Brief regering : Uitvoering van de motie van het lid Stoffer c.s. over het heroverwegen van beleidsmatige prikkels die reparatie en hergebruik van elektrische en elektronische apparatuur ontmoedigen (Kamerstuk 36600-XII-48)
36 600 XII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (XII) voor het jaar 2025
Nr. 78
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 december 2024
Met deze brief wordt de Kamer geïnformeerd over de uitvoering van de motie van het
lid Stoffer c.s.1 over reparatie en hergebruik van elektrische en elektronische apparatuur. De motie
verzoekt de regering beleidsmatige prikkels die reparatie en hergebruik van afgedankte
elektrische en elektronische apparatuur ontmoedigen te heroverwegen en ervoor te zorgen
dat retailers en installateurs meer ruimte krijgen voor reparatie en hergebruik. Verzocht
wordt om de Kamer voor het eind van het jaar te informeren over het plan van aanpak
hiervoor.
Hieronder wordt ingegaan op de respectievelijke onderdelen van de motie.
Het beleidsmatige kader
In de overwegingen van de motie wordt verwezen naar de afvalstoffenregelgeving, naar
de aangekondigde afgifteplicht voor afgedankte elektrische en elektronische apparatuur
(hierna: AEEA) en naar de 65% doelstelling voor inzameling en verwerking van AEEA.
Deze kaders zouden beleidsmatige prikkels afgeven die reparatie en hergebruik ontmoedigen
en laagwaardige verwerking aanmoedigen.
Reparatie, hergebruik en hoogwaardige recycling moeten juist worden gestimuleerd en
ontwikkeld zoals dat is beschreven in het Nationaal Programma Circulaire Economie
(NPCE). Het spreekt vanzelf dat beleidsmatige prikkels daarop moeten worden afgestemd.
Zoals de motie vraagt, is de afvalketen van AEEA nader bezien op de mogelijkheid om
meer ruimte te creëren voor reparatie en hergebruik van AEEA. Hieronder een samenvatting
van de bevindingen die in bijlage 1 in meer detail zijn toegelicht en onderbouwd.
Het eerste aandachtspunt betreft de zogenoemde 65% inzameldoelstelling voor AEEA die
is gerelateerd aan de gemiddelde hoeveelheid producten die op de markt is gebracht
over een periode van drie jaar. Kortweg is het probleem hierbij dat geen rekening
wordt gehouden met producten die een lange levensduur hebben. Ook is het geen stimulans
voor levensduurverlenging (of voortgezet gebruik) van producten door reparatie en
hergebruik van AEEA. De wetgeving voor AEEA geeft de mogelijkheid om ook te toetsen
aan een andere doelstelling, namelijk 85% inzameling van de in een jaar geproduceerde
hoeveelheid AEEA. Omdat deze benadering geen nadelig effect heeft op reparatie en
hergebruik van AEEA zal ik in het vervolg uitsluitend toetsen aan de 85% inzameldoelstelling.
De focus van de motie ligt op de fase waarin producten zijn afgedankt en daarmee de
status afval hebben. Het wettelijk kader voor reparatie en hergebruik van afgedankte
producten is anders dan het kader voor producten die nog in gebruik zijn (en dus geen
afval zijn). Het is dus van belang om te weten of een apparaat dat kan worden gerepareerd,
de afvalstatus heeft of niet. Om de uitvoeringspraktijk te begeleiden in het vaststellen
van deze status begin volgend jaar een specifieke handreiking voor de productgroep
elektrische en elektronische apparaten worden gepubliceerd.
De zogeheten afgifteplicht voor AEEA heeft als primair doel om afgedankte producten via het juiste inzamelpunt uiteindelijk bij een gecertificeerde verwerker
terecht te laten komen. Producenten en importeurs van elektrische en elektronische
apparatuur zijn voorstander van een dergelijke afgifteplicht. Het beoogde effect van
de afgifteplicht is het voorkomen van afvalstromen die onjuist worden verwerkt met
een verhoogde kans op milieurisico’s. De afgifteplicht zal nu zodanig scherp worden
afgebakend dat alle ruimte blijft bestaan voor reparatie en hergebruik. Het ontwerpbesluit
afgifteplicht zal de Kamer op korte termijn ontvangen in de voorhang.
Tenslotte zullen de eisen die van toepassing zijn op reparatie en hergebruik van AEEA
(de wettelijke term is «voorbereiding voor hergebruik») worden versoepeld voor kleinere
reparatiebedrijven. Dit gebeurt door voor deze bedrijven de verplichte certificering
te vervangen door een set eenvoudigere voorschriften. Een voorstel daartoe zal in
het voorjaar van 2025 naar de Kamer worden gestuurd. Daarnaast zal met de producentenorganisatie
Stichting OPEN2 worden gesproken over de stimulering en opschaling van voorbereiding voor hergebruik
in Nederland.
Samenvattend over het beleidsmatige kader
De onderdelen in het beleidsmatige kader die hierboven zijn toegelicht, geven richting
aan de logistiek in de keten van AEEA. In die keten neemt het zo lang mogelijk gebruiken
van een apparaat een belangrijke plaats in, zowel vóór als ná het moment dat een apparaat
de afvalstatus krijgt. De inzet is erop gericht om daartoe de juiste condities te
creëren zoals de motie dat ook bedoelt. Tevens zal het ministerie zich inspannen om
de actoren in de uitvoering van de hergebruik-, reparatie- en afvalketen van AEEA
te informeren.
Het voornemen van de Europese Commissie om in 2026 de EU-Richtlijn AEEA te herzien,
biedt een kans om Europees breed de incentives voor reparatie en hergebruik te versterken.
De inzet van Nederland zal gericht zijn op ambities en doelen die meer rekening houden
met producten met een langere levensduur en meer ruimte geven voor reparatie en hergebruik.
De stimulering van reparatie en hergebruik in Nederland
Op 24 juni 2024 is de Kamer geïnformeerd over de inspanningen die al worden gedaan
om reparatie in algemene zin te stimuleren en welke aanvullende mogelijkheden er zijn
om het aantal reparaties te vergroten3. Er wordt concrete voortgang gemaakt, in het bijzonder kunnen daarbij genoemd worden:
− de verdere ontwikkeling van het Reparateursregister van Techniek Nederland naar een
nieuwe, volledigere versie van het register dat begin 2025 online zal komen,
− de oprichting van de Lang Leve Elektronica Coalitie waarin 23 partijen samenwerken
voor meer reparatie, hergebruik en refurbishment van elektrische en elektronische
apparaten, en
− de openstelling van de Regeling specifieke uitkering circulaire ambachtscentra zodat
partijen reparatie en hergebruik optimaal kunnen organiseren binnen het concept van
een circulair ambachtscentrum.
In bijlage 2 bij deze brief wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang van de diverse
lopende activiteiten gericht op de stimulering van reparatie zoals opgenomen in de
brief van 24 juni.
Tot slot
In het NPCE is het voortgezet gebruik van producten via reparatie en hergebruik een
belangrijk thema. Reparatie en hergebruik zijn handelingsperspectieven die iedereen
wel begrijpt en kan toepassen, maar helaas gebeurt dat niet altijd. Juist daarom is
het belangrijk dat beleidsmatige prikkels positief uitwerken en dat reparatie en hergebruik
worden gestimuleerd en verder opgeschaald waar dat mogelijk is. Met de voorgenomen
acties op de afvalketen van AEEA en de vele activiteiten rond reparatie en hergebruik
wordt invulling gegeven aan de motie Stoffer. De inzet blijft gericht op het creëren
van stimulerende condities voor de verdere ontwikkeling van reparatie en hergebruik
in Nederland.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
Ch.A. Jansen
BIJLAGE 1 TOELICHTING OP ENKELE ELEMENTEN IN DE AFVALKETEN VAN AEEA
Reparatie- of andere handelingen met AEEA zijn volgens de EU Richtlijn AEEA4 zogeheten verwerkingshandelingen waarvoor specifieke eisen gelden die in Nederland
zijn geïmplementeerd in de Regeling AEEA5. Omwille van de overzichtelijkheid wordt hieronder het beleidsmatige kader voor AEEA
toegelicht aan de hand van vier samenhangende onderwerpen die onderdeel uitmaken van
de afvalketen van AEEA:
a. De 65% doelstelling voor inzameling van AEEA.
b. Onderscheid in de status afvalstof en niet-afvalstof.
c. Doel en afbakening van de afgifteplicht AEEA.
d. Uitvoering van reparatie en hergebruik van AEEA.
Hieronder per onderdeel een nadere toelichting.
a. De 65% doelstelling voor inzameling van AEEA
Het 65% inzameldoel is gebaseerd op de driejaarlijks gemiddelde hoeveelheid op de
markt gebrachte elektrische en elektronische producten, de zogeheten Put on Market
(PoM). Deze wijze van doelformulering leidt tot een complicatie naarmate meer met
name nieuwe producten met een lange levensduur op de markt worden gebracht, zoals
zonnepanelen en warmtepompen. Bij een stijgende PoM moet namelijk ook het aandeel
AEEA stijgen, hetgeen zou kunnen gebeuren door meer apparaten af te danken en eerder
dan nodig is op basis van hun levensduur. In de context van het beleid gericht op
een circulaire economie is dit te kwalificeren als een perverse prikkel. In een circulaire
economie worden producten immers zolang mogelijk gebruikt en aldus zo laat mogelijk
afgedankt. Om die reden zal in het vervolg de inzameling van AEEA niet meer worden
getoetst aan de 65% doelstelling, maar aan een andere doelstelling die deze ongelukkige
prikkel tot afvalproductie niet kent.
De EU-Richtlijn AEEA maakt de toetsing aan een andere doelstelling namelijk al mogelijk.
In dat geval wordt een inzamelpercentage van 85% gehanteerd van de hoeveelheid EEA
die in Nederland jaarlijks wordt afgedankt en afval (AEEA) wordt. Deze 85% doelstelling
is dus niet gekoppeld aan de PoM en heeft geen last van fluctuaties in de markt van
producten met een lange levensduur. De beleidsmatige prikkel die uitgaat van deze
doelstelling is juist dat het in beginsel een incentive biedt voor het nastreven van
een lagere afvalproductie in lijn met het oogmerk van een circulaire economie. Het
andere verschil met de 65% doelstelling is dat de toetsing aan de 85% doelstelling
een specifieke berekening vergt conform de EU uitvoeringsverordening inzake de berekening
van de hoeveelheid gegenereerde AEEA in gewicht in een lidstaat6. Deze berekening vraagt meer parameters dan bij de 65% doelstelling het geval is,
hetgeen ook de hoofdoorzaak is dat in vrijwel alle lidstaten de 65% benadering tot
nu toe prevaleert. Overigens wordt door het Nationaal (W)EEE register (NWR) al enkele
jaren in Nederland gerapporteerd over de inzamelprestatie gerelateerd aan de 85% doelstelling
in de jaarlijkse NWR rapportages over inzameling en verwerking van AEEA7.
Met het oog op de voorgenomen herziening van de EU-Richtlijn AEEA in 2026, zal Nederland
bij de Europese Commissie aandringen op een eenduidige formulering van het inzameldoel
dat uitsluitend is gebaseerd op de beschikbare hoeveelheid AEEA voor inzameling.
b. Onderscheid in de status afvalstof en niet-afvalstof
Afvalwetgeving wordt van toepassing zodra een product als een afvalstof wordt aangemerkt
omdat deze door de eigenaar is afgedankt om wat voor reden dan ook. Op het moment
dat een elektrisch of elektronisch product wordt afgedankt, wordt het AEEA en zijn
vervolgens toegesneden verwerkingseisen voor alle handelingen met AEEA van toepassing,
inclusief reparatie en hergebruik van AEEA. Verwerking die is gericht op reparatie
en hergebruik van AEEA, zodanig dat een afgedankt product weer als werkend product
in de handel wordt gebracht, wordt in de wetgeving afgebakend met de term «voorbereiding
voor hergebruik»8.
In verband met het verschil in het wettelijk regime tussen reparatie van apparaten
die al een afvalstatus hebben bereikt en reparatie van apparaten die niet als afval
worden aangemerkt, is het van belang duidelijkheid te hebben over de wijze waarop
het onderscheid tussen de status afval respectievelijk niet-afval kan worden toegepast.
In de context van een circulaire economie is het daarnaast van belang dat producten
zo lang mogelijk als product worden gebruikt door te voorkomen dat deze onnodig snel
in het afvalcircuit terechtkomen. Daarom wordt momenteel gewerkt aan een «Handreiking afvalstof of niet-afvalstof – Hergebruik en voorbereiding voor hergebruik
van (afgedankte) elektrische en elektronische apparatuur». Kortweg komen daarin de volgende elementen aan de orde:
− De handreiking geeft uitleg over de wijze waarop beoordeeld kan worden of sprake is
van een afvalstof of een niet-afvalstof bij elektrische en elektronische apparatuur
(hierna: EEA). Hierbij wordt allereerst ingegaan op hergebruik van EEA via de route
van voortgezet gebruik waarin de apparatuur (nog) geen afvalstof is. Vervolgens wordt
ingegaan op voorbereiding voor hergebruik van AEEA waarbij apparatuur in eerste instantie
een afvalstof is en de vraag speelt of deze afvalstatus kan vervallen of niet.
− Voorts biedt de handreiking inzicht in de mogelijkheden om elektronica te hergebruiken
door het geven van algemene richtsnoeren en jurisprudentie voor bedrijven en overheden
om hen te helpen bij het eenduidig toepassen van onder andere de begrippen «afvalstof»,
«voortgezet gebruik», en «einde-afvalstatus».
De handreiking is voorbereid in samenspraak met diverse stakeholders en verkeert in
een afrondend stadium. Het streven is de handreiking begin 2025 te publiceren.
c. Doel en afbakening van de afgifteplicht AEEA
Op verzoek van producenten en importeurs van EEA wordt momenteel gewerkt aan een verduidelijking
van de bestaande wettelijke verplichting tot gescheiden inzamelen van AEEA. De bestaande
kaders van de Richtlijn AEEA en de Regeling AEEA worden als onvoldoende toegesneden
aangemerkt om het afgeven van AEEA bij de daartoe bestemde inzamelpunten te garanderen.
Het niet correct afgeven van AEEA leidt tot lekstromen en verhoogt het risico op milieu-
en gezondheid-schade door onjuiste verwerking in de afvalketen. AEEA die terecht komt
in andere afvalstromen zoals restafval, sloopafval of oud ijzer wordt niet verwerkt
volgens de regels die deze schade voorkomt. Met het introduceren van een afgifteplicht
voor specifieke categorieën van bedrijven wordt aan deze problematiek tegemoetgekomen.
De afgifteplicht AEEA zal van toepassing worden voor kringloopbedrijven en bedrijven
voor reparatie van gebruikte producten, metaalrecyclingbedrijven waaronder schroothandelaren,
milieustraten, bouwbedrijven, installatiebedrijven, grondbouwbedrijven, wegbouwbedrijven,
waterbouwbedrijven, schildersbedrijven, datacentra, laboratoria en ziekenhuizen, voor
zover deze bedrijven onder het Besluit activiteiten leefomgeving vallen. Het afgeven
van AEEA kan plaatsvinden via een drietal opties: ofwel direct afgeven aan een gecertificeerde
verwerker, ofwel afleveren bij een officieel inzamelpunt in het UPV systeem voor AEEA9, ofwel afgeven aan een vergunde inzamelaar.
Het oogmerk van de afgifteplicht is dat AEEA uiteindelijk passend wordt verwerkt en
niet weglekt uit de verwerkingsketen. De afgifteplicht heeft alleen betrekking op
apparaten die de afvalstatus hebben bereikt en geldt niet voor apparaten die (nog)
geen afval zijn. Om deze reden geldt de afgifteplicht niet voor apparaten die door
de eigenaar van het apparaat zelf worden gerepareerd, of ter reparatie worden aangeboden
bij een reparatiebedrijf of als tweedehands product worden verkocht of overgedaan
aan een ander bedrijf, particulier of een refurbisher. De afgifteplicht gaat pas in
zodra de eigenaar van een apparaat besluit zich daarvan te ontdoen (afvalstatus) nadat
de eigenaar heeft bepaald dat hergebruik, reparatie of refurbishment niet mogelijk
of wenselijk is. Deze afweging wordt volledig zelf door de eigenaar van een apparaat
gemaakt. De afgifteplicht staat daarmee hergebruik en reparatie van producten die
nog geen afval zijn dus niet in de weg.
