Brief regering : Stand van zaken omtrent de veiligheid op universiteiten en hogescholen n.a.v. de protesten over de situatie in Gaza
29 240 Veiligheid op school
31 288
Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid
Nr. 139
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 31 mei 2024
De vreselijke terroristische aanval van Hamas van 7 oktober en de desastreuze gevolgen
van de daaropvolgende oorlog tussen Israël en Hamas voor burgers in de Palestijnse
gebieden en in Israël hebben wereldwijd impact. Het grote leed in het Midden-Oosten,
waaronder de acute situatie in Gaza en in het bijzonder in Rafah, raakt ook de studenten,
docenten en medewerkers van onze onderwijsinstellingen in Nederland, en breed over
de wereld. De afgelopen weken hebben we in verschillende steden door het hele land
studentendemonstraties gezien, waarbij de universiteiten en hogescholen op de proef
gesteld zijn om de vele protesten in goede banen te leiden en tegelijk een veilige
leer- en werkomgeving te bieden.
Ik vind het goed dat studenten en docenten zich betrokken voelen bij wat er in de
wereld speelt, en dat mogen ze ook uiten. Maar laat absoluut helder zijn dat geweld,
vernieling en intimidaties, met name van antisemitische aard, totaal onacceptabel
zijn. Dat gaat ten koste van iedereen; ook van de studenten die willen studeren, debatteren
of vredig willen demonstreren, docenten die onderwijs willen geven en wetenschappers
die met hun onderzoek bezig zijn.
Het kabinet heeft, net als veel van de demonstrerende studenten, grote zorgen over
de situatie in Gaza, zoals onlangs aan uw Kamer gedeeld bij monde van de Minister
van Buitenlandse Zaken.1 Nederland en Israël hebben een historische en brede relatie. Het kabinet hecht aan
deze band, die Nederland ook in staat stelt kritische boodschappen richting Israël
uit te dragen. Nederland steunt het recht van zelfverdediging van Israël tegen de
dreiging die onverminderd vanuit onder andere Hamas uitgaat. Het kabinet laat er geen
onduidelijkheid over bestaan dat de manier waarop Israël zich verdedigt in lijn moet
zijn met het internationaal recht. Dat betekent onder andere dat aan de vereisten
van proportionaliteit en noodzakelijkheid moet worden voldaan. Zoals met uw Kamer
gedeeld, heeft het kabinet de Israëlische regering meermaals met klem opgeroepen geen
grootschalig offensief in Rafah uit te voeren. Nederland roept daarnaast op dat Israël
onmiddellijk opvolging geeft aan de voorlopige maatregelen die het Internationaal
Gerechtshof heeft opgelegd, waaronder die van 25 mei jl. Het kabinet ziet dat er sprake
is van ernstig menselijk lijden en een voortgaande verslechtering van de humanitaire
situatie. Het kabinet blijft Israël oproepen tot het openstellen en openhouden van
grensovergangen voor humanitaire toegang.
Sinds 7 oktober ben ik in intensief overleg getreden met bestuurders van universiteiten
en hogescholen, studenten, docenten, wetenschappers, vertegenwoordigers van de Joodse
en de moslimgemeenschap en belangenorganisaties over hoe het conflict in Israël en
de Palestijnse gebieden zijn weerslag heeft op het onderwijs en onderzoek in Nederland.
Vervolgens heb ik naar aanleiding van de toegenomen antisemitische incidenten en de
gewelddadige voorvallen die zich de afgelopen periode rond de protesten hebben voorgedaan
het overleg met de bestuurders van de onderwijsinstellingen geïntensiveerd. Met deze
brief informeer ik uw Kamer over deze overleggen en de afspraken die daarbij gemaakt
zijn.
In deze brief ga ik in op:
• dialoog, debat en demonstratie in de academische context;
• het veiligheidsbeleid op universiteiten en hogescholen;
• beoordeling van internationale samenwerkingsverbanden door universiteiten en hogescholen;
en
• handhaving en eventuele sancties richting demonstranten.
Dit doe ik mede naar aanleiding van verschillende verzoeken van uw Kamer. In deze
brief zal ik daarom tevens schetsen wat de rol is van een identificatieplicht en controle
van toegang op gebouwen in het veiligheidsbeleid van universiteiten en hogescholen,
en ingaan op afspraken die zij gemaakt hebben in de gezamenlijke «richtlijn protesten»
en de sanctiemogelijkheden om relschoppers aan te pakken. Dit naar aanleiding van
respectievelijk twee aangenomen moties van uw Kamer van de leden Van der Plas en Van
Zanten (BBB)2 en het lid Diederik van Dijk (SGP)3, het verzoek om een brief hierover van het lid Van der Plas (BBB) bij het ordedebat
van 25 april jl. en toezeggingen aan de leden Bikker (CU), Eerdmans (Ja21) en Van
der Hoeff (PVV) tijdens het antisemitismedebat op 25 april jl. en het commissiedebat
veiligheid op scholen op 15 mei jl.4
Dialoog, debat en demonstratie in academische context
Debat, dialoog en de vrijheid van meningsuiting zijn een groot goed en hebben bij
uitstek een plek op universiteiten en hogescholen. Het mag daarbij schuren, zoals
dat past in een academische omgeving waar men elkaar kritisch bevraagt. Daarbij hoort
ook het recht om te demonstreren. Maar ik wil benadrukken dat dit recht niet prevaleert
boven de rechten of de vrijheden van anderen. De veiligheid van iedereen binnen de
gemeenschap mag hierdoor niet in het geding komen. Ook kan er absoluut geen sprake
zijn van antisemitisme of het oproepen tot haat. Antisemitisme is strafbaar en indien
er sprake is van antisemitische incidenten verwacht ik van instellingen dat zij daar
tegen optreden en aangifte doen. Het staat iedereen vrij kritiek te hebben op het
regeringsbeleid van Israël, en dat laatste is niet hetzelfde als antisemitisme. Maar
dat regeringsbeleid mag nooit onze Joodse medeburgers worden aangerekend of ertoe
leiden dat we minder waakzaam worden op antisemitisme en racisme in onze samenleving.
Eenieder die aan de protesten deelneemt is er medeverantwoordelijkheid voor dat dit
vreedzaam gebeurt en met respect voor elkaar.
Het is van groot belang om juist in deze tijden van conflict de academische vrijheid
en de voortgang van het primaire proces van onderwijs en onderzoek te bewaken. Dit
vormt de kerntaak van de onderwijsinstellingen en hun doorlopende zorg het borgen
van een veilige leer- en werkomgeving staat in het teken hiervan. Binnen het onderwijs
kan daardoor tegelijkertijd meer en minder. Meer, in de zin dat studenten juist leren
van de confrontatie tussen afwijkende perspectieven en scherpe uitwisseling van ideeën.
Minder, omdat deze dialoog wel gebaseerd moet zijn op wetenschappelijke kennis en
argumentatie, en waarheidsvinding. De bewaking van de academische vrijheid ligt bij
de academische gemeenschap zelf. Dat is een grote verantwoordelijkheid van alle leden
van de gemeenschap, met name van bestuurders, onderzoekers en docenten.
Veiligheidsbeleid op de universiteiten en hogescholen
Vanuit hun verantwoordelijkheid voor het borgen van de academische vrijheid en de
continuïteit van onderwijs en onderzoek, zijn universiteiten en hogescholen aan zet
om te zorgen voor een veilige leer- en werkomgeving voor studenten en medewerkers.
Elke instelling heeft een veiligheidsorganisatie die ziet op de veiligheid binnen
de eigen instelling en die structureel overleg voert met de integrale veiligheidscollega’s
van de andere instellingen via collegiale netwerken en Platform Integrale Veiligheid.
Ook hebben de instellingen structurele contacten met de lokale veiligheidsdriehoek
(bestaande uit de burgemeester, de officier van justitie en de politiechef). Voor
het ordelijk verloop van alle activiteiten op de campus heeft elke instelling duidelijke
huisregels opgesteld. Hierin kunnen instellingen ook aangeven waar en op welke wijze
kan worden gedemonstreerd. De veiligheidsorganisaties van de instellingen inventariseren
periodiek – en indien daar aanleiding toe is ook incidenteel – veiligheidsrisico’s
en ontwikkelen daar (aanvullend) beleid op. Besturen leggen verantwoording af over
het gevoerde beleid aan de raden van toezicht.
Intensivering van gesprekken met instellingen en veiligheidsdriehoek
Zoals aangegeven in het antisemitismedebat met uw Kamer op 25 april jl. zet ik naar
aanleiding van de toegenomen antisemitische incidenten in op maatregelen om de veiligheid
te vergroten, de meld- en klachtvoorzieningen te onderzoeken en verbeteren, vertrouwenspersonen
beter te equiperen en de dialoog op de onderwijsinstellingen te bevorderen.5 Naar aanleiding van de zorgwekkende incidenten rond de protesten heb ik veelvuldig
en indringend met de bestuurders van de onderwijsinstellingen gesproken. In deze gesprekken
zijn ook de politie, het openbaar ministerie, de NCTV en het Ministerie van JenV betrokken.
Gezamenlijk en met betrokkenheid van het Ministerie van BZK is het juridisch kader
verduidelijkt, waaronder de samenhang van specifieke rechten en plichten van de instellingen
met de bredere wet- en regelgeving zoals het recht op demonstratie, toegang tot publieke
ruimten, het verbod op gezichtsbedekkende kleding, identificatieplicht en de kaders
voor handhaving. Dit heeft ook bijgedragen aan een nauwere samenwerking van de universiteiten
en hogescholen met de partijen binnen de lokale driehoek ter voorbereiding op of gedurende
de protesten.
Ontwikkeling gezamenlijke richtlijn protesten
Universiteiten en hogescholen hebben, gestimuleerd door deze overleggen, een gezamenlijke
richtlijn ontwikkeld voor de omgang met protesten op hun campussen. De nieuwe richtlijn
is voor alle partijen de basis en dit geeft de instellingen en de driehoek een eenduidig
fundament om te kunnen handelen. De gezamenlijke richtlijn protesten is door alle
universiteiten en hogescholen onderschreven. Deze richtlijn vindt u, conform de toezegging
van mijn collega Paul aan het lid Eerdmans (JA21)6, bijgevoegd bij deze brief.
In de richtlijn staat onder andere dat bestuurders niet onderhandelen met personen
met gezichtsbedekkende kleding, dat deelnemers van protesten gevraagd kunnen worden
om hun studenten- of medewerkerskaart en/of identiteitsbewijs te tonen en dat overnachten
op de campus zonder toestemming niet is toegestaan, ook niet in tenten. Ook is opgenomen
dat het bezetten van een gebouw niet geldt als protesteren en niet wordt toegestaan.
De instellingen benadrukken dat deze regels zijn bedoeld om zowel legitieme protesten
mogelijk te maken als ook tegelijk te voorkomen dat die uit de hand lopen.
De toepassing van de richtlijn is afhankelijk van de specifieke situatie van het protest.
Deze wordt steeds door het College van Bestuur en de partijen binnen de lokale driehoek
gezamenlijk beoordeeld. In onderling overleg kan het noodzakelijk zijn om (tijdelijk,
gedeeltelijk, en weloverwogen) van de richtlijn af te wijken, bijvoorbeeld omdat dit
naar het oordeel van instellingen en driehoek voor gewenste de-escalatie zorgt. Dit
verklaart bijvoorbeeld waarom vreedzame kampementen in specifieke situaties en onder
specifieke voorwaarden en toezicht, toch tijdelijk worden toegestaan. Wij blijven
samen met de instellingen, politie, OM, NCTV en gemeenten de situatie continu monitoren,
en vanuit het ministerie blijf ik zolang als nodig hierover het gesprek voeren met
de betrokken partijen.
Risicogestuurd toegangsbeleid tot de campus
De recente protesten stellen de instellingen voor grote uitdagingen om onderwijs en
onderzoek veilig door te laten gaan, en tegelijk ruimte te bieden aan protest zonder
dat dat ontaardt in rellen. Instellingen zoeken hierin een balans met het uitvoeren
van risicoanalyses, gebaseerd op informatie uit hun incidentenhistorie, de eigen gemeenschap,
social media en ook via de partijen binnen de lokale driehoek. Ook zetten zij hun deskundigheid
in om het crowd management te reguleren.
Als de risico’s door de instelling niet tot aanvaardbaar niveau gemitigeerd kunnen
worden, kan het College van Bestuur ertoe genoodzaakt zijn om een gebouw of zelfs
een hele campus te sluiten. Strikte beveiliging is bij sommige onderzoeksfaciliteiten
al de norm, maar kan op sommige locaties tot grote verstoringen van de uitgebalanceerde
onderwijslogistiek leiden en tot congestie onder studenten en medewerkers die op tijd
bij hun college of afspraak moeten zijn. Daardoor zou de continuïteit van het onderwijs
en onderzoek worden belemmerd. Daarnaast kan het leiden tot disproportioneel hoge
beveiligingskosten, waarbij instellingen nog voor een extra uitdaging staan omdat
er een groot tekort is aan beveiligingspersoneel. Los van deze belemmeringen op het
gebied van uitvoerbaarheid, zou het standaard werken met toegangsbeperkingen ook het
karakter van onze onderwijsinstellingen sterk veranderen. Het is voor de samenleving
van grote waarde dat onze hogescholen en universiteiten een open karakter hebben.
Dit versterkt de verbinding tussen de instellingen en hun omgeving en draagt bij aan
de toegankelijkheid van het vervolgonderwijs.
Hogescholen en universiteiten kunnen er op basis van hun risico-inschatting voor kiezen
de toegang te reguleren door onderscheid te maken tussen eigen medewerkers, studenten
en bezoekers enerzijds en externen anderzijds. Denk aan het toepassen van controle
op universiteitspasjes, en als het risicobeeld toeneemt het prioriteren welke gebouwen
toegankelijk moeten blijven, beperkt opengesteld of gesloten moeten worden. Bij de
Hogeschool Rotterdam werd bijvoorbeeld één locatie gesloten en bij een andere gold
toegangscontrole, waarna een dag later de gesloten locatie weer met toegangscontrole
kon worden geopend. Ook op de Campus Den Haag van de Universiteit Leiden en op een
deel van de gebouwen van de Vrije Universiteit Amsterdam werd toegangscontrole toegepast.
Zoals uw Kamer ook heeft bepleit kan deze regulering van belang zijn om externe activisten
zonder binding met de instelling te weren en zo de kans op eventuele onveiligheid
of gewelddadigheid te verkleinen. De complexiteit hiervan wisselt per instelling.
Indien bestuurders vanuit hun risicoanalyse vaststellen dat de toegang tot een gebouw
of campus dusdanig onveilig is dat deze beperkt moet worden, vertrouw ik op hun oordeel
dat dit absoluut noodzakelijk is.
In de gevoerde gesprekken heb ik, zoals de motie van de leden Van der Plas en Van
Zanten (BBB) vraagt, er bij de universiteiten en hogescholen op aangedrongen om als
onderdeel van het bredere veiligheidsbeleid van de instellingen ook expliciet de mogelijkheden
van een stringent toegangsbeleid en -controle te betrekken. Ook blijf ik erop aandringen
dat onderwijsinstellingen steeds bewust afwegen of toegangscontrole in voorkomende
situaties een passende en werkende oplossing is om de veiligheid te borgen, en als
dat zo is deze ook toe te passen. Daarmee beschouw ik de motie Van der Plas en Van
Zanten (BBB)7 als afgedaan. Met de gevoerde gesprekken en de gemaakte afspraken in de vorm van
de richtlijn protesten geldt datzelfde voor de motie van het lid Van Dijk (SGP)8 en de toezegging aan het lid Bikker (CU)9 om over de huisregels in gesprek te gaan.
Ontwikkeling continuïteitsscenario’s
Naar aanleiding van de ongeregeldheden rondom de protesten en de potentiële gevolgen
die we zien voor de veiligheid van personen, de gebouwen en voor de continuering van
onderwijs en onderzoek, heb ik de universiteiten en hogescholen gevraagd om continuïteitsscenario’s
te ontwikkelen zodat zij kunnen anticiperen op de verdere gevolgen die op de korte
en langere termijn kunnen ontstaan als gevolg van protesten en de bredere discussie
op de instelling rondom de situatie in Gaza. Instellingen zijn hier volop mee bezig
en maken daarbij onder meer gebruik van de ervaringen die ten tijde van de COVID-crisis
zijn opgedaan, bijvoorbeeld als het gaat om besluitvorming rondom (gedeeltelijke)
sluiting en openstelling van gebouwen, het beheersen van stromen in- en uitgaande
personen en looproutes, en ook – in gevallen waarin dit nodig is – met het overschakelen
naar hybride dan wel afstandsonderwijs als fysiek onderwijs op de instelling niet
mogelijk is. De protocollen en draaiboeken die destijds door de instellingen zijn
opgesteld kunnen in de huidige situatie dan ook worden benut waar nodig. Ook de gevoerde
gesprekken waar ik in deze brief verslag van doe, bieden de instellingen aanknopingspunten
als het gaat om het borgen van de veiligheid, het omgaan met toegangscontrole en het
waar nodig inzetten van handhaving.
Het is wenselijk dat ook bij crisisbesluitvorming de medezeggenschap conform de reguliere
procedures en de bijbehorende bevoegdheden en verantwoordelijkheden haar rol kan spelen.
Tegelijkertijd hebben we tijdens de COVID-crisis gezien dat deze betrokkenheid niet
altijd goed voor instellingsbesturen te realiseren is wanneer onder hoge druk en in
het belang van de gezondheid en veiligheid van studenten, medewerkers en bezoekers
keuzes moeten worden gemaakt. Ik verwijs in dit verband naar mijn Kamerbrief van december
2023 waarin uitgangspunten zijn opgenomen voor het betrekken van de medezeggenschap
bij crisisbesluitvorming, die ook op de huidige situatie van toepassing zijn.10
Internationale samenwerkingsverbanden
De eis die door de demonstranten in de verschillende protesten wordt neergelegd is
dat de betreffende instelling alle (wetenschappelijke) banden met Israëlische instellingen,
zoals academische samenwerking bij wetenschappelijk onderzoek en onderwijs, zonder
meer verbreekt. Deze eis gaat voorbij aan de wijze waarop instellingen tot beslissingen
over internationale samenwerking komen op basis van zorgvuldige, inhoudelijke en democratische
processen, vrij van intimidatie, druk of dreiging met geweld. Het is namelijk een
academische kernwaarde dat wetenschappers in vrijheid mogen bepalen met wie en naar
welke vragen zij onderzoek doen.
Instellingen hebben het recht en de vrijheid om te beslissen over het aangaan, aanpassen
of verbreken van internationale samenwerkingen binnen de kaders van de wet. Binnen
de academische gemeenschap dient een open en stevige discussie plaats te vinden over
op welke terreinen en met welke instellingen internationaal wordt samengewerkt en
hoe die samenwerking vorm krijgt en zich ontwikkelt. En dat kan ingewikkeld zijn vanwege
onder meer moreel-ethische vraagstukken, de mate van academische vrijheid, kennisveiligheidsvraagstukken
en kansen op nieuwe wetenschappelijke inzichten en technologieën. De acute situatie
in Gaza en de protesten daarover zijn voor universiteiten en hogescholen aanleiding
om het gesprek over de wijze waarop wordt omgegaan met internationale samenwerkingsverbanden
te intensiveren.
Het is aan instellingen om hun samenwerkingen tegen het licht te houden naar aanleiding
van geopolitieke verschuivingen, maar het is niet wenselijk om op voorhand alle (institutionele
of persoonlijke) samenwerkingen met een bepaald land uit te sluiten of op te schorten.
Het is aan het kabinet om uitspraken te doen over samenwerking met gehele landen.
Daarbij weegt het kabinet steeds de waarde van bilaterale samenwerking. Internationale
academische samenwerkingsverbanden kunnen namelijk in tijden van conflict ook een
kans bieden om een open lijn te behouden en kritische tegenstemmen te laten klinken,
zowel van studenten en wetenschappers in Nederland als van studenten en wetenschappers
aan instellingen in een conflictgebied. Juist deze tegenstemmen en de inzet voor het
vredesproces verdienen steun. Zo kan het onderwijs bijvoorbeeld ook, in het kader
van science diplomacy, een rol spelen als het gaat om wederopbouw en het bieden van ondersteuning aan studenten
en wetenschappers die de rechtstreekse gevolgen hebben ondervonden van een conflict
als dat tussen Israël en de Palestijnse gebieden. Het huidige kabinetsstandpunt aangaande
het conflict tussen Israël en de Palestijnse gebieden, zoals in het begin van deze
brief toegelicht, onderscheidt zich in die zin van het kabinetsstandpunt ten aanzien
van Rusland na de inval in Oekraïne. Direct na die inval volgden brede internationale
sancties, waar de formele institutionele samenwerking op het gebied van onderwijs
en onderzoek onderdeel van uitmaakten.
Beoordeling van internationale samenwerkingsverbanden
Zoals hiervoor reeds aangegeven zijn instellingen momenteel bezig met de (door)ontwikkeling
van criteria waarmee zij de (ethische) kansen en risico’s van internationale samenwerking
kunnen afwegen. Ik heb de universiteiten en hogescholen verzocht om bij deze doorontwikkeling
een aantal belangrijke uitgangspunten te betrekken. Ik verwijs voor deze uitgangspunten
naar de bijlage bij deze brief.
