar mensen soms mee te maken hebben.
Denk daarbij aan situaties met hoge zorgkosten of situaties met schulden. Ook zijn
er groepen mensen die buiten de cijfers vallen, maar die wel in armoede kunnen leven,
zoals mensen in instellingen, dak- en thuislozen en studenten. Deze kanttekeningen
onderstrepen dat we ons niet blind moeten staren op armoedecijfers en dat het van
belang blijft om in te blijven zetten op armoedebeleid.
Doorrekening mogelijke beleidsopties om kinderarmoedcijfers verder te verlagen
Hieronder volgt nog een overzicht van een aantal mogelijke maatregen die genomen zouden
kunnen worden om (kinder)armoede verder te verlagen, en het effect van deze maatregelen
op de kinderarmoedecijfers. Voor de selectie van maatregelen is aangesloten bij een
doorrekening die het CPB in 2023 maakte op verzoek van de Commissie sociaal minimum.19 Destijds berekende het CPB voor zeven verschillende maatregelen het effect op de
armoedecijfers. Voor deze brief is een update gemaakt voor de drie meest efficiënte
maatregelen, namelijk verhogingen van het kindgebonden budget, de kinderbijslag en
de huurtoeslag. Bij elke maatregel is de aanname steeds dat het een intensivering
betreft van circa 1 miljard euro. De uitkomsten hiervan zijn opgenomen in tabel 1.
Tabel 1 laat zien dat verhogingen van het kindgebonden budget, de kinderbijslag of
de huurtoeslag kunnen bijdragen aan het verlagen van kinderarmoede. Een intensivering
van 1 miljard euro leidt tot een verdere verlaging van kinderarmoede van 0,1 à 0,2 procentpunt
in 2028 ten opzichte van het scenario waarin geen extra maatregelen worden genomen
(CPB-raming, CEP). Hierbij is geen rekening gehouden met de manier waarop deze maatregelen
gedekt worden.
Want als deze maatregelen uitgevoerd zouden worden, dan moeten deze maatregelen gedekt
worden. Dat kan (afhankelijk van de vormgeving) ook weer een effect hebben op de armoedecijfers,
of ten koste gaan van andere beleidsdoelen. Deze brief gaat verder ook niet uitgebreid
in op andere nadelen die gepaard kunnen gaan met het verhogen van toeslagen, zoals
een toename van het aantal terugvorderingen, hogere terugvorderingen, een hogere marginale
druk, meer ongerichtheid, grotere afhankelijkheid van toeslagen of (specifiek voor
de huurtoeslag) het verstorende effect op de werking van de woningmarkt. Met deze
analyse beschouwt het kabinet de motie als uitgevoerd.
Tabel 1: Mogelijke maatregelen om kinderarmoede te verlagen
Maatregel (steeds 1 miljard euro)
Kinderarmoede 2028 (CPB-raming, CEP)
Kinderarmoede 2028 na maatregel
Effect maatregel
Verhoging kindgebonden budget
2,7%
2,5%
-0,2%-punt
Verhoging kinderbijslag
2,7%
2,6%
-0,2%-punt1
Verhoging huurtoeslag
2,7%
2,6%
-0,1%-punt
X Noot
1
Het effect van de kinderbijslag is iets meer dan 0,15 procentpunt, wat in deze tabel
is afgerond naar 0,2 procentpunt.
Reflectie op de uitkomsten van de doorrekening
Een vergelijking van de maatregelen in tabel 1 met de eerdergenoemde CPB-doorrekening
uit 2023 leert dat de effecten aanzienlijk kleiner zijn dan toen. In 2023 zou een
intensivering van 1 miljard euro in het kindgebonden budget de kinderarmoede hebben
doen dalen met ongeveer 1 procentpunt, terwijl dat effect nu nog ongeveer 0,2 procentpunt
is.20 Dit komt doordat de samenstelling van de groep huishoudens in armoede verandert met
de daling van armoede. Hiervoor zijn twee achterliggende verklaringen te geven, die
beide samenhangen met de onderwerpen van de CPB-publicaties die de aanleiding vormden
voor deze brief. De eerste verklaring is niet-gebruik. Uit analyse blijkt bijvoorbeeld
dat in de meest recente armoederaming is aangenomen dat meer dan een kwart van de
kinderen die volgens de raming in 2028 in armoede leven, woont in huishoudens die
geen kindgebonden budget ontvangen, terwijl zij daar op basis van hun inkomen wel
recht op hebben. Voor de omschreven huishoudens heeft een verdere verhoging van het
kindgebonden budget geen enkel effect. De tweede verklaring hangt samen met de toegenomen
armoede-intensiteit. Een deel van de kinderen dat op dit moment in armoede woont,
woont in huishoudens met een zeer laag inkomen (ofwel een hoge armoede-intensiteit).
Dat kan bijvoorbeeld komen doordat ouders weinig uren werken, en/of doordat ouders
(al dan niet bewust) geen gebruik maken van de mogelijkheid om (aanvullende) bijstand
aan te vragen. Voor deze huishoudens hebben verhogingen van inkomensregelingen wel
effect, maar onvoldoende om hen uit armoede te helpen. Deze bevindingen onderstrepen
dat het belangrijk is om in te blijven zetten op het terugdringen van niet-gebruik
en het ondersteunen van mensen in de mogelijkheden om zelf hun inkomen te verhogen,
bijvoorbeeld door het vinden van een baan of door meer uren te gaan werken.
Slot
De rapporten van TNO en CPB bieden belangrijke aanknopingspunten om het armoedebeleid
verder te verbeteren. Naast de doelstelling om de (kinder-)armoedecijfers niet uit
te laten komen boven het referentiejaar 2024 blijft het kabinet zich inzetten voor
het verminderen van armoede en energiearmoede door gerichte maatregelen en samenwerking
met maatschappelijke partners. Kinderen die opgroeien in armoede krijgen niet alleen
te maken met financiële tekorten, maar staan op tal van momenten in het leven op achterstand.
Het kabinet onderzoekt daarom momenteel onder meer een interdepartementale en interbestuurlijke
aanpak van kwetsbare gezinnen met kinderen in de leeftijd 0–27 jaar. Ook wordt er
momenteel met de VNG en Divosa overlegd over op welke wijze het (kinder)armoebeleid
kan worden vereenvoudigd en verbeterd. In het Nationaal programma Armoede en Schulden
informeren we u verder over onder meer de invulling van deze aanpakken. Wij gaan hierover
graag in gesprek met uw Kamer.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Y.J. van Hijum
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.N.J. Nobel
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Y.J. van Hijum, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
J.N.J. Nobel, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid