Brief regering : Voortgangsrapportage passend onderwijs mbo
31 497 Passend onderwijs
Nr. 438
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 juni 2022
1 Gelijke kansen voor studenten met een extra ondersteuningsbehoefte
Alle studenten in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) moeten optimale kansen krijgen
om hun vaardigheden en potentie ten volle te kunnen ontplooien, ook jongeren met een
extra ondersteuningsbehoefte. Het uitgangspunt is dat het onderwijs in de basis inclusief
moet zijn, waardoor iedereen mee kan doen. En dat studenten met en zonder ondersteuningsvraag
samen in de klas zitten, stage lopen en werken. Het onderwijs is dan zo ingericht
dat het onderwijs zich aanpast aan de student in plaats van andersom. De opgave van
inclusief, passend onderwijs raakt aan het hele onderwijsproces, van de oriëntatie
op het mbo tot aan de overstap naar werk. Aandacht, begeleiding en maatwerk zijn daarbij
en bij van gelijke kansen voor jongeren met een ondersteuningsbehoefte essentieel.
Volgens de evaluatie van het passend onderwijs uit 20201 zijn mbo-studenten met een extra ondersteuningsbehoefte meestal tevreden over de
ondersteuning die zij van hun school krijgen. Uit die tevredenheid kan worden afgeleid
dat het op zich goed gaat met het passend onderwijs op het mbo. Dat is een groot compliment
aan alle professionals die betrokken zijn bij het mbo. In gesprekken met mbo-instellingen
merk ik dat docenten, begeleiders en teamleiders zich enorm inspannen om kansen te
bieden aan alle studenten met een ondersteuningsbehoefte, waarbij zij steeds beter
in weten te spelen op wat de student nodig heeft. Ik heb bewondering voor de bekwaamheid
en gedrevenheid waarmee zij dit doen.
Ondanks deze positieve ontwikkelingen en forse inzet, zijn we er nog niet. Uit de
genoemde evaluatie van het passend onderwijs blijkt namelijk ook dat er verschillende
opgaven liggen om het onderwijs nog passender te maken. Om te zorgen dat op deze punten
stappen worden gezet, is in 2020 de Verbeteragenda passend onderwijs mbo ingesteld2, waarover ik uw Kamer in deze voortgangsbrief informeer over de stand van zaken.
Het beeld is dat we een goed eind op weg zijn met het realiseren van de verschillende
acties in de agenda. De komende jaren is er nog wel onverminderde inzet nodig om het
onderwijs zo passend en inclusief mogelijk te maken. Ik doe dat samen met het onderwijs,
jongeren en andere partners.
Omdat ik de doorontwikkeling van het passend onderwijs in het mbo erg belangrijk vind,
zal ik deze opnemen in de werkagenda mbo. Die werkagenda zal ik na Prinsjesdag aan
uw Kamer sturen. Nog voor de zomer ontvangt uw Kamer een brief over de kaders waarbinnen
de mbo werkagenda tot stand komt.
In de werkagenda neem ik ook stappen om te investeren in een belangrijke randvoorwaarde
voor het kunnen bieden van een goede ondersteuning aan jongeren die dit nodig hebben:
voldoende ruimte voor persoonlijke begeleiding en maatwerk in kleine klassen.
Hierna leest u per verbeterlijn van de verbeteragenda de belangrijkste voortgang.
In de verbeterlijnen werkt mijn ministerie in verschillende werkgroepen intensief
samen met partners, zoals de Jongerenorganisatie Beroepsonderwijs (JOB), MBO Raad,
Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven (SBB), Ingrado, Expertisecentrum
Inclusief Onderwijs (ECIO), Ouders en Onderwijs, Nederlands Jeugdinstituut (Nji),
Iederin en JongPIT. Ik ga per verbeterlijn in op relevante moties van en toezeggingen
aan uw Kamer. Ik sluit de brief af met een beschrijving van mijn voornemen om de ontwikkeling
van het passend onderwijs te monitoren, zodat we scherp blijven op de mogelijkheden
voor verdere verbetering.
2 Stand van zaken per verbeterlijn
2.1 Verbetering van de intake van aspirant-studenten en betrokkenheid van hun ouders
Passend onderwijs begint bij een goede intake. Doorlopende begeleiding vanuit het
voortgezet (speciaal) onderwijs naar het mbo en tijdens het onderwijs is essentieel
voor het studiesucces van studenten met een extra ondersteuningsbehoefte.
Resultaten
Goede begeleiding start bij goede voorlichting. Het uitgangspunt is dat alle informatie
over voorzieningen en regelingen voor mbo-studenten met een functiebeperking of ondersteuningsvraag
vindbaar is op één centrale plek: mbotoegankelijk.nl. Afgelopen jaar is door het Expertisecentrum
Inclusief Onderwijs (ECIO) gewerkt aan verbetering van de informatievoorziening en
de vindbaarheid op deze site. Om studenten goed te informeren, heeft OCW ook bijgedragen
aan de ontwikkeling en verspreiding van de gids Zorgeloos naar school. Deze gids is
gericht op studenten met een chronische aandoening, hun ouders en docenten en zit
boordevol handvatten en praktische informatie gericht op verschillende sleutelmomenten
tijdens de schoolloopbaan. Inmiddels is de gids door bijna 1000 studenten, docenten,
begeleiders en ouders besteld en toe aan de tweede druk. Hij is online te downloaden
of te bestellen3.
Om de ouderbetrokkenheid bij het kiezen en volgen van een opleiding te vergroten,
is Ouders en Onderwijs vanaf 2022 ook actief in het mbo. Zij zijn bezig met het opzetten
van een netwerk van ouders en zullen OCW gevraagd en ongevraagd advies geven.
Opgave komende periode
Momenteel wordt hard gewerkt aan een routekaart waarmee mbo-instellingen hun intake
en begeleiding beter kunnen organiseren en waarmee ze het perspectief van de jongere
die gaat studeren meer centraal stellen. Het doel is dat de ondersteuningsbehoefte
sneller bekend is, het ondersteuningsproces bij mbo-instellingen beter aansluit op
de behoefte van de student en er meer uniformiteit ontstaat tussen en binnen mbo-instellingen.
In de tweede helft van 2022 wordt de routekaart gepubliceerd.
Ook wordt de informatievoorziening verder verbeterd. Hierbij richt ECIO zich ook op
het beter aansluiten van het informatieaanbod van mbo-instellingen op de ondersteuningsbehoefte
van de student. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de aanbevelingen van het programma
Mens Centraal4 en intensief samengewerkt met andere partners zoals JOB, Iederin, JongPIT en de MBO
Raad.
Aandacht voor overgang speciaal onderwijs naar mbo
In reactie op de motie van de leden Westerveld en Kwint5 informeer ik u dat ik bezig ben met betrokken sectorraden en cliëntenorganisaties
te verkennen wat er nodig is om (1) in het vso de voorbereiding op deelname aan vervolgonderwijs
in het mbo te verbeteren en (2) in het mbo de jongeren die vanuit het vso instromen
beter te kunnen begeleiden. Ik streef ernaar uw Kamer eind dit jaar hierover nader
te informeren.
Onderzoek naar WEB en WHW
Naar aanleiding van de motie van de leden Kuik en Westerveld6 en de toezegging van mijn voorganger om onderzoek te laten doen7, is in opdracht van het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) en het Ministerie
van OCW een verkennende studie uitgevoerd door KBA Nijmegen8 die ik bij deze rapportage meestuur aan uw Kamer9.
Uit de juridische analyse in deze studie komt naar voren, dat het de intentie van
de wetgever is om extra faciliteiten en ondersteuning voor een bredere doelgroep van
studenten toegankelijk te maken. Dit zijn niet alleen studenten met een handicap of
chronische ziekte, maar ook studenten met bijzondere omstandigheden, zoals studenten
met mantelzorgtaken of die zwanger zijn. Tegelijkertijd is het wettelijk kader voor
studenten met bijzondere omstandigheden niet hetzelfde als voor studenten met een
handicap of chronische ziekte. De onderzoekers pleiten er niet voor om de rechten
van de student op extra faciliteiten en ondersteuning in wet- en regelgeving beter,
uitgebreider of gedetailleerder vast te leggen. Deze mate van detaillering sluit niet
goed aan op de diversiteit die er bestaat in vormen van begeleiding en ondersteuning,
noch op de breedte en diversiteit van de doelgroep waar de ondersteuningsvraag in
plaats van de beperking van de student centraal staat.
In de praktijk blijken mbo-instellingen veelal alle jongeren met een extra ondersteuningsbehoefte
te ondersteunen en begeleiden, dus ook studenten met bijzondere omstandigheden. In
het hoger onderwijs is in het beleid van de instellingen en de uitvoering ervan relatief
beperkter aandacht voor de groep met bijzondere omstandigheden. Het aanbod van voorzieningen
richt zich meer op studenten met een handicap of chronische ziekte. Wel is in het
hoger onderwijs een verbreding zichtbaar in de doelgroep, met ruimere aandacht voor
studentenwelzijn.
Ik vind het belangrijk dat de onderzoekers niet hebben kunnen vaststellen dat het
gebrek aan eenduidigheid in de wetgeving leidt tot ongewenste situaties als ongelijke
behandeling van studenten in vergelijkbare situaties en tot studie-uitval van studenten
die geen of onvoldoende faciliteiten of ondersteuning krijgen. Gezien de beperkte
omvang van dit deel van het onderzoek wil ik hier beter zicht op krijgen. Dat doe
ik via de monitor passend onderwijs die ik voor het mbo laat inrichten en via de jaarlijkse
monitor beleidsmaatregelen voor het hoger onderwijs. In de afsluitende paragraaf ga
ik verder in op mijn plannen met de monitoring voor het mbo.
Het verbeteren van de informatievoorziening aan studenten met een extra ondersteuningsbehoefte
is een belangrijk aandachtspunt. Uit onderzoek blijkt dat deze informatievoorziening
meer vanuit het perspectief van de student ingericht moet worden, het bewustzijn van
de student moet versterken en op een actieve manier moet plaatsvinden (dus niet alleen
via documenten als het Onderwijs- en examenreglement)10. Daarom wordt dit jaar een onderzoek uitgezet door het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek
(NRO) met als onderwerp hoe beschikbare kennis beter kan worden gedeeld en gevonden
door de instellingen. Resultaten worden eind 2023 verwacht.
Met dit onderzoek en het onderhavige onderzoek van KBA komt veel kennis beschikbaar
over het werken aan inclusiviteit en het ontsluiten van informatie daarover. Daarom
acht ik het niet nodig om nog aanvullend onderzoek te laten doen door de Onderwijsraad,
zoals verzocht in de motie van het lid Van Meenen11.
Mijn voorganger heeft reeds toegezegd om de resultaten van het onderzoek als uitgangspunt
te nemen bij de uitvoering van de motie.
2.2. Verbetering van de kwaliteit van ondersteuning door onderwijsteams
In gesprek met studenten merk ik dat scholen steeds meer kijken naar wat een student
nodig heeft, in plaats van naar de beperking van de student. Studenten geven aan dat
maatwerk en goede begeleiding essentieel is, waarbij deze begeleiding zoveel als mogelijk
in de klas georganiseerd wordt. Dit vergt inzet, flexibiliteit en professionaliteit
van het onderwijsteam. Ik heb gemerkt dat mbo-scholen hier met veel inzet mee aan
de slag zijn, waar ik ze in wil blijven ondersteunen.
Resultaten
Om de kwaliteit van de ondersteuning te versterken organiseert ECIO kennisdeling tussen
instellingen en ontwikkelt het praktische handreikingen. Zo faciliteren zij dat instellingen
digitaal toegankelijker worden, bijvoorbeeld door te zorgen dat er kennis is over
het gebruik van ICT-systemen voor mensen met een zintuigelijke of andere beperking.
Ook stimuleren zij dat scholen inclusief toetsen en examineren. Dit houdt in dat scholen
alternatieve toetsvormen aanbieden voor studenten die dit nodig hebben en waarmee
aan dezelfde eisen van de opleiding wordt voldaan.
Hoe onderwijsteams effectief kunnen differentiëren en inspelen op de behoefte van
elke student, staat centraal in een via NRO uitgezet praktijkgericht onderwijsonderzoek
naar differentiëren in het mbo. In werkplaatsen gaan onderwijsteams praktisch aan
de slag, waarbij samen met betrokken onderzoekers wordt bekeken wat goed werkt en
wat niet. Deze kennis wordt beschreven en gedeeld met andere scholen en onderwijsteams.
Dit praktijkgerichte onderzoek loopt van september 2022 tot minimaal 2024.
Opgave komende periode
Komende periode wordt bekeken welke stappen gezet kunnen worden om docenten beter
toe te rusten via bijvoorbeeld de docentenopleiding, coaching op het werk en aanvullende
cursussen. Daarbij wordt ook de afstemming wordt gezocht met het basis- en voortgezet
onderwijs.
Daarnaast werkt ECIO aan het versterken van commitment op de uitvoering van het VN-verdrag
handicap. In het hoger onderwijs is hier een intentieverklaring voor ontwikkeld die
reeds door 22 instellingen is ondertekend. Hiermee werken instellingen samen bij de
implementatie van het VN-verdrag en wisselen hierover kennis met elkaar uit. ECIO
werkt eraan dat ook mbo-instellingen zich hieraan committeren.
Tot slot werk ik op basis van de motie van de leden Jetten en Van der Hul aan een
wijziging van artikel 19a van de Wet Overige OCW-Subsidies om de onderwijsvoorziening
zo aan te passen dat personen ouder dan 30 jaar gebruik kunnen maken van een onderwijsvoorziening12. Dit zijn voorzieningen die het mogelijk maken dat mensen met een beperking onderwijs
kunnen volgen, bijvoorbeeld door een tolk, aangepaste auto, software of meubilair.
Direct na de zomer verwacht ik dat dit wetsvoorstel in internetconsultatie gaat.
2.3. Verbetering van de samenwerking tussen mbo, jeugdhulp en volwassenenzorg
Het bieden van ondersteuning aan jongeren is een opgave die het mbo niet alleen kan
dragen. De chronische en tijdelijke problemen van studenten hebben veelal betrekking
op meerdere levensgebieden van een student. Naast de onderwijsondersteuning is dan
ook vaak steun nodig vanuit medische zorg, jeugdhulp of gemeentelijke sociale voorzieningen.
De samenwerking tussen mbo-instellingen, jeugdhulp, zorg en de volwassenen GGZ kan
beter.
Resultaten en opgave komende periode
Om de samenwerking tussen mbo-instellingen, jeugdhulp, zorg en de volwassenen GGZ
te versterken, is het Nji gevraagd om in beeld te brengen welke voorbeelden van samenwerking
er al zijn die mbo-scholen en partners in het sociaal domein kunnen inspireren tot
verbetering van de onderlinge samenwerking. Hiervoor werkt Nji aan een overzicht van
vraagstukken op het gebied van hulp of volwassenenzorg die er kunnen leven in de wereld
van de student en hoe en met welke partijen en functionarissen mbo-scholen kunnen
samenwerken om de benodigde hulp of zorg te organiseren. Daarbij wordt ook gekeken
naar uitdagingen die mbo-scholen ervaren in de samenwerking. De uitdagingen gaan over
bijvoorbeeld de overgang van wettelijke kaders (van jeugdzorg naar WMO en volwassenenzorg)
als studenten 18 jaar worden, de continuïteit van project- of pilotfinanciering van
samenwerking, en over hoe mbo-scholen en gemeenten zich tot elkaar verhouden in de
verantwoordelijkheid voor de zorg voor studenten, gegeven het feit dat de studenten
woonachtig zijn in een zeer groot aantal gemeenten buiten de vestigingsgemeente van
de schoollocatie. Dit inspiratiedocument wordt eind 2022 opgeleverd.
Daarnaast wordt uitvoering gegeven aan de motie van het lid Rog omtrent aansluiting
van het vavo op de samenwerkingsverbanden passend onderwijs13. Per 1 januari 2019 zijn mbo-scholen (waar het vavo onder valt) namelijk verplicht
om aan te sluiten bij het Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO) tussen gemeenten
en samenwerkingsverbanden passend onderwijs voor het voortgezet onderwijs (vo) in
de regio van het samenwerkingsverband waar de scholen één of meer vestigingen hebben.
De samenwerkingsverbanden vo hebben de taak om mbo-scholen uit te nodigen voor dit
overleg. Verder heeft het NJi de handreiking «Sterke netwerken rond kwetsbare jongeren» ontwikkeld, die bestuurlijke adviezen geeft en voorbeelden uit de praktijk die laten
zien hoe regionale samenwerking vorm kan krijgen. Deze handreiking heeft als doel
dat voor alle jongeren met een ondersteuningsbehoefte passende begeleiding geregeld
kan worden.
2.4 Verbetering van de begeleiding van studenten met een ondersteuningsbehoefte bij
stages en hun eerste stappen op de arbeidsmarkt
Het is van het allergrootste belang dat ook studenten met een extra ondersteuningsbehoefte
plezierig en succesvol praktijkervaring kunnen doen. De beroepspraktijkvorming14 (BPV) is een belangrijk onderdeel van de opleiding. Daarom dient ook bij de BPV passende
ondersteuning en begeleiding te worden geboden, zowel bij het vinden van een passende
BPV-plek als tijdens de BPV-periode.
Resultaten
Uit navraag bij BPV-begeleiders en mbo-studenten met een extra ondersteuningsbehoefte
bleek dat deze studenten behoefte hebben aan maatwerk en aan intensievere betrokkenheid
van begeleiders. BPV-begeleiders hebben behoefte aan meer kennis en tijd om maatwerk
te bieden. Leerbedrijven willen goed voorbereid worden op de komst van een student
met een extra ondersteuningsbehoefte, zodat zij direct de passende begeleiding kunnen
bieden.
Samen met Ingrado is daarom gewerkt aan de totstandkoming van het «BPV-handboek voor
de begeleiding van mbo-studenten met extra ondersteuningsbehoefte»15. Op 30 mei jl. heb ik dit handboek gelanceerd tijdens een landelijke bijeenkomst16 waaraan ruim 280 begeleiders bij BPV hebben deelgenomen. Het BPV-handboek bevat overzichten,
tips, handreikingen en informatie voor professionals die zich bezighouden met de begeleiding
van mbo-studenten voor, tijdens en na de BPV.
Opgave komende periode
In het najaar gaan we aan de slag om dit handboek ook op regionaal niveau onder de
aandacht te brengen van begeleiders in de scholen en leerbedrijven. Vervolgens zullen
we onze aandacht gaan richten op een soepele overgang van opleiding naar werk voor
mbo-studenten met een extra ondersteuningsbehoefte.
Tot slot ga ik in op de toezegging die mijn voorganger heeft gedaan17 aan het lid Van den Hul over inclusieve leerwerkbedrijven. In de brief van mijn voorganger
van 2 juli 202118 is het advies van SBB over inclusief leerbedrijf19 samengevat en aangegeven dat OCW met de acties uit dit advies aan de slag gaat. Ondertussen
heeft de SBB gewerkt aan:
– Het vergroten van kennis en bewustzijn onder leerbedrijven, onder meer door materialen
en hulpmiddelen te ontwikkelen voor praktijkbegeleiders over begeleiden op maat en
door aanbod van een webinar en workshops over begeleiden op maat voor praktijkopleiders.
– Het verbeteren van de vindbaarheid van passende stages op stagemarkt.nl en leerbanenmarkt.nl
door selectiefilters («Mogelijkheden voor begeleiding op maat» en «Bereid om te werken
aan fysieke toegankelijkheid») toe te voegen die een zoekopdracht naar een stage of
leerbaan kunnen verfijnen.
Het advies van SBB bevatte ook actiepunten voor scholen, waaronder het werk maken
van warme matching, oftewel relatiebeheer met bedrijven in de regio, en het ondersteunen
van leerbedrijven in passende begeleiding. Hoe scholen dit kunnen doen is opgenomen
in het BPV-handboek. Daarin is ook ruimschoots aandacht voor de wijze waarop in afstemming
met de student maatwerk geboden kan worden voor en tijdens de BPV.
3 Monitoring
Het is van belang dat we de komende jaren goed in de gaten houden of de inzet vanuit
de Verbeteragenda passend onderwijs en vanuit de werkagenda mbo zijn vruchten zal
afwerpen. Goede monitoring van het resultaat is belangrijk om na te gaan of we de
gewenste verbeterpunten realiseren. Vanuit mijn ministerie is daarom een opdracht
verstrekt voor het maken en uitvoeren van een monitor passend onderwijs in het mbo
in 2022, 2024 en 2026. In de volgende voorgangsrapportage, die uw Kamer eind 2023
krijgt, zullen de uitkomsten van de eerste meting worden meegenomen. Ondertussen blijf
ik met alle partners onverminderd inzetten op een goede uitrol van de Verbeteragenda.
Ik waardeer ieders inzet voor een succesvolle doorontwikkeling van het passend onderwijs
zeer en zie uit naar de verdere samenwerking.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.H. Dijkgraaf
Indieners
-
Indiener
R.H. Dijkgraaf, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap