Plenair verslag
Tweede Kamer, 94e vergadering
Dinsdag 8 september 2026
-
Begin14:00 uur
-
Sluiting0:00 uur
-
StatusOngecorrigeerd
Opening
Voorzitter: Van Campen
Aanwezig zijn leden der Kamer, te weten:
De voorzitter:
Ik open de vergadering van dinsdag 8 september 2026.
Vragenuur
Vragenuur
Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 12.3 van het Reglement van Orde.
Vragen Wilders
Vragen van het lid Wilders aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij afwezigheid van de minister van Asiel en Migratie, viceminister-president, over het bericht "Syrische immigrant Mohammed K. is 18 jaar, heeft hier al 114 politieregistraties, tóch mogen ouders & broertjes naar Nederland komen".
De voorzitter:
Aan de orde is het mondelinge vragenuur. Daarvoor geef ik als eerste het woord aan de heer Wilders voor zijn mondelinge vragen aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij afwezigheid van de minister van Asiel en Migratie. Ik heet haar natuurlijk van harte welkom in vak K. Meneer Wilders, als u zover bent, heeft u het woord.
De heer Wilders (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Eind mei ontving de politie een melding. In een woning in Amsterdam-Oost waren twee vrouwen overvallen door drie Syrische mannen. De vrouwen werden door de Syriërs aan hun haren getrokken, in hun gezicht geslagen en met een mes bedreigd. Eén vrouw kreeg zelfs het mes op haar keel. Ze werden beroofd van hun sieraden, telefoons, geld en paspoort en uiteindelijk werden ze bebloed door de politie aangetroffen. De verdachte Syriërs, Laith A., Khir Aldin B. en Mohammed K., stonden vorige week voor de rechter. Mohammed K. is nu 18 jaar oud. Hij kwam vier jaar geleden, op zijn 14de, naar Nederland. Sindsdien, in de afgelopen vier jaