Brief regering : Reactie op verzoek commissie over de brief van meerdere organisaties over het artikel ‘Goed nieuws: KLM en Schiphol creëren veel minder banen dan gedacht’ van Follow The Money (FTM)
29 665 Evaluatie Schipholbeleid
Nr. 386 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 mei 2020
In de procedurevergadering van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
van 23 april 2020 is gesproken over de brief van 9 april 2020 van meerdere organisaties,
waaronder SchipholWatch, naar aanleiding van het artikel «Goed nieuws: KLM en Schiphol
creëren veel minder banen dan gedacht’van Follow The Money (FTM) van 9 april 2020.
De commissie heeft mij verzocht om een schriftelijke reactie op deze brief. Hierbij
geef ik u deze reactie. Daarmee geef ik tevens invulling aan mijn toezegging aan het
lid Van Raan tijdens het debat over steun aan KLM op 6 mei 2020 (Kamerstuk 29 232, nr. 37) om de verschillen aan te geven tussen het onderzoek van Decisio naar de economische
betekenis van Schiphol1 en andere onderzoeken op dit terrein.
Allereerst wil ik reageren op de in de brief geuite angst dat er mogelijk besluiten
over financiële steun aan de luchtvaart worden genomen op onjuiste gronden en informatie.
Ik verzeker u dat hiervan geen sprake is. Ik hecht er sterk aan dat de afwegingen
die ten grondslag liggen aan de steunmaatregelen gebaseerd zijn op accurate informatie
en gedegen onderzoek.
SchipholWatch en de andere organisaties spreken in hun brief hun verontrusting uit
over de werkgelegenheid waarvoor de luchtvaartsector volgens het artikel aangeeft
verantwoordelijk te zijn. Het gaat om een aantal van 370.000 banen dat afkomstig is
uit een studie uit 2015 van Intervistas in opdracht van ACI Europe2. Volgens het artikel van FTM is dit aantal overdreven, omdat er sprake is van een
dubbeltelling, onder meer omdat er met twee alternatieve methoden is gerekend.
Om een goed beeld te hebben van de economische bijdrage van Schiphol is dit in het
verleden en ook recent nog in opdracht van IenW uitgebreid onderzocht. Dit onderzoek
is door Decisio uitgevoerd en in het artikel van FTM wordt ook naar dit onderzoek
verwezen. In 2015 is een eerste onderzoek van Decisio verschenen3 en in januari 2020 heb ik de actualisatie van deze studie aan de Tweede Kamer gestuurd4. Wat mij betreft zijn de berekeningen van Decisio het uitgangspunt als er een beeld
geschetst moet worden van het huidige aantal banen en de toegevoegde waarde die te
relateren is aan Schiphol. Uit de recente studie van Decisio blijkt dat de werkgelegenheid
die direct en indirect samenhangt met de luchthavenactiviteiten op en rond Schiphol
114.000 banen (93.000 fte) bedraagt. De toegevoegde waarde die hiermee samenhangt
bedraagt € 10,4 miljard. Inclusief regionale luchthavens is de werkgelegenheid die
direct en indirect samenhangt met luchthavenactiviteiten in Nederland circa 100.000
fte.
Een eerste verschil met de studie van Intervistas is dat Decisio zich uitsluitend
richt op de luchthavens in Nederland, waardoor het mogelijk is om het aantal banen
en de toegevoegde waarde heel nauwkeurig op basis van gedetailleerde statistieken
uit te rekenen. Intervistas kijkt naar de luchtvaart in alle Europese landen en de
berekeningen in deze studie zijn mede daarom op een globaler niveau uitgevoerd. Er
wordt voornamelijk gebruik gemaakt van multipliers, een methodiek die ook in veel
andere studies wordt gehanteerd.
Een tweede verschil heeft betrekking op de overtuiging over wat wel en niet goed te
berekenen is. Bij de berekende economische bijdragen in de studie van Decisio gaat
het uitsluitend om de directe werkgelegenheid (banen bij luchtvaart- en luchthavenbedrijven en -organisaties op
en rond de luchthaven) plus de indirecte achterwaartse werkgelegenheid (banen bij de toeleveranciers van deze bedrijven en organisaties,
en de toeleveranciers daarvan).Daarnaast is er ook de betekenis van Schiphol voor
het functioneren van andere sectoren en de betekenis van Schiphol als vestigingsplaatsfactor.
Dit is de zogenaamde indirecte voorwaartse economische bijdrage. Deze bijdrage is er wel degelijk, maar wordt door Decisio in
de onderzoeken niet in cijfers uitgedrukt. Reden daarvoor is dat deze specifieke bijdrage
lastig exact is te bepalen, omdat deze niet te isoleren is van andere factoren.
In de studie van Intervistas waar in het artikel van FTM naar wordt verwezen is wel
gepoogd om de voorwaartse bijdrage in cijfers uit te drukken. In aanvulling op de
directe en indirect achterwaartse bijdragen beschouwt deze studie de geïnduceerde
en katalytische bijdragen. De geïnduceerde bijdrage is een afgeleide bijdrage die
bestaat uit de bestedingen van werknemers bij bedrijven op Schiphol en de toeleverende
bedrijven. In het rapport van Decisio uit 2015 heeft Decisio al aangegeven dat zij
deze bijdrage buiten beschouwing laat, omdat het risico op dubbeltellingen groot is.
De katalytische bijdrage is gelijk aan de indirect voorwaartse bijdrage. Uit een literatuurstudie
die onderdeel was van het onderzoek van Decisio uit 2015 blijkt dat ook in veel andere
onderzoeken, bijvoorbeeld door McKinsey en BCG (2011) en Oxford Economics (2014),
is gepoogd om deze bijdrage te kwantificeren. Intervistas is dus niet de enige die
dit heeft gedaan. Uit de literatuurstudie van Decisio blijkt dat er in het verleden
in diverse onderzoeken een grote verscheidenheid aan methoden en multipliers is gehanteerd
om de voorwaartse bijdragen van luchthavens te bepalen. Deze grote verscheidenheid
ondersteunt de conclusie van Decisio dat de voorwaartse bijdrage lastig exact is te
bepalen.
De voorwaartse economische bijdrage is door Decisio wel in kwalitatieve zin onderzocht.
Conclusie is dat Schiphol met haar uitgebreide netwerk van directe bestemmingen een
belangrijke vestigingsplaatsfactor voor internationaal opererende bedrijven is. Er
is een duidelijke relatie tussen de nationale/regionale economische groei en de groei
van de luchtvaart op Schiphol. In brede zin is Schiphol vooral faciliterend: de luchthaven
voorziet in de vraag naar vliegverkeer die afhangt van economische groei. Andersom
is de nabijheid van de luchthaven vaak één van de vestigingsfactoren voor internationale
bedrijven. Die rol is er, maar is niet te isoleren van andere vestigingsfactoren en
dus lastig vast te stellen. De toeristische sector en de luchtvrachtlogistiek zijn
wel specifieke sectoren waarvoor de bijdrage van Schiphol duidelijk is.
In lijn met de onderzoeken van Decisio is mijn conclusie daarom dat de schattingen
van de economische bijdragen in studies zoals die van Intervistas veel onzekerheden
kennen. Decisio richt zich op de onderdelen die nauwkeurig in kaart zijn te brengen
en geeft daarvan zo goed mogelijk gevalideerde cijfermatige schattingen.
Verder is het van belang om te melden dat zowel het onderzoek van Decisio als dat
van Intervistas en andere bureaus die de directe en indirecte (voorwaarts en achterwaarts)
economische bijdragen beschouwen statische analyses zijn: zij berekenen de economische «bijdragen» op een bepaald moment en kijken dus niet naar «effecten» van meer of minder luchtvaart bezien over een periode. Dit laatste gebeurt in dynamische welvaartsanalyses zoals in het door FTM aangehaalde onderzoek «Verkennende MKBA beleidsalternatieven
luchtvaart» van Decisio e.a. uit 20185 en in het onderzoek «Het maatschappelijk belang van het Schipholnetwerk» van SEO
uit 20206. Dynamische welvaartsanalyses worden uitgevoerd in MKBA’s om de effecten van beleidsmaatregelen
(bijvoorbeeld een vliegbelasting of capaciteitsuitbreiding) in te schatten of in what
if-analyses om het maatschappelijk belang van marktsegmenten te duiden. Deze analyses
houden rekening met veel meer effecten dan alleen de werkgelegenheidseffecten. Er
wordt gekeken naar alle effecten op de Nederlandse welvaart, voor consumenten, bedrijven,
de omgeving en het klimaat. De statische en dynamische analyses staan los van elkaar
en moeten niet met elkaar verward worden. De studie van Intervistas is net als het
onderzoek van Decisio een momentopname en richt zich niet op dynamische effecten.
Het zijn dus beide statische analyses. Het risico van dubbeltellingen waar FTM op
wijst bij de studie van Intervistas zit hem niet zozeer in het feit dat een ander
type analyse wordt gebruikt, zoals FTM stelt, maar in de scope (ook geïnduceerde en
katalytische bijdragen worden meegenomen) en de methodiek (multipliers) en de onzekerheden
die daarmee gepaard gaan.
In de brief van SchipholWatch en de andere organisaties wordt aan de Commissie IenW
gevraagd om een bepaling op te laten stellen van het werkelijke aantal banen dat in
ons land kan worden toegeschreven aan de luchtvaartsector. Wat mij betreft voldoet
de studie van Decisio daar al aan en is het niet nodig om hiervoor meer onderzoek
uit te laten uitvoeren.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
C. van Nieuwenhuizen Wijbenga
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C. van Nieuwenhuizen Wijbenga, minister van Infrastructuur en Waterstaat