Brief regering : Voortgangsrapportage OM n.a.v. rapport commissie Fokkens
28 844 Integriteitsbeleid openbaar bestuur en politie
Nr. 219 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 september 2020
Op 25 april 2019 heb ik uw Kamer het rapport aangeboden1 dat in opdracht van het College van procureurs-generaal (hierna: het College) is
opgesteld door de Onderzoekscommissie Openbaar Ministerie (hierna: de commissie Fokkens).
Naar aanleiding van dit rapport heeft het Openbaar Ministerie een plan van aanpak
opgesteld waarin is aangegeven hoe invulling wordt gegeven aan de diverse aanbevelingen
van de commissie Fokkens. Dit plan van aanpak heb ik uw Kamer op 6 juni 2019 gestuurd2.
Het College stelt mij periodiek op de hoogte van de uitvoering en de toereikendheid
van het plan van aanpak. Conform de toezegging in mijn brief van 6 juni 2019 heb ik
de eerste twee voortgangsrapportages van het College aan uw Kamer toegestuurd bij
brief van 17 oktober 20193 en 7 mei 20204. Ook in het Jaarbericht van het OM over 2019 besteedde het College uitvoerig aandacht
aan het werk aan het plan van aanpak. Ik zond u deze toe bij mijn brief van 16 juni
jongstleden5.
Hierbij stuur ik u de derde rapportage, waarin het College de voortgang van het plan
van aanpak uiteenzet. Voor de inhoud van de rapportage verwijs ik uw Kamer naar de
bijlage6. In mijn brief van 7 mei en 29 juni jongstleden7 heb ik u toegezegd naar aanleiding van de derde voortgangsrapportage van het OM daaromtrent,
een meer uitvoerige schriftelijke reactie toe te zullen sturen.
In deze brief ga ik tevens in op de recente afhandeling van klachten jegens leden
van het College van procureurs-generaal.
Verbeteren van het veilige werkklimaat binnen het OM
Bijgaande rapportage van het College geeft informatie over de voortgang op de uitvoering
van de lopende activiteiten op de onderdelen cultuur en leiderschap, ontwikkeling
governance, benoemingenbeleid en integriteit. De maatregelen om besmettingen met het
corona-virus tegen te gaan hebben grote gevolgen voor het werk van het OM. De huidige
werkomstandigheden hebben ook impact op de wijze waarop medewerkers hun werk kunnen
doen en waarop samengewerkt kan worden. Ik ben daarom zeer verheugd dat het College
het werk aan onder meer een veilige werkomgeving, een nieuw benoemingenbeleid en een
bijbehorende procedure voor werving- en selectie, niet laat verslappen en ervoor zorg
draagt dat de aandacht voor de thema’s uit het plan van aanpak niet afneemt. Het werk
aan de vier genoemde onderdelen van de aanpak gaat onverminderd door.
Het College heeft afgelopen zomer de leiding van de onderdelen in de periodieke gesprekken
de vraag gesteld «hoe het OM ervoor staat», nu ruim één jaar na het plan van aanpak.
Dezelfde vraag is gesteld in de gesprekken met de ondernemingsraden van elk OM-onderdeel.
Verder is aan de hand van de Medewerkers Participatie Onderzoeken (MPO) gekeken hoe
medewerkers het werken aan een veilig werkklimaat ervaren. Uit de gesprekken en de
meting kan – hoewel er behoorlijke lokale verschillen zichtbaar zijn – worden opgemaakt
dat voor medewerkers ander gedrag zichtbaar is en dat het werkklimaat merkbaar is
verbeterd. Ook wordt (meer) ruimte ervaren voor spraak en tegenspraak, aanspreken
en aangesproken worden, en voor diversiteit en verbinding. Er wordt meer ruimte gegeven
en genomen om het gesprek aan te gaan over verschillen van inzicht. Niet alleen binnen,
maar vooral ook tussen verschillende hiërarchische niveaus; en ook tussen leiding
en Centrale Ondernemingsraad respectievelijk ondernemingsraden. Medewerkers durven
zich meer uit te spreken, zijn mondiger, melden zaken die integriteit betreffen meer,
benoemen de lastige punten en brengen issues in een veel eerder stadium op tafel.
Dat het gespreksklimaat verbeterd is en dat meer manieren gevonden worden om met elkaar
in gesprek te komen, zie ik met het College als een positieve ontwikkeling. Het zal
enige tijd vergen voordat die ontwikkeling robuust en bestendig is. Wat dat betreft
is er nog werk aan de winkel. Maar de richting is bepaald en de beweging is ingezet.
Tegelijkertijd resteren nog ontwikkelpunten. Zo ervaren medewerkers van het OM nog
te weinig mogelijkheden tot invloed en het geven van input bij organisatiebeslissingen,
teambeslissingen en het directe werk. Die mate van invloed blijkt een belangrijke
factor voor het werkplezier. Zoals ik in mijn eerdere brieven over dit onderwerp aan
uw Kamer ook aangaf, kost verandering van cultuur binnen een organisatie altijd tijd.
Om die reden zal de uitvoering van het plan van aanpak ook in de toekomst aandacht
blijven vragen. Binnen de top van het OM bestaat behoefte om de versterking van de
gesprekscultuur voort te zetten. Dit zal dan ook door het College worden gestimuleerd.
Ook zal het College de ingezette beweging verder verdiepen en verbreden. Door de omstandigheden
van het coronavirus is deze beweging vertraagd en zal deze vanaf dit najaar worden
ingezet. Om dit mogelijk te maken, wordt als eerste stap samen met vertegenwoordigers
van elk OM-onderdeel, een «week voor de leidinggevenden» in oktober voorbereid.
Zoals in de vorige rapportages aangegeven wordt het werken aan het plan van aanpak
begeleid door een Audit Committee, een Begeleidingscommissie en een Reflectieraad.
Dit najaar zal het College ook een visitatie-instrument inrichten en een Visitatiecommissie
installeren. Het doel van de visitatie is om de kwaliteit van de organisatie te verbeteren
door een onafhankelijke commissie met externe en interne experts periodiek een organisatiedoorlichting
uit te laten voeren. De doorlichting wordt gericht op onderwerpen die voortkomen uit
het onderzoek van de commissie Fokkens maar hoeft zich niet daartoe te beperken. Ik
ben er content mee dat het College kiest voor een structurele opzet van de visitatie
en voor een positionering van de visitatie binnen een kwaliteitsmanagementsysteem.
Klachten tegen gedraging van leden van het College
In antwoord op vragen van de leden Van Toorenburg en Van Dam over het bericht «Weer
hoofdofficier weg bij het OM» heb ik aan uw Kamer melding gemaakt van twee klachten
tegen gedragingen van leden van het College van Procureurs-Generaal die bij mijn ministerie
aanhangig zijn gemaakt.8 Over de behandeling van klachten rapporteer ik normaal gesproken niet aan de Kamer.
Voor klagers kan het een drempel opwerpen wanneer zij er bij indiening van een klacht
rekening mee moeten houden dat hierover aan de Kamer wordt gerapporteerd. Dat vind
ik ongewenst en niet in overeenstemming met het ruim geformuleerde klachtrecht in
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de eis (die voortvloeit uit artikel 9:2 Awb)
dat er voldoende gelegenheid moet zijn om klachten in te dienen. Bij wijze van uitzondering
doe ik u in dit geval een afloopbericht over de klachten toekomen omdat uw Kamer eerder
naar deze klachten heeft gevraagd en de klachten door uw Kamer ook in verband zijn
gebracht met het rapport van de commissie Fokkens. Om redenen van bescherming van
de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen en de bovenstaande overwegingen over het
onbelemmerde gebruik van het klachtrecht doe ik geen inhoudelijke mededelingen over
de afhandeling van de klachten.
Beide klachten zijn onderzocht door een onafhankelijke klachtadviescommissie. De adviezen
van deze commissies zijn door de secretaris-generaal van mijn ministerie, die conform
artikel 2 van het Mandaatbesluit niet-beheersaangelegenheden Openbaar Ministerie bevoegd
is over deze klacht te beslissen, overgenomen. Klagers en beklaagden zijn inmiddels
over de beslissingen in deze klachten geïnformeerd.
De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F.B.J. Grapperhaus, minister van Justitie en Veiligheid