Amendement : Amendement van het lid Neijenhuis over indexatie van het uurtarief aan de hand van de cao-loonontwikkeling in plaats van de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon.
36 783 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief
Nr. 8
AMENDEMENT VAN HET LID NEIJENHUIS
Ontvangen 15 april 2026
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
In artikel I, onderdeel B, komt het voorgestelde artikel 610aa, tweede lid, als volgt
te luiden:
2. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt door Onze Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid gewijzigd op de wijze als bedoeld in artikel 14, eerste en tweede
lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Het bedrag wordt daarbij naar
boven afgerond op gehele euro’s. Bij de wijziging wordt uitgegaan van het niet-afgeronde
bedrag.
Toelichting
Dit amendement regelt dat de indexatie van het uurtarief op basis waarvan een rechtsvermoeden
kan worden ingesteld, gebeurt aan de hand van de cao-loonontwikkeling in plaats van
de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon. Door de indexatie te laten plaatsvinden
op dezelfde wijze als het wettelijk minimumloon is het concrete gevolg dat beleidsmatige
aanpassingen van het wettelijk minimumloon niet automatisch doorwerken in het uurtarief
op basis waarvan het rechtsvermoeden kan worden ingesteld. Voor andere gevallen zal
de ontwikkeling hetzelfde verlopen als in het oorspronkelijke wetsvoorstel.
De indiener vindt dit een meer logische wijze van indexatie, aangezien de beweegredenen
van een beleidsmatige aanpassing van het wettelijk minimumloon van heel andere aard
kunnen zijn dan een eventuele aanpassing van het uurtarief op basis waarvan een rechtsvermoeden
kan worden ingesteld. Door ook beleidsmatige aanpassingen automatisch te koppelen,
kunnen er tegenstrijdige en onbedoelde gevolgen plaatsvinden. Hierbij valt te denken
aan een beleidsmatige verlaging van het wettelijk minimumloon, waarna vanaf een bepaald
moment voor een bepaald uurtarief geen rechtsvermoeden meer kan worden ingesteld,
terwijl dat daarvoor nog wel mogelijk was. Opdrachtgevers zullen in dat geval opeens
voor een relatief grote groep moeten toetsen of sprake is van een opdracht die door
een zelfstandige kan worden gedaan in plaats van een arbeidsovereenkomst, terwijl
dit niet de bedoeling was van de wetgever. Indien de wetgever bij een beleidsmatige
aanpassing van het wettelijk minimumloon ook bewust het uurtarief wil aanpassen op
basis waarvan een rechtsvermoeden kan worden ingesteld, omdat de beweegredenen toch
overlappen, dan is dit alsnog eenvoudig te ondervangen door in de benodigde wetsaanpassing
ook dit uurtarief direct aan te passen.
Neijenhuis
Indieners
Stephan Neijenhuis, Kamerlid
Kabinetsappreciatie
Appreciatie:
Oordeel Kamer
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
|---|---|---|
| D66 | 26 | Voor |
| VVD | 22 | Voor |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Tegen |
| PVV | 19 | Voor |
| CDA | 18 | Voor |
| JA21 | 9 | Voor |
| FVD | 7 | Voor |
| Groep Markuszower | 7 | Tegen |
| BBB | 3 | Voor |
| ChristenUnie | 3 | Voor |
| DENK | 3 | Voor |
| PvdD | 3 | Tegen |
| SGP | 3 | Voor |
| SP | 3 | Tegen |
| 50PLUS | 2 | Tegen |
| Keijzer | 1 | Voor |
| Volt | 1 | Voor |