Brief regering : Uitvoering van diverse aangenomen moties en toezeggingen voor met name het primair en voortgezet onderwijs en informatie over de ontwikkelingen op een aantal thema’s
31 293 Primair Onderwijs
31 289
Voortgezet Onderwijs
31 497
Passend onderwijs
Nr. 573
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BASIS- EN VOORTGEZET ONDERWIJS EN MEDIA
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 januari 2021
Met deze brief informeer ik u over de uitvoering van diverse aangenomen moties en
toezeggingen voor met name het primair en voortgezet onderwijs. Daarnaast informeer
ik u over de ontwikkelingen op een aantal thema’s.
Reserves samenwerkingsverbanden
Op 24 november 2020 zijn twee moties aangenomen die betrekking hebben op de reserves
van samenwerkingsverbanden passend onderwijs. De eerste motie is van de leden Westerveld,
Kwint en Van den Hul, die de regering verzoekt om vanaf 2022 (over boekjaar 2021)
al te handhaven op de bovenmatige reserves van samenwerkingsverbanden.1 De tweede motie is van het lid Van Meenen, die de regering verzoekt om de reserves
van de samenwerkingsverbanden per direct terug te vorderen. 2 Beide moties willen dat het geld wordt ingezet voor het doel waarvoor het verstrekt
is, namelijk voor ondersteuning van kinderen en leraren. Naar aanleiding van de stemming
over de moties ben ik door het lid Van Meenen verzocht om met een reactie te komen
over hoe ik de moties ga uitvoeren.3
Ik deel de achterliggende motieven waarom beide moties zijn ingediend. Ik heb op meerdere
momenten aangegeven dat samenwerkingsverbanden in beperkte mate reserves kunnen aanhouden,
maar dat de huidige omvang onacceptabel is. In dat kader heb ik in mijn brief «Verbeteraanpak
passend onderwijs en route naar inclusief onderwijs» een extra maatregel aangekondigd
om ervoor te zorgen dat de reserves van samenwerkingsverbanden versneld worden afgebouwd.4 Samenwerkingsverbanden moeten hier voor 1 februari 2021 een gezamenlijk plan voor
indienen. Wanneer dat plan er niet komt of het niet goed genoeg is, zal ik het budget
van samenwerkingsverbanden in 2021 generiek korten. Een samenwerkingsverband krijgt
het gekorte budget terug als de reserves van het samenwerkingsverband onder de signaleringswaarde
van de inspectie zitten of als ze met een individueel plan komen om reserves versneld
af te bouwen. Dat plan moet zijn afgestemd met de ondersteuningsplanraad en het intern
toezicht. Met deze maatregel grijp ik al in 2021 in. Op deze manier geef ik invulling
aan de motie van de leden Westerveld, Kwint en Van den Hul.
Wanneer het geld niet besteed wordt, is het terugvorderen ervan, zoals bedoeld in
de motie van het lid Van Meenen, juridisch complex. De wet schrijft voor dat schoolbesturen
en samenwerkingsverbanden bekostiging van mij ontvangen en aan welke bestedingsvoorwaarden
moet worden voldaan. Daar staat niets beschreven over het aanhouden van reserves en
de mate waarin. Ik kan op basis hiervan niet terugvorderen. Met de bovengenoemde extra
maatregel voor samenwerkingsverbanden beoog ik echter wel hetzelfde te bewerkstelligen,
namelijk dat ik samenwerkingsverbanden die geen plannen maken of hier onvoldoende
voortgang op maken minder geld geef. Met deze maatregel kan ik op korte termijn invulling
geven aan de motie van het lid Van Meenen.
Geld moet niet op de plank liggen, maar zo snel mogelijk ingezet worden voor de ondersteuning
van leerlingen en docenten. De extra maatregel die ik heb aangekondigd zal dit ook
bewerkstelligen. Samenwerkingsverbanden moeten met goede plannen komen om hun reserves
op een doelmatige manier versneld in te zetten. Gebeurt dat niet, dan zullen zij minder
bekostiging ontvangen.
Inrichten van nieuwe hoofdvestigingen voor (v)so
Hierbij informeer ik u over de uitwerking van de gewijzigde motie van het lid Kwint
over het wegnemen van wettelijke belemmeringen en inperkingen voor het inrichten van
een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs.5
Vanwege corona en andere prioriteiten heeft de uitwerking van de motie vertraging
opgelopen. Deze tijd heb ik gebruikt om door een onafhankelijk onderzoeksbureau een
onderzoek uit te laten zetten bij de samenwerkingsverbanden passend onderwijs. In
dit onderzoek is onder andere gevraagd of het huidige ondersteuningsaanbod toereikend
is en of er behoefte is aan nieuwe hoofdvestigingen (v)so. Het rapport zend ik als
bijlage mee met deze brief.6 In het onderzoek geeft ongeveer de helft van de samenwerkingsverbanden aan dat het
huidige (v)so aanbod nog ontoereikend is. Voor een groot deel wordt dit opgelost door
gebruik te maken van het aanbod in aanpalende regio’s. Ook geeft een helft van de
samenwerkingsverbanden aan dat er plannen zijn om het huidige aanbod uit te breiden.
De wijze waarop zij dit willen doen is heel verschillend; het inrichten van een nevenvestiging
(v)so of het organiseren van meer maatwerkarrangementen of meer inclusiever onderwijs.
Slechts twee van de 150 samenwerkingsverbanden geven aan dat zij een nieuwe hoofdvestiging
zouden willen inrichten. Voor het speciaal basisonderwijs (sbo) geldt dat voor één
samenwerkingsverband.
Het doel van de motie, namelijk het realiseren van een dekkend aanbod en voor alle
leerling een passend aanbod, omarm ik. De manier waarop ik hier uitvoering aan geef
heb ik op 16 november 2020 uitgebreid met uw Kamer besproken tijdens het notaoverleg
over de evaluatie passend onderwijs, zowel in de verbeteraanpak passend onderwijs
als in de route naar inclusiever onderwijs.7
Het onderzoek laat zien dat nagenoeg alle samenwerkingsverbanden uit de voeten kunnen
met de opties die er nu zijn, zoals het inrichten van een nieuwe nevenvestiging (v)so.
Daarnaast zal de verbeteraanpak passend onderwijs ook bijdragen aan het vinden van
beter passende plekken voor de leerlingen die het nodig hebben. Tot slot past het
inrichten van nieuwe hoofdvestigingen (v)so niet in de door uw Kamer ondersteunde
routekaart naar meer inclusief onderwijs.
Vertegenwoordiging ouders in kwaliteitsbeoordeling van de onderwijsinspectie
Tijdens het VSO Ondersteuning van zeer makkelijk lerende of (hoog)begaafde kinderen
in het onderwijs heeft het lid Westerveld gevraagd of een vertegenwoordiging van ouders
met kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte standaard meegenomen kan worden
in de kwaliteitsbeoordeling van de onderwijsinspectie.8
9 Ik heb ook de toezegging gedaan te onderzoeken of dit mogelijk is en de Kamer hierover
te rapporteren.10
Terecht stelt het lid Westerveld dat de Inspectie van het Onderwijs (hierna: Inspectie)
geen klachten van individuele ouders kan aannemen. Ouders kunnen bij de onderwijsinspectie
echter wel melding maken van zaken waar zij tegenaan lopen. Dit wordt door de Inspectie
als een signaal geregistreerd. Indien het signaal ernstig is of indien er van een
school meerdere signalen binnenkomen, neemt de Inspectie contact op met de desbetreffende
school. De Inspectie kan bij het onderzoek op de desbetreffende school ook een vertegenwoordiging
van ouders bevragen.
In de Beleidsnota Evaluatie en verbeteraanpak passend onderwijs presenteer ik een
heldere escalatieladder die het voor ouders inzichtelijk maakt welke stappen zij wel
kunnen nemen als zij klachten hebben over de invulling van de extra ondersteuningsbehoefte
van hun kind.11
De zorgen die het lid Westerveld uit in de motie, namelijk dat de ouders van deze
diverse groep kinderen soms hinder ondervinden bij het vinden van passend onderwijs
en dat scholen wél een zorgplicht hebben, maar dat dit in de praktijk soms botst met
het gewenste maatwerk, erken ik en heb ik ook geadresseerd in de beleidsnota en verbeteraanpak
Evaluatie passend onderwijs. Uitvoering van de voorgestelde maatregelen moet ertoe leiden dat steeds meer kinderen
onderwijs krijgen dat zo goed mogelijk op hun behoeften aansluit.
Ik heb conform mijn toezegging gesprekken gevoerd met de Inspectie over de mogelijkheid,
maar ook over de noodzaak van het standaard opnemen van een vertegenwoordiging van
ouders met kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte in de kwaliteitsbeoordeling
van de onderwijsinspectie.
De Inspectie werkt op dit moment aan bijstelling van het onderzoekskader dat op 1 augustus
2021 van kracht wordt. In zowel het huidige als het vernieuwde kader is, in lijn met
de verbetermaatregelen in de Beleidsnota Evaluatie en verbeteraanpak passend onderwijs,
aandacht voor de wettelijke verplichting van een school om ouders te betrekken bij
het tot stand brengen van passend onderwijsaanbod aan de leerling, onder andere wat
betreft de inhoud, uitvoering en evaluatie van het ontwikkelingsperspectief. In het
nieuwe onderzoekskader wordt verder nog duidelijker gemaakt dat van scholen wordt
verwacht dat zij de ouders betrekken bij het zoeken naar een passende onderwijsplek
als de school niet aan de zorgplicht kan voldoen. Verder spreekt de Inspectie tijdens
het vierjaarlijks onderzoek bij besturen altijd met het medezeggenschapsorgaan van
het bestuur. Hierin zijn ook de ouders vertegenwoordigd.
Ik vertrouw erop dat het nieuwe onderzoekskader in combinatie met de verbetermaatregelen
in de bovengenoemde beleidsnota en de signaleringsfunctie van de Inspectie, waarbij
zij de mogelijkheid heeft ouders te bevragen, voldoende waarborgen biedt om zoals
het lid Westerveld het stelt «potentieel waardevolle informatie over dit maatwerk»
op te halen en uiteindelijk tot onderwijs voor elk kind te komen. Een standaardvertegenwoordiging
van ouders in de kwaliteitsbeoordeling van de onderwijsinspectie lijkt mij daarom
op dit moment niet noodzakelijk.
Invloed SES van ouders op ondersteuning aan kinderen
De motie van de leden Westerveld en Kwint verzoekt mij om in kaart te brengen of sociaaleconomische
factoren en het opleidingsniveau van ouders een rol spelen in de mate waarin een kind
ondersteuning krijgt.12
Zoals ik in mijn brief d.d. 18 december 2020 betreffende de Beleidsagenda tegen segregatie
in het funderend onderwijs heb aangegeven is het helaas een feit dat de sociaal economische
status van ouders van invloed kan zijn op de onderwijscarrière van hun kind en de
ondersteuning die het kind tijdens deze carrière krijgt.13 In de bovengenoemde brief verwijs ik reeds naar onderzoeken die dit staven, waaronder
die van Bovens et al., de Onderwijsraad en de Inspectie van het Onderwijs.14
Het lijkt mij gezien de onderzoeken die er al liggen niet noodzakelijk om opnieuw
onderzoek te doen naar de rol van de sociaaleconomische status en de opleiding van
ouders in de mate van ondersteuning van het kind. Ik zet liever in op hoe dit in de
nabije toekomst zoveel mogelijk voorkomen kan worden. In het kader van passend onderwijs
heb ik hiertoe in de Beleidsnota Evaluatie en verbeteraanpak passend onderwijs verschillende
maatregelen geformuleerd die ertoe zullen bijdragen dat ouders, ongeacht hun achtergrond,
voldoende geïnformeerd worden over de ondersteuningsmogelijkheden van hun en ondersteund
worden bij het realiseren van die mogelijkheden.15 Ook heb ik maatregelen geformuleerd die ervoor zullen zorgen dat scholen hun zorgplicht
niet kunnen ontlopen.
Wachtlijsten speciaal onderwijs
In verschillende debatten heb ik toegezegd u te informeren over wachtlijsten in het
speciaal onderwijs. Uit gesprekken met de PO-Raad en het Landelijk Expertise Centrum
Speciaal Onderwijs (Lecso) blijkt dat er verschillende redenen kunnen zijn waarom
een leerling op een wachtlijst staat. De meest voorkomende zijn dat de procedure om
een toelaatbaarheidsverklaring (tlv) af te geven nog niet is afgerond of dat de school
bepaalde instroommomenten hanteert om de rust in de klas niet te veel te verstoren.
Ook kan het zijn dat de leerling wacht op behandeling en pas kan worden toegelaten
tot de school als de behandeling is gestart.
Dat een leerling wacht op toelating of plaatsing betekent niet dat de leerling zonder
onderwijs thuiszit. In de meeste gevallen zal een leerling nog gewoon op school zitten
met extra ondersteuning vanuit het samenwerkingsverband. Lecso heeft hier een aantal
keren een uitvraag naar gedaan en daar kwamen geen verontrustende beelden uit naar
voren. U heeft mij in het debat over de evaluatie passend onderwijs gevraagd de wachtlijsten
in het speciaal onderwijs te monitoren. Ik ben daarover onder meer in gesprek met
de Inspectie van het Onderwijs om te bepalen hoe hier invulling aan te geven en hoop
u voor de zomer te informeren over de uitkomsten van deze gesprekken.
Toezicht op het speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs
U heeft een motie van het lid Van Meenen aangenomen, waarin u vraagt om samen met
de sector te bezien hoe het toezicht op het speciaal basisonderwijs en het speciaal
onderwijs beter kan aansluiten bij de praktijk op scholen.16 De Inspectie van het Onderwijs werkt op dit moment aan de nieuwe onderzoekskaders
voor de komende vijf jaar. Die kaders komen tot stand in overleg met vele partijen,
waaronder vertegenwoordigers van het betrokken onderwijsveld. De nieuwe onderzoekskaders
zullen voor de zomer ter informatie aan uw Kamer worden gezonden.
Het toepassen van maximale coulance bij de herindicatie van tlv’s
U heeft een motie van de leden Van Meenen en Westerveld aangenomen waarin u mij vraagt
de samenwerkingsverbanden vanwege corona op te dragen maximale coulance toe te passen
bij de herindicatie van toelaatbaarheidsverklaringen voor het schooljaar 2020–2021.17 Uit overleg met onder andere het Netwerk Leidinggevenden Passend Onderwijs is gebleken
dat samenwerkingsverbanden voor herindicatie een lichte (veelal digitale) procedure
volgen voor het verlengen van een toelaatbaarheidsverklaring. Op het moment dat de
motie werd ingediend hadden de meeste scholen de aanvragen al ingediend. Er is niet
gebleken dat er, door corona, sprake was van achterstanden in het afgeven van de toelaatbaarheidsverklaringen.
Zorgbeschikking voor regulier onderwijs aan gehandicapt kind
De leden Kwint en Westerveld hebben een gewijzigde motie ingediend waarin wordt gevraagd
om in het afwegingskader, dat door het Ministerie van VWS wordt ontwikkeld, mee te
nemen dat een beschikking voor de zorg, die via de gemeente wordt verleend aan een
leerling met een handicap, voor een periode langer dan een half jaar kan worden afgegeven.18 Ter uitvoering van deze motie heeft het Ministerie van VWS opdracht gegeven aan KPMG
om te komen tot een ondersteunend instrument voor gemeenten en cliënten als extra
hulp voor de integrale afweging voor toegang. Het doel hiervan is om passende zorg
en ondersteuning te vinden voor kinderen en jongeren met een levenslange en levensbrede
beperking. Hierbij zal onder andere expliciete aandacht zijn voor kinderen met levenslange
ondersteuningsvragen en de verbinding met onderwijs. U bent hierover bij de Voortgangsbrief
Jeugd van 16 november geïnformeerd.
Inclusief onderwijs
In het notaoverleg over passend onderwijs (juli 2019) heeft het lid van Meenen een
motie ingediend, waarin mij verzocht wordt een brede coalitie op te bouwen om tot
inclusief en goed onderwijs voor ieder kind te komen.19 In mijn brief van 4 november 2020 heb ik naast de verbeteragenda passend onderwijs
een route naar inclusiever onderwijs geschetst.20 De komende jaren ga ik met de partijen die ook betrokken waren bij het gesprek over
de evaluatie passend onderwijs aan de slag om de weg naar inclusiever onderwijs uit
te werken. In het debat over passend onderwijs van 16 november jl. heeft uw Kamer
hier steun voor uitgesproken.
Overleg over Gespecialiseerd Onderwijs
In het notaoverleg over de evaluatie passend onderwijs van 16 november 2020 (Kamerstuk
31 497, nr. 391) heb ik u toegezegd u te informeren over de gesprekken met de actiegroep «Van VSO
naar GVO» en de LBVSO (Leerlingenbelang-VSO). De actiegroep «Van VSO naar GVO (Gespecialiseerd
Voortgezet Onderwijs)» is opgericht vanuit het idee dat leerlingen met leerproblemen,
gedragsproblemen, fysieke en/of psychiatrische problematiek vanaf 12 jaar vaak niet
het onderwijs krijgen waar ze recht op hebben. Het vso valt, zo zegt de actiegroep,
onder het basisonderwijs. Hierdoor lukt het niet om de leerling volwaardig voortgezet
onderwijs aan te bieden, wat volgens de actiegroep dient te veranderen. In een eerste
gesprek met een vertegenwoordiger van de actiegroep is gesproken over de positie van
het vso. Het vso valt niet onder het basisonderwijs en heeft een eigen wet (de Wet
op de expertisecentra). In die wet zijn onder meer de drie uitstroomprofielen in het
vso geregeld, te weten dagbesteding, arbeidsmarktgericht en vervolgonderwijs. Voor
het uitstroomprofiel vervolgonderwijs gelden de bepalingen uit de Wet op het voortgezet
onderwijs.
De bevoegdheid van docenten is daarvan uitgezonderd, omdat er in het vso met een pabodiploma
lesgegeven mag worden in alle onderwijssoorten en in alle leerjaren. Hier wil de actiegroep
verandering in brengen; zij zouden graag zien dat in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs
wordt lesgegeven door eerste- en tweedegraads bevoegde vakdocenten. Zij zien daar
echter het feit dat het personeel dat werkzaam is in het vso onder de cao voor het
po valt als belemmering voor. Het salaris van docenten in het vso is lager dan dat
van docenten in het vo en ook zijn er meer contacturen. Dit signaal is niet nieuw,
want er is eerder al structureel € 16,5 miljoen beschikbaar gesteld voor docenten
in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs in het vso. De sociale partners hebben afspraken
gemaakt over de verdeling van de middelen: de betreffende docenten ontvangen die als
arbeidsmarkttoelage.
Zoals al vaker aangegeven is, ga ik niet over de cao van onderwijspersoneel. De sociale
partners zijn hiervoor verantwoordelijk, waarbij de werkgevers vertegenwoordigd worden
door de raden en de werknemers door de vakbonden. In het eerste gesprek met een vertegenwoordiger
van de actiegroep is dat ook aangegeven. Aangeboden is om een eerste startgesprek
met alle te betrokken partijen, waaronder de sociale partners, te initiëren, waarin
afspraken kunnen worden gemaakt over het vervolg. De discussie over de cao voor het
vso kan mijns inziens niet los gezien worden van een gesprek over de bevoegdheden
van de docenten in het vso. Dat gesprek moet niet alleen gaan over docenten in het
uitstroomprofiel vervolgponderwijs, maar ook over de bevoegdheden van docenten in
de andere uitstroomprofielen.
Ik ben regelmatig in gesprek met het Leerlingenbelang Voortgezet Speciaal Onderwijs
(LBVSO) en nodig hen ook uit voor overleggen over belangrijke thema’s zoals de eindexamens.
Verder is er structureel een maandelijks overleg met LBVSO, waarin de gezamenlijk
ingebrachte agenda besproken wordt. Op dit moment staat de officiële vertegenwoordiging
van leerlingen in het vso centraal in deze gesprekken. Samen met de Stichting Combinatie
Onderwijsorganisatie (COMBO) en LBVSO ben ik aan het verkennen hoe deze vertegenwoordiging
het beste vormgegeven kan worden. Ik streef ernaar de vertegenwoordiging voor het
schooljaar 2021/2022 te formaliseren. Ik zal u hier voor de zomer nader over informeren.
Het stimuleren van samenwerking tussen regulier en speciaal onderwijs
In het debat over de evaluatie van passend onderwijs hebben de leden Rog en Van Meenen
een motie ingediend waarin zij het kabinet verzoeken om meer samenwerking tussen regulier
en speciaal onderwijs te stimuleren, bijvoorbeeld door het inrichten van klassen voor
kinderen uit het speciaal onderwijs binnen het regulier onderwijs. De leden Rog en
Van Meenen hebben mij gevraagd de Kamer daarover voor 1 april 2021 te informeren.21 Samenwerking tussen regulier en speciaal onderwijs is nu al mogelijk op grond van
artikel 24 van de Wet op de expertisecentra, waarin wordt geregeld dat een deel van
het schoolplan van de school voor (voortgezet) speciaal onderwijs mag worden uitgevoerd
op een reguliere school. Van die mogelijkheid wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt om
vso-leerlingen lessen te laten volgen op het reguliere vo. Ook zijn er goede voorbeelden
van schoolgebouwen, waarin zowel basisonderwijs, speciaal basisonderwijs als speciaal
onderwijs zijn gevestigd en waar de leerlingen soms apart en soms gezamenlijk les
krijgen.
De nieuwe beleidsregel «experimenten samenwerking regulier en speciaal onderwijs»,
die voor de zomervakantie van 2020 is gepubliceerd, maakt het mogelijk om het gehele
schoolplan van het speciaal onderwijs op een reguliere school uit te voeren. Dat betekent
niet alleen dat er een klas voor kinderen uit het speciaal onderwijs in de reguliere
school wordt gevestigd, maar ook dat de leerlingen uit het speciaal onderwijs en het
regulier onderwijs bij elkaar in de klas zitten en de expertise vanuit het speciaal
onderwijs ook wordt ingezet voor de leerlingen in het regulier onderwijs. Voor deze
experimenten is veel belangstelling. De beleidsregel voorziet in de groeiende behoefte
naar meer flexibele en hybride vormen van speciaal en regulier onderwijs, waarin de
schotten tussen regulier en speciaal onderwijs worden afgebroken. De ervaringen die
in deze experimenten worden opgedaan, worden gebruikt om op termijn de wetgeving zodanig
aan te passen zodat deze samenwerking structureel kan worden vormgegeven.
Ondersteuning van Samen naar Schoolklassen
In het notaoverleg over de evaluatie passend onderwijs van 16 november 2020 hebben
de leden Westerveld en Kwint een motie ingediend over de ondersteuning van de Samen
naar Schoolklassen.22 Eerder was al een motie ingediend over de erkenning van de Samen naar Schoolklassen.23
Sinds maart 2020 is er contact en overleg met de initiatiefnemers van de Samen naar
Schoolklassen. Zoals ik ook al in de brief van 10 juli 2020 heb aangegeven, waardeer
ik dit soort initiatieven in het licht van de toenemende vraag om inclusiever onderwijs.24 Voor het basisonderwijs geldt dat het mogelijk is om binnen de kaders van de onderwijswetgeving
Samen naar Schoolklassen te organiseren en te bekostigen. Daar is al een aantal goede
voorbeelden van, die ik samen met de initiatiefnemers nader in beeld wil brengen,
onder meer op het vlak van bedrijfsvoering en geldstromen. Hieraan zijn, vanuit het
oogpunt van de verantwoording over de besteding van publieke middelen, immers voorwaarden
verbonden. In het overleg met de initiatiefnemers in januari 2021 bleek dat de onduidelijkheid
bij betrokken partijen (zoals de reguliere basisschool en het samenwerkingsverband)
over wat er mag en kan binnen bestaande wet- en regelgeving één van de knelpunten
is voor het breder van de grond komen van Samen naar Schoolklassen die ook onderwijsbekostiging
ontvangen. Daarom ga ik op korte termijn in overleg met de initiatiefnemers of het
opstellen van een handreiking hierbij behulpzaam kan zijn. De bestaande goede voorbeelden
bieden hiervoor waardevolle input.
Daarnaast wordt voor het basisonderwijs ook bezien of het mogelijk is, op korte termijn,
één of twee initiatieven mee te laten doen met de op te zetten proeftuinen «onderwijs-zorg
arrangementen». Ook de experimenten die naar verwachting vanaf 2023 starten op grond
van de ervaringen die in de proeftuinen worden opgedaan, bieden wellicht mogelijkheden
voor de initiatieven.
In de brief van 10 juli heb ik ook aangegeven dat het voortgezet onderwijs complexer
is. Het organiseren en bekostigen van de Samen naar Schoolklassen in het voortgezet
onderwijs kan niet binnen de huidige kaders van de onderwijswetgeving. Ik begrijp
de wens van de initiatiefnemers om ook in het voortgezet onderwijs Samen naar Schoolklassen
te organiseren; kinderen worden ouder en komen op een leeftijd dat zij het primair
onderwijs moeten verlaten. Ouders zien dan graag dat hun kind doorstroomt naar een
Samen naar Schoolklas in het regulier voortgezet onderwijs. Het organiseren en bekostigen
van dergelijke klassen met «onderwijsgeld» vergt echter een goede doordenking en zorgvuldige
afweging en kost daarom ook tijd. De komende periode wil ik daarom eerst benutten
om het organiseren en bekostigen van Samen naar Schoolklassen in het basisonderwijs,
in goed overleg met de initiatiefnemers, vorm te geven. Ik hoop u daar voor het zomerreces
over te informeren.
Rol van de Inspectie bij uitschrijven van leerling zonder toestemming van ouder
In het notaoverleg passend onderwijs van 16 november 2020 met uw Kamer heb ik toegezegd
een schriftelijke toelichting te geven op de rol van de Inspectie van het Onderwijs
(hierna: Inspectie) bij individuele gevallen waarin de school de leerling uitschrijft
zonder toestemming van de ouder(s).
Ten eerste ga ik in op de rol van de Inspectie. Signalen die wijzen op risico’s dat
scholen de onderwijswetgeving (waaronder de zorgplicht) niet naleven betrekt de Inspectie
in haar toezicht. Of de Inspectie direct acteert naar aanleiding van signalen en hoe
de Inspectie dan acteert, is afhankelijk van de situatie en de aard van de signalen.
De Inspectie registreert sowieso alle signalen in het dossier dat zij bijhoudt van
de scholen. De actie van de Inspectie naar aanleiding van individuele signalen kan
variëren van navraag doen bij het schoolbestuur, het bestuur verzoeken om maatregelen
te nemen (en dan navolgen of dit daadwerkelijk gebeurt), een specifiek onderzoek naar
de mogelijke risico’s doen of een al gepland onderzoek vervroegen. De Inspectie is
echter geen klachtbehandelaar. Voor behandeling van en bemiddeling bij klachten over
een school of bestuur kan men terecht bij de vertrouwenspersoon of de directie van
de school, en vervolgens bij de klachtencommissie van de school. Informatie over de
klachtenregeling moet de school opnemen in haar schoolgids. Wanneer dit niet tot een
oplossing leidt, kan de ouder een klacht indienen bij de Landelijke Klachtencommissie
Onderwijs.
Ten tweede ga ik in op het van school verwijderen van een leerling. De school dient
de ouders van de leerling en de betrokken groepsleraar te betrekken voordat wordt
besloten tot verwijdering. Het kan bovendien niet zo zijn dat een school een leerling
verwijdert zonder ervoor gezorgd te hebben dat de leerling ergens anders onderwijs
kan volgen. Om dit tegen te gaan, heeft de school onder andere zorgplicht. Daarmee
is de school bij een leerling met een potentiële of veranderende extra ondersteuningsbehoefte
wettelijk verplicht te onderzoeken wat deze leerling nodig heeft en of de school niet
zelf de benodigde ondersteuning kan bieden. Bij aantoonbare handelingsverlegenheid
is de school verplicht een andere passende onderwijsplek voor de leerling te vinden,
voordat de leerling wordt verwijderd. Zoals aangekondigd in de Kamerbrief Evaluatie en Verbeteraanpak Passend Onderwijs zorg ik ervoor dat ouders beter geïnformeerd worden over de zorgplicht en mogelijkheden
die zij hebben om bezwaar te maken tegen een beslissing van school i.c. de verwijdering
van hun kind.25
Ouders kunnen schriftelijk bezwaar maken bij het schoolbestuur tegen de (voorgenomen)
verwijdering. Een geschil over een definitieve verwijdering kan ook worden voorgelegd
aan de Geschillencommissie Passend Onderwijs (GPO). De GPO geeft vervolgens een zwaarwegend
advies aan het schoolbestuur, waarbij het schoolbestuur moet melden en onderbouwen
wat er met het advies is gedaan. De GPO had in beginsel een tijdelijk karakter maar
zal ik, zoals aangekondigd in de Beleidsnota Evaluatie en Verbeteraanpak Passend Onderwijs, structureel maken.26 Daarnaast ga ik ervoor zorgen dat de uitspraken van de GPO ook bindend kunnen zijn.
Veilig Thuis
Ik heb de Tweede Kamer toegezegd nadere informatie over Veilig Thuis-meldingen en
het aandeel van conflicten over wel of geen passend onderwijs toe te sturen.27 Via meerdere partijen heb ik het signaal ontvangen dat er in een aantal omstandigheden
een melding bij Veilig Thuis (hierna: VT) wordt gedaan, die bij nader onderzoek geen
andere grond heeft dan slechts een verschil van mening over het passend onderwijsaanbod
of het ontbreken daarvan. De CBS data met beleidsinformatie over VT, die gepubliceerd
zijn in oktober 2020, bevatten geen gegevens over adviezen of meldingen van conflicten
over wel of geen passend onderwijs.28
29 Ook uit het onderwijsveld zijn geen gegevens over dergelijke zaken op te leveren.
Dat maakt deze motie onuitvoerbaar wanneer wij ons baseren op kwantitatieve data.
Hiermee is dit onderwerp echter niet afgedaan. In samenhang met de motie van Kamerleden
Westerveld en Van der Hul, informeer ik u over welke acties worden ondernomen om dit
soort geschillen over passend onderwijs op de juiste plek op te lossen en te voorkomen
dat dergelijke zaken (waar geen vermoedens van kindermishandeling aan de orde zijn)
bij VT gemeld worden.30
Na de ontvangen signalen zijn door het Ministerie van OCW in samenwerking met het
Ministerie van VWS gesprekken gevoerd met onder andere de PO-Raad, VO-raad, Veilig
Thuis, Balans en Ouders & Onderwijs. Ook is het onderwerp geagendeerd bij een breed
regulier overleg tussen partijen die samenwerken rondom thuiszitters.
Mijn inschatting op basis van die gesprekken is dat de problematiek voor een deel
zijn oorsprong heeft in onduidelijkheid en onbekendheid over de meldcode en specifiek
de rol van VT. Dit hangt nauw samen met de implementatie van de verbeterde meldcode
in het onderwijs. De meldcode voorziet namelijk in een stap waarbij eerst advies wordt
gevraagd aan VT zonder dat dit hoeft te leiden tot een melding. In de Week tegen Kindermishandeling
in november jl. is door het onderwijsveld het Handelingskader kindermishandeling en huiselijk geweld: randvoorwaarden en richtlijnen
voor uitvoering van de wet meldcode in de praktijk gepubliceerd vanuit de Beweging tegen Kindermishandeling.31
32 Met dit kader wordt beoogd de randvoorwaarden voor signalering en aanpak van kindermishandeling
in het onderwijs te verhelderen en een implementatie-impuls te geven aan de aanpak
huiselijk geweld en kindermishandeling door onderwijsorganisaties en hun professionals.
Binnen dit handelingskader is expliciet aandacht voor het dilemma «drang en dwang
bij problemen over passend onderwijs». De verwachting is dat dit al veel onnodige
meldingen zal voorkomen.
Om, ondanks het ontbreken van kwantitatieve data over conflicten over wel of geen
passend onderwijs, een nog beter beeld te krijgen, doe ik samen met de PO-Raad, Veilig
Thuis, Ouders & Onderwijs en Balans momenteel casusonderzoek bij geanonimiseerde casussen.
Op basis van deze informatie kunnen wij inschatten of er meer maatregelen wenselijk
zijn. Over de uitkomst hiervan zal ik u rond de zomer van 2021 nader informeren.
Prestatieboxmiddelen thuiszitters
In het notadebat evaluatie passend onderwijs d.d. 16 november 2020 heb ik uw Kamer
toegezegd nadere informatie toe te sturen over de prestatieboxmiddelen voor thuiszitters
in het voortgezet onderwijs. De vraag was of de prestatieboxmiddelen gelabeld kunnen
worden, zodat het naar thuiszitters gaat en zij hier baat bij hebben. Het verzoek
vanuit de Tweede Kamer, de vakbonden en Ouders & Onderwijs was om de middelen op een
andere manier te besteden, zodat de middelen naar de kinderen gaan die nú thuiszitten.
De prestatieboxmiddelen voor thuiszitters zijn geen nieuwe middelen die zijn vrijgekomen.
Dit zijn bestaande middelen afkomstig uit het sectorakkoord vo die in de kalenderjaren
2021 en 2022 beschikbaar worden gesteld aan schoolbesturen. Er zijn aanvullende afspraken
gemaakt over de middelen uit het sectorakkoord die zijn gekoppeld aan nog niet behaalde
doelstellingen, zo ook voor de middelen voor de thuiszitters. Zo blijft € 20 miljoen
beschikbaar om in te zetten voor het voorkomen en oplossen van uitval. Hierbij is
de nieuwe afspraak gemaakt dat de besteding van de middelen moet worden afgestemd
met de medezeggenschapsraad, en dat besturen over de besteding verantwoording afleggen
in het jaarverslag. Schoolbesturen kunnen deze middelen inzetten om uitval te voorkomen
en op te lossen naar gelang de regionale behoefte. Zo kunnen de middelen bijvoorbeeld
worden ingezet voor huidige uitgevallen leerlingen. Niet ieder schoolbestuur kent
uitgevallen leerlingen en daarom kan er ook voor gekozen worden om de middelen in
te zetten voor de preventieve kant (het voorkomen van uitgevallen leerlingen). Op
dit moment wordt door de VO-raad een servicedocument ontwikkeld waarin onder andere
vermeld staat hoe scholen deze middelen kunnen inzetten. De verwachting is dat dit
document in het voorjaar van 2021 onder schoolbesturen wordt verspreid.
Maatregelen verhoging aanbod voorschoolse educatie voor peuters in de asielopvang
De leden Westerveld en Van den Hul hebben mij in een motie verzocht om onderzoek te
doen naar de mate waarin gemeenten met een centrale asielopvang voorschoolse educatie
aanbieden aan vluchtelingenpeuters.33 De uitkomst van het onderzoek is positief (zie bijlage 2)34. In 2020 is er sprake van een aanbod van 60 procent ten opzicht van 35 procent in
2016.35 Wel is er nog winst te behalen. Het totale bereik van voorschoolse educatie aan doelgroeppeuters
is al jaren stabiel en ligt tussen de 80 en 86 procent van de doelgroepkinderen.36 Minstens dit percentage is ook mijn streven voor de peuters in de asielopvang.
In aanvulling op het onderzoek heb ik daarom een handreiking laten ontwikkelen voor
gemeenten, het COA, de jeugdgezondheidszorg en de kinderopvang die meer duidelijkheid
geeft over de verwachtingen en verantwoordelijkheden van gemeenten omtrent het aanbod
aan peuters in de asielopvang (zie bijlage 3)37. Ik ga samen met de PO-raad, het LOWAN, de VNG, het COA, het gemeentelijk ondersteuningstraject
onderwijsachterstanden en de Inspectie van het Onderwijs de handreiking actief onder
de aandacht brengen van alle gemeenten met een asielopvang. De Inspectie neemt dit
bijvoorbeeld op in de gesprekleidraden die zij hanteren bij de gesprekken met de gemeenten
over voor- en vroegschoolse educatie, kinderopvang en de lokale educatieve agenda.
Een aanvullende maatregel is dat het LOWAN scholen gaat vragen om in gesprek te gaan
met gemeenten over het aanbod van voorschoolse educatie aan asielpeuters. Ook heeft
het COA het aanbod van voorschoolse educatie opgenomen in haar checklists en gespreksleidraad
als er in een gemeente een nieuwe asielopvanglocatie wordt geopend. Daarnaast wordt
er in april 2021 door het gemeentelijke ondersteuningstraject onderwijsachterstanden
– in samenwerking met eerder genoemde partijen – een themabijeenkomst georganiseerd
voor alle gemeenten met een asielopvanglocatie. De vraag wat de belangrijkste knelpunten
zijn, specifiek bij het opzetten van aanbod, zal hierbij centraal staan. Alle gemeenten
met een asielopvanglocatie zullen vervolgens worden bevraagd of zij nog specifieke
hulp en begeleiding nodig hebben.
Ik verwacht dat door deze maatregelen meer gemeenten het professionele aanbod voorschoolse
educatie aan peuters in de asielopvang zullen oppakken en dat het huidige aanbod verder
zal worden uitgebreid en verbeterd.
Sponsorconvenant
In september 2020 is de gewijzigde motie van het lid Rudmer Heerema aangenomen waarin
wordt gevraagd om samen met de convenantpartijen te kijken of het mogelijk is om waarborgen
in het sponsorconvenant te bouwen tegen sponsoring uit «onvrije landen».38 Dit verzoek is besproken met de convenantpartijen en in overleg met hen is afgesproken
om aan het sponsorconvenant de volgende passage toe te voegen39: «Bovendien is het in het kader van verantwoord gebruik van sponsoring van belang
dat scholen beoordelen of de bron van sponsoring een wenselijke is. Zo kan het ontvangen
van sponsoring van buitenlandse entiteiten, bijvoorbeeld «onvrije» landen, risico’s
op beïnvloeding met zich mee brengen en kan het ontvangen van dergelijke sponsoring
onwenselijk zijn. Het is daarom van belang dat scholen een weloverwogen risico-inventarisatie
maken met betrekking tot de bron van de sponsoring. In het kader hiervan kan advies
ingewonnen worden bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, en raden wij aan om de
visie van de buitenlandse entiteit te toetsen op tegenstrijdigheden met de Nederlandse
Grondwet.»
In de bijlage vindt u de versie van het sponsorconvenant waar deze passage aan is
toegevoegd40. In de motie van het lid Rudmer Heerema werd gesproken over «onvrije landen», maar
de convenantpartijen zijn van mening dat de passage, als we de term «onvrije landen»
gebruiken, gelezen zou kunnen worden als alleen betrekking hebbend op overheden. Met
het gebruik van het woord «entiteiten» wordt duidelijk gemaakt dat er ook risico’s
kunnen zijn wanneer sponsorovereenkomsten aangegaan worden met buitenlandse organisaties
die niet gelieerd zijn aan een bepaalde staat.
Het lid Rudmer Heerema heeft als (voorbeeld)toetssteen de lijst van «onvrije landen»
van Freedom House meegegeven, maar tijdens het overleg met de convenantpartijen is
de consensus ontstaan dat de scholen het beste geadviseerd kunnen worden door de eigen
overheid en dat onze eigen Grondwet de meest passende toetssteen is.
In oktober 2020 is ook de motie van het lid Van Raan aangenomen.41 Het lid Van Raan (PvdD) vraagt het kabinet in deze motie om samen met de convenantpartijen
te bekijken of er meer waarborgen tegen kindermarketing opgenomen kunnen worden in
het sponsorconvenant en of er toezicht gehouden kan worden op de aanwezigheid van
kindermarketing in lesmateriaal.
Deze verzoeken zijn besproken met de convenantpartijen. Om te beginnen wil ik aangeven
dat in het sponsorconvenant de volgende waarborgen tegen kindermarketing al zijn opgenomen:
sponsoren mogen geen misleidende boodschappen overbrengen, er mag überhaupt geen (impliciete)
reclame in lesmateriaal zijn en de sponsor mag geen misbruik maken van de onwetendheid
van kinderen.
De convenantpartijen zijn van mening dat hiermee voldoende waarborgen tegen kindermarketing
zijn opgenomen in het sponsorconvenant en dat er geen aanleiding is om hier scherpere
waarborgen in op te nemen. Zij zijn van mening dat verdere «bewapening» van scholieren
tegen kindermarketing het beste kan plaatsvinden via verbeterd onderwijs op het gebied
van mediawijsheid. Daarbij hoort ook een stevige kennisbasis, onder andere op het
gebied van duurzaamheid en het communiceren in een digitale samenleving. Dit zijn
dan ook belangrijke voorstellen die zijn gedaan in het kader van de curriculumbijstelling.
Verder hebben de aanbieders van lesmaterialen, vertegenwoordigd door de GEU, VNO-NCW
en MKB-Nederland, gesproken over de eventuele mogelijkheden voor toezicht op de lesmaterialen
van sponsors. Het Ministerie van OCW houdt zelf geen toezicht op lesmaterialen. Ik
zie daar zelf in het kader van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van onderwijs
ook geen mogelijkheden toe.
De vertegenwoordigers van het bedrijfsleven hebben aangegeven dat toezicht op lesmateriaal
risico’s op censuur met zich mee kan brengen en dat met eventueel toezicht de vrijheden
die ik noemde in het geding kunnen komen. Daarom achten zij het niet wenselijk om
toezicht te houden op lesmaterialen van hun leden.
Het doel van het sponsorconvenant is ook niet om ervoor te zorgen dat bepaalde boodschappen
de school niet bereiken. Het sponsorconvenant biedt scholen handvatten om boodschappen
te beoordelen op wenselijkheid en om alert te zijn op eventuele risico’s wanneer deze
boodschappen de school bereiken. Het is uiteindelijk aan de scholen om te bepalen
of zij de boodschappen een plek in hun onderwijs willen geven. Daarom vind ik het
afgezien van de risico’s die ik eerder noemde niet nodig om extern toezicht te organiseren
op dit punt. Scholen kunnen zelf heel goed beoordelen welke boodschappen wel of geen
ruimte zouden moeten krijgen in hun onderwijs, en de beslissing daarover laat ik dan
ook graag aan hen.
Innovatiefonds voor bewegingsonderwijs
Ik ben in gesprek met externe partners over de invulling van een fonds voor innovatie
in het bewegingsonderwijs, naar aanleiding van de motie van het lid Rudmer Heerema.42 Omdat de knelpunten bij het realiseren van beweging en bewegingsonderwijs uiteenlopen
is er besloten een subsidieregeling in te richten waarbij scholen zoveel mogelijk
zelf de ruimte krijgen om plannen te ontwikkelen en er tegelijkertijd gebruik wordt
gemaakt van bestaande expertise (van bijvoorbeeld de ALO’s) en beproefde oplossingen
op regionaal niveau. De subsidie moet ten goede komen aan het realiseren van twee
lesuren bewegingsonderwijs per week of aan de verankering van bewegen in brede zin.
Bij dit laatste valt te denken aan een derde lesuur bewegingsonderwijs, naschoolse
activiteiten of pauzespelen. Ik verwacht dat het fonds conform de motie voor het volgende
schooljaar van kracht is. Ik houd uw Kamer op de hoogte over de nadere uitwerking
van de monitoring over de besteding van de gelden. Daarnaast realiseer ik mij dat
deze subsidieregeling niet afdoende is om op lange termijn alle knelpunten ten aanzien
van bewegingsonderwijs (bijvoorbeeld het gebrek een geschikte gymzalen) op te lossen.
Ik blijf hierover in gesprek met betrokken externe partijen, waaronder mijn collega’s
van de Ministeries van VWS, BZK en SZW.
Reactie op het rapport Geluk onder druk?
Op 22 juni 2020 bracht het Trimbos Instituut (samen met de Stichting Alexander en
de Universiteit Utrecht) het rapport Geluk onder druk? uit dat zij in opdracht van Unicef hebben verricht. Met het onderzoek wilde men antwoord
op de vraag of het inderdaad minder goed gaat met de mentale gezondheid van jongeren.
Dit was namelijk een aandachtspunt dat naar voren kwam in de Volksgezondheid Toekomst Verkenning van 2018.43 In tegenstelling tot het beeld dat de laatste jaren is ontstaan, laat het onderzoek
van Unicef zien dat het mentale welbevinden van de Nederlandse jongeren (10–18 jaar)
door de tijd heen relatief stabiel is. Het percentage jongeren met emotionele problemen
is de laatste jaren niet noemenswaardig toegenomen. Wel zijn er duidelijk verschillen
tussen jongeren. Nederland kent vrij veel jongeren die floreren (driekwart), maar
zeker ook jongeren waar het minder goed mee gaat. Naast een algemeen beeld van het
mentale welzijn van de jongeren laat het onderzoek zien dat de ervaren schooldruk
de voornaamste bron van stress is voor jongeren en ook dat die schooldruk de afgelopen
tien jaar duidelijk gestegen is. Het rapport geeft echter geen inzicht in de oorzaken
van deze stijging. Op 2 juli 2020 is verzocht om een reactie van het kabinet op het
rapport.44 Omdat het Unicef-rapport weinig inzicht geeft in de mogelijke oorzaken van de toegenomen
schooldruk heb ik besloten aanvullend onderzoek uit te zetten. Met dit aanvullende
onderzoek hoop ik zicht te krijgen op de achterliggende oorzaken van de toename en
mogelijk ook op aangrijpingspunten voor beleid om die toename tegen te gaan. Dit onderzoek
zal medio 2021 worden afgerond. Na de zomer zal ik de Kamer een reactie op beide onderzoeksrapporten
in samenhang geven.
Prijsverhoging Magister
In het algemeen overleg Onderwijs en corona II van 17 juni 2020 heb ik uw Kamer toegezegd
om u te informeren over de stand van zaken rond de voorgenomen prijsverhoging van
30 procent van het digitale onderwijssysteem Magister.45
De coöperatie SIVON en softwareleverancier Magister hebben medio december 2020 na
een reeks gesprekken afspraken gemaakt over de inrichting van het digitale onderwijssysteem
Magister en de bijdrage die scholen in het voortgezet onderwijs hiervoor betalen.
Magister heeft het afgelopen jaar geïnvesteerd in de veiligheid, continuïteit en stabiliteit
van de Magister-omgeving. De partijen zijn voor het gebruik van de Magister Suite
een basis- en een innovatiepakket overeengekomen. De prijsverhoging van de licentie
voor schooljaar 2020/2021 is vastgesteld op € 1,70 per leerling voor de basislicentie
(basispakket). Hiermee betalen scholen dit schooljaar € 19,19 per leerling per jaar
voor het basispakket. Dit betekent een verhoging van 9,7 procent ten opzichte van
schooljaar 2019/2020. Ten aanzien van het innovatiepakket kunnen scholen zelf de afweging
maken of zij het aanvullende pakket met uitgebreide mogelijkheden wensen af te nemen.
Daarnaast is naar aanleiding van de gesprekken in het basispakket een aantal nieuwe
functionaliteiten toegevoegd, waaronder een koppeling met Microsoft Teams voor afstandsonderwijs.
Monitor Vernieuwing vmbo
De effecten van de vernieuwing in het beroepsgericht vmbo, de invoering van de profielen,
wordt sinds 2016 gemonitord via het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO).
Dit evaluatieprogramma loopt nog door tot 2022. Eerder zijn met uw Kamer de onderzoeksrapporten
gedeeld die met dit onderzoek zijn opgeleverd. Als onderdeel van deze evaluatie zijn
recent twee onderzoeksrapporten gereed gekomen: de Monitor vernieuwing vmbo; Monitor 2020 en de Casestudies Vernieuwing vmbo.
Uit de rapporten blijkt dat de vernieuwing vmbo is geland. Op alle vmbo-scholen zijn
de beroepsgerichte examenprogramma’s vernieuwd. Deze nieuwe structuur heeft op vmbo-scholen
veel teweeg gebracht. Met de profielvakken en de beroepsgerichte keuzevakken maakt
vrijwel elke vmbo-school een programma dat past bij de visie en de leerling populatie
van de school. Meer en meer richten vmbo-scholen na de vernieuwing ook weer de blik
naar buiten; het mbo en de arbeidsmarkt. De aansluiting tussen het vmbo en het mbo
kan nog verder worden verbeterd zodat leerlingen die deze overstap maken «niet steeds
opnieuw» hoeven te beginnen. In 2020 is ook te zien dat de organiseerbaarheid van
het aanbod van de verschillende profielen en de keuzevakken (vooral de profiel overstijgende
keuzevakken) soms onder druk staat als gevolg van een krimp van het aantal leerlingen.
De daling van het aantal leerlingen is het sterkst in de basisberoepsgerichte leerweg.
Vmbo-scholen staan hierdoor niet alleen voor de uitdaging om sommige vestigingen overeind
te houden maar ook om een zo breed mogelijk onderwijsaanbod aan te blijven bieden.
Zo voegen vmbo-scholen soms profielen samen of bieden ze een profielvak met kleine
leerlingenaantallen aan als keuzevak. Daarnaast kunnen middelen die beschikbaar zijn
gekomen voor de technische profielen ervoor zorgen dat dit onderwijs ook met kleinere
leerlingenaantallen kan worden georganiseerd.
Voortgang sterk techniekonderwijs (STO)
Zoals ook in het regeerakkoord staat, heeft het kabinet structureel € 100 miljoen
per jaar uitgetrokken voor het technisch vmbo. Van 2020–2023 worden de middelen ingezet
voor de uitvoering van regionale plannen van vmbo-scholen, mbo-instellingen, het bedrijfsleven
en de overheid. Na een secure beoordeling zijn in de zomer van 2020 77 van de 78 regio’s
goedgekeurd. OCW zoekt naar een oplossing om ook het techniekonderwijs in de regio
zonder goedgekeurd plan (Dronten) te versterken. De overige regio’s zijn voortvarend
aan de slag gegaan om te investeren in het technisch onderwijs, met ondersteuning
vanuit het team Sterk Techniekonderwijs (een samenwerking tussen de Stichting Platforms
Vmbo en het Platform Bèta Techniek).
Corona heeft gevolgen voor de geplande activiteiten in het kader van Sterk Techniekonderwijs.
Elke regio dient in oktober 2021 een voortgangsrapportage in, waarin per regio verder
op de gevolgen wordt ingegaan. In het algemeen zijn er zorgen over de cofinanciering.
Voor de subsidieregeling geldt als voorwaarde dat het bedrijfsleven minimaal 10 procent
bijdraagt aan de begroting van de regionale plannen. In het vierde kwartaal van 2021
vindt een tussenevaluatie plaats, waarna kan worden gekeken of het nodig is om de
subsidievoorwaarden aan te passen. Het team van Sterk Techniekonderwijs blijft tot
die tijd met de regio’s in gesprek over dit onderwerp.
Aanbieding rapport Toezicht b4-scholen
Hierbij bied ik u het rapport Toezicht b4-scholen aan46. Dit rapport doet verslag van een verkennend onderzoek dat Oberon heeft uitgevoerd
naar de wijze waarop het toezicht op b4-scholen is vormgegeven. B4-scholen zijn internationale
en buitenlandse scholen die niet door de Nederlandse overheid worden bekostigd en
onder het toezicht staan van internationale accreditatieorganisaties en buitenlandse
mogendheden.
Ik heb Oberon gevraagd dit onderzoek te doen naar aanleiding van de motie van de leden
Rudmer Heerema en Rog.47 Deze motie verzoekt de regering te borgen dat ook buitenlandse initiatiefnemers die
in Nederland een nieuwe school of nieuwe dependance willen openen, vooraf worden getoetst
op hun plan hoe zij het burgerschapsonderwijs willen vormgeven. Een andere motie van
de leden Rudmer Heerma en Rog verzoekt het kabinet onder meer om de voorgestelde nieuwe
burgerschapsopdracht ook op b4-scholen van toepassing te verklaren, op een wijze die
past bij het bijzondere karakter van deze scholen.48 Daarom heb ik Oberon mede gevraagd om te onderzoeken op welke wijze burgerschapsvorming
in de toezichtkaders van de onderzochte internationale accreditatieorganisaties en
buitenlandse mogendheden aan bod komt. Zo heb ik de uitvoering van deze moties betrokken
bij dit verkennende onderzoek naar het toezicht op b4-scholen.
In de komende periode werk ik aan een beleidsreactie, die ik later dit voorjaar aan
uw Kamer zal toesturen. Ik kom dan ook inhoudelijk op de twee moties terug.
Betaald aanvullend onderwijs
Hierbij wil ik u graag informeren over de stand van zaken van de moties over aanvullend
onderwijs die februari 2019 door uw Kamer zijn aangenomen. Het betreft de motie van
de leden Kwint en Westerveld waarin het kabinet wordt opgeroepen om in samenwerking
met de VO-raad scholen actief te ontmoedigen om in hun school gebruik te maken van
particuliere instituten voor betaald aanvullend onderwijs en scholen daarnaast juist
aan te moedigen zelf – of in samenwerking met andere scholen – indien nodig gratis
aanvullend onderwijs aan te bieden.49 Ook betreft het de motie van de leden Westerveld en Kwint om met scholen afspraken
te maken met het doel dat er geen reclame wordt gemaakt voor private aanbieders van
aanvullend onderwijs.50
In samenspraak met de VO-raad heb ik besloten de uitvoering van deze moties gefaseerd
op te pakken. Door de coronacrisis ligt de prioriteit nu bij het draaiende houden
van het onderwijs. Scholen hebben hun handen vol aan de continuïteit van het onderwijs,
inhaal- en ondersteuningsprogramma’s en de veiligheid van leerlingen en personeel.
Het is nu niet het moment om met scholen het gesprek te voeren over het uitwerken
van de moties over aanvullend onderwijs. De komende maanden zal ik gebruiken om –
in samenspraak met de VO-raad – een stappenplan op te stellen voor de uitvoering van
deze moties na de coronacrisis. Daarbij wil ik ook rekening houden met de uitkomsten
van de evaluatie van de subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s (IOP).
Met deze subsidie zetten scholen in op extra onderwijstijd en gratis aanvullend onderwijs.
Goede voorbeelden van gratis aanvullend onderwijs door scholen kunnen worden benut
voor een meer structureel aanbod.
Cheider
Op 19 juni 2020 heb ik u op uw verzoek schriftelijk geïnformeerd over de bevindingen
van de inspectie naar aanleiding van de onderzoeken naar de Joodse school Cheider.51 In het algemeen overleg op 1 juli 2020 (Kamerstuk 27 020, nr. 116) over onderwijsachterstanden, lerarentekort en kwetsbare leerlingen heb ik u toegezegd
dat u wordt geïnformeerd over de voortgang van het voldoen aan de herstelopdrachten
door Cheider. Omdat niet volledig was voldaan aan de herstelopdrachten, heeft de Inspectie
van het Onderwijs per 1 september 2020 voor 3 maanden de bekostiging gedeeltelijk
(15 procent) opgeschort. Tegen deze opschorting heeft Cheider bezwaar gemaakt, deze
procedure loopt nog.
De belangrijkste herstelopdrachten zijn het aanbieden van alle kerndoelen, in het
bijzonder de kerndoelen met betrekking tot seksualiteit, diversiteit en seksuele diversiteit
alsmede biologie en het waarborgen van de sociale veiligheid. Omdat Cheider hier ook
nu nog niet aan voldoet, heeft de Inspectie van het Onderwijs als vervolg op het opschortingsbesluit
van 1 september 2020 besloten per 1 december 2020 voor 3 maanden 15 procent van de
bekostiging in te houden.
Op 23 december 2020 heeft Cheider bezwaar ingediend tegen het opgelegde inhoudingsbesluit
van 30 november 2020. Ook heeft Cheider bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de
Raad van State een Voorlopige Voorziening verzocht, met het verzoek de tenuitvoerlegging
van het opschortings- en inhoudingsbesluit op te schorten tot na uitspraak in de bodemprocedure.
De voorzieningenrechter heeft op 21 januari 2021 het verzoek van Cheider toegewezen,
in verband met de mogelijk onomkeerbare gevolgen die kunnen optreden door de financiële
situatie waarin Cheider door de opschorting en inhouding van de bekostiging is komen
te verkeren.
Versterking positie docenten ten opzichte van werkgever
De leden Kwint, Westerveld en Van den Hul verzochten mij in overleg te gaan met docenten,
hun beroepsorganisaties en vakbonden om te kijken hoe de positie van docenten ten
opzichte van hun werkgever versterkt kan worden.52 Zowel zeggenschap als medezeggenschap van de leraar worden – waar mogelijk in overleg
met het veld – binnen het bestaande beleid versterkt.
Met de Wet Beroep Leraar is de zeggenschap van de individuele leraar en van het team
voor het eerst wettelijk geregeld. In september 2019 is een nulmeting van deze wetgeving
gedaan en in 2022 staat de formele evaluatie gepland. Voor 2021 wordt onderzocht of
nog een tussentijdse meting mogelijk is. Indien de uitkomsten daar reden toe geven,
zal ik het gesprek met de relevante stakeholders – zoals beroepsverenigingen en vakbonden
– hierover aangaan en uw Kamer hierover informeren.
Ook medezeggenschap werd en wordt stapsgewijs versterkt, zoals de wettelijke verankering
van het instemmingsrecht van de MR op de hoofdlijnen van de begroting. Ik streef ernaar
de wet medio 2021 in werking te laten treden. Vervolgens zal in de praktijk, bij de
start van de nieuwe begrotingscyclus, in 2022 met de nieuwe wet gewerkt worden. Naast
het bovengenoemde instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting wordt in deze wetswijziging
ook binnen de samenwerkingsverbanden de rol van docenten in de medezeggenschap versterkt.
Daar krijgt de OPR bovendien ook jaarlijks een rol rond het ondersteuningsprofiel.
Zo wordt dus op gelijke wijze ingezet op een sterkere positie voor docenten als bij
de relatie MR-bestuurder.
Tot slot regelt het vierde onderdeel van deze wetswijziging dat de personeelsgeleding
(vaak grotendeels docenten) van de MR in het primair onderwijs een adviesrecht krijgt
op de groepsgrootte. Dat is opnieuw een manier om het onderwerp expliciet tot een
gesprek tussen docenten en bestuurder te laten leiden. Deze wetgeving komt tot stand
met een intensieve raadpleging van het veld. Met vertegenwoordigende partijen en met
name vakbonden is hierover geregeld overleg.
Gesprekken over werkdruk in het vo
In reactie op de motie van de leden Westerveld, Van den Hul, Azarkan, Van Raan en
Kwint heb ik toegezegd aan de VO-raad te vragen of zij willen inventariseren bij hun
leden wat gesprekken over de werkdruk opleveren en wat dat voor beeld geeft.53 Ik heb toegezegd dit bij het bestuurlijk overleg met hen aan de orde stellen en uw
Kamer vervolgens te informeren over de uitkomsten daarvan.
In 2019 heb ik twee onderzoeken laten verrichten naar strategisch personeelsbeleid.
Ten eerste is er een nulmeting uitgevoerd voor de monitoring van het geactualiseerde
sectorakkoord. Meer dan de helft van de bestuurders in het vo heeft deelgenomen aan
dit onderzoek, waarin zij onder andere bevraagd zijn op werkdruk en aanpak daarvan.
Ten tweede rapporteerde Regioplan in Van Ambitie neer praktijk. Ontwikkeling strategisch personeelsbeleid over gesprekken waarin op de resultaten van de nulmeting gereflecteerd werd. Deelnemers
waren betrokkenen in het vo, waaronder door de VO-raad aangeleverde bestuurders.
Ook heb ik op 1 november 2019 na beraad met de bonden en de werkgevers van het funderend
onderwijs het Convenant extra geld voor werkdrukverlichting en tekorten onderwijspersoneel in het
funderend onderwijs 2020–2021 afgesloten. Voor het vo kwam hiermee € 150 miljoen beschikbaar voor onder andere
ontwikkeltijd en werkdrukverlichting. Voion monitort momenteel de besteding van deze
middelen en zal hierover rapporteren.
In 2020 hebben de vo-scholen in twee subsidieronden € 94 miljoen ontvangen voor de
inhaal- en ondersteuningsprogramma’s, waarmee extra ondersteuning voor leerlingen
kon worden gefinancierd, zonder dat leraren extra belast hoefden te worden. Daarnaast
trekt het kabinet dit jaar voor het vo maximaal € 56 miljoen uit voor extra hulp in
de klas.
Op 12 oktober 2020 (Kamerstukken 31 293 en 31 289, nr. 549) heb ik de Kamer op de hoogte gebracht van de bijgestelde aanwending van de prestatieboxmiddelen
voor 2021 en 2022 als afhechting van het sectorakkoord. Scholen in het vo worden hiermee
gestimuleerd hun strategisch personeelsbeleid te versterken, waarbij duurzame inzetbaarheid
een indicator is.
Op initiatief van het Ministerie van SZW is eind 2020 een verkenning gestart naar
een interdepartementale samenwerking omtrent burn-out met de Ministeries van SZW,
VWS, OCW, sociale partners, branche- en beroepsverenigingen en partijen uit de (arbo)zorg.
Doel is de stijgende trend van het aantal burn-outklachten te keren. In de samenwerking
wordt voortgebouwd op bestaande initiatieven en activiteiten en worden met de partijen
gezamenlijk aanvullende maatregelen en acties tot uitvoering gebracht om daarmee tot
een effectieve aanpak te komen.54
Tenslotte is in december 2020 in opdracht van het Ministerie van OCW de werkdruk challenge
van start gegaan, waarbij deelnemers creatieve oplossingen kunnen aandragen om werkdruk
van docenten in het vo te verminderen. Een aantal geselecteerde inzendingen krijgt
budget om het plan te realiseren. Doel van het Ministerie van OCW is om werkdruk hoger
op de agenda te plaatsen van bestuurders en schoolleiders.
Werkdruk is voor mij een blijvend aandachtspunt in het overleg met werkgeversorganisaties.
Ook in de komende tijd zal dit dus onderwerp van gesprek zijn.
Verlenging subsidieregeling SOOL
Hierbij informeer ik uw Kamer over de verlenging van de subsidieregeling onderwijsassistenten
opleiding tot leraar. Uit de evaluatie van de eerste periode van de regeling blijkt
dat van de huidige onderwijsassistenten 95 procent de opleiding nog volgt, waarvan
85 procent zonder studievertraging. 93 procent van de schoolbesturen, de aanvragers
van de regeling, acht opnieuw gebruik van de regeling medium tot groot. In de eerste
periode is het subsidiebudget volledig benut.
Gezien deze positieve signalen kunnen in 2021 en 2022 opnieuw aanvragen worden ingediend.
De subsidie betreft € 5.000 per onderwijsassistent per jaar, waardoor voor 400 potentiële
aanvragers het totale subsidiebedrag voor de verlenging uitkomt op € 8 miljoen. De
subsidie kan in het vervolg ook worden aangevraagd door besturen van samenwerkingsverbanden
passend onderwijs. Daarnaast kan er naast onderwijsassistenten ook subsidie worden
aangevraagd voor leraarondersteuners.
Rapport Vitaal naar pensioen
Hierbij bieden wij u het rapport Vitaal naar pensioen aan dat het consortium CAOP, MOOZ en CentERdata op 15 januari 2021 heeft opgeleverd
(zie bijlage 5)55.
Uit het onderzoek komt naar voren dat er over het algemeen op scholen en instellingen
in het po, vo en mbo beleid is dat is gericht op de duurzame inzetbaarheid van al
het personeel en niet specifiek op ouderen. In de praktijk zijn er wel verschillen
in de wijze waarop werkgevers en leidinggevenden omgaan met en aankijken tegen oudere
docenten. Oudere docenten oordelen overwegend kritisch wanneer het gaat om het personeelsbeleid
op hun school. Hierin zijn zij kritischer dan hun jongere collega’s. Regionale samenwerking
op het gebied van duurzame inzetbaarheid en het behoud van ouderen is op dit moment
nog nauwelijks zichtbaar, terwijl activiteiten gericht op het behoud van personeel
zowel op micro- als op macroniveau aanzienlijke effecten hebben op de (vervangings)vraag
naar leraren/docenten.
De onderzoekers concluderen dat «de oudere leraar» geen eenduidige groep is en er
verschillen zijn ten aanzien van de perceptie op langer doorwerken. Een deel van de
ouderen blijft gemotiveerd, gezond en bekwaam tot aan hun pensioen, terwijl andere
ouderen moeilijk meekomen en voortijdig besluiten het onderwijs te verlaten. Bij het
uittreedgedrag is een onderscheid te maken tussen ouderen die al dan niet willen doorwerken
tot de pensioengerechtigde leeftijd en ouderen die al dan niet (lichamelijk en geestelijk)
in staat zijn om dit te doen. Ik zal dit rapport met het veld bespreken.
Versnelling flexibilisering lerarenopleidingen
De leden Van der Molen en Rog hebben mij verzocht niet te wachten op de uitkomsten
van de commissie Onderwijsbevoegdheden met het doorvoeren van een aantal maatregelen
die de lerarenopleidingen flexibeler maken en daarmee aantrekkelijker voor studenten
en zijinstromers, zonder aan kwaliteit in te boeten.56 Met het bestuursakkoord tussen het Ministerie van OCW, de VH en de VSNU afgelopen
oktober hebben we belangrijke afspraken gemaakt om de flexibilisering van de opleidingen
op korte termijn verder te versnellen.
Op basis van dit akkoord krijgen studenten vanaf studiejaar 2021–2022 de mogelijkheid
om een intake-assessment te doen, waarna een opleidingsaanbod op maat in de lerarenopleiding
ontwikkeld wordt. In deze intake wordt gekeken naar wat studenten al kennen en kunnen.
Voor studenten betekent dit dat hun EVC’s erkend worden door landelijk gecertificeerde
EVC-assessoren. In lijn met dit akkoord gebeurt dit landelijk op gelijke en valide
wijze door het harmoniseren van het EVC- en vrijstellingenbeleid van de lerarenopleidingen
in het hbo.
Bovendien neemt een flink aantal lerarenopleidingen reeds deel aan het experiment
leeruitkomsten. Door te werken met een samenhangend geheel van leeruitkomsten in plaats
van vastgelegde onderwijseenheden staat wat afgestudeerden moeten kennen en kunnen
centraal in plaats van waar, hoe en in hoeveel tijd zij dat moeten kennen en kunnen.
Voor studenten betekent dit dat zij zelf met ondersteuning van de opleiding en eventuele
werkplek bepalen hoe zij aan hun leeruitkomsten werken. De ambitie van de hbo-lerarenopleidingen
is om dit uit te breiden naar alle lerarenopleidingen, zodat er als het ware één onderwijsruimte
ontstaat waarin alle doelgroepen in de lerarenopleiding op passende wijze kunnen worden
opgeleid.
Ontwikkelingen in de wetgeving omtrent het register onderwijsdeelnemers
Op 1 juli 2020 zijn de Wet, het Besluit en de Regeling register onderwijsdeelnemers
in werking getreden. Daarmee zijn de wettelijke bepalingen over vier registers die
voorheen door DUO werden beheerd (het basisregister onderwijs, diplomaregister, meldingsregister
relatief verzuim en register vrijstellingen en vervangende leerplicht) opgegaan in
één nieuwe wet, amvb en regeling. Bij deze modernisering van de registerwetgeving
stond het vergroten van de toegankelijkheid en de flexibiliteit van de wetgeving centraal.57 De modernisering was grotendeels beleidsneutraal, in die zin dat de nieuwe registerwetgeving
nagenoeg dezelfde gegevensuitwisselingen regelde als de oude. Met de komst van de
Wet register onderwijsdeelnemers werden slechts enkele nieuwe gegevensuitwisselingen
geregeld, zoals de verstrekking van gegevens over vo-leerlingen aan basisscholen ten
behoeve van de evaluatie van de schooladviezen die deze leerlingen van de basisschool
kregen.
Inmiddels zijn er verschillende aanleidingen om deze wetgeving omtrent het register
onderwijsdeelnemers aan te passen. Er heeft afgelopen jaren een doorlichting plaatsgevonden
van de gegevensverwerkingen (met name gegevensverstrekkingen) die plaatsvinden bij
DUO. Mede naar aanleiding van de inwerkingtreding van de AVG in 2018 is bezien of
voor de verschillende gegevensverwerkingen een toereikende grondslag aanwezig is,
is opnieuw gekeken naar de noodzaak van de verwerkingen en is dataminimalisatie toegepast.
Dit heeft geleid tot de constatering dat voor een aantal bestaande noodzakelijke gegevensverwerkingen
een expliciete wettelijke grondslag nodig is. Het gaat hierbij onder meer om de levering
van gepseudonimiseerde gegevens aan organisaties zoals Studiekeuze 123 ten behoeve
van de Studiekeuzedatabase en aan de sectorraden ten behoeve van onderzoek en de ondersteuning
van scholen en instellingen bij hun verantwoording.
In de tweede plaats bestaat het voornemen om particuliere en (in Nederland gevestigde)
buitenlandse en internationale scholen – de zogenaamde B3- en B4-scholen in de zin
van de Leerplichtwet 1969 – aan te sluiten op het register onderwijsdeelnemers. Hierdoor
kunnen de leerplichtambtenaren van de gemeenten beter toezicht gaan houden op het
verzuim op deze scholen en zal het melden van verzuim voor deze scholen gepaard gaan
met minder administratieve lasten.
In de derde plaats hebben het Ministerie van OCW en DUO de afgelopen jaren een aantal
verzoeken tot gegevensverstrekking uit het register ontvangen. Een aantal bestuursorganen
heeft inschrijvings- of diplomagegevens waar DUO over beschikt nodig voor de uitvoering
van hun wettelijke taken. Het gaat dan bijvoorbeeld om het gebruik van diplomagegevens
waarmee beter kan worden vastgesteld of iemand die zich wil laten opnemen in een beroepsregister
het daarvoor vereiste diploma heeft behaald.
Een aantal toekomstige en bestaande gegevensverwerkingen verdient derhalve een wettelijke
verankering. Met het oog hierop is enerzijds een ontwerpbesluit tot wijziging van
het Besluit register onderwijsdeelnemers in verband met de gegevensverstrekking aan
bestuursorganen opgesteld en in procedure gebracht.58 Anderzijds is er gewerkt aan een wetsvoorstel tot wijziging van de Wet register onderwijsdeelnemers.
Dit wetsvoorstel is thans in concept gereed en zal op korte termijn in internetconsultatie
gaan. Het is tevens voor advies voorgelegd aan de Autoriteit Persoonsgegevens. De
verwachting is dat dit wetsvoorstel in het vierde kwartaal van 2021 zal worden ingediend
bij de Tweede Kamer.
Een afschrift van deze brief doen wij toekomen aan de Voorzitter van de Eerste Kamer.
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, A. Slob
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A. Slob, minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media