Inmiddels is een ontwerpbesluit afgifteplicht AEEA in een gevorderd stadium: een internetconsultatie
heeft plaatsgehad10 en alle voorgeschreven toetsen zijn uitgevoerd11. Het ontwerpbesluit zal op korte termijn aan de Raad van State worden gestuurd voor
advies, alsmede aan de Kamer in de voorhang.
d. Uitvoering van reparatie en hergebruik van AEEA
Voordat ingezamelde AEEA wordt afgevoerd voor recycling bij een gecertificeerde verwerker,
moet volgens de Regeling AEEA een tussenstap worden uitgevoerd om maximale voorbereiding
voor hergebruik van AEEA te realiseren. In artikel 9 van de regeling is bepaald dat
een inzamelsysteem erin moet voorzien dat AEEA die moet worden voorbereid voor hergebruik
wordt gescheiden van andere ingezamelde AEEA. Deze scheiding kan worden uitgevoerd
op diverse momenten in de inzamelketen, bijvoorbeeld al op de milieustraat bij aflevering
van AEEA door particulieren of in een sorteercentrum waar AEEA wordt gesorteerd voor
verdere verwerking waaronder recycling. Stichting OPEN is als uitvoeringsorganisatie
van de producenten en importeurs van EEA verantwoordelijk voor de uitvoering van deze
scheiding en kan in een proactieve rol bijdragen aan de vormgeving van reparatie en
hergebruik van AEEA als vervolgstap. Stichting OPEN pakt die rol ook, getuige de diverse
acties die de afgelopen periode zijn gestart12 al dan niet als pilotprojecten. De vraag is in hoeverre voorbereiding voor hergebruik
van AEEA in Nederland kan worden opgeschaald naar een structurele voorziening binnen
het inzamelsysteem. Dit vraagstuk zal dan ook worden besproken met Stichting OPEN
in het eerstvolgende bestuurlijk overleg met de stichting.
Op de uitvoering van voorbereiding voor hergebruik van AEEA zijn specifieke wettelijke
eisen van toepassing13. Uitsluitend gecertificeerde bedrijven mogen afgedankte producten herstellen of refurbishen
zodanig dat het afgedankte product weer als een werkend product in de handel kan worden
gebracht. Handelingen aan AEEA, waaronder de handeling voorbereiding voor hergebruik,
zijn niet zonder gevaar voor mens en milieu en moeten zorgvuldig en volgens een uniform
protocol worden uitgevoerd. Gedacht kan worden aan gevaar voor elektrische schok,
brand- en explosiegevaar of gevaar door chemische of thermische reactie. Om die reden
is op de handeling «voorbereiding voor hergebruik» de internationale standaard NEN-EN
50614 van toepassing verklaard als basis voor de certificering van bedrijven die deze
handeling uitvoeren. Inmiddels hebben in Nederland circa 62 bedrijven een certificaat
op basis van de standaard NEN-EN 50614 verkregen. Dit zijn veelal ook bedrijven die
als professionele kerntaak AEEA inzamelen, sorteren en verwerken. Hoewel Stichting
OPEN bedrijven ondersteunt met advies en een tegemoetkoming tot € 5.000, blijkt dat
het behalen van een certificaat voor de kleinere reparatiebedrijven een te grote inspanning
vergt. Om die reden zal voor de categorie kringloopbedrijf en bedrijf voor reparatie
van gebruikte producten14 zoals afgebakend in het Besluit activiteiten leefomgeving een wijziging van de Regeling
AEEA worden voorbereid die voor deze categorie de certificeringsplicht zal vervangen
door een eenvoudiger set voorschriften. De verwachting is dat in het voorjaar 2025
een ontwerpregeling voor zienswijze kan worden gepubliceerd.
BIJLAGE 2 OVERZICHT VOORTGANG ACTIVITEITEN EN ONTWIKKELINGEN ROND REPARATIE
In de Kamerbrief van 24 juni 2024 is de Kamer een overzicht gegeven van de diverse
activiteiten op reparatie en hergebruik en de mogelijkheden om tot verdere stimulering
daarvan te komen. In deze bijlage wordt de verdere voortgang op enkele onderdelen
gemeld.
In de Kamerbrief «Reparatie in de circulaire economie»15 werden drie sporen besproken waarlangs moet worden gewerkt om reparatie de norm te
maken: beter productontwerp, versterking van de reparatie-infrastructuur en vakmanschap,
consumenten stimuleren om producten te (laten) repareren.
Hieronder wordt ingegaan op de ontwikkelingen in deze verschillende sporen.
1. Beter productontwerp
De inzet in Europa op beter productontwerp wordt gecontinueerd. Reparatie zal een
belangrijk onderdeel zijn van de Nederlandse inbreng op voorgestelde Europese productspecifieke
Ecodesign-eisen. Het is daarbij van belang dat het Europese Ecodesign werkplan, dat
verwacht wordt in april 2025, ook een aantal productgroepen uit de categorie elektrische
en elektronische apparaten bevat. Nederland zal hiervoor pleiten bij de Europese Commissie.
Ook zal Nederland er bij de Commissie voor ijveren dat er een voorstel komt voor een
horizontale repareerbaarheidseis, zodat voor meerdere productgroepen kan worden verplicht
dat zij aan minimale repareerbaarheidsvereisten voldoen.
2. Versterking van de reparatie-infrastructuur en vakmanschap
Reparateursregister
In samenwerking met Techniek Nederland is in 2023 al een eerste pilot van het reparateursregister
voor elektrische en elektronische apparaten gelanceerd. Dit wordt momenteel verder
uitgewerkt waarbij Stichting RepairCafé, TU Delft en diverse brancheorganisaties worden
betrokken. Naar verwachting zal begin 2025 een nieuwe, volledigere versie van het
register online komen.
Lang Leve Elektronica (LLE) Coalitie
In 2023 is de «Lang Leve Elektronica (LLE) Coalitie» opgericht in de context van de
prioritaire productgroep EEA in het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE).
De coalitie is een samenwerkingsverband van 23 partijen met als missie dat EEA in
2030:
a. langer meegaan via hergebruik, reparatie of refurbishment,
b. optimaal gebruikt worden door goed onderhoud en deelgebruik.
Om bovenstaande missie tot een goed resultaat te brengen is een plan van aanpak uitgewerkt
dat de onderstaande vijf icoonprojecten omvat die door de partijen zelf worden uitgevoerd:
− Tweedehands: inzameling via milieustraat voor reparatie en kringloop,
− Reparatie: uitwerken van een Klantreis voor Reparatie,
− Refurbish: verder verbreden en opschalen van het Keurmerk Refurbishment,
− Deelgebruik: stimuleren van gedeeld gebruik van apparaten,
− Onderhoud: Opzetten en delen van onderhoudskaarten.
Deze bundeling van energie en bereidheid om bij te dragen aan het voortgezet gebruik
van producten zoals bedoeld in het NPCE biedt kansen voor opschaling. De verdere ontwikkeling
en voortgang van de icoonprojecten zal nauwgezet worden gevolgd en waar mogelijk worden
ondersteund.
Circulaire ambachtscentra
Op 1 november 2024 is de Regeling Specifieke uitkering circulaire ambachtscentra wederom
opengesteld voor het aanvragen van een subsidie. Initiatiefnemers kunnen tot 30 november
een aanvraag indienen16. Het NPCE streeft naar de realisering van een landelijk dekkend netwerk van circulaire
ambachtscentra in 2030. Een circulair ambachtscentrum is een locatie of netwerk waarbij
verschillende partijen samenwerken om afvalstromen te verminderen en hoogwaardig product-
en materiaalhergebruik te faciliteren. Hierbij worden minimaal de functies van een
milieustraat, kringloopwinkel, reparatiewerkplaats, onderwijs en het sociaal domein
gecombineerd. Circulaire ambachtscentra kunnen een belangrijke rol vervullen in het
stimuleren van reparatie door bijvoorbeeld bezoekers aan milieustraten en kringloopwinkels
te wijzen op de mogelijkheid hun producten te (laten) repareren in plaats van af te
danken. De centra leveren ook nieuwe banen op, ook voor mensen met een afstand tot
de arbeidsmarkt.
Uitvoeringsplan Duurzaamheid in het Onderwijs
Een van de elementen uit het Uitvoeringsplan Duurzaamheid in het Onderwijs is het
kwartiermakerstraject Duurzaamheid in het Onderwijs. Dit traject heeft als doel om
onderwijsinstellingen vraaggestuurd te ondersteunen bij het verankeren van duurzaamheid
in het onderwijs. Hiervoor wordt een werkplan voor 2025–2030 ontwikkeld met aspecten
als het aanstellen van een duurzaamheidscoördinator of het professionaliseren van
lokale ondersteuners. Zo kunnen scholen die dat willen duurzaamheid meer aandacht
geven in hun onderwijspraktijk. Scholen kunnen reparatie in het kader van dit traject
aandacht geven.
Subsidieregeling voor om- en bijscholing van werkenden naar de Circulaire Economie
Er wordt momenteel ook gewerkt aan een subsidieregeling voor om- en bijscholing gerelateerd
aan de circulaire economie. Scholing gericht op reparatievaardigheden zou hieronder
vallen. Er wordt verkend of dit thema kan worden opgenomen in de Actieagenda Leven
Lang Ontwikkelen, dat zich richt op de omscholing van werkenden. De regeling en agenda
zijn naar verwachting in 2025 gereed.
Subsidieregeling circulair implementeren en opschalen
Op 30 januari 2025 wordt de nieuwe subsidieregeling circulair implementeren en opschalen
opengesteld. Met deze subsidie kunnen bedrijven nieuwe innoverende circulaire projecten
implementeren of succesvolle circulaire projecten opschalen. Op deze manier worden
bedrijven gestimuleerd voor circulaire in plaats van lineaire activiteiten te kiezen
en worden circulaire koplopers beloond door deze succesvolle ondernemers te helpen
met het opschalen van hun bedrijf. De subsidie kan worden ingezet voor reparatie,
opknappen, hergebruik, voorbereiding voor hergebruik, herproductie en/of het faciliteren
van hoogwaardige recycling. Ook elektrische en elektronische apparatuur komt hiervoor
in aanmerking.
3. Consumenten stimuleren om hun producten te (laten) repareren
Invoeren recht op reparatie buiten de garantietermijn
In de Kamerbrief «Reparatie in de circulaire economie»17, werd aangekondigd dat de mogelijkheid van het invoeren van een recht op reparatie
buiten de garantietermijn door het kabinet zou worden verkend. Dit zou een aanvulling
betekenen op de bepalingen onder de EU-Richtlijn Gemeenschappelijke regels voor het
bevorderen van reparatie18, die reparatie buiten de garantietermijn al verplichten voor producten waarvoor reparatievereisten
gelden. Het eerder uitgevoerde juridisch onderzoek naar nationale maatregelen voor
het recht op reparatie19 wees uit dat het juridisch mogelijk is om een algemeen recht op reparatie buiten
de garantietermijn in te voeren, mits dit geen belemmeringen veroorzaakt voor de goede
werking van de interne markt.
In de verkenning uitgevoerd door de Ministeries van IenW en van EZ, is gekeken naar
de verwachte effecten van het invoeren van een algemeen recht op reparatie buiten
de garantietermijn. Deze maatregel zou tot gevolg kunnen hebben dat producten vaker
worden gerepareerd en daardoor langer meegaan. Dit leidt tot minder afval en past
goed bij de circulaire economie. Het is echter onduidelijk in welke gevallen een brede
reparatieverplichting voor fabrikanten ook daadwerkelijk tot meer reparaties leidt,
aangezien de reparatieverplichting dan ook zou gelden voor productgroepen die niet
aan repareerbaarheidsvereisten voldoen en – ondanks een reparatieverplichting – technisch
wellicht niet kunnen worden gerepareerd. Ook geldt voor verouderde producten, die
bijvoorbeeld weinig energie-efficiënt zijn, dat het milieuvriendelijker kan zijn om
een nieuw, zuiniger product aan te schaffen.
Daarnaast speelt de bereidheid van de consument om een product te laten repareren
een grote rol. Hoge kosten voor reparatie en beperkte mogelijkheden om via de fabrikant
te laten repareren, kunnen een consument ondanks de brede reparatieverplichting ontmoedigen
om een product te laten repareren.
Voor het bedrijfsleven zou een dergelijke brede reparatieverplichting in Nederland
als oneerlijk kunnen worden beschouwd. Fabrikanten gevestigd in Nederland krijgen
immers te maken met hogere administratieve en financiële lasten dan fabrikanten die
actief zijn in lidstaten waar de verplichting niet geldt. De meeste lidstaten waarmee
eerder is gesproken over maatregelen omtrent reparatie20 gaven aan dat zij niet toewerken naar het nemen van aanvullende, nationale maatregelen.
Daarnaast is het effect van een reparatieverplichting op het productontwerp onduidelijk.
Daarvoor is het stellen van repareerbaarheidsvereisten aan producten onder de EU Ecodesign-verordening
naar verwachting effectiever. Europese Ecodesign-eisen dragen bovendien bij aan een
gelijk speelveld.
Het zou daarnaast moeilijk zijn om een brede reparatieverplichting te handhaven. Een
toezichthouder kan lastig doorgronden of een fabrikant terecht aangeeft dat een product
technisch niet kan worden gerepareerd. Bovendien moeten handhavers door de consument
worden gewezen op situaties waarin de fabrikant niet repareert. Het lijkt daardoor
onwaarschijnlijk dat de maatregel in de praktijk het gewenste effect zal sorteren.
Om bovengenoemde redenen zal de invoering van een algemeen geldend recht op reparatie
buiten de garantietermijn niet verder worden verkend. De komende tijd zal de focus
liggen op de uitwerking van de Europese Ecodesign-eisen voor productgroepen. In dat
proces zal waar passend worden ingezet op een repareerbaarheidseis en een reparatie-index.
Reparatiebonus
Momenteel doet KPMG in opdracht van het Ministerie van IenW onderzoek naar financiële
prikkels voor de circulaire economie. In dat onderzoek verkennen de onderzoekers onder
andere de reparatiebonus. Het onderzoek besteedt aandacht aan de mogelijke (economische)
effecten van de maatregel, verwachte milieueffecten, de uitvoerbaarheid van de maatregel
en de samenhang met gerelateerde maatregelen die reparatie stimuleren. Naar verwachting
kan het onderzoek in de eerste helft van 2025 met de Kamer worden gedeeld. Op basis
van de uitkomsten van dit onderzoek zal worden gekeken naar vervolgstappen.
Onderzoek Sufficiency naar reparatiegedrag van bedrijven
Het onderzoeksbureau Sufficiency doet momenteel in opdracht van het Ministerie van
IenW onderzoek naar het reparatiegedrag van bedrijven. Dit onderzoek wordt uitgevoerd
in het kader van het programma Circulair Doen. De onderzoekers gaan in op de barrières
die bedrijven ervaren wanneer zij een reparatiedienst (willen) aanbieden. Ook wordt
er onderzocht hoe consumenten reageren op de aangeboden reparatiediensten. Naar verwachting
kunnen de onderzoeksresultaten in de eerste helft van 2025 met de Kamer worden gedeeld.
Communicatie vanuit Milieu Centraal
Stichting Milieu Centraal, waaraan het Ministerie van IenW subsidie verstrekt, communiceert
actief over het thema reparatie. Hiervoor gebruiken zij verschillende formats, zoals
Dierbare Dingen, ASMR, en Fix. In deze formats komt reparatie, opknappen en onderhoud
uitgebreid aan bod. Volgend jaar zal Milieu Centraal extra aandacht besteden aan het
thema kopen van refurbished ICT-apparatuur.
Reparatie-index
Voor het kabinet is het belangrijk dat consumenten inzicht hebben in het gemak waarmee
het product te repareren is, zodat zij dit in hun aankoopbesluit kunnen meenemen.
Om deze reden zal het kabinet er bij de Europese Commissie op aandringen dat de toekomstige
Europese productspecifieke Ecodesign-eisenwaar relevant een reparatie-index bevatten.
Momenteel doet Ökopol onderzoek naar een reparatie-index voor ovens. Dit onderzoek
wordt gezamenlijk gefinancierd door IenW en de Duitse en Belgische Milieuministeries.
De uitkomsten, die in de eerste helft van 2025 worden verwacht, kan de Europese Commissie
meenemen in de Ecodesign eisen voor ovens. De Commissie heeft de voorbereidende studie
in 2024 afgerond en zal in 2025 toewerken naar concept Ecodesign-eisen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A. Jansen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat