Brief regering : Stand van zaken van een aantal moties en toezeggingen inzake het landelijk gebied en stikstof
36 200 XIV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van
Nr. 94
BRIEF VAN MINISTER VOOR NATUUR EN STIKSTOF
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 december 2022
Bij deze stuur ik de Tweede Kamer, mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit, de stand van zaken van een aantal openstaande moties en toezeggingen
inzake het landelijk gebied en stikstof.
De Minister voor Natuur en Stikstof, Ch. van der Wal-Zeggelink
Bijlage - Stand van zaken moties
- de motie-De Groot (D66)/Van Campen (VVD) over het verzoek om de stikstofdoelen zo
snel mogelijk, uiterlijk eerste helft van 2023, in artikel 1.12a van de Wet natuurbescherming
en artikel 2.15a van de Omgevingswet vast te leggen1
Voor wat betreft de planning van het wetsvoorstel voor het vervroegen van de omgevingswaarde
voor 2035 naar 2030 heb ik de Tweede Kamer in de brief van 31 mei jl., mede in reactie
op de motie van de leden De Groot (D66) en Van Campen (VVD)2 aangegeven dat het wetsvoorstel naar verwachting in de eerste helft van 2023 bij
de Tweede Kamer zal worden ingediend. In de brief van 25 november jongstleden3 heb ik aangekondigd dat intern salderen weer vergunningplichtig wordt en dat ik dit
meeneem in de aangekondigde wetswijziging voor aanpassing van de omgevingswaarde.
Het streven is om de wetswijzigingen per 1 januari 2024 in werking te laten treden.
Die planning hangt samen met onder meer de benodigde voorbereidingstijd, de internetconsultatie
en advisering door de Raad van State. Ik zet daartoe binnenkort een eerste stap: de
internetconsultatie van het wetsvoorstel start naar verwachting eind januari.
-de motie-Omtzigt (Omtzigt) c.s. over verschillen aan de grens zo klein mogelijk maken4 en de motie-Van Baarle (DENK) over in overleg met buurlanden komen tot een geïntensiveerde
gezamenlijke aanpak om de stikstofneerslag te reduceren5
Het kabinet geeft, invulling aan de motie van het lid Omtzigt en de motie van het
lid Van Baarle (DENK), via de grensoverschrijdende samenwerking met Vlaanderen en
Duitsland. Met deze samenwerking streeft het kabinet ernaar om de verschillen, zoals
zichtbaar in de grensregio’s, beter te kunnen verklaren en waar mogelijk te verkleinen.
Hierbij wordt samen met provincies ingezet op grensoverschrijdende afstemming gericht
op maatwerk in de grensgebieden.
Samenwerking met Duitsland
Op 22 augustus jongstleden heb ik, samen met de Minister van LNV en onder meer een
delegatie van de Tweede Kamer, een werkbezoek gebracht aan de drie in door enkele
van uw leden voorgestelde locaties in het grensgebied met Duitsland.6 De problematiek is hier door alle betrokkenen duidelijk onder de aandacht gebracht.
Na de zomer is er overleg geweest met de relevante Duitse Bondsministeries en betrokken
instanties, zoals het Umweltbundesamt (Duitse equivalent van het RIVM). Gemaakte afspraken
worden nu concreet uitgewerkt, vooral met het oog op informatie- kennisdeling, de
vergelijking van meetmethoden tussen Duitsland (UBA en grensdeelstaten) en Nederland
(RIVM), en beleidsafstemming over natuur en stikstof en mogelijkheid van gezamenlijke
standpuntbepaling in EU-dossiers. Een volgende bijeenkomst zal in het voorjaar plaatsvinden.
Tevens spreek ik begin 2023 met Minister Lemke van het Bondsministerie voor Milieu
en Natuurbehoud (BMUV) over dit onderwerp.
Ook wordt intensievere samenwerking gezocht met de grensdeelstaten, waarbij samen
met provincies wordt ingezet op grensoverschrijdende afstemming gericht op maatwerk
in de grensgebieden. Ik heb onlangs met Minister Krischer (Milieu, Natuurbescherming
en Verkeer) van Noordrijn-Westfalen gesproken en afgesproken om gezamenlijke stappen
te zetten, zoals kennis, informatie en ervaringen te delen over onze water- en stikstofproblemen
en (voorgestelde) maatregelen. Dit gebeurt bijvoorbeeld ook bij de aanwijzing van
de nutriënten verontreinigde gebieden, waarover ervaring en kennis worden uitgewisseld.
Ik streef ernaar ook met Nedersaksen verdere samenwerking tot stand te laten komen.
Samenwerking met Vlaanderen
Met Vlaanderen is intensief overleg over het verder uitwerken van de grensoverschrijdende
samenwerking en stappen die we gezamenlijk kunnen zetten om te komen tot stikstofreductie
aan weerszijden van de grens. Zo werken we bijvoorbeeld samen met betrokken provincies
in de grensstreek aan grensoverschrijdende pilots onder meer met het oog op samenwerking
rondom beheer van Natura 2000-gebieden. Afgelopen zomer heb ik een gezamenlijk werkbezoek
met Minister Demir gebracht aan de Kalmthoutse Heide en de haven in Vlissingen. Dit
bezoek stond in het teken van de gemeenschappelijke stikstofopgave en de grensoverschrijdende
samenwerking die nu concreet wordt ingevuld.
-de motie-Grinwis (ChristenUnie) c.s. over de provincies ook kaarten verstrekken met
variaties op de beleidsuitgangspunten7
In lijn met het advies van de heer Remkes8 hecht het kabinet er veel waarde aan dat de doelen per gebied samen met de betrokken
partijen in het gebiedsproces tot stand komen. De heer Remkes’ aanbeveling is ook
om zo snel mogelijk regionale kaarten te maken. Ik geef invulling aan deze motie binnen
de context van deze nieuwe situatie. Het kabinet vindt het van belang dat de ruimtelijke
verdeling van de regionale stikstofdoelen van onderop ontstaat en zal daarom ook geen
nieuwe kaarten verstrekken. Wel zal het kabinet provincies zoveel als mogelijk ondersteunen
bij het maken van een ruimtelijke verdeling door het beschikbaar stellen van instrumentarium
en data waarmee eventuele regionale kaarten opgesteld kunnen worden. Zoals ik ook
aangegeven heb bij de motie van de leden Vestering (PvdD) en Van Campen (VVD)9, geldt immers dat opgaven en oplossingsrichtingen per gebied verschillen. Met deze
gebiedsgerichte invulling wordt daar recht aan gedaan en ruimte voor geboden. Daarbij
geldt wel dat de uitgangspunten van het NPLG, zoals water en bodem sturend; emissiedoelen
per gebied; ons richten op de instandhoudingsdoelen van de VHR en de nationale doelstellingen
(waaronder de nationale omgevingswaarde van 74 procent onder KDW in 2030) kaderstellend
zijn, conform het coalitieakkoord.
-de motie-Boswijk (CDA) c.s. over de provincies de regie laten nemen in hoe het stikstofbeleid
en het budget worden ingezet10
De motie is in lijn met mijn voorgenomen beleid en de wijze van samenwerking zoals
in de startnotitie van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) staat beschreven.
In mijn brief aan de Tweede Kamer van 25 november jl. geef ik aan dat de provincies
als gebiedsautoriteit voor het landelijk gebied een belangrijke rol hebben om in de
gebiedsprocessen samen met de medeoverheden en gebiedspartners de maatregelen uit
te werken om de NPLG-doelen te realiseren. Deze motie ondersteunt mijn aanpak, waarbij
concrete gebiedsgerichte uitwerking door provincies centraal staat.
Provincies hebben de regie in de gebiedsprocessen om de doelen en maatregelen nader
in te vullen. Daarbij moet wel worden voldaan aan onder andere de volgende kaders:
• Het halen van de hoofdopgaven klimaat, water, natuur en stikstof en in het bijzonder
voor de natuur het voorkomen van verslechtering.
• Rekening houdend met provinciegrensoverschrijdende depositie-effecten wat betreft
stikstof;
• Passend binnen de financiële kaders van het transitiefonds;
Het Rijk faciliteert en ondersteunt de provincies bij het opstellen van de gebiedsprogramma’s.
In juli 2023 zal onafhankelijk worden getoetst of deze programma’s passen binnen bovenstaande
kaders.
Eerder is de Tweede Kamer is geïnformeerd over de uitvoering van deze motie in de
Handreiking voor de gebiedsprogramma’s Nationaal Programma Landelijk Gebied.11 Met dat provincies als gebiedsregisseur zijn aangesteld, hebben zij de leiding over
hoe (met welke maatregelen) het budget in de gebieden ingezet kan worden. Hiermee
beschouw ik de motie afgedaan.
-de motie-Koekkoek (Volt)/Bromet (GroenLinks) over een duidelijk aanspreekpunt voor
boeren in de gebiedsgerichte aanpak12
Bij de gebiedsgerichte aanpak is een aanspreekpunt waar boeren en andere betrokkenen
terecht kunnen met hun vragen of knelpunten van groot belang. Op dit moment zijn aanspreekpunten
aanwezig bij provincies, BIJ12 en RVO, die – afgaande op de vele vragen die de aanspreekpunten
inmiddels hebben verwerkt – voorzien in een behoefte. Ik zal voor elk van deze aanspreek-
of informatiepunten aangeven wat wel en niet binnen het bereik en bedoeling van zo’n
aanspreekpunt valt, en onderzoeken hoe beantwoording en opvolging van vragen plaatsvindt,
en of daar verbetering op mogelijk is. Deze analyse, die ik samen met de provincies
uitvoer, start dit jaar en geschiedt in samenspraak met boeren en andere belanghebbenden.
De regieorganisatie transitie landelijk gebied (RTLG), die het Rijk samen met provincies
heeft opgericht, zal hier een vinger aan de pols houden. Hierbij wordt uitgegaan van
een lerende aanpak, gebaseerd op een wisselwerking tussen beleid, wet- en regelgeving,
kennis en praktijk.
Het lid Eppink (JA21) heeft een brief gevraagd met een reactie op het aannemen van
de motie waarin de Tweede Kamer zich uitspreekt over het niet dogmatisch benaderen
van de 2030 deadline (Kamerstuk 35 788, nr. 195)13
Een oordeel over een motie waarin de Tweede Kamer zich uitspreekt laat het kabinet
in principe aan de Kamer. Het lid Eppink (JA21) heeft daarnaast echter gevraagd om
een reactie van het kabinet, die ik bij deze geef. Zoals aangeven in de brief die
het kabinet op 14 oktober jl. aan de Tweede Kamer heeft gestuurd14 houdt het kabinet – conform het advies van de heer Remkes15 – vast aan de stikstofdoelstelling voor 2030. Daarbij zullen twee ijkmomenten in
2025 en 2028 worden uitgewerkt. Tijdens de ijkmomenten kan worden bezien of er dwingende
inhoudelijke redenen zijn om iets meer tijd te nemen voor het halen van de doelstelling.
In zijn rapport geeft Remkes als voorbeeld de situatie waarbij natuurherstel voldoende
op koers ligt en het resterende probleem met iets meer tijd via natuurlijk verloop
kan worden opgelost. Het kabinet vindt het belangrijk dat deze flexibiliteit ingebouwd
wordt. Uitgangspunt blijft dat verslechtering van de Natura 2000-gebieden voorkomen
moet worden én natuurherstel onontkoombaar moet zijn ingezet. Het kabinet zal dit
verder uitwerken en opnemen in de aanpassing van de wet.
-de motie-Koekkoek (Volt)/Boswijk (CDA) over een sociaaleconomische impactanalyse
verplicht onderdeel laten uitmaken van het gebiedsplan16
In de brief Toekomst Landbouw17 is, in lijn met motie van de leden Koekkoek en Boswijk, aangegeven dat er impactanalyses
zullen worden uitgevoerd waarin de economische effecten voor de landbouwsector op
gebiedsniveau in kaart worden gebracht. Om invulling te geven aan deze motie wordt
een methode ontwikkeld om specifiek de effecten op de verdiencapaciteit van de landbouwsector
in beeld te brengen. Resultaten die hieruit volgen worden onderdeel van de bredere
sociaaleconomische effectenanalyse die provincies op moeten nemen in de gebiedsprogramma’s.
Met de resultaten van de sociaaleconomische effectenanalyse kunnen provincies de afweging
maken welke maatregel passend is in het gebied en of daarbij aandacht uit moet gaan
naar flankerend beleid of mitigatie van effecten.
-de motie-Boswijk (CDA) c.s. over onderzoeken hoe boeren nabij Natura 2000-gebieden
financieel kunnen worden ondersteund bij aanpassing van bedrijfsvoering18
Het Investeringsfonds Duurzame Landbouw als onderdeel van het Omschakelprogramma ondersteunt
boeren bij de financiering van een integrale omschakeling van de bedrijfsvoering,
om zo onder andere stikstofreductie te bereiken. De pilot van het fonds is gestart
in juli 2021 en is inmiddels met een jaar verlengd tot juli 2023. Het fonds staat
open voor alle agrarische bedrijven, ook die nabij Natura 2000-gebieden zijn gelegen.
Samen met provincies zal de Minister van LNV bezien in welke vorm het fonds na afloop
van de pilot een vervolg kan krijgen zodat deze de uitvoering van de gebiedsplannen
optimaal ondersteunt.
-de motie-Heinen (VVD)/Grinwis (GroenLinks) over een objectieve toets op doelmatigheid
en doeltreffendheid in het besluitvormingsproces over uitgaven uit het transitiefonds19
Voor de realisatie van de transitie landelijk gebied heb ik spelregels ontwikkeld
en werk ik aan een meerjarenprogramma. Deze spelregels zijn bedoeld om inzicht te
geven in de procesgang en de vereisten voor aanvragen voor financiële rijksbijdragen
uit onder meer het Transitiefonds landelijk gebied en natuur. Aanvragen voor financiële
rijksbijdragen voor uitvoering van maatregelen worden door het Rijk integraal beoordeeld.
Voorafgaand aan aanvragen voor een financiële rijksbijdrage vindt een integrale beoordeling
van gebiedsprogramma’s plaats. Onderdeel van die integrale beoordeling is een objectieve
toetsing door de Ecologische Autoriteit, een externe doorrekening op het doelbereik,
de sociaaleconomische effecten en de inpassing binnen de budgettaire kaders. Doeltreffendheid
en doelmatigheid zijn hiermee onderdeel van de integrale beoordeling evenals andere
aspecten, zoals een zorgvuldig doorlopen gebieds(participatie). Dit sluit aan op de
moties van het lid Boswijk20 en van het lid Koekkoek.21
-de motie-Boswijk (CDA) c.s. over het zo snel mogelijk komen met een compleet uitgewerkt
instrumentarium22
Zoals aangegeven in de brief van 25 november jongstleden over de voortgang integrale
aanpak landelijk gebied en opvolging uitspraak Raad van State over Porthos23 ben ik in overleg met de Europese Commissie over de mogelijkheden van financiële
ondersteuning van bedrijfsverplaatsing en ik werk aan de mogelijke inzet van een grondbank,
om verplaatsing en extensivering te bevorderen. Ten behoeve van ondernemers die overwegen
te stoppen heb ik onlangs de Landelijke beeindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv)
voorgelegd bij de Europese Commissie, daarnaast werk ik momenteel een Lbv + uit in
het kader van de aanpak piekbelasters. Boeren kunnen ook nu al gebruik maken van een
breed pallet aan bestaande instrumenten waaronder het Omschakelprogramma Duurzame
Landbouw, de Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen
(Sbv) en diverse maatregelen onder het GLB-Nationaal Strategisch Plan waarmee onder
meer extensivering wordt gefaciliteerd. De Minister van LNV heeft daarnaast in de
brief Toekomst Landbouw van 25 november jongstleden24 aangeven in te zetten op het mogelijk maken van onafhankelijk advies aan individuele
ondernemers en duurzame praktijkproeven op boerderijen ter ondersteuning van de gebiedsprogramma’s
en de transitie van de landbouw.
Het compleet maken van het instrumentarium waar de motie van het lid Boswijk25 om vraagt en bijbehorende inzet van middelen vraagt ook om een nadere uitwerking.
In het Landbouwakkoord zal de Minister van LNV afspraken maken over het in te zetten
instrumentarium door alle betrokken partijen om de opgaven voor de periode tot 2040
te realiseren op basis van meervoudige toekomstperspectieven. Een deel van het bovengenoemde
instrumentarium wordt concreet uitgewerkt in de nieuwe GLB periode en een deel zal
pas concreet uitgewerkt en ingezet kunnen worden na de afronding van de gebiedsplannen.
Bij de uitwerking van de regelingen worden maatschappelijke partijen nauw betrokken.
-de motie-Bisschop (SGP) over met voorrang uitvoering geven aan het legalisatieprogramma
voor PAS-knelgevallen (Kamerstuk 33 576, nr. 276)
In de brief van 15 juli jongstleden26 heb ik aangekondigd dat het kabinet 250 miljoen euro beschikbaar heeft gesteld aan
de provincies om bij te dragen aan een versnelling van het uitvoeren van het legalisatieprogramma.
Hiermee beschouwt het kabinet deze motie als afgedaan.
-de motie-Van Campen (VVD) c.s. over met het komen van een voorstel waarin ammoniakruimte
die ontstaat door het voorgeschreven afbouwpad tot 2026 ingezet wordt voor de vergunningverlening
van PAS-melders, en de Kamer hierover nog dit jaar te informeren27
Via de motie van het lid Van Campen c.s.28 heeft de Tweede Kamer verzocht om te onderzoeken of de ontstane stikstofruimte door
de afbouw van de derogatie ingezet kan worden voor de vergunningverlening van PAS-melders.
De conclusie is dat het niet mogelijk is de geborgde daling van ammoniakaanwending
in te zetten voor vergunningverlening als gevolg van het afbouwpad van derogatie op
de Nitraatrichtlijn. Uit de PAS-uitspraak van de Raad van State volgt dat autonome
daling niet kan worden ingezet als mitigerende maatregel. Omdat Nederland verplicht
is om te voldoen aan de Nitraatrichtlijn, betekent dat dus dat de daling van de stikstofdepositie
die ontstaat daardoor het gevolg is van een autonome ontwikkeling en niet van een
mitigerende maatregel om de effecten van nieuwe projecten te verzachten. Daarnaast
moet de stikstofruimte die gebruikt kan worden voor toestemmingverlening (waaronder
het legaliseren van meldingen) aan strikte criteria voldoen. Zo moet op het hoogste
detailniveau bepaald kunnen worden wat de omvang is van de uitstoot en op welke plekken
die vermindert of verdwijnt. Dit detailniveau is bij de afbouw van derogatie niet
aanwezig.
Het kabinet werkt met diverse bronmaatregelen, waaronder de recent aangekondigde aanpak
piekbelasters, aan het creëren van de benodigde en juridisch zekere stikstofruimte
om PAS-meldingen mee te legaliseren. Hiermee beschouw ik de motie als afgedaan.
-de motie-Grinwis (ChristenUnie) c.s. over het toezicht op vergunningverlening voor
stikstofuitstoot door de industrie versterken29
In de brief van 25 november jongstleden over de voortgang integrale aanpak landelijk
gebied en opvolging uitspraak Raad van State over Porthos30 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over het onafhankelijk onderzoek dat ik samen
met de provincies laat uitvoeren naar de wijze waarop bevoegde instanties invulling
geven aan toezicht en handhaving van natuurvergunningen op grond van de Wnb voor wat
betreft stikstof. Uw Kamer wordt geïnformeerd zodra het onderzoek is afgerond.
-de motie-Grinwis (ChristenUnie) c.s. over onderzoeken of en hoe het inwisselen van
NH3 voor NOx bij extern salderen voorkomen kan worden31
Uit de Tussenbalans extern salderen met veehouderijen blijkt dat het grootste deel
van de verleende vergunningen (meer dan 70%) binnen de agrarische sector blijft. Dit
blijven bevoegde gezagen monitoren en zal ook nader worden getoetst in de aankomende
evaluatie van het instrument extern salderen. In die evaluatie wordt het inwisselen
van NH3 voor NOx bij extern salderen betrokken. Daarnaast zet het kabinet in op registratie van alle
vrijkomende ruimte en vrijvallende ruimte in een register, waaronder ruimte die beschikbaar
komt uit de piekbelastersaanpak, en kiest ervoor steviger regie te voeren op het uitgeven
van deze ruimte aan prioritaire projecten van nationaal belang (waaronder de PAS-melders).
Daarmee werkt het kabinet aan de oproep in de motie om bij behoefte aan stikstofruimte
voor de uitvoering van projecten van grote maatschappelijke waarde stikstofruimte
ordentelijk en transparant geregistreerd beschikbaar te stellen via een stikstofbank.
-de motie-Bisschop (SGP) over ruimte geven voor een bottom-up-aanpak van innovatieve
emissiereductie32
Het is belangrijk om ruimte te geven aan initiatieven vanuit de agrarische sector
om emissies te reduceren, deze initiatieven kunnen bijdragen aan de toekomst van de
landbouw. Belangrijke randvoorwaarden voor daadwerkelijke toepassing van initiatieven
zijn dat de gebiedsdoelen gehaald worden en dat het initiatief juridisch robuust is.
Dat laatste betekent onder andere dat het initiatief bijdraagt aan daadwerkelijke
emissiereductie, goed geborgd kan worden via toestemmingverlening waarbij voldaan
moet worden aan de gebruikelijke regels voor salderen. De beoordeling of een initiatief
past binnen de gebiedsdoelen moet plaatsvinden in de gebiedsprocessen. Provincies
geven dit proces naar eigen inzicht vorm met gebiedspartijen, waaronder burgers, agrarische
ondernemers, maatschappelijke organisaties, gemeenten en waterschappen, terreinbeherende
organisaties en Rijkspartners zoals Rijkswaterstaat en het Ministerie van Defensie.
De regieorganisatie transitie landelijk gebied (RTLG), als onderdeel van het Ministerie
van LNV, is per 1 oktober operationeel en fungeert waar nodig als vraagbaak en ondersteuning
bij gebiedsprocessen en heeft een rol bij onder meer kennisdeling.
Voor zover de emissiereductie bereikt wordt door emissiereducerende stalsystemen verwijs
ik naar de wijzigingen in het toestemmingbeleid zoals aangekondigd in de brief van
25 november jongstleden33 over de voortgang integrale aanpak landelijk gebied en opvolging uitspraak Raad van
State over Porthos en zoals ook toegelicht bij de appreciatie van de motie van het
lid Van Campen34 over succesvolle innovaties.
Daarbij wordt gezorgd dat parallel aandacht wordt besteed aan zowel de technische,
juridische, economische als maatschappelijke werking van innovaties.
Ik wil dat zoveel mogelijk bij reeds lopende (regionale) initiatieven wordt aangesloten.
De fieldlabs hoeven namelijk niet vanaf nul te worden opgebouwd. Op veel verschillende
plekken wordt al ingezet op de ontwikkeling van innovaties en sensor- en datasystemen
in praktijksetting.
Rond emissiereductie wordt ook bezien of er innovatie mogelijk is met behulp van een
stoffenbalans. In het advies van de heer Remkes is aanbevolen om te starten met een
stoffenbalans om boeren te helpen sturen op minder uitstoot van stikstof en andere
emissies. De Minister van LNV gaat samen met partijen in gesprek over hoe we werk
kunnen maken van een stoffenbalans en maakt hierover ook afspraken in het Landbouwakkoord.
Doelsturing en de stoffenbalans zijn concepten die breder gaan dan stalinnovatie en
zullen in een breder perspectief worden geplaatst dat de Minister van LNV in het kader
van het landbouwakkoord uitwerkt.
Aandacht voor innovatie beperkt zich niet alleen tot emissiereductie. In fieldlabs
wordt er breder gekeken. Het doel van de fieldlabs is succesvolle marktintroductie
van innovaties te bevorderen en ervaring op te doen met het werken met doelvoorschriften
in combinatie met real time meten. Agrariërs, ketenpartijen, kennisinstellingen, overheden
en maatschappelijke partijen kunnen in een fieldlab samen experimenteren om innovaties
in de praktijk te introduceren die bijdragen aan de emissiedoelen voor ammoniak, methaan,
geur en fijnstof, verbeterd ondernemerschap en verdienvermogen en het bevorderen van
dierenwelzijn.
-de motie-Van Campen (VVD) c.s. over bezien welke innovaties succesvol zijn of grote
potentie hebben voor vermindering van stikstofemissies35
Innovaties hebben een belangrijke rol bij het reduceren van emissies in verschillende
sectoren. In het coalitieakkoord (Bijlage bij Kamerstuk 35 788, nr. 77) zijn hier ook financiële middelen voor benoemd. Wel is juridische borging een belangrijk
aandachtspunt. De ontwikkelingen in het toestemmingverleningsbeleid zoals verwoord
in de brief van 25 november jongstleden over de voortgang integrale aanpak landelijk
gebied en opvolging uitspraak Raad van State over Porthos36 hebben daarom ook consequenties voor de uitwerking van de motie van het lid Van Campen.
Met deze brief heeft het kabinet richting gegeven aan de wijze waarop innovaties in
de toekomst op een juridisch houdbare manier kunnen worden ingezet. Zoals in de brief
aangegeven zal ik nagaan wat de gevolgen van de wijzigingen in het toestemmingsbeleid
zijn voor de stikstofaanpak met betrekking tot innovatie. Naar verwachting worden
eind dit jaar de resultaten verwacht van analyses van Wageningen Livestock Research
over de inzetbaarheid van emissiearme technieken. Op basis hiervan zal ik begin volgend
jaar een analyse laten maken die de mogelijke gevolgen voor de stikstofaanpak in beeld
brengt.
-de motie-Grinwis (ChristenUnie) c.s. over het basispad voor stikstofemissies volledig
actualiseren in of bij de KEV 202237
Het AERIUS instrumentarium wordt jaarlijks geactualiseerd naar de meest actuele wetenschappelijke
inzichten en cijfers. De inzichten uit de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) 2022
en de nevenpublicatie «Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen» zijn onderdeel
van deze nieuwe cijfers die in de actualisatie naar AERIUS versie 2023 worden meegenomen.
Het basispad van de KEV 2022 bevat alle maatregelen die op de peildatum 1 mei 2022
voldoende concreet waren uitgewerkt. Het gaat dus om het effect van al het vastgestelde
en voorgenomen landelijk en internationaal beleid. Mee- of tegenvallers in deze ontwikkeling
kunnen impact hebben op de opgave om de omgevingswaarden voor stikstof te halen. Zodra
de beschikbare data van de KEV en emissieraming zijn verwerkt door het RIVM, kan er
in loop van 2023 ook – in relatie tot andere inzichten zoals de natuurdoelanalyses
– bijstelling plaatsvinden van de richtinggevende doelen stikstof.
-de motie-Vestering (PvdD)/Van Campen (VVD) over geen verder beleid ontwikkelen op
basis van het zoneringskaartje in het advies van de heer Remkes38
Het kabinet zal het zoneringskaartje van de heer Remkes niet gebruiken om beleid op
te baseren. Het kabinet vindt het belangrijk dat een eventuele zonering «van onderop»
ontstaat. De opgaven en oplossingsrichtingen verschillen namelijk van gebied tot gebied.
Op dat niveau kan een regionale zonering vorm krijgen. De Minister van LNV gaat met
het landbouwakkoord in gesprek over of een landelijke zonering bijdraagt aan het doorlopen
van de transitie. Als uit de lopende processen blijkt dat er behoefte is aan een bepaalde
vorm van zonering dan zal het kabinet dit verder uitwerken en inpassen binnen het
NPLG.
-de motie-Van der Plas (BBB) over een berekening van de emissiereductie die reeds
heeft plaatsgevonden sinds 2018 delen met de Kamer39
Naar aanleiding van de rekenfout in de lijst met Top 100 grootste ammoniakuitstoters
hanteert het RIVM op dit moment een publicatiestop voor stikstof-gerelateerde producten.
Dit is in afwachting van de interne evaluatie die uitgevoerd wordt om de oorzaak van
deze rekenfout te achterhalen. Ik hecht eraan dat dit zorgvuldig gebeurt, zodat dergelijke
fouten in de toekomst voorkomen kunnen worden.
De in deze motie gevraagde berekening moet door het RIVM worden uitgevoerd. De uitvraag
voor deze berekening doe ik zodra de interne evaluatie is afgerond. Ik streef ernaar
de resultaten van deze berekening uiterlijk 1 maart 2023 met de Tweede Kamer te kunnen
delen.
-de motie-Van Campen (VVD) c.s. over de AVG-rechten op een laagdrempelige manier vormgeven
bij emissiegegevens die het RIVM verzamelt en verwerkt40
Naar aanleiding van de rekenfout van het RIVM in de lijst met Top 100 grootste ammoniakuitstoters
is een extern onderzoek aangekondigd naar de kwaliteits-borgende processen binnen
het RIVM. In samenwerking met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt
dit onderzoek op dit moment vormgegeven. Het in de motie neergelegde verzoek zal een
plek krijgen in dat externe onderzoek. Alle bevindingen zullen, zodra beschikbaar,
met de Tweede Kamer worden gedeeld.
-de motie-Bromet (GroenLinks)/Thijssen (PvdA) over de mogelijkheden van metingen met
satellieten toe te passen in aanvulling op de bestaande technieken41
Met de Kamer ben ik het eens dat aardobservatie met behulp van satellieten een belangrijke
aanvulling kan zijn op het bestaande meetinstrumentarium. Voor verschillende toepassingen
wordt bij NVWA en RVO al gebruik gemaakt van satellietdata en drones. Zo controleert
de NVWA met satellietdata de teelt van vanggewassen op zand en löss-gronden en gebruikt
RVO satellietdata voor automatische detectie van mutaties van perceelbegrenzingen.
Ook voor het meten en berekenen van emissies, distributie en depositie van stikstofverbindingen
en broeikasgassen bieden satellietwaarnemingen mogelijkheden. Met het Nederlandse
aardobservatie-instrument Tropomi worden wereldwijd waarnemingen gedaan aan concentraties
broeikasgassen in de atmosfeer zoals ozon, stikstofoxiden en methaan. Recent zijn
hierdoor belangrijke methaanbronnen in India en Argentinië ontdekt. Satellietwaarnemingen
worden momenteel nog niet benut bij de modellering van stikstofdeposities in Nederland.
Vandaar dat ik een consortium bestaande uit RIVM, WUR, WenR, KNMI, TNO en CML onderzoek
laat doen naar de mogelijkheden om satellietdata te benutten in de monitoring van
concentraties en emissies en in modellen. Dit onderzoeksproject is in de zomer 2022
gestart en is onderdeel van het Nationale Kennisprogramma Stikstof (NKS) en heeft
een looptijd van 4 jaar.
-de motie-Van Campen (VVD) c.s. over een plan van aanpak voor een landelijk dekkend
meetsysteem voor emissie en depositie van NH3 en NOx42
Deze motie wordt als aansporing beschouwd voor verbetering van het bestaande systeem
en daarom als ondersteuning van wat op dit punt in gang wordt gezet. Met het Nationaal
Kennisprogramma Stikstof (NKS) wordt op de volgende wijze invulling gegeven aan de
motie. Nederland heeft al een landelijk dekkend systeem voor ammoniakemissies en -depositie:
er is een uitgebreid meetnet voor concentraties in de lucht en er worden deposities
gemeten. Het meten van depositie wordt nog verder verbeterd. Vanuit Nationaal Kennisprogramma
Stikstof (NKS) worden verbindingen gelegd tussen regionale initiatieven en het landelijk
meetnet en daarnaast wordt binnen NKS een verkenning gestart van de mogelijkheden
van satellietwaarnemingen (zie bovenstaande appreciatie op de motie van de leden Bromet
en Thijssen over de mogelijkheden van metingen met satellieten toe te passen in aanvulling
op de bestaande technieken). Voor de emissie wordt een verbinding gelegd met het deelprogramma
meten op bedrijfsniveau. In dit deelprogramma wordt samen met veehouders, juristen
en handhavers gezocht naar methoden om met sensoren emissies op bedrijfsniveau vast
te leggen. Tevens heeft dit deelprogramma als doel om de boer beter inzicht te geven
in de emissies.
Om maatschappelijke organisaties zoveel mogelijk bij het NKS te betrekken is een klankbordgroep
ingesteld met Pieter van Geel als voorzitter. Het doel is om op deze manier het meten
en berekenen zo transparant mogelijk te houden.
-de motie-Boswijk (CDA) c.s. over stimuleren dat meer provincies gaan werken met Maatwerk
met Meetwerk als onderdeel van de gebiedsgerichte aanpak43
Naast Maatwerk met Meetwerk (Lieftinghsbroek) zijn er ook andere regionale meetprojecten
die het gebiedsproces ondersteunen. Deze meetprojecten kenmerken zich door een brede
deelname van maatschappelijke organisaties die bij de stikstofproblematiek zijn betrokken.
Deze initiatieven zijn daarom belangrijk voor het draagvlak van het beleid. Binnen
het NKS verbinden we deze initiatieven met elkaar en stimuleren zo dat deze van elkaar
leren. Dit is binnen NKS een taak die aanvullend is op de taken die in de in deze
brief opgenomen motie-Van Campen (VVD) c.s. zijn beschreven. Het Ministerie van LNV
zal daarin het initiatief nemen. Hiervoor ben ik van plan om een platform te organiseren
voor de regionale initiatieven. Dat platform wordt verder gebruikt om de initiatieven
op elkaar af te stemmen en waar nodig te benutten voor de landelijke monitoring. Ik
hoop dit platform in het tweede kwartaal van 2023 te kunnen starten.
-de motie-Van Campen (VVD) c.s. over de ontwikkeling van een publieksvriendelijk digitaal
dashboard voor natuurherstel44
De uitvoering van deze motie geef ik vorm binnen de doorontwikkeling van de natuurmonitoring
waar nu aan gewerkt wordt in het kader van het Programma Natuur. Daarbij zijn ook
afspraken gemaakt rond de governancestructuur ten behoeve van de uitvoering. Deze
doorontwikkeling is hoe dan ook nodig om onder andere de benodigde informatie voor
de monitoringsrapportages die de Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorschrijft
te kunnen verkrijgen. Maatschappelijke organisaties worden betrokken bij de doorontwikkeling
van de monitoring. Er ligt met name een flinke opgave om de monitoring op gebiedsniveau
op orde te krijgen, omdat deze tot nu toe vooral op landelijk niveau gericht is. Het
in de motie beschreven dashboard kan dus stapsgewijs invulling krijgen, zodra de doorontwikkeling
van de monitoring verder vorm krijgt. Omdat de doorontwikkeling van de monitoring
een grote opgave is, zal er wel enige tijd overheen gaan voordat het dashboard volledig
gevuld kan worden. Het dashboard komt naar verwachting vanaf eind 2023 online. Ook
de informatie vanuit de natuurdoelanalyses (die getoetst worden door Ecologische Autoriteit)
zou in dit dashboard mogelijk een plek kunnen krijgen. Met het vormgeven van het dashboard
wordt monitoringsinformatie op een toegankelijke en publieksvriendelijke wijze ontsloten
waar alle stakeholders en het grote publiek gebruik van kunnen maken.
Stand van zaken toezeggingen
De Kamer zal op korte termijn een analyse ontvangen op grond waarvan provincies PAS-melders
hebben gelegaliseerd45
Het lid Van Campen (VVD) heeft in het commissiedebat Natuur van 9 november jongstleden
gevraagd om een analyse op grond waarvan provincies PAS-melders hebben gelegaliseerd.
Hierbij deel ik de meest recente stand van zaken en de wijze waarop op dit moment
gewerkt wordt aan de legalisatie.
Op 1 december jl. is de termijn gesloten waarop melders hun gegevens konden aanleveren.
Alle melders zijn hier meermaals toe uitgenodigd om zeker te stellen dat alle meldingen
die een oplossing willen, ook in beeld zijn. Het maximaal aantal meldingen dat legalisatie
behoeft is dus 2488. Alleen aan meldingen die zijn ingediend zoals tijdens het PAS
zijn bedoeld, worden vergunningen verleend. Om dat te controleren voeren de bevoegde
gezagen eerst een verificatie uit. Op dit moment zijn er door de provincies 740 dossiers
opgepakt, daarvan zijn er 245 volledig geverifieerd. De dossiers van PAS-melders met
een handhavingsverzoek worden met voorrang opgepakt.
Om te komen tot legalisatie van een PAS-melding zijn er verschillende mogelijkheden.
Met de eerste restruimte van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv)
zijn op dit moment 6 meldingen gelegaliseerd. Begin 2023 komt de tweede batch restruimte
vanuit de Srv beschikbaar waarmee naar verwachting nog enkele tientallen meldingen
gelegaliseerd kunnen worden. Het kabinet werkt aan het creëren van de benodigde en
juridisch zekere stikstofruimte met het pakket bronmaatregelen, waaronder de recent
aangekondigde aanpak piekbelasters en met een SPUK-regeling waarmee voor de provincies
€ 250 mln. beschikbaar is om waar mogelijk te versnellen en maatwerk te leveren. Naar
verwachting komt er in de loop van 2023 en in 2024 uit deze regelingen ruimte vrij
om PAS-melders mee te legaliseren.
Daarnaast hebben 28 melders een brief ontvangen met dat zij geen aanvullende stikstofruimte
en daarmee geen vergunning nodig hebben. Van één provincie is bekend dat zij bezig
zijn het met legaliseren van PAS-meldingen op basis van een ecologische beoordeling.
Hiermee beschouw ik deze toezegging als afgedaan.
Toezegging aan het lid Van der Plas (BBB) van MFIN en MLNV om het volgende mee te
nemen in de berekeningen die er gemaakt worden op het gebied van stikstof: 1. De strategische
toegevoegde waarde van het kunnen voeden van de eigen monden (voedselzekerheid). 2.
De toegevoegde waarde van de agrarische sector en alles wat daarbij komt kijken, dus
tuinders en telers. 3. De elementen iets kleiner zijn, maar die je ook wel zou willen
meewegen, zoals plattelandstoerisme.46
Zoals toegezegd aan het lid Van der Plas (BBB) in de Algemene Financiële Beschouwingen
2021 worden er verschillende elementen meegewogen in het stikstofbeleid. Het kunnen
voeden van de Nederlandse bevolking met enkel voedsel van Nederlandse landbouwgrond
is hierin geen doelstelling van het kabinet. Nederland maakt een onderdeel uit van
de Europese interne markt, is sterk verweven met internationale markten en het beleid
is erop gericht om internationale markten en handelsstromen open te houden. Verschillende
rapporten die naar aanleiding van de gevolgen van de oorlog in Oekraïne door WEcR
zijn opgesteld geven aan dat de voedselzekerheid in Nederland en de EU niet in gevaar
is.47 Op Europees niveau is het een onderdeel van de doelstellingen van het gemeenschappelijk
landbouw beleid om voedselvoorziening veilig te stellen, markten te stabiliseren en
redelijke prijzen voor verbruikers te realiseren. Op een Europees niveau is hier dus
aandacht voor, hoewel het veilig stellen van voedselvoorziening nadrukkelijk iets
anders is dan volledig zelfvoorzienend te moeten zijn op alle afzonderlijke producten.
De sociaaleconomische positie van de Nederlandse land- en tuinbouw wordt wel meegenomen
in het stikstofbeleid. In de sociaaleconomische effectenanalyse die de provincies
in de gebiedsprogramma’s opnemen wordt namelijk gekeken naar de brede welvaart en
het perspectief voor de landbouw. Hierbij wordt ook de toegevoegde waarde van de agrarische
sector meegenomen. Ook de leefbaarheid van het platteland vindt het kabinet van belang.
Momenteel wordt door de WUR in opdracht van LNV en naar aanleiding van motie Eppink48 een onderzoek gedaan naar wat bekend is over de leefbaarheid op het platteland. Naar
verwachting wordt dat begin volgend jaar afgerond. Een eerdere studie van CBS biedt
inzicht in de ecosysteemdiensten die door het agrarische ecosystemen worden geleverd,
waaronder recreatie. Ook deze thema’s kunnen worden meegenomen in de sociaaleconomische
effectenanalyse die onderdeel uitmaakt van de gebiedsprogramma’s.
De Minister voor NenS zal in samenspraak met de Minister voor Klimaat en Energie begin
januari 2023 komen met een brief over de richtinggevende doelen voor de andere sectoren
dan de landbouw, waaronder de industrie en het vervoer.49
In het coalitieakkoord is afgesproken dat alle sectoren «hun evenredige stikstofbijdrage»
moeten leveren aan het oplossen van de stikstofproblematiek. Ook uw Kamer heeft zich
hier via diverse moties over uitgesproken.
Het kabinet zal dan ook begin 2023 met indicatieve sectordoelen komen. Deze doelen
zullen vervolgens, tegelijkertijd met de regionale doelen voor NH3, op 1 juli 2023 definitief worden vastgesteld. Hiermee wordt dan ook invulling gegeven
aan de motie van het lid Van Campen c.s. over evenwichtige reductiedoelen voor industrie
en mobiliteit50; en de motie van de leden Grinwis en Boswijk over uitspreken dat elke sector zijn
aandeel stikstofemissies in gelijke mate reduceert.51
De Minister voor NenS zal een brief sturen met een doorkijk over de koppeling met
sociaal-economische aspecten vanuit de gebiedsgerichte aanpak nadat zij daarover in
gesprek is gegaan met de provincies.52
Dit zal ik doen in de loop van volgend jaar als de plannen nader uitgewerkt zijn zodat
ik ook daadwerkelijk een doorkijk kan geven. Momenteel wordt door WEcR en in samenspraak
met provincies methodologie ontwikkeld om de sociaaleconomische effecten van gebiedsprogramma’s
inzichtelijk te maken. Ik ga nader in gesprek met provincies over het gebruik van
de methodologie bij het opstellen van de sociaaleconomische analyses die in de gebiedsprogramma’s
worden opgenomen.
De Minister voor NenS heeft toegezegd dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport de Kamer voor 25 november zal informeren over hoe de externe evaluatie naar
de fout in de berekeningen van het RIVM zal worden vormgegeven.53
Het kost meer tijd om gezamenlijk met het Ministerie van Volkshuisvesting, Welzijn
en Sport (VWS) tot een zorgvuldige opdrachtverlening aan de uitvoerder van de evaluatie
te komen. Er is hierover een uitstelbrief aan de Tweede Kamer gestuurd.
Er wordt op dit moment nog met het Ministerie van VWS gesproken over de exacte opdrachtformulering.
Daarnaast zal de motie van het lid Van Campen54 in deze evaluatie worden betrokken.
Ik zal de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk informeren, zodra de opdrachtverlening
is afgerond.
Indieners
-
Indiener
Ch. van der Wal-Zeggelink, minister voor Natuur en Stikstof