Brief regering : Kabinetsreactie op de jaarverslagen 2017 en 2018 van de Nationale ombudsman
35 135 Jaarverslag van de Nationale ombudsman, de Kinderombudsman en de Veteranenombudsman over 2018
Nr. 3
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 augustus 2019
Op 10 april 2019 bood de Nationale ombudsman het jaarverslag 2018 «Iedereen moet mee kunnen doen» van de Nationale ombudsman, de Kinderombudsman en de Veteranenombudsman aan uw Kamer
aan.1 Sinds het jaarverslag van 2017 bundelen de ombudsmannen hun activiteiten in één jaarverslag
en benadrukken daarmee dat zij elkaar in de uitoefening van hun taken versterken.
Met deze brief reageer ik op het jaarverslag van de Nationale ombudsman van 2017 en
2018. Daarmee kom ik tegemoet aan uw verzoek in uw brief van 24 mei 2018, om een reactie
te geven op het jaarverslag 2017 (Kamerstuk 34 890, nr. 2).
Ik heb grote waardering voor het werk van de Nationale ombudsman. Dit instituut biedt
een luisterend oor, helpt mensen op weg en vraagt om oplossingen voor mensen die vastlopen
in hun contacten met de overheid. De Nationale ombudsman signaleert belangrijke knelpunten
in de overheidsdienstverlening, geeft de overheid waardevolle adviezen en spoort de
overheid aan om te leren van gemaakte fouten. Dit is van groot belang voor de kwaliteit
van de overheidsdienstverlening, voor het vertrouwen van mensen in de overheid en
daarmee voor de legitimiteit van het overheidshandelen.
Iedereen moet mee kunnen doen
In zijn jaarverslagen geeft de Nationale ombudsman aan dat er veel goed gaat in het
contact tussen de overheid en de mensen, maar dat het ook nog te vaak mis gaat en
mensen vastdraaien in de bureaucratie van de overheid. Met de titel van zijn jaarverslag
2018 «Iedereen moet mee kunnen doen» roept de Nationale ombudsman de overheid op om te zorgen dat álle mensen in Nederland
de dienstverlening krijgen die zij nodig hebben. Ook mensen die minder digitaalvaardig
zijn of met meerdere problemen of complexe vraagstukken zitten moeten de dienstverlening
krijgen die zij nodig hebben.
Alle mensen mee kunnen laten doen vraagt om een realistisch perspectief van de overheid
op de zelfredzaamheid van de mensen. De nadruk op keuzevrijheid, zelfredzaamheid en
eigen verantwoordelijkheid is in de afgelopen jaren toegenomen, terwijl de menselijke
vermogens daartoe begrensd zijn. In reactie2 op het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid «Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid»3 informeerde het kabinet uw Kamer over de maatregelen om beter aan te sluiten bij
het perspectief en de zelfredzaamheid van mensen. Zo heeft de overheid verschillende
instrumenten om beleid en regelgeving te ontwikkelen4. Bij het gebruik van deze instrumenten is de kwaliteitseis gesteld om rekening te
houden met het doenvermogen5 van mensen. Ook investeert het kabinet in gedragskennis, onder meer door nadere scholing
van beleids- en wetgevingsambtenaren op dit punt, de inzet van gedragsteams en het
gebruik van gedragswetenschappelijke inzichten door samenwerking met het Behavioural
Insights Netwerk (BIN NL). Door deze aanpassingen worden ambtenaren voortaan ondersteund
om al bij de ontwikkeling van beleid en nieuwe wetgeving en bij de vormgeving van
de uitvoering uit te gaan van realistische aannames over het doenvermogen van de doelgroep.
Alle mensen mee kunnen laten doen vraagt ook om een goede aansluiting op de situatie,
het perspectief en de behoeften van de mensen. Dit wordt door het kabinet onder meer
uitgewerkt in het actieplan «Brede Schuldenaanpak»
6, het programma «Scheiden zonder schade»7, het programma «Onbeperkt meedoen»
8, het meerjarenplan «Alfabetisering» met de «vervolgaanpak laaggeletterdheid 2020–2024»9, de agenda «NL DIGIbeter»
10, de brief11 over toegankelijkheid digitale communicatie voor iedereen (digitale inclusie), de
brief12 over verbetering dienstverlening en vermindering regeldruk en de brief13 over maatwerk in het sociaal domein.
In lijn met de jaarverslagen behandel ik hierna de thema’s (1) schulden en armoede
(2) toegang tot voorzieningen (3) digitalisering (4) bescherming van rechten en (5)
inspraak en participatie.
Schulden en armoede
Iedereen kan te maken krijgen met problematische schulden, bijvoorbeeld door het verlies
van een baan, door een scheiding of bij een verblijf in de vrouwenopvang. Een aantal
factoren vergroot het risico op schulden. Zo hebben mensen met een laag inkomen een
groter risico op schulden. Zij hebben vaak te maken met meerdere ingewikkelde regelingen
en voorzieningen om hun inkomen aan te vullen. Wanneer een voorziening wegvalt, kunnen
door een gebrek aan reserves onmiddellijk problemen ontstaan.
In zijn jaarverslagen benoemt de Nationale ombudsman verschillende oorzaken die hij
ziet voor het ontstaan voor financiële problemen, zoals het complexe stelsel van toeslagen
en inkomensvoorzieningen, het incassogedrag van schuldeisers en de afstemming tussen
verschillende schuldeisende overheden. De samenleving is complex, waardoor de meest
kwetsbare mensen groot belang hebben bij maatwerk door overheidsinstanties bij het
invorderen van schulden. Financiële regelingen worden steeds verder gedigitaliseerd
en een vergissing of een verzuim kan leiden tot vorderingen, boetes of andere kosten.
Juist voor de groep mensen die afhankelijk is van financiële regelingen is het van
belang dat het contact met de overheid goed en makkelijk verloopt.
In juli 2017 publiceerde de Nationale ombudsman zijn rapport «Vrouwen in de knel» over zijn onderzoek naar problemen die vrouwen in de vrouwenopvang ervaren. Voor deze
vrouwen is het regelen van een eigen inkomen en een geschikte woonplek complex. Het
proces duurt lang en kent veel administratieve handelingen. In het voorjaar van 2019
heeft de Nationale ombudsman zijn rapport «Vrouwen in de knel? Het vervolg» gepubliceerd, waarin hij aangeeft dat er langzaam beweging komt in de aanpak van
knelpunten rond de vrouwenopvang. Bij de aanmelding voor opvang en tijdens het verblijf
knelt het iets minder, maar in de aanpak van knelpunten rond de uitstroom moet de
overheid nog stappen zetten, geeft de Nationale ombudsman aan.
Over een knelpunt bij uitstroom hebben de staatssecretarissen van Financiën en van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ik uw Kamer op 3 juni 2019 een brief gestuurd
(Kamerstuk 29 325, nr. 98). Hierin geven wij aan dat er een oplossing is gekomen voor huurders die begeleid
wonen via een instelling en onterecht geen huurtoeslag hebben ontvangen of moeten
terugbetalen. Deze problemen ontstonden doordat uit de huurovereenkomst zou blijken
dat het om kort gebruik (geen wonen) gaat, waardoor een huurder geen recht op huurtoeslag
had en deze niet kreeg of terug moest betalen. In de lopende en toekomstige zaken
zal de Belastingdienst daarom niet alleen naar de tekst van de huurovereenkomst kijken,
maar ook naar andere relevante factoren en omstandigheden zoals de intentie van de
huurovereenkomst en de aard van het gebruik van de woning. Vergelijkbare al afgesloten
zaken, waarbij een aanvraag om huurtoeslag is afgewezen of waarin de beoordeling van
het contract tot een terugvordering heeft geleid, worden alsnog op deze nieuwe, juist
wijze beoordeeld door de Belastingdienst. Die kan tot vijf jaar terug deze besluiten
herzien in lijn met de nu verruimde uitvoeringsregels.
In het rapport van de Nationale ombudsman «Invorderen vanuit een burgerperspectief» van februari 2019 staat beschreven waar mensen tegenaan lopen als zij te maken krijgen
met invorderingsmaatregelen door overheidsorganisaties. Op 27 mei 2019 stuurde de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een kabinetsbrede reactie op
het rapport aan de Tweede Kamer als bijlage bij de voortgangsbrief brede schuldenaanpak
(Kamerstuk 24 515, nr. 489). De knelpunten, zoals de Nationale ombudsman die benoemt, zijn herkenbaar en sluiten
goed aan bij de ontwikkelingen die het kabinet samen met de (grote) uitvoeringsorganisaties,
gemeenten en waterschappen in gang heeft gezet met de rijksincassovisie14 en de brede schuldenaanpak. De maatregelen, onder de actielijn zorgvuldige en maatschappelijk
verantwoorde incasso, moeten leiden tot een meer verantwoorde incasso en een betere
waarborg van het bestaansminimum.
Toegang tot voorzieningen
De overheid kent allerlei voorzieningen om mensen een steuntje in de rug te geven
of om ervoor te zorgen dat iedereen kan meedoen. Om deze voorzieningen te laten landen
bij de mensen die ze nodig hebben, gelden er regels en zijn er voorwaarden verbonden
aan voorzieningen. De Nationale ombudsman constateert dat helaas toch niet iedereen,
die deze voorzieningen nodig heeft, wordt gehoord en gezien. Er gelden te strikte
omschrijvingen en te korte aanvraagtermijnen of de juridische drempels zijn dermate
hoog dat mensen niet in aanmerking voor de voorziening komen. De systemen van de overheid
zijn complex, waardoor mensen het als een doolhof van wet- en regelgeving ervaren.
Bij de toegang tot voorzieningen ziet de Nationale ombudsman dat de overheid verwacht
dat de mensen vaardig zijn in het aanvragen van de voorzieningen, terwijl dit in de
praktijk niet zo is. De systemen die de mensen recht geven op voorzieningen, moeten
zo zijn ingericht dat mensen hierin niet vastlopen.
De overheid kan goede dienstverlening grotendeels door gestandaardiseerde systemen
en werkprocessen bieden. Wanneer mensen daarbij in de knel komen, vind ik het van
belang dat maatwerk wordt geboden binnen een marge die niet leidt tot onrechtvaardigheid,
onvoorspelbaarheid of willekeur. Met de Nationale ombudsman vind ik dat er ruimte
voor verbetering is en dat mensen die in een kwetsbare positie verkeren of dreigen
te geraken in het bijzonder aandacht verdienen.
In de afgelopen jaren heeft de Nationale ombudsman veel aandacht besteed aan de knelpunten
die mensen ervaren als zij zich met een zorgvraag tot de overheid richten. In maart
2017 publiceerde de Nationale ombudsman zijn rapport «Terug aan tafel, samen de klacht oplossen», waarin hij aangeeft dat gemeenten op een actieve manier problemen moeten opsporen
en maatwerk moeten leveren. In een brief van 13 juni 2017 aan de colleges van burgemeester
en wethouders heeft de toenmalige Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport de gemeenten gewezen op het belang van een goed gesprek tussen de mensen en
de gemeenten en het zoveel mogelijk voorkomen van juridisering. Daarbij is ook benadrukt
dat het van belang is dat de gemeente, als iemand een klachtenprocedure start, bij
de klachtenprocedure de uitgangspunten hanteert die de Nationale ombudsman daarvoor
heeft opgesteld.
Daarnaast ontvangt de Nationale ombudsman regelmatig over de Wet maatschappelijke
ondersteuning, de Wet langdurige zorg en de Jeugdwet de klacht dat mensen zich van
het kastje naar de muur gestuurd voelen. In mei 2018 bracht de Nationale ombudsman
het rapport «Zorgen voor burgers» uit. De centrale boodschap in dit rapport is dat de zorg en ondersteuning vanuit de
vier zorgwetten15 op papier goed geregeld zijn, maar dat het voor veel mensen in de praktijk ingewikkeld
is om passende zorg en ondersteuning te krijgen. In zijn reactie16 op het rapport geeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan een groot
aantal knelpunten in het rapport uit verschillende evaluaties en de jaarlijkse Trend-
en signaleringsrapportage te herkennen. Deze knelpunten gelden vooral voor mensen
met een meer complexe en/of domein-overstijgende zorgvraag en mensen die zeer langdurig
gebruik maken van verschillende voorzieningen. Mensen weten niet altijd waar ze terecht
kunnen en ervaren dikwijls dat zij niet, of niet tijdig, de zorg en ondersteuning
ontvangen waar zij behoefte aan hebben. Inmiddels hebben de rijksoverheid, de gemeenten,
de betrokken instanties en de zorgaanbieders diverse maatregelen in gang gezet om
de toegang tot passende zorg en ondersteuning voor mensen te verbeteren. Het beeld
dat de Nationale ombudsman in het rapport «Zorgen voor burgers» schetst, namelijk dat de toegang tot zorg en ondersteuning in Nederland in algemene
zin slecht geregeld is, wordt door de Minister van VWS niet herkend. Uit evaluaties
blijkt dat de meeste mensen juist (erg) tevreden zijn over de ondersteuning die zij
ontvangen. Zo is bijvoorbeeld van de mantelzorgers bij dementie ruim 80% tevreden
over de ondersteuning die zij van de casemanager ontvangen.
Naar aanleiding van de aanbevelingen in het rapport «Borg de Zorg» van de Nationale ombudsman van november 2018 zijn meerdere acties in gang gezet om
dementiezorg- en ondersteuning verder te verbeteren. Samen met het veld en Alzheimer
Nederland streeft de Minister van VWS ernaar de kwaliteit van leven van mensen met
dementie en hun naasten zo goed mogelijk te houden. In het kader van de herijking
van het dementiebeleid is een nadere prioritering en intensivering van dementieonderzoek
bezien.
Digitalisering
De overheid digitaliseert in hoog tempo. Hoewel dit voor veel mensen een positieve
ontwikkeling is omdat zij sneller en makkelijker met de overheid kunnen communiceren,
ontvangt de Nationale ombudsman regelmatig klachten van mensen die in de problemen
komen door bijvoorbeeld identiteitsfraude, niet kloppende gegevens of gegevens die
niet goed zijn gekoppeld. Daar waar de overheid digitaliseert, verwacht de Nationale
ombudsman dat de overheid verantwoordelijkheid neemt voor goede werking van haar systemen.
Daarbij moet er aandacht zijn voor de toegankelijkheid en de gebruiksvriendelijkheid
van de systemen en als er problemen ontstaan, moeten deze oplossingsgericht worden
behandeld. Zulke uitgangspunten zijn verwoord in de «Ombudsvisie op digitalisering»
17, waarnaar de Nationale ombudsman in zijn jaarverslag 2018 verwijst en die de Staatssecretaris
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik in hoge mate onderschrijven. Net
als de Nationale ombudsman vinden wij dat de digitalisering van de overheidsdienstverlening
geen belemmering mag vormen voor mensen om te kunnen meedoen in de samenleving. De
overheid moet de gebruiker centraal stellen en zich afvragen wat mensen nodig hebben
om met de overheid te kunnen communiceren. Niemand mag zich gedwongen voelen om gebruik
te maken van een digitaal kanaal als diegene dat niet kan of wil.
De afgelopen jaren heeft de Nationale ombudsman aandacht besteed aan de nodige verbeteringen
in de werking van MijnOverheid en de Berichtenbox, aan de mogelijkheid dat professionals
digitale machtiging kunnen krijgen om zaken te doen voor hun cliënten, aan digitale
toegankelijkheid meer in het algemeen, en aan pijnpunten bij digitale post naar overledenen
voor hun nabestaanden. De Staatssecretaris van BZK en ik waarderen de opstelling van
de Nationale ombudsman op deze punten. Hij heeft oog voor de verbeteringen die inmiddels
zijn doorgevoerd, onder meer op grond van zijn adviezen, bijvoorbeeld in MijnOverheid,
in de Berichtenbox en bij het stoppen van digitale berichten naar overleden personen.
Maar hij heeft ook oog voor de tijd, inspanning en zorgvuldigheid die sommige oplossingen
vergen, zoals bij het digitale machtigen van derden en professionals. Tegelijkertijd
geeft hij aan de overheid op de uitwerking van de digitalisering nauwgezet te blijven
volgen, bijvoorbeeld waar het om de uitwerking van voornemens ter verbetering van
toegankelijkheid en digitale inclusie gaat. Dat achten wij terecht en houdt de overheid
scherp.
In het jaarverslag 2018 raakt de Nationale ombudsman het gebruik van algoritmen bij
massale uitvoering van overheidsprocessen, als bijvoorbeeld bij risicoprofilering.
De Staatssecretaris van BZK en ik waarderen die aandacht van de Nationale ombudsman
voor dit thema en zullen daarover graag in gesprek blijven. Het burgerperspectief
dat de Nationale ombudsman op de inzet van AI (artificiële intelligentie) kan inbrengen,
wordt van groot gewicht geacht. Dat zal ook mogen blijken uit de kabinetsvisie over
AI en publieke waarden, die het kabinet naar uw Kamer zal sturen.
Bescherming van rechten
De Nationale ombudsman krijgt geregeld klachten over inbreuken op fundamentele rechten
van mensen, zoals het recht op vrijheid en veiligheid en het recht op bescherming
van de privésfeer.
Met de Nationale ombudsman vind ik dat er ruimte voor verbetering is en dat mensen
die in een kwetsbare positie verkeren of dreigen te geraken in het bijzonder aandacht
verdienen. Daarbij wil ik benadrukken dat de aandacht van dit kabinet ook uitgaat
naar middengroepen die met onzekerheid kampen en daardoor gevoelig zijn voor tegenslagen.
Samen met diverse vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en in samenspraak
met gemeenten, werkt het kabinet onder mijn coördineerde verantwoordelijkheid aan
een nieuw Nationaal Actieplan Mensenrechten dat zich toespitst op de toegankelijkheid
van voorzieningen voor iedereen. Vanuit mensenrechtenperspectief moeten voorzieningen
beschikbaar, aanvaardbaar, kwalitatief goed en toegankelijk zijn. In het plan zullen
acties worden uitgewerkt waarmee een impuls aan de toegankelijkheid van voorzieningen
gegeven kan worden. Naast de verschillende acties op dit vlak, zal het actieplan inzichtelijk
maken wat er gebeurt ter realisering van mensenrechten in Nederland. Het Nationaal
Actieplan Mensenrechten zal worden uitgebracht op 10 december 2019.
In maart 2018 heeft de Nationale ombudsman het rapport «Demonstreren, een schurend grondrecht?» uitgebracht. Hierin komt naar voren dat het demonstratierecht in de praktijk niet
altijd voldoende geborgd is en dat de overheid zich soms risicomijdend opstelt. De
Nationale ombudsman stelt dat ook bij controversiële (en dus risicovolle) demonstraties
het uitgangspunt dient te zijn dat de overheid faciliteert en beschermt. In mijn reactie
op dit rapport heb ik in de zomer van 2018 aan uw Kamer laten weten dat ik dit uitgangspunt
deel18. Uit de gesprekken die ik hierover voerde met verschillende gemeenten blijkt dat
demonstraties in het overgrote deel van de gevallen zonder noemenswaardige problemen
verlopen en in goed overleg met gemeente en politie plaatsvinden. Maar burgemeesters
staan soms, met name bij demonstraties waarbij de boodschap lastig of provocerend
is, voor ingewikkelde inschattingen en afwegingen. Gelet ook op de signalen van de
Nationale ombudsman dat gemeenten terughoudend(er) moeten zijn bij het opleggen van
beperkingen en verboden, worden de uitgangspunten van de Wet openbare manifestaties
en de borging van het demonstratierecht nadrukkelijk(er) onder hun aandacht gebracht.
In het najaar 2018 verscheen een handleiding demonstratierecht van de gemeente Amsterdam,
het Openbaar Ministerie en de Nationale politie. Deze handleiding is landelijk breed
verspreid en onder de aandacht gebracht van gemeenten en politie. De praktijk leert
dat andere gemeenten met vergelijkbare vragen en dillema’s te maken hebben bij de
besluitvorming over en de begeleiding van demonstraties. Op 4 september 2019 wordt
door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in samenwerking
met een groot aantal partijen, waaronder de Nationale ombudsman en het Nederlands
Genootschap van Burgemeesters, een bijeenkomst georganiseerd over het demonstratierecht.
De gebeurtenissen tijdens de Sinterklaasintocht(en) 2018 en het delen van ervaringen
en kennis over dit onderwerp vormen een belangrijk thema voor deze bijeenkomst.
Ook vanuit uw Kamer is er aandacht voor het demonstratierecht. Op 27 juni heeft een
algemeen overleg met de Tweede Kamer plaatsgevonden over onder meer het demonstratierecht.
Daarnaast heb ik 26 juni 2 sets Kamervragen19 beantwoord naar aanleiding van diverse mediaberichten. In deze brieven geef ik aan
dat het een bevoegdheid is van het lokale gezag (de burgemeester) om demonstraties
in goede banen te leiden. Op de burgemeester rust een positieve verplichting om noodzakelijke
en passende maatregelen te nemen om een vreedzame betoging te beschermen tegen «vijandelijke
elementen» of tegenbetogingen. Daarbij geldt dat het verbieden of beëindigen van een
(vreedzame) demonstratie een uiterst middel is en uitsluitend aan de orde is als dat
noodzakelijk is ter bescherming van de volksgezondheid, in het belang van het verkeer
of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Deze beslissing is maatwerk
en een inschatting van het lokale gezag, die nauw samenhangt met de kennis van de
plaatselijke situatie en de openbare orde.
Inspraak en participatie
Uit de klachten die de Nationale ombudsman ontvangt, blijkt dat een ervaren gebrek
aan inspraak en participatie in de praktijk geregeld tot problemen en onvrede bij
de mensen leidt. Mensen geven aan dat zij onvoldoende gehoord en betrokken worden
bij keuzes over zaken die hen raken. De lokale participatiemogelijkheden zijn te beperkt
en burgerinitiatieven worden onvoldoende ondersteund. Mensen willen ruimte voor eigen
initiatieven. Daarnaast willen zij dat de overheid niet óver hen beslist, maar keuzes
mét hen maakt. Deze ontwikkeling brengt met zich mee dat de overheid moet innoveren
en een nieuw evenwicht moet vinden in het wegen van individuele belangen, het algemeen
belang en de belangen van andere mensen. De overheid moet alle betrokkenen meenemen
in dat proces. Het kabinet is het met de Nationale ombudsman eens dat de doorontwikkeling
van de participatiesamenleving impulsen nodig heeft. Hier wordt onder meer uitvoering
aan gegeven via het samenwerkingsprogramma Democratie in Actie. Het Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
en de beroeps- en belangenverenigingen willen met dit samenwerkingsprogramma de komende
jaren een zichtbare bijdrage leveren aan de versterking van de lokale democratie en
bestuur.20
In het licht van grote maatschappelijke opgaven die op inwoners afkomen is deze versterking
nodig. De overgang naar aardgasvrije wijken, de invoering van de Omgevingswet en de
opgaven uit het klimaatakkoord raken alle inwoners. De oplossing voor deze vraagstukken
moet tot stand komen in samenspraak met inwoners. Tegelijk verschilt de behoefte aan
participatie per gemeente. Democratie in Actie erkent deze verscheidenheid en zet
daarom in op een beter toegeruste raad, politieke ambtsdragers, gemeentelijke organisatie
én beter betrokken inwoners. Mogelijkheden voor digitale participatie vormen een van
de focuspunten. Een beter toegeruste raad, ambtsdragers en gemeentelijke organisatie
zijn in staat om actief in te spelen op het beter betrekken van inwoners bij maatschappelijke
vraagstukken. Een eerste resultaat van een beter toegeruste raad is de verhoging van
de raadsvergoeding in kleine gemeenten. Hierdoor wordt het ambt aantrekkelijker en
kunnen raadsleden meer tijd vrijmaken voor hun vertegenwoordigende rol, zoals het
onderhouden van contacten met inwoners. Het komend jaar wordt meer ingezet op de responsiviteit
van de ambtelijke organisatie. Inwoners komen met hun ideeën eerst terecht bij de
ambtenaren. De manier waarop inwoners en hun ideeën worden verwelkomd, zegt veel over
de wijze waarop deze mensen de overheid ervaren en beoordelen.
De inzet op het betrekken van inwoners krijgt onder meer vorm via het Right to Challenge
en het recht op overname.21 Dit instrument biedt inwoners een manier om invulling te geven aan hun wens tot participatie
en betrokkenheid, omdat het hen in staat stelt om, in overleg met de gemeente, de
uitvoering van collectieve voorzieningen van de gemeente over te nemen met bijbehorend
budget. Daarbij kan gedacht worden aan het onderhoud van een park, het beheer van
sportvelden of andere maatschappelijke voorzieningen. Om het gebruik van Right to
Challenge door gemeenten te bevorderen is ingezet op opschalen en uitbreiden, innoveren
en toerusten, leren en onderzoeken. Samen met de VNG wordt bovendien eind dit jaar
een modelverordening Right to Challenge opgeleverd. Daarnaast is ingezet op een modernisering
van de inspraakmogelijkheden voor inwoners in de Gemeentewet.
De Nationale ombudsman en het kabinet spannen zich beide in om de diensten en processen
van de overheid te verbeteren. Dat doen we elk vanuit de eigen rol en verantwoordelijkheid,
maar met een gedeeld perspectief: dienstverlening aan mensen bieden die bijdraagt
aan het individuele welzijn en de kwaliteit van de leefomgeving.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K.H. Ollongren
Indieners
K.H. Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties