Amendement : Amendement van de leden Van Eijk en Peter de Groot over het matigen van de voorgestelde lastenverzwaringen in box 3
36 812 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)
Nr. 68 AMENDEMENT VAN DE LEDEN VAN EIJK EN DE GROOT
Ontvangen 25 november 2025
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
I
Artikel I, onderdeel A, onder 1, vervalt.
II
Na artikel I, onderdeel C, worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:
Ca
Het in artikel 4.14, eerste lid, vermelde percentage wordt verlaagd met 0,71%-punt.
Cb
Het in artikel 5.2, tweede lid, als tweede vermelde percentage wordt verlaagd met
0,71%-punt.
III
Artikel I, onderdeel D, vervalt.
IV
Voor artikel II, onderdeel A, worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:
aA
Het in artikel 4.14, eerste lid, vermelde percentage wordt verlaagd met 0,71%-punt.
bA
Het in artikel 5.2, tweede lid, als tweede vermelde percentage wordt verlaagd met
0,71%-punt.
V
Na artikel II wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL IIBIS
In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2028 in de in artikel 2.10,
eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel
het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 1.609.
VI
Artikel III, onderdeel B, onder 1, vervalt.
VII
Artikel V wordt als volgt gewijzigd:
1. De tekst wordt aangeduid als «onderdeel B» en in dat onderdeel vervalt «de Wet op
de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2028 in». Voort wordt «eerste
lid,» vervangen door «eerste lid, wordt».
2. Voor onderdeel B (nieuw) worden een aanhef en een onderdeel ingevoegd, luidende:
De Wet op de loonbelasting 1964 wordt met ingang van 1 januari 2028 als volgt gewijzigd:
A
In de in artikel 20a, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 20b, eerste
lid, opgenomen tabel wordt het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag
verhoogd met € 1.609.
VIII
Na artikel XLII worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
ARTIKEL XLIIA
Artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is bij het begin van het kalenderjaar
2027 van overeenkomstige toepassing op het in de artikelen IIBIS en V, onderdeel A,
vermelde bedrag.
ARTIKEL XLIIB
Artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is bij het begin van het kalenderjaar
2028 van overeenkomstige toepassing op het in de artikelen IIBIS en V, onderdeel A,
vermelde bedrag, met dien verstande dat het te vervangen bedrag daarbij wordt vermenigvuldig
met de uitkomst van de formule: 1 + (95,7% x (tabelcorrectiefactor – 1)).
VIII
In artikel XLIV wordt «artikel 5.5» vervangen door «het in de eerste en tweede kolom
van de in de artikelen 2.10 en 2.10a van die wet opgenomen tabel laatstvermelde bedrag
en artikel 5.5».
IX
Artikel L, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel a vervalt.
2. Na onderdeel b wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
ba. artikel I, onderdelen Ca en Cb, eerst toepassing vindt nadat artikel 10.6ter van de
Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2026 is toegepast;.
3. Na onderdeel c worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:
ca. artikel II, onderdelen aA en bA, eerst toepassing vindt nadat artikel 10.6ter van
de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2027 is toegepast;
cb. artikel IIBIS en artikel V, onderdeel A, eerst toepassing vinden nadat artikel XLIIB
bij het begin van het kalenderjaar 2028 is toegepast;.
Toelichting
Dit amendement strekt ertoe de per 2026 voorgestelde verhoging van het forfaitaire
rendement voor overige bezittingen in box 3 te matigen en de verlaging van het heffingsvrije
vermogen terug te draaien. Indiener vindt deze maatregel noodzakelijk om kleine spaarders
tegemoet te komen en om te voorkomen dat veel huurwoningen verdwijnen uit de huurmarkt.
De voorgestelde maatregelen in het wetsvoorstel zijn het gevolg van budgettaire derving
door jurisprudentie van de Hoge Raad uit juni 2024 en het uitstel van de Wet werkelijk
rendement box 3 tot 1 januari 2028. Het kabinet kiest voor een verhoging van het forfait
tot 7,78% en een verlaging van het heffingsvrije vermogen, maar deze keuzes leiden
tot onevenredige lasten voor een brede groep belastingplichtigen.
De voorgestelde verhoging van het forfait raakt met name belastingplichtigen met reële,
vaak langlopende investeringen. Dit betreft niet alleen beleggers in vastgoed, maar
ook particuliere verhuurders, die een belangrijke rol spelen in het beschikbaar houden
van betaalbare huurwoningen in het midden- en hogere segment. Het niet verlagen van
het forfaitair rendement zorgt ervoor dat er minder huurwoningen beschikbaar zijn,
juist voor mensen met een middeninkomen. De verhuurders die deze woningen beschikbaar
stellen nemen investeringsrisico’s, dragen bij aan mobiliteit op de woningmarkt en
voorzien juist in aanbod van middenhuurwoningen waar grote tekorten bestaan. Een te
hoog forfaitair rendement werkt ontmoedigend en zorgt ervoor dat verhuurders liquiditeitsproblemen
ervaren, terwijl er binnen de huidige tegenbewijsregeling box 3 geen kostenaftrek
mogelijk is. Daardoor kunnen verhuurders noodzakelijke kosten – zoals onderhoud, verduurzaming
en leegstand – niet in mindering brengen, wat leidt tot een zeer hoge effectieve belastingdruk.
De verhoging raakt ook andere groepen die maatschappelijke waarde toevoegen, waaronder
eigenaren van vakantiewoningen, rijksmonumenten en NSW-landgoederen. Deze belastingplichtigen
dragen vaak bij aan natuurbehoud, erfgoedzorg en regionale leefbaarheid, terwijl zij
eveneens geconfronteerd worden met hoge onderhoudslasten die fiscaal niet aftrekbaar
zijn. Het optrekken van het forfait tot 7,78% zou in deze gevallen tot disproportionele
en onbedoelde belastingdruk leiden.
Daarnaast leidt de verlaging van het heffingsvrije vermogen ertoe dat circa 300.000
extra belastingplichtigen in box 3 terechtkomen (waarvan ongeveer 180.000 mensen alleen
spaargeld hebben). Dit raakt mensen met relatief bescheiden vermogens en legt extra
druk op de uitvoering, die reeds zwaar wordt belast en voor aanzienlijke uitdagingen
staat.
Deze aanpassing voorkomt een overmatige en economisch schadelijke belastingverzwaring
in de overgangsjaren tot de invoering van werkelijk rendement in box 3, beschermt
investeringen in de woningmarkt, erfgoed en groene ruimte, en houdt rekening met de
uitvoerbaarheid binnen een systeem dat geen kostenaftrek toestaat.
De benodigde incidentele dekking voor dit amendement wordt gevonden door het aangrijpingspunt
van het toptarief in 2026 niet te indexeren. Deze indexatie wordt in 2028 ingehaald,
waardoor er structureel geen koopkrachtverlies is en werkenden er dus niet op achteruitgaan.
Technische toelichting
Dit amendement regelt dat het heffingvrije vermogen in box 3 niet wordt verlaagd met
ingang van 1 januari 2026 (maar nog steeds niet wordt geïndexeerd). Het heffingvrije
vermogen blijft daardoor in 2026 € 57.684. Dit zorgt voor een budgettaire derving
van € 129 miljoen.
Daarnaast regelt dit amendement dat het forfait voor overige bezittingen in box 3,
na toepassing van de nieuwe berekeningsmethode van het forfait, in 2026 en 2027 beleidsmatig
wordt verlaagd met 0,71%-punt. Daardoor zal het forfait voor overige bezittingen voor
het kalenderjaar 2026 niet uitkomen op 7,78% maar op 7,07%. Dit zorgt voor een budgettaire
derving van € 422 miljoen.
Om deze budgettaire derving van in totaal € 551 miljoen te dekken, wordt geregeld
dat het aangrijpingspunt van het toptarief (ATT) in de loon- en inkomstenbelasting
in 2026 op het niveau van 2025 blijft staan. Dat betekent dat het ATT van het toptarief
in 2026 op een bedrag van € 76.817 blijft staan.
In 2028 wordt het ATT extra verhoogd, zodat er geen sprake is van een structurele
opbrengst.
Budgettaire gevolgen in miljoenen euro’s (prijzen 2025)
2026
2027
2028
2029
struc
Terugdraaien verlaging heffingvrij vermogen box 3
– 129
– 129
0
0
0
Verlagen forfait overige bezittingen box 3
– 422
– 422
0
0
0
Opbrengst tijdelijke verlaging ATT
551
549
0
0
0
Totaal
0
– 2
0
0
0
Van Eijk
De Groot
Indieners
-
Indiener
Wendy van Eijk, Kamerlid -
Medeindiener
Peter de Groot, Kamerlid