Deze uitgangspunten, die ook dringende zorgen vanuit het veld adresseren, moeten bevorderen
dat universiteiten en hogescholen wetenschappelijke en strategische samenwerkingsverbanden
met andere instellingen of in internationale projecten op eenzelfde zorgvuldige wijze
tegen het licht houden en dat elk individueel geval op basis van de omstandigheden
inhoudelijk en daarmee landenneutraal wordt bekeken. Door hiervoor een eigen, helder
kader en werkwijze te ontwikkelen zorgen de instellingen ervoor dat afwegingen omtrent
wetenschappelijke of strategische samenwerkingsverbanden en internationale samenwerking
bovendien op transparante wijze gemaakt worden.
Mijn verzoek aan hogescholen en universiteiten om deze uitgangspunten te betrekken
bij het formuleren van hun eigen kaders sluit aan op het verzoek vanuit de motie die
het lid Diederik van Dijk heeft ingediend tijdens het wetgevingsoverleg over de initiatiefnota
van de leden Ellian en Bikker over de aanpak antisemitisme van 27 mei jl.11 Daarin verzoekt de SGP de regering er bij de instellingen op aan te dringen om niet
onder druk de banden met Israëlische instellingen te verbreken en duidelijk te maken
dat het onderzoek naar de Holocaust ongehinderd voortgang moet kunnen hebben.
De universiteiten en hogescholen hebben mij laten weten dat ze hun eigen kaders en
werkwijze nu aan het inrichten zijn en vervolgens benutten om de huidige wetenschappelijke
en strategische samenwerkingsverbanden op inhoud te beoordelen. Nieuwe samenwerkingen
zullen ze altijd volgens de nieuwe werkwijze tegen het licht houden.
Handhaving en sancties in het kader van demonstraties op universiteiten
Diverse partijen hebben de afgelopen periode gevraagd naar de mogelijkheden die instellingen
hebben om in te grijpen bij wanordelijkheden. Er lijkt een kleine groep mensen te
zijn die niet komt voor een vreedzaam protest, maar uit is op escalatie en vernieling.
Deze kleine groep vraagt speciale aandacht van politie en justitie zodat de vreedzame
meerderheid van de demonstranten het demonstratierecht kan uitoefenen. Als studenten,
medewerkers of bezoekers de huisregels niet respecteren of strafbare feiten plegen,
is het van groot belang dat hiertegen opgetreden wordt en dat zij ter verantwoording
worden geroepen. Voor asociaal gedrag, bedreigen, vernielen en intimideren mag geen
enkele ruimte zijn. Als de huisregels worden overtreden, kan de instelling maatregelen
nemen. Die kunnen inhouden dat aan studenten die de voorschriften overtreden, de toegang
tot gebouwen en terreinen geheel of gedeeltelijk voor de tijd van ten hoogste een
jaar wordt ontzegd, of de inschrijving gedurende eenzelfde periode wordt beëindigd.
En als een student ernstige overlast binnen de gebouwen en terreinen heeft veroorzaakt
en na aanmaning door het bestuur niet ophoudt kan het instellingsbestuur de student
de toegang tot de instelling definitief ontzeggen of de inschrijving beëindigen. De
grondslag hiervoor is gelegen in artikel 7.57h van de Wet op hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek (WHW). Vanzelfsprekend moet de overtreding vaststaan alvorens de instelling
tot een dergelijke maatregel kan overgaan. Indien de instelling een vermoeden heeft
van strafbare feiten kan na aangifte de politie direct ingrijpen. Ook geldt voor demonstranten
die strafbare feiten plegen en niet verbonden zijn aan een instelling dat er hard
wordt opgetreden. Instellingen en politie zetten zich de komende periode extra in
om de identiteit van de daders te achterhalen, zodat politie en OM tot aanhouding
en vervolging over kunnen gaan.
Mogelijkheid tot het intrekken van studiefinanciering of visa
In het commissiedebat over veiligheid op scholen op 15 mei jl. zijn door de leden
Van Zanten (BBB) en Van der Hoeff (PVV) specifieke vragen gesteld over mogelijkheden
tot intrekken van studiefinanciering of de visa van buitenlandse studenten. Als een
student een strafbaar feit pleegt kan dit worden vervolgd door het openbaar ministerie
(OM) en komt dit, op een paar uitzonderingen na, op het strafblad te staan. In aanvulling
daarop hebben instellingen, zoals hierboven aangegeven op grond van artikel 7.57h
van de WHW, de mogelijkheid om de inschrijving van studenten (al dan niet tijdelijk)
te beëindigen. In dat geval zou ook het recht op studiefinanciering vervallen, omdat
een inschrijving een vereiste is om studiefinanciering te ontvangen. Los van deze
specifieke situatie is het korten van studiefinanciering geen op zichzelf inzetbare
strafmaatregel. Dat vind ik ook passen bij het feit dat studiefinanciering als instrument
beoogt de toegankelijkheid van het onderwijs te vergroten, en niet bedoeld is om studenten
te straffen.
Voor studenten die afkomstig zijn van buiten de Europese Unie geldt zowel bij toegang
als gedurende het verblijf dat indien middels een onherroepelijke veroordeling is
komen vast te staan dat zij een gevaar voor de openbare orde zijn, de verblijfsvergunning
van deze persoon kan worden ingetrokken. Een intrekking vergt altijd een individuele
beoordeling. Een verblijfsvergunning kan worden ingetrokken op grond van de nationale
veiligheid op basis van een individueel ambtsbericht van de AIVD, of van andere (buitenlandse)
ministeries of inlichtingendiensten. Een intrekking gebeurt door de IND.
Gedrag medewerkers
De belangrijkste factor in het veiligheidsbeleid van de instellingen is het gedrag
van mensen. Van ieder individu op de campus mogen we verwachten dat hij naar vermogen
bijdraagt aan een veilige leer- en werkomgeving. En dat geldt dus ook voor medewerkers.
Van docenten mogen wij verwachten dat zij zich bewust zijn van hun voorbeeldfunctie
en vanuit die rol een bijdrage leveren aan vreedzaam debat en dialoog en dat zij de
aard van hun inbreng zorgvuldig duiden. Het past bij hun professionele rol om studenten
te leren dat er in het debat ruimte is voor een diversiteit aan benaderingen en hoe
je respectvol discussies kan voeren op basis van argumenten. Medewerkers hebben ook
het recht om te demonstreren, mits dit vreedzaam gebeurt. Tenslotte moeten studenten
zich later in hun colleges ook veilig kunnen voelen. Als het gaat om onprofessioneel
of ongewenst gedrag van medewerkers bieden het personeelsbeleid en het arbeidsrecht
mogelijkheden om op te treden. Afhankelijk van de ernst van het gedrag kan het gaan
om een stevig gesprek, een berisping of zelfs ontslag. Bij strafbare feiten staat
ook de weg van aangifte open.
Tot slot
De dialoog over ethische vragen, geopolitieke verhoudingen en academische vrijheid
juich ik toe. Het recht om te demonsteren is daarbij een fundamenteel recht, maar
een recht dat niet misbruikt moet worden. Geweld en intimidatie hebben geen plek op
de campus. Universiteiten en hogescholen dienen veilige locaties te zijn voor alle studenten en medewerkers, vrij van discriminatie en antisemitisme. Ik kijk met afschuw
naar de kleine groep demonstranten die niet komt voor een vreedzaam protest, maar
uit is op escalatie en vernieling. Een harde aanpak door de betrokken instanties is
hier dan op zijn plaats.
Het is verder aan de instellingen om een afweging te maken over met welke internationale
partijen zij wel en niet samenwerken. Zij hanteren de in deze brief beschreven uitgangspunten
en zijn hiermee aan de slag met hun beleid hierop. Het is van belang dat deze afwegingen
niet door intimidatie, druk of dreiging met geweld tot stand komen. Het gaat hier
ten slotte om de academische vrijheid en waarden in Nederland. Daar is de hele academische gemeenschap de hoeder van.
De komende periode blijf ik mij inzetten voor de veiligheid op de hogescholen en universiteiten.
Ik voer onverminderd het gesprek met de instellingen en de vertegenwoordigers van
de veiligheidsdriehoek om zo de instellingen te ondersteunen in hun complexe verantwoordelijkheid
om zowel de vrijheid als veiligheid op de campussen te faciliteren. Daarnaast vind
ik het van belang om, wanneer de situatie zich heeft genormaliseerd, met de instellingen
de werkwijze van de afgelopen periode te evalueren en de daaruit voortkomende lessen
te benutten om het veiligheidsbeleid nog beter in te richten en escalaties zoveel
mogelijk te kunnen beperken. Tevens blijf ik in contact met vertegenwoordigers van
de Joodse gemeenschap om hun zorgen goed te kunnen blijven adresseren. De instellingsbesturen
hebben aangegeven dat ook zij in nauw contact staan met de Joodse gemeenschap binnen
hun instelling. Ook continueer ik de gesprekken met de hogescholen en universiteiten
over hoe wij gezamenlijk kunnen inzetten op de-escalatie zodat debat en dialoog weer
de boventoon voeren, met ruimte voor de proteststem. Datzelfde doe ik met de studentenorganisaties,
waarmee ik ook hen aanspreek op de bijdrage die zij kunnen leveren aan het stimuleren
van debat en dialoog.
Ik doe hiermee ook een oproep aan de academische gemeenschap – studenten, medewerkers,
docenten, onderzoekers en bestuurders – alsmede de politieke gemeenschap om met elkaar
de dialoog te blijven aangaan op een respectvolle, veilige manier. Alleen met elkaar
kunnen we ervoor zorgen dat op onze campussen onderwijs en onderzoek ongestoord doorgang
kunnen vinden en er geen plaats is voor antisemitisme en onveiligheid.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.H. Dijkgraaf
BIJLAGE: UITGANGSPUNTEN BEOORDELING INTERNATIONALE SAMENWERKINGS-VERBANDEN
• De definitie en principes van academische vrijheid zoals beschreven in het KNAW-rapport12 vormen het vertrekpunt. Daarbij dient het beoordelingsproces van internationale samenwerkingsbanden
ook recht te doet aan de vrijheid die onderzoekers hebben in de keuze van te onderzoeken
thema’s, de keuze en toepassing van de eigen onderzoeksvragen en -methoden, de toegang
tot informatiebronnen, het publiceren en delen van informatie via conferenties.
• Het is van belang om ruimte te houden voor science diplomacy, waarmee het mogelijk blijft om betrekkingen te blijven onderhouden met instellingen
en organisaties die bijdragen aan het kritisch wetenschappelijk vermogen van samenlevingen,
ook als het gaat om landen waarmee de relatie gespannen is.
• Tevens vindt de uitwerking plaats binnen de geldende nationale, Europese en internationale
wettelijke kaders en regimes (zoals de dual-use richtlijn, sanctieregimes), en internationale
afspraken (bijvoorbeeld in VN/UNESCO-verband en de kaders gesteld in het rapport «Defence
of academic freedom in the EU’s external action» gepubliceerd door het Europees Parlement
in 201813) en voorts geldende gedragscodes (bijvoorbeeld de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke
Integriteit).
• De werkwijze en de toepassing van het beoordelingskader discrimineert niet wegens
godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap of seksuele
gerichtheid. Er mag in het bijzonder geen sprake zijn van antisemitisme.
• De toepassing van het kader voor samenwerkingen is landenneutraal; dezelfde criteria
worden gehanteerd voor alle landen waarmee (mogelijk) wordt samengewerkt.
• In het proces betrekken de besturen de universitaire en hogescholengemeenschap. De
medezeggenschap wordt via de reguliere kanalen en afgesproken verantwoordelijkheden
en bevoegdheden betrokken.
• Bij de evaluatie van de bestaande relaties worden ook nadrukkelijk de onderzoekers
betrokken die deze relaties hebben gelegd en onderhouden.
• Daarbij moet verzekerd worden dat conform de gedragscode wetenschappelijke integriteit
de betrokkenen in het proces hun taak vrij van externe druk en intimidatie (van bijvoorbeeld
lobby-organisaties) kunnen uitoefenen.
• De privacy van de bij de samenwerkingsverbanden betrokken individuen moet geborgd
zijn. Indien sprake is van verwerking van persoonsgegevens, gebeurt dit op een hoger
aggregatieniveau.
• Er wordt gewerkt aan een helder beoordelingskader. Van belang is daarin expliciet
te zijn over de te beschermen belangen, zoals bijvoorbeeld de borging van mensenrechten,
academische vrijheid, de veiligheid van studenten en medewerkers van instellingen,
financiële onafhankelijkheid.
• In het proces wordt het aspect van kennisveiligheid meegenomen.
• De universiteiten en hogescholen zorgen voor een transparante organisatorische borging
van het beoordelingsproces die als veilig wordt ervaren en bewaken de zorgvuldige
toepassing ervan.
Indieners
-
Indiener
R.H. Dijkgraaf, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap