Brief regering : Beleidsdoorlichting artikel 8 begroting SZW (oudedagsvoorziening)
30 982 Beleidsdoorlichting Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Nr. 54
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 december 2019
Bij brief van 10 september 20181 heb ik een beleidsdoorlichting aangekondigd van artikel 8 Oudedagsvoorziening van
de begroting van SZW. Bijgevoegd bij deze brief stuur ik u het eindrapport van deze
beleidsdoorlichting2.
In deze brief zal ik eerst de opzet en de bevindingen van de beleidsdoorlichting beschrijven.
Vervolgens zal ik hier inhoudelijk op ingaan.
Opzet en bevindingen van de beleidsdoorlichting
In de beleidsdoorlichting staat de vraag centraal of het gevoerde beleid op basis
van dit artikel doeltreffend en doelmatig is geweest.
Artikel 8 van de SZW-begroting kent als doelstelling:
De overheid biedt een basisinkomen aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd
hebben bereikt. De overheid stimuleert de opbouw van en stelt kaders voor de houdbaarheid
van aanvullende arbeidspensioenen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.
In deze beleidsdoorlichting ligt de focus op de eerste pijler van het pensioenstelsel,
de AOW. In de doorlichting zijn drie hoofdthema’s belicht: de inkomens- en vermogenspositie
van AOW-gerechtigden, de afschaffing van de partnertoeslag en de verhoging van de
AOW-leeftijd. Daarnaast zijn er in de beleidsdoorlichting bevindingen opgenomen over
het stelsel van leefvormen.
Bij de uitvoering van de doorlichting is een onafhankelijke deskundige betrokken die
een oordeel geeft over de methodologische aanpak, de volledigheid en consistentie
van de analyse. Prof. dr. C.J.I.M. (Kène) Henkens, hoogleraar Ageing, Retirement and the Lifecourse aan de Rijksuniversiteit Groningen, is opgetreden als onafhankelijk deskundige. Hij
deelt de bevindingen van de beleidsdoorlichting. Zijn oordeel is integraal bijgevoegd3.
Hieronder zal ik per thema toelichten wat de belangrijkste bevindingen en conclusies
zijn.
Inkomens- en vermogenspositie van AOW-gerechtigden
In de beleidsdoorlichting wordt beschreven dat de AOW een dubbele doelstelling kent.
Eén van de doelstellingen van de AOW is het voorkomen van armoede onder personen vanaf
de AOW-leeftijd. De doelstelling van de AOW is echter breder dan alleen armoedebestrijding.
De AOW biedt daarnaast een basisinkomensvoorziening aan AOW-gerechtigden en fungeert
als de basis voor het driepijlerpensioenstelsel. Het driepijlerstelsel heeft in totaliteit
tot doel dat gepensioneerden zich niet met een grote inkomensachteruitgang geconfronteerd
zien ten opzichte van de periode voor pensionering.
Om de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid te toetsen, is onderzoek gedaan
naar de inkomens- en vermogenspositie van AOW-gerechtigden.
Daarbij is gebruik gemaakt van diverse databestanden uit binnen- (CBS) en buitenland
(OESO) en recente publicaties (Algemene Rekenkamer, CBS).
De AOW-uitkering biedt een uitkering op een hoger niveau dan het sociaal minimum,
de inkomensondersteuning AOW (IOAOW, waarmee generieke inkomensondersteuning wordt
gegeven aan AOW-gerechtigden) is hier additioneel op en zorgt voor een ruimere inkomensvoorziening.
Doordat de AOW netto-netto-gekoppeld is aan het minimumloon is de relatieve welvaartspositie
van de AOW-uitkering ten opzichte van het minimumloon en de gemiddelde contractloonontwikkeling
geborgd.
Indien sprake is van een onvolledige AOW-opbouw kan, onder bepaalde voorwaarden, een
beroep worden gedaan op de Participatiewet (door middel van de Aanvullende Inkomensvoorziening
Ouderen, de AIO-aanvulling). De AIO-aanvulling ligt op een lager niveau dan de AOW-uitkering,
maar op een hoger niveau dan de bijstand die personen onder AOW-leeftijd kunnen krijgen.
De AIO is als onderdeel van de Participatiewet niet meegenomen in deze beleidsdoorlichting.
De Algemene Rekenkamer heeft onlangs gewezen op een aanzienlijk niet-gebruik in de
AIO. In reactie op dit rapport heb ik aangegeven dat dit zeer onwenselijk is omdat
het een kwetsbaar groep is. Daarom heb ik aangekondigd dat de mogelijkheden om dit
niet-gebruik terug te dringen onderzocht zullen worden4. Met het terugdringen van het niet-gebruik in de AIO kan het armoederisico dat AOW-gerechtigden
lopen (verder) worden gereduceerd.
De beleidsdoorlichting laat zien dat in algemene zin geconcludeerd kan worden dat
de (volledig opgebouwde) AOW-uitkering doeltreffend is als het gaat om het voorkomen
van armoede. Het risico op armoede5 is lager dan bij andere leeftijdsgroepen omdat zowel een volledige AOW-uitkering
als een onvolledige AOW-uitkering met een AIO-aanvulling boven de lage-inkomensgrens
liggen. Hiermee ligt de AOW boven het niveau dat noodzakelijk zou zijn om het risico
op armoede te voorkomen. De groep AOW-gerechtigden loopt het laagste risico op armoede
van alle leeftijdsgroepen. Ook blijkt de hoogte van de AOW-uitkering voldoende om
de minimaal onvermijdbare uitgaven te dragen. In internationaal perspectief is het
risico op armoede dat AOW-gerechtigden in Nederland lopen zeer laag. Met betrekking
tot doelmatigheid wordt, in relatie tot de doelstelling om armoede bij AOW’ers te
voorkomen, geconstateerd dat dit doel ook met minder middelen bereikt zou kunnen worden.
Zoals gezegd, is de doelstelling van de AOW echter breder dan alleen armoedebestrijding,
namelijk het bieden van basisinkomensvoorziening. Voor wat betreft de bredere doelstelling
wordt in de beleidsdoorlichting geconcludeerd dat er geen norm is gesteld voor het
niveau waarop de AOW als basisvoorziening zou moeten liggen en hoeveel deze het sociaal
minimum mag overstijgen. Daarom kan de vraag of het beleid doelmatiger vormgegeven
kan worden, niet eenduidig worden beantwoord vanuit de bredere doelstelling van de
AOW.
De beleidsdoorlichting concludeert verder dat de gemiddelde vervangingswaarden6 van het Nederlandse pensioenstelsel als geheel hoog zijn, ook in internationaal perspectief.
De vervangingswaarden zijn het hoogst bij de huishoudens met de laagste inkomens.
Bij deze huishoudens is doorgaans sprake van geen of een laag aanvullend pensioen,
zodat de AOW het belangrijkste inkomensbestanddeel vormt. De hoge vervangingswaarden
bij deze huishoudens tonen aan dat met de AOW een ruime vervanging wordt geboden aan
mensen die voor de AOW-leeftijd een minimuminkomen hebben. Hiermee vormt de AOW een
solide basis onder het totale pensioenstelsel. Wel gaat er achter deze gemiddelden
een spreiding schuil. Zo bestaan verschillen tussen de vervangingswaarde van zelfstandigen
en werkenden uitgezet naar inkomenshoogte.
Zoals aangegeven is de vervangingswaarde van de pensioenen, ook internationaal bezien,
hoog. Tegelijkertijd is een groot deel van de pensioenfondsen sinds het begin van
de crisis niet in staat geweest om de pensioenuitkeringen en – aanspraken jaarlijks
(volledig) te indexeren. Het niet kunnen indexeren van pensioenuitkeringen en aanspraken
zet in de onderzochte periode 2013–2017 druk op de koopkracht van gepensioneerden
met een aanvullend pensioen. Het niet-indexeren heeft daarnaast een effect op de aanspraken
van de huidige groep werkenden en daarmee op de bestedingsmogelijkheden van toekomstige
gepensioneerden. De effecten op de (toekomstige) koopkracht van gepensioneerden en
werkenden zijn groter naarmate sprake is van meer (opgebouwd) aanvullend pensioen
Afschaffing partnertoeslag
In 1995 is besloten om de partnertoeslag voor een jonge partner per 2015 te laten
vervallen voor nieuwe instroom. Oogmerk daarbij was de betaalbaarheid van de AOW.
Bij de afschaffing werd ervan uitgegaan dat een partnertoeslag vanaf 2015 niet meer
nodig zou zijn voor huishoudens om in het levensonderhoud te kunnen voorzien vanwege
de toenemende arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van jongere partners
en het toenemend belang van het tweedepijlerpensioen. Er werd een naar verwachting
in de toekomst overbodig instrument geschrapt.
In de beleidsdoorlichting is zowel gekeken naar de groep AOW-gerechtigden die nog
wel recht hebben op een partnertoeslag als de AOW-gerechtigden die als gevolg van
de afschaffing geen recht meer hebben op partnertoeslag.
In de beleidsdoorlichting wordt beschreven dat bij de afschaffing van de partnertoeslag
de grens voor het recht hebben op partnertoeslag is gekoppeld aan de leeftijd van
de AOW-gerechtigde. AOW-gerechtigden die geboren zijn voor 1950 kunnen recht hebben
op partnertoeslag voor hun jongere partner en AOW-gerechtigden die daarna zijn geboren
hebben geen recht op partnertoeslag. Voor het recht op partnertoeslag is de leeftijd
van de jongere partner dus niet relevant, mits deze onder de AOW-gerechtigde leeftijd
ligt. Dit heeft tot gevolg dat er ook op lange termijn nog steeds partnertoeslag wordt
toegekend wegens het ontbreken van inkomen voor jongere partners die na 1950 zijn
geboren. Door de keuze bij de afschaffing van de partnertoeslag om de grens voor het
al dan niet recht hebben op partnertoeslag niet te koppelen aan het geboortejaar van
de jongere partner is de situatie ontstaan dat er verschillende verwachtingen ten
aanzien van arbeidsparticipatie bestaan ten opzichte van mensen in dezelfde leeftijdsgroep.
Door de afschaffing van de partnertoeslag voor nieuwe instroom neemt het aantal AOW-gerechtigden
met een partnertoeslag snel af. Naar verwachting zal er echter pas na 2048 helemaal
geen partnertoeslag meer uitgekeerd worden. De uitvoering van een aflopende regeling
als de partnertoeslag is kwetsbaar, omdat er voor een beperkte groep gerechtigden
over een langere periode een uitkeringsinfrastructuur in stand gehouden moet worden.
Door het afschaffen van de partnertoeslag voor nieuwe instroom is het budget gedaald
van circa € 1,4 miljard per jaar in 2014 naar circa € 0,5 miljard in 2019. Uit de
beperkte extra instroom in de AIO van AOW’ers met een volledige AOW-opbouw blijkt
dat de verwachtingen van destijds grotendeels zijn uitgekomen en een partnertoeslag
voor 97% van de AOW’ers met een jongere partner niet meer noodzakelijk is. Daarnaast
blijkt uit CBS-onderzoek7 dat de afschaffing van de partnertoeslag een positief gedragseffect heeft gehad op
de arbeidsparticipatie van de jongere partners van AOW-gerechtigden.
AOW-leeftijdsverhoging
Om de doeltreffendheid van de AOW-leeftijdsverhoging te beoordelen, is gekeken naar
het effect van de leeftijdsverhoging op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën.
Daarnaast zijn door SEO Economisch Onderzoek middels een combinatie van een literatuuronderzoek
en een monitor de effecten van de AOW-leeftijdsverhoging in beeld gebracht8.
Het doel van de AOW-leeftijdsverhoging was om de houdbaarheid van overheidsfinanciën
te verbeteren en de arbeidsparticipatie te vergroten. Deze effecten zijn bereikt.
De verhoging van de AOW-leeftijd en de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting
leidt op lange termijn tot een verbetering van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën
met circa 1,3% bbp. Ook de arbeidsparticipatie van mensen die vlak voor de AOW-leeftijd
zitten, is fors toegenomen evenals de uittreedleeftijd die gestegen is van 63,4 jaar
in 2012 naar 64,5 jaar in 2017. De deelname aan scholing die betaald wordt door werkgevers
is sinds de AOW-leeftijdsverhoging toegenomen en werkgevers zetten vaker taakverlichting
in. De AOW-leeftijdsverhoging heeft tot beperkte negatieve neveneffecten geleid. Doordat
mensen langer doorwerken en de mogelijkheden tot vervroegd uittreden inmiddels beperkt
zijn, neemt het beroep op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op latere leeftijden toe.
Het grootste deel van de werknemers gaat met pensioen vanuit werk, maar een deel van
de mensen redt dat niet. SEO concludeert dat de instroomkans van 65-jarigen niet groter
is dan die van 64-jarigen. Wel is de instroomkans van ouderen de afgelopen jaren toegenomen.
Hierbij speelt volgens onderzoek van UWV het zogenoemde healthy worker-effect een rol. Dit houdt in dat voorheen vooral de gezonde werknemers langer doorwerkten
en dat de minder gezonde werknemers vaker eerder stopten met werken (bijvoorbeeld
door met VUT of prepensioen te gaan) en zo niet in de WIA terecht kwamen. Het gebruik
van de diverse regelingen ligt in de lijn der verwachting en het merendeel van de
personen bereikt vanuit werk het pensioen. De mate waarin de toegenomen instroom is
toe te rekenen aan de AOW-leeftijdsverhoging of de uitfasering van regelingen waarmee
vervroegd kon worden uitgetreden, is zeer complex en op dit moment zijn pas enkele
jaren aan realisatiecijfers beschikbaar. Het is van belang om deze ontwikkelingen
de komende jaren goed te blijven volgen.
De AOW-leeftijdsverhoging leidt voor mensen echter wel tot zorgen. Zij vragen zich
af of zij wel gezond hun pensioen kunnen halen en zouden vaak graag eerder willen
stoppen met werken dan dat zij daadwerkelijk kunnen stoppen.
Leefvormen
De hoogte van de AOW die iemand ontvangt is afhankelijk van de leefvorm waarin iemand
woont. De gedachte hierachter is dat een gezamenlijke huishouding schaalvoordelen
met zich meebrengt. Volgens de SVB is in de meeste gevallen de vaststelling van de
leefvorm niet problematisch. Er zijn echter wel gevallen waar knelpunten optreden
door de huidige leefvormdefinities omdat deze niet aansluiten bij de beleving van
mensen en bewerkelijk zijn in de uitvoering. Zo is het voor mensen niet altijd duidelijk
dat voor het voeren van een gezamenlijke huishouding de aard van de persoonlijke relatie
van samenwonenden niet relevant is. Om te beoordelen of er sprake is van een gezamenlijke
huishouding moet een feitenafweging plaatsvinden waarvoor het in sommige gevallen
noodzakelijk kan zijn dat de SVB een huisbezoek aflegt.
Ook met betrekking tot het beleid rond duurzaam gescheiden leven doen zich knelpunten
voor. Voor gehuwden geldt dat ze bij opname in een zorginstelling de keuze hebben
om als duurzaam gescheiden levend te worden aangemerkt voor de AOW. In dat geval krijgen
beide AOW-gerechtigden een AOW van 70% van het referentieminimumloon in plaats van
de gehuwdennorm van 50%. Deze keuze kan verstrekkende financiële gevolgen hebben die
moeilijk te overzien zijn. Voor de SVB is het moeilijk om mensen goed te informeren
over de gevolgen van de te maken keuze voor de individuele situatie.
In de beleidsdoorlichting wordt verder geconcludeerd dat de regels met betrekking
tot meerpersoonshuishoudens niet aansluiten bij het draagkrachtbeginsel. Als drie
of meer volwassenen die niet gehuwd zijn in één huis wonen, wordt aangenomen dat dit
drie individuen zijn die ieder een ongehuwdenpensioen ontvangen. Dit terwijl het uitgangspunt
is dat een gezamenlijke huishouding schaalvoordelen met zich meebrengt.
Daarnaast zorgen de verschillen tussen gehuwden en ongehuwden voor inconsistenties
in de uitkomsten van het beleid en zijn deze moeilijk uitlegbaar.
Kabinetsreactie
De beleidsdoorlichting geeft een overwegend positief beeld van het beleid dat wordt
gevoerd op het terrein van de AOW. Het beleid is voor zover meetbaar doeltreffend
en de beleidswijzigingen hebben het gewenste resultaat gehad.
Het kabinet realiseert zich echter dat er in de maatschappij wel degelijk zorgen leven
met betrekking tot onderwerpen die in de beleidsdoorlichting aan de orde komen.
Onderwerp van aandacht is om te beginnen de financiële positie van gepensioneerden.
De beleidsdoorlichting is voornamelijk gericht op de eerste pijler van ons pensioenstelsel,
de AOW. Uit de beleidsdoorlichting blijkt dat de basis die door de AOW wordt gevormd
goed op orde is. Ook blijkt uit de beleidsdoorlichting dat de financiële positie van
AOW-gerechtigden in zijn algemeenheid goed is. Gepensioneerden hebben gemiddeld genomen
een hoger vermogen dan niet-gepensioneerden, de gemiddelde vervangingswaarden zijn
internationaal gezien hoog en het risico op armoede is onder AOW-gerechtigden, ook
in internationaal perspectief, zeer laag. Wel blijft de koopkrachtontwikkeling van
gepensioneerden met aanvullend pensioen al een aantal jaar achter bij de koopkrachtontwikkeling
van werkenden. Dit komt vooral doordat pensioenfondsen al een aantal jaren de aanvullende
pensioenen niet kunnen indexeren en er pensioenfondsen zijn die mogelijk aanvullende
pensioenuitkeringen en -aanspraken moeten gaan verlagen.
Om rust en duidelijkheid te bieden heeft de Minister van SZW maatregelen genomen om
dreigende verlagingen te voorkomen of te beperken9. Het kabinet en sociale partners hebben daardoor op korte termijn ruimte voor de
uitwerking van het pensioenakkoord.
Stijgende levensverwachtingen wijzen erop dat Nederlanders steeds ouder worden. Hoewel
dit een positieve ontwikkeling is, zet dit druk op de houdbaarheid van de AOW. Naast
een hogere levensverwachting blijven we ook langer gezond en in staat om werkend een
bijdrage te leveren aan de economie. Tegen deze achtergrond is besloten om de AOW-leeftijd
te verhogen en mee te laten groeien met de levensverwachting. Maar het tempo waarin
de AOW-leeftijd de afgelopen jaren is gestegen blijkt voor sommige mensen te hoog
te zijn geweest. Het kabinet heeft oog voor de zorgen in de samenleving over de ontwikkeling
van de AOW-leeftijd op lange termijn bij een verder doorstijgende levensverwachting,
zeker als één jaar langer leven ook één jaar langer werken zou blijven betekenen.
Deze zorgen worden ook in de beleidsdoorlichting aangekaart. De afspraken die het
kabinet in het pensioenakkoord van 5 juni jongstleden met sociale partners heeft gemaakt
komen aan deze zorgen tegemoet. Er zijn forse investeringen overeengekomen die het
voor iedereen haalbaar moeten maken om gezond werkend het pensioen te bereiken. De
structurele koppeling van de AOW-leeftijd en pensioenrichtleeftijd aan de resterende
levensverwachting op 65 jaar wordt versoepeld, waardoor de verhouding tussen de duur
van het werkzame leven en de duur van het pensioen ook voor volgende generaties meer
in evenwicht blijft. Vanaf 2025 wordt elk jaar levenswinst vertaald in gemiddeld 8
maanden langer doorwerken en gemiddeld 4 maanden langer AOW-pensioen.
Daarnaast zijn in het pensioenakkoord afspraken gemaakt over overgangsmaatregelen
voor de korte termijn, om tegemoet te komen aan mensen die nu vlak voor hun pensioen
zitten, weinig tijd hebben gehad om zich voor te bereiden op de hogere AOW-leeftijd
en moeite hebben werkend de eindstreep te halen. Ten eerste is afgesproken dat de
AOW-leeftijd de komende jaren minder snel zal stijgen. Het kabinet heeft dit geregeld
met de wet temporisering AOW- en pensioenrichtleeftijd (Stb. 246, nr. 2019). Ook zullen er tijdelijk meer mogelijkheden worden geboden om eerder te stoppen
met werken. Hiertoe zal in de periode 2021–2025 de heffing op vervroegd uittreden,
de zogenaamde RVU-heffing, worden versoepeld voor uitkeringen aan werknemers ten hoogste
drie jaar voor de AOW-leeftijd. Daarnaast stelt het kabinet aanzienlijk budget beschikbaar
voor de inzet op duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen. Werkgevers en werknemers
die maatregelen nemen waardoor volgende generaties werkenden op een gezonde wijze
naar hun pensioen kunnen toewerken kunnen een beroep doen op dat budget. Het totaal
aan afspraken uit het pensioenakkoord moet eraan bijdragen dat huidige en toekomstige
generaties gezond hun pensioen kunnen bereiken. Met deze maatregelen komt het kabinet
tegemoet aan de zorgen die onder burgers leven ten aanzien van het tempo waarmee de
pensioenleeftijd stijgt. Daarnaast moet het pensioenakkoord leiden tot een toekomstbestendig
pensioenstelsel.
In de beleidsdoorlichting zijn enkele beleidsvarianten beschreven die de doelmatigheid
en doeltreffendheid van het beleid zouden kunnen vergroten. Ook zijn er beleidsopties
beschreven voor het geval er significant minder budget beschikbaar is. In dit kader
zijn er onder meer varianten beschreven waarmee de hoogte van de AOW richting het
niveau van het sociaal minimum wordt gebracht en waarmee de AOW wordt geïndividualiseerd.
Het kabinet ziet geen aanleiding om buiten de jaarlijkse indexatie, aanpassingen te
doen in de hoogte van de AOW.
In de beleidsdoorlichting wordt geconstateerd dat het stelsel van leefvormen in de
AOW complex is. Het stelsel is gegroeid vanuit de situatie waarin het huwelijk en
het kostwinnersmodel de norm waren. In de loop der tijd zijn mede als gevolg van de
individualisering in de maatschappij in de regelgeving steeds meer uitzonderingen
aangebracht. Dit heeft ertoe geleid dat de huidige regels niet altijd aansluiten bij
de beleving van burgers, dat er onderscheid wordt gemaakt tussen gehuwden en ongehuwden
en dat het stelsel kan leiden tot inconsistente uitkomsten. In de beleidsopties zijn
varianten (kostendelersnorm, meerpersoonshuishoudens en duurzaam gescheiden leven)
opgenomen die deels een oplossing bieden voor een aantal geconstateerde problemen.
De beleidsvarianten die zijn beschreven in de beleidsdoorlichting laten zien dat aanpassingen
in de wijze waarop in de AOW wordt omgegaan met de verschillende leefvormen, waarvan
individualisering van de AOW de meest vergaande vereenvoudiging betekent, forse inkomenseffecten
tot gevolg hebben. Ook is de mate waarin de uitkomst van regels rond leefvormen voor
de AOW-hoogte als redelijk of gewenst worden ervaren mede afhankelijk van de samenstelling
en de onderlinge relatie tussen de verschillende leden van het huishouden. Het is
daarom complex om het stelsel van leefvormen zo aan te passen dat het stelsel vereenvoudigd
wordt, maar daarmee niet leidt tot weer nieuwe ongewenste uitkomsten. De beleidsdoorlichting
geeft echter voldoende aanleiding om te willen onderzoeken of er op dit terrein vereenvoudigingen
en verbeteringen te behalen zijn.
Het kabinet kiest er dan ook voor om een verkenning uit te voeren naar de mogelijkheden
die er zijn om het stelsel van leefvormen fundamenteel te vereenvoudigen en te moderniseren
om tot een oplossing van de geconstateerde knelpunten te komen. In deze verkenning
zal onderzocht worden welke verschillende opties mogelijk zijn om het stelsel van
leefvormen voor de burger begrijpelijk en voor de uitvoering eenvoudiger vorm te geven.
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gekeken of het tot een verbetering leidt als het huwelijk
als uitgangspunt voor het stelsel los wordt gelaten en het wonen op hetzelfde adres,
ongeacht de onderlinge relatie, bepaalt wie tot het huishouden behoort. Bij de verkenning
zal ook betrokken worden of de opties verschillend uitpakken voor mannen en vrouwen.
In de beleidsdoorlichting is geconstateerd dat, doordat bij de afschaffing van de
partnertoeslag de keuze is gemaakt om geen rekening te houden met het geboortejaar
van de jongere partner, de situatie is ontstaan dat er verschillende verwachtingen
zijn ten aanzien van arbeidsparticipatie ten opzichte van mensen in dezelfde leeftijdsgroep.
Het kabinet streeft naar economische zelfstandigheid van iedereen. De economische
zelfstandigheid van vrouwen stijgt, maar nog steeds is een substantieel deel van de
vrouwen (mede) afhankelijk van het inkomen van de partner. De beslissing om maatregelen
te nemen op het terrein van de partnertoeslag worden aan het volgende kabinet gelaten.
Tot slot wordt in de beleidsdoorlichting al aangegeven dat de AOW-leeftijdsverhoging
nog maar een beperkte tijd werking heeft en mogelijk nog niet alle effecten volledig
zichtbaar zijn. In het kader van het pensioenakkoord wordt het tempo van de AOW-leeftijdsverhoging
aangepast, maar de leeftijd waarop mensen AOW-gerechtigd worden zal in de komende
jaren verder toenemen. Het kabinet vindt het belangrijk om goed zicht te blijven houden
op de effecten die dit heeft. Daarom zal de monitor AOW-leeftijdsverhoging zoals ten
behoeve van de beleidsdoorlichting is uitgevoerd de komende jaren worden herhaald.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W. Koolmees
Indieners
-
Indiener
W. Koolmees, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.