Brief regering : Gevolgen van de toepassing van de Fair Practice Code voor meerjarig gesubsidieerde instellingen en festivals
32 820 Nieuwe visie cultuurbeleid
Nr. 336
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 februari 2020
Voorgeschiedenis
In april 2017 verscheen het gezamenlijk advies van de SER en de Raad voor Cultuur
over de arbeidsmarktsituatie van werkenden in de culturele en creatieve sector.1 De conclusie van het advies was glashelder: de arbeidsmarktsituatie is zorgwekkend.
Om deze situatie te verbeteren werden concrete voorstellen gedaan
om het verdienvermogen in de sector te vergroten, de inkomenszekerheid te verbeteren,
scholing te bevorderen en het overleg tussen werkgevers en werknemers te versterken.
Om de inkomenspositie van de werkenden in de sector te verbeteren, adviseerden beide
raden ten eerste dat de sector werkt aan bewustwording. Bijvoorbeeld in de vorm van
een code voor goed werkgever- en opdrachtgeverschap. Overheden kunnen dan in hun subsidievoorwaarden
hiernaar verwijzen.
Aanvullend op het advies van de SER en de Raad voor Cultuur is door de sector zelf
een Arbeidsmarktagenda met actiepunten opgesteld.2 Op 14 november 2017 heb ik deze agenda in ontvangst genomen. Eén van de agendapunten
van de Arbeidsmarktagenda is het opstellen van een Fair Practice Code. Deze is inmiddels
opgesteld3. De code is een gedragscode. Hij nodigt uit tot kritische reflectie en biedt een
handreiking voor hoe de sector samen tot een toekomstbestendige arbeidsmarkt en beroepspraktijk
komt.
Een sterke culturele sector
In maart 2018 beschreef ik in mijn brief «Cultuur in een open samenleving»4 dat verbetering van arbeidsvoorwaarden vraagt om duidelijke keuzes en een realistische
blik. Het is de rol van het kabinet om de sector hierin te ondersteunen. Ik moedig
de sector aan om hierin verantwoordelijkheid te nemen. Ik doe dat door sectorbrede
maatregelen te nemen en door voor de periode 2021–2024 voor de basisinfrastructuur
inclusief de cultuurfondsen een aantal randvoorwaarden te schetsen5.
In november is de Subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2021–2024 in de Staatscourant
gepubliceerd.6 Daarin staat vermeld dat iedereen die in aanmerking wil komen voor rijkssubsidie
de Fair Practice Code moet onderschrijven. Instellingen moeten inzichtelijk maken
hoe de kernwaarden die ten grondslag liggen aan de Fair Practice Code in de periode
2021–2024 (stapsgewijs) vertaald worden in concreet beleid. Alleen door nu met elkaar
de Fair Practice Code als uitgangspunt te nemen kunnen we geleidelijk naar een situatie
groeien waarin werkenden in de culturele en creatieve sector een eerlijke beloning
krijgen.
Onderzoeken naar gevolgen Fair Practice Code
Op 16 mei jl. heb ik van Kunsten ’92 het rapport «Naar het nieuwe normaal»7 in ontvangst genomen. Het rapport berekent dat uitvoering van de Fair Practice Code
bij bestaande output ten minste 25 miljoen euro aan extra structurele middelen vergt.
In augustus 2019 is in opdracht van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie aanvullend
onderzocht wat meerkosten bij bestaande output van de creatieve industrie zouden zijn.8 Het gaat om een bedrag van 1,6 miljoen euro.
Onderzoek gevolgen van de toepassing van de Fair Practice Code
De motie Asscher verzoekt om te onderzoeken wat de daadwerkelijke kosten zijn van
implementatie van de Fair Practice Code in de gehele culturele sector (Kamerstuk 32 820, nr. 312). Hierbij treft u dit onderzoek aan9. Het onderzoek schetst de meerkosten van de Fair Practice Code uitgaande van het
huidige aanbod van meerjarig Rijksgesubsidieerde instellingen. In totaal bedragen
de meerkosten van deze instellingen 20,1 miljoen euro10. De meerkosten bestaan uit compensatie voor tekortschietende beloning en onbetaald
structureel overwerk.
Daarnaast schetst het onderzoek inzicht in de gevolgen voor het culturele aanbod bij
het huidige financieel kader voor 2021–2024.
Gevolgen voor het aanbod
Door toepassing van fair pay krijgt een deel van de instellingen te maken met hogere
personele lasten. Als de inkomsten niet groeien dan moeten instellingen de overige
kosten terugbrengen. Dat kan door het aanbod te verminderen. Voor de podiumkunsten
is daarbij het sectoradvies van de Raad voor Cultuur relevant11. De Raad benadrukt het belang van een juiste verhouding tussen de hoeveelheid aanbod
en het absorptievermogen door de podia.
Uit het onderzoek blijkt dat niet alle instellingen hun aanbod hoeven te verminderen.
(Middel)grote musea, orkesten en grote festivals kunnen de meerkosten van fair pay
gedurende de subsidieperiode 2021–2024 geleidelijk opvangen binnen hun huidige bedrijfsvoering.
Voor andere instellingen geldt dat de gevolgen voor het culturele aanbod sterk variëren
tussen de verschillende sectoren en de grootte van de instelling. Het percentage waarmee
het aanbod zou moeten afnemen varieert. In tabel 3.16 op pagina 24 van het onderzoeksrapport
vindt u een overzicht van alle verschillende deelsectoren en grootteklassen.
Het onderzoek schetst ook een variant waarin het aanbod wordt verminderd door het
aantal meerjarig gesubsidieerde instellingen terug te brengen. Deze optie laat ik
in deze brief verder buiten beschouwing omdat op dit moment de bestaande kaders (huidige
instellingen en huidig financieel kader) het uitgangspunt zijn.
Dilemma voor de culturele sector
Al het bovenstaande maakt haarscherp dat de culturele sector voor wat betreft eerlijke
beloning voor een uitdaging staat. Mijn maatregelen uit de uitgangspuntenbrief zijn
bedoeld om daaraan bij te dragen. Ik zie daarbij 2021–2024 als de periode om hierin
binnen de bestaande kaders, samen met de andere overheden en fondsen, stappen te zetten.
Van de sector vraagt dat om scherpe keuzes die niet altijd gemakkelijk zullen zijn.
Die keuzes zullen bovendien voor elk deel van de sector anders zijn. Vanwege de aard
van die sector, de grootte van de instelling en vanwege de hoogte van het percentage
waarmee het aanbod moet afnemen, tenzij de inkomsten groeien.
Minder activiteiten leidt niet alleen tot lagere activiteitenlasten maar ook tot minder
publieksinkomsten. Dat geldt specifiek voor instellingen met relatief hoge meerkosten
en relatief veel publieksinkomsten (kleine en middelkleine dansgezelschappen en ensembles).
Dat stelt de instellingen voor een dilemma.
Als er geen extra financiële middelen gevonden worden, zullen instellingen een manier
moeten vinden om te bepalen in hoeverre vermindering van het aanbod passend voor hen
is om de meerkosten van fair pay op te vangen. Of dat er ook nog andere mogelijkheden
tot hun beschikking staan. Fair Practice stelt instellingen voor de uitdaging om hun
bedrijfsmodel goed onder de loep te nemen en te bekijken of anders organiseren kan
bijdragen aan meer ruimte. Een groot deel van de door het ministerie gesubsidieerde
instellingen laten een positief beeld zien op liquiditeit en solvabiliteit. Daarnaast
hef ik in de nieuwe subsidieperiode 2021–2024 de bestemmingsreserves op. Dat geeft
de instellingen meer de ruimte om hun eigen bedrijfsvoering inclusief beslissingen
rondom beloning zelf te bepalen.
Rol Fair Practice in beoordeling subsidie-aanvragen
Eén van de beoordelingscriteria van de Raad voor Cultuur voor de aanvragen voor de
nieuwe cultuurperiode 2021–2024 is eerlijke beloning en een gezonde bedrijfsvoering.
In mijn adviesaanvraag aan de Raad voor Cultuur vraag ik de Raad om een realistische
toets van de plannen in de aanvragen. Als de Raad voor Cultuur in juni zijn advies
uitbrengt zal duidelijk worden hoe de aanvragers met bovenstaande dilemma’s zijn omgegaan
en wat het oordeel van de Raad daarover is.
Implementatie van de Fair Practice Code is ook onderdeel van de beoordeling van subsidieaanvragen
bij de publieke cultuurfondsen. Het moment waarop de fondsen hun besluitvorming bekend
maken verschilt. Het Fonds Podiumkunsten maakt in augustus zijn subsidiebesluiten
bekend. Dan zal duidelijk worden hoe podiumkunstinstellingen die daar een aanvraag
hebben ingediend omgaan met de genoemde dilemma’s.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
I.K. van Engelshoven
Indieners
-
Indiener
I.K. van Engelshoven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.