Brief regering : Reactie op verzoek commissie over stilgevallen of vertraagde bouwprojecten t.g.v. de RvS-uitspraak over de bouwvrijstelling
35 334 Problematiek rondom stikstof en PFAS
32 847
Integrale visie op de woningmarkt
Nr. 229
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 februari 2023
In de procedurevergadering van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van 2 februari
2023 heeft U mij verzocht om U een overzicht te doen toekomen van alle bij mijn ministerie
bekende bouwprojecten die stilstaan en/of vertraging hebben opgelopen als gevolg van
de uitspraak van de Raad van State waarmee op 2 november 2022 de bouwvrijstelling
kwam te vervallen.
Een centraal overzicht van alle lopende (woning)bouwprojecten, of van de voortgang
daarvan, is niet beschikbaar. Het is daarom niet mogelijk om een lijst op te stellen
die op projectniveau inzicht geeft in de vraag waar er door het vervallen van de bouwvrijstelling,
of door andere oorzaken, vertraging optreedt. Wel zijn er andere inzichten in de impact
van het vervallen van de bouwvrijstelling. Ik zal hieronder nader ingaan op gegevens
over stikstof in relatie tot de woningbouwopgave die onderzoeksbureau Antea in opdracht
van mijn ministerie heeft samengesteld, op recent onderzoek van het Economisch Instituut
voor de Bouw, en op gegevens van enkele grote gemeenten.
Om inzicht te krijgen in de stikstofbehoefte van de woningbouwprogrammering, heeft
onderzoeksbureau Antea in opdracht van BZK een databestand ontwikkeld met daarin gegevens
over de woningbouwprogrammering. Op basis van deze gegevens worden ook berekeningen
gemaakt voor beleidsdoeleinden. Zo is onder meer berekend dat bij het vervallen van
de bouwvrijstelling, er in het worstcasescenario bij 938.039 woningen t/m 2040 mogelijke
beperkingen als gevolg van stikstof zouden kunnen optreden. Op de bruikbaarheid van
dergelijke cijfers valt echter wel het een en ander af te dingen. De cijferbeelden
zijn een inschatting, gebaseerd op de afstand van woningbouw tot natuurgebieden. Hoe
verder weg de woningbouw in tijd geprogrammeerd is, hoe onscherper het beeld. Voor
andere project-specifieke omstandigheden (zoals het aantal of type woningen, de wijze
van ontsluiting, het gebruikt bouwmaterieel, of mogelijkheden van salderen) is noodgedwongen
gebruik gemaakt van aannames. Deze cijferbeelden laten zich daarom niet of nauwelijks
als harde feiten inzetten.
Waar problemen optreden als gevolg van stikstof, betekent dit niet dat het project
geen doorgang kan vinden. Zo kan met behulp van een passende beoordeling worden aangetoond
dat de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied niet in gevaar komen. Dit
onderzoek kost tijd en heeft dus een vertragende werking op een project. Ook kan een
initiatiefnemer maatregelen treffen waarmee het project doorgang kan vinden, bijvoorbeeld
door middel van intern/extern salderen, de inzet van schoner bouwmaterieel of door
gebruik te maken van stikstofruimte uit het stikstofregistratiesysteem.
In onderzoek dat het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) recent publiceerde, geven
bouwbedrijven aan dat 15% van de woningbouwprojecten wordt geraakt door het vervallen
van de bouwvrijstelling.1 Het EIB noemt vertraging als het grootste effect, het gevolg van nieuwe Aerius-berekeningen
(gemiddeld twee maanden vertraging) al dan niet aangevuld met ecologisch onderzoek
en de vergunningaanvraag (met een initiële vertraging van zes maanden). Deze vertraging
zal volgens de onderzoekers in de tijd afnemen, doordat partijen zich kunnen instellen
op de nieuwe situatie.
Het EIB verwacht dat er als gevolg van het vervallen van de bouwvrijstelling in de
periode 2022–2027 zo’n 10.000 vergunningen voor nieuwbouwwoningen minder zullen worden
afgegeven. Dit leidt volgens het EIB tot een afname van 8.000 opgeleverde woningen,
of 2% van het totaal in deze periode. Het EIB stelt daarbij dat 90% van de woningbouw
minder dan 0,1 mol/ha/jr aan stikstofdepositie in N2000-gebieden veroorzaakt en daarom
zonder ingrijpende wijzigingen doorgang kan vinden.
Om een beeld te krijgen van individuele casuïstiek en de problemen die op lokaal niveau
spelen, zijn inzichten van vergunningverlening door gemeenten waardevol. Ik beperk
mij hier tot gegevens van de G4. Zowel Amsterdam als Rotterdam geven aan dat er nog
geen aanwijzingen zijn dat er plannen of projecten in de gemeente niet door kunnen
gaan als gevolg van deze uitspraak. Vooralsnog is daar geen sprake van vertraging
van de bouwopgave als gevolg van extra onderzoek in de realisatiefase. Den Haag voorziet
dat de vergunningsprocedure voor de bouw van circa 2.700 woningen langer zal duren.
Utrecht meldt 12 woningbouwprojecten waarvan de vergunningenprocedure is gestart en
die, als gevolg van de benodigde aanvullende berekeningen, vertraging in de vergunningsfase
oplopen. Er zijn in deze gemeenten geen aanwijzingen dat projecten stil komen te liggen.
Het bovenstaande bevestigt ons beeld dat het vervallen van de bouwvrijstelling zich
in het bijzonder laat voelen door het risico op vertraging van projecten. In reactie
hierop werken wij aan een vereenvoudiging van de vergunningverlening, onder meer door
middel van standaardisatie in de vorm van kengetallen en vuistregels. Om stikstofknelpunten
in de realisatiefase voor te zijn, investeren we in schoon- en emissieloos bouwmaterieel.
Voor plannen die onverhoopt toch vertraging oplopen, formuleren we aan de regionale
versnellingstafels een aanpak.
Hiermee hoop ik u een beter inzicht te hebben kunnen verschaffen in de gevolgen van
het vervallen van de bouwvrijstelling.
De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, H.M. de Jonge
Indieners
-
Indiener
H.M. de Jonge, minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening