Brief regering : Vervolgacties aanpak PFAS en aanbieding ringonderzoek PFAS
35 334 Problematiek rondom stikstof en PFAS
25 295 Infectieziektenbestrijding
Nr. 80 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 april 2020
In het Algemeen Overleg PFAS van 19 februari jl. en het Verslag van het Algemeen Overleg
van 10 maart jl. heb ik toegezegd uw Kamer te blijven informeren over de voortgang
op de aanpak van PFAS in grond en baggerspecie. Met deze brief wil ik uw Kamer tussentijds
informeren over een aantal van de acties die tijdens deze debatten aan de orde zijn
geweest. Tevens bied ik met deze brief zoals toegezegd het ringonderzoek PFAS aan1. Hiermee voldoe ik aan de motie van de leden Ziengs en Von Martels (Kamerstuk 35 334, nr. 62).
Resultaten van het ringonderzoek PFAS
Het ringonderzoek is uitgevoerd onder negen laboratoria om de nauwkeurigheid van de
analyses van PFAS in grond en sediment te bepalen. Bij een dergelijk onderzoek wordt
naar de juistheid en precisie van de analyses gekeken alsmede naar de invloed van
verschillende bodemtypen op de onderzoeksresultaten. Ik heb het RIVM gevraagd om als
opdrachtgever het onderzoek uitgevoerd door het ringonderzoeksbureau WEPAL te begeleiden
en te beoordelen.
De conclusie van het RIVM op basis van het ringonderzoek is dat de precisie van de
laboratoria bij de analyse van PFAS in grond en sediment bij concentraties in de ordegrootte
van de tijdelijke achtergrondwaarden van het geactualiseerde handelingskader PFAS
(1 december 2019) in het algemeen goed is. Daarbij is de juistheid (spreiding) van
de analyseresultaten vergelijkbaar met de afwijkingen die voor andere organische stoffen
in relatief lage concentraties worden gehaald.
In het ringonderzoek hebben Nederlandse, Zweedse én Belgische laboratoria deelgenomen.
De individuele labs zijn geïnformeerd zodat zij hun prestatie kunnen toetsen aan die
van anderen en verbeteringen kunnen doorvoeren waar ze dat nodig achten. Het RIVM
heeft de resultaten van het ringonderzoek gepresenteerd in de Taskforce PFAS en daarbij
geconcludeerd dat de kwaliteit van de analyses van PFAS voldoende zijn om betrouwbaar
te toetsen aan de toepassingswaarden uit het tijdelijk handelingskader. Ik onderschrijf
deze conclusies, die met het oog op het toepassen van het tijdelijk handelingskader
van belang zijn voor alle partijen in de keten. Uiteraard houd ik contact met laboratoria
over de ontwikkelingen van onder meer de testcapaciteit en standaardisatie van de
analyses gelet op het belang daarvan voor de praktische toepassingen door de sector.
Contact met het UWV, SZW en de sector over de impact op bedrijfsleven
Het Ministerie van SZW heeft aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
(UWV) gevraagd of een beeld kan worden geschetst hoeveel bedrijven als gevolg van
PFAS in de problemen zijn geraakt, door bijvoorbeeld ontslagen en/of faillissementen.
Het UWV heeft laten weten geen zicht te hebben op het aantal beëindigde arbeidsverhoudingen
als gevolg van de PFAS problematiek. Het UWV stelt niet vast waarom mensen precies
in de WW belanden. Alleen een zeer forse toename van nieuwe WW’ers uit de relevante
sectoren zou in verband kunnen worden gebracht met de stikstof- en/of PFAS problematiek.
Dat blijkt nu niet het geval te zijn.
Conform mijn toezegging heb ik tevens aan de vertegenwoordigers van de sectoren in
de Taskforce (VNO-NCW, Cumela, Vereniging van Waterbouwers, Bouwend NL, TLN, Afvalzorg)
gevraagd om relevante en bruikbare cijfers aan te leveren over ontslagen en/of faillissementen
als gevolg van PFAS.
Daarnaast heb ik de Minister van SZW onlangs gesproken over werktijdverkorting voor
bedrijven die zijn getroffen door PFAS. Inmiddels is als gevolg van de corona crisis
de regeling werktijdverkorting ingetrokken en wordt deze vervangen door de tijdelijke
Noodmaatregel Overbrugging voor Werkbehoud (NOW). Ook bij omzetverlies wegens andere
oorzaken dan de uitbraak van het coronanavirus COVID-19 kunnen bedrijven gebruik maken
van de nieuwe regeling. Ik zal uw Kamer in de voortgangsbrieven over PFAS informeren
over de uitkomsten van bovenstaande.
Vraag met betrekking tot het aanleggen en opvullen van sloten
Tijdens het AO PFAS op 19 februari heeft het lid Ziengs gevraagd naar het knelpunt
dat er zou zijn bij het aanleggen en opvullen van sloten. Uit navraag bij sectororganisaties
volgt dat een of meerdere bedrijven problemen ervaren met het toepassen van (nieuw)
zand bij de aanleg van vijvers en sloten bij wijkvernieuwingsprojecten. Voor de aanleg
van een vijver of sloot beoordeelt het bevoegd gezag of het gaat om een toepassing
op de landbodem of toepassing op de waterbodem. Voor toepassing van grond op de landbodem
gelden de normen uit het tijdelijk handelingskader PFAS of een lokaal vastgestelde
waarde. Voor de waterbodem geldt dat PFAS houdende grond niet mag worden toegepast
in oppervlaktewater. Een alternatief is dat grond wordt gebruikt die geen PFAS bevat.
Ik zal het expertteam (de vliegende brigade) vragen om contact op te nemen met de
betreffende bedrijven en overheden om te bezien welke ruimte er onder het tijdelijk
handelingskader daarnaast mogelijk is bij deze casus, in parallel met het reeds lopende
onderzoek naar de toepassing van grond in oppervlaktewater.
Signaal over capaciteit van depots
De Kamerleden Ziengs en Von Martels hebben tijdens het AO PFAS gevraagd of de (land)depots
vol geraken, waardoor onvoldoende ruimte overblijft voor de berging van slib. Uit
navraag bij sectororganisaties volgt dat dit knelpunt zich niet voordoet bij grondbanken
of stortplaatsen op land. Bij de rijksbaggerdepots speelt wel dat partijen niet geaccepteerd
(kunnen) worden. Ik laat op dit moment door Rijkswaterstaat uitzoeken hoe groot dit
probleem is, om wat voor soort partijen dit gaat en of en zo ja welke oplossing uiteindelijk
gevonden wordt. Zoals aangegeven in de brief aan de Kamer van 19 december 2019 beschikken
de rijksbaggerdepots over voldoende ruimte om bagger te bergen die PFAS bevat (restcapaciteit
van ruim 41 mln m3). Zolang wordt voldaan aan de acceptatiecriteria kan bagger gestort worden in de
rijksbaggerdepots de Slufter, IJsseloog en Hollandsch Diep en wordt daarbij geen ondergrens
voor de hoeveelheid te storten bagger gehanteerd. Zoals aangegeven in de brief aan
de Kamer van 29 november 2019 (Kamerstuk 35 334, nr. 19) verschilt het kunnen accepteren van PFAS-houdende bagger per depot als het gaat
om bagger die qua andere verontreinigingen niet sterk vervuild is. Dat heeft thans
tot gevolg dat bagger die alleen met PFAS is verontreinigd niet in elk geval door
ieder rijksbaggerdepot kan worden geaccepteerd. Rijkswaterstaat is nu in overleg met
de bevoegde gezagen en de ILT om de voorwaarden in de vergunningen te wijzigen. Doel
is onder andere om de bestaande verschillen tussen de rijksbaggerdepots weg te nemen
en in deze depots ook bagger te kunnen bergen die alleen met PFAS is verontreinigd.
Naar mijn verwachting zullen de nieuwe vergunningen tegen het einde van 2020 van kracht
worden. Vooruitlopend ben ik in overleg over het vormgeven van de overgangssituatie
met de bevoegde gezagen en de ILT. Ik wil hiermee bewerkstelligen dat op korte termijn
niet-toepasbare PFAS-houdende bagger in de depots geborgen kan worden.
Voortgang van het onderzoek naar aandachtslocaties en INEV’s
Op basis van de Wet bodembescherming zijn de provincies en 29 grotere gemeenten verantwoordelijk
voor het onderzoek naar mogelijke gevallen van bodemverontreiniging. Deze bevoegde
gezagen beoordelen – onder meer aan de hand van Indicatieve Niveaus voor Ernstige
Verontreiniging (INEV’s) – verontreinigingen op ernst en spoedeisendheid volgens de
bodemwet- en regelgeving2. Deze beoordeling staat los van het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van
PFAS-houdende grond en baggerspecie. Het RIVM heeft bevestigd dat de waarden van de
INEV’s geen gevolgen hebben voor de hoogte van de hergebruikswaarden. De INEV’s zijn
in de Taskforce met de sector besproken, die constateerde dat het voor hen geen directe
consequenties heeft. Het RIVM heeft de INEV’s vastgesteld en begin maart op haar website
gepubliceerd.
In de voortgangsbrief PFAS van 13 februari 2020 (Kamerstuk 35 334, nr. 46) heb ik u aangegeven dat de resultaten van de inventarisatie van de aandachtslocaties
(zogenaamde hotspots), onderzoeken van het RIVM naar deze INEV’s en de definitieve
interventiewaarden, alsmede de bestuurlijke afspraken met medeoverheden over dit onderwerp
in samenhang moeten worden beschouwd. De sector zal hierbij betrokken worden middels
de taskforce. De uitkomsten hiervan deel ik voor het einde van het jaar met u gelijktijdig
met het definitieve handelingskader PFAS en de afspraken met decentrale overheden
over eventuele financiële consequenties.
Tijdlijn PFAS onderzoeken (bodem) en proces betrekken stakeholders
Tijdens het VAO PFAS op 10 maart jl. heb ik uw Kamer toegezegd een tijdlijn toe te
sturen waarin vermeld staat wanneer de verschillende PFAS onderzoeken die ten grondslag
liggen aan het bieden van de redelijke ruimte binnen het tijdelijk handelingskader
dan wel aan het opstellen van het definitief handelingskader gereed zijn. Bijgevoegd
treft u deze tijdlijn met de stappen die zijn voorzien voor de aanpak van PFAS in
grond en baggerspecie3. Hiermee geef ik invulling aan de motie van de leden Von Martels en Ziengs waarmee
wordt verzocht om een tijdlijn voor PFAS- en ZZS-onderzoeken (Kamerstuk 35 334, nr. 57).
Ik hecht er aan om samen met alle relevante partijen de volgende fases in te gaan.
Voor het opstellen van het definitief handelingskader PFAS en de algemene methodiek
is een structurele samenwerking opgezet met de medeoverheden, kennisinstellingen en
het bedrijfsleven. Onderdeel daarvan is een stakeholderoverleg met het bedrijfsleven
en organisaties op het gebied van natuur, milieu en gezondheid. Hiermee geeft ik mede
invulling aan mijn toezegging tijdens het AO PFAS van 19 februari jl. (Kamerstuk 35 334, nr. 78) om ook de natuur en milieuorganisaties te betrekken bij dit proces.
Dit stakeholderoverleg zal ter consultatie op een aantal momenten gedurende het traject
plaatsvinden. Naast dit stakeholdersoverleg zullen er aanvullend regionale werkconferenties
en zal de formele zienswijzeprocedure plaatsvinden. Het stakeholdersoverleg en de
werkconferenties zijn er op gericht inzicht en betrokkenheid te creëren bij het proces
naar het definitieve handelingskader. Daarnaast is het traject gericht op het benutten
van kennis en ervaring van de deelnemers om de consequenties van het DHK voor de uitvoeringspraktijk
in beeld te brengen.
Website PFAS-vrije producten in het VK
Tijdens het VAO PFAS is mij gevraagd te kijken naar een voorbeeld van een website
uit het Verenigd Koninkrijk, waar PFAS-vrije producten werden opgesomd. Ik heb de
website bekeken4. Deze website richt zich uitsluitend op aanwezigheid van PFAS in producten. Hier
worden daadwerkelijke blootstellingsrisico’s niet in beeld gebracht. Ook is er geen
informatie over andere risico’s in de producteigenschappen (zoals aanwezigheid van
en risico op blootstelling aan andere ZZS). Dat kan op die manier omdat het een website
van een NGO betreft. Een dergelijk initiatief uit de maatschappij heeft de mogelijkheid
om bepaalde producten te promoten ten opzichte van andere producten, die aan de wettelijke
eisen voldoen.
De overheid heeft deze mogelijkheid niet en daarom wordt op de bestaande website van
de Nederlandse overheid niet merk-specifieke informatie over chemische stoffen in
producten gegeven.5
Tot slot kan ik u melden dat ik samen alle betrokken partijen aan de slag ben om een
oplossing te vinden voor de situatie rondom afvalwaterlozingen van de grond- en baggersector
die PFAS kunnen bevatten. Ik zal u hierover en over de overige toezeggingen uit het
debat uiterlijk voor de zomer informeren in een volgende voortgangsbrief.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
S. van Veldhoven-van der Meer
Indieners
-
Indiener
S. van Veldhoven-van der Meer, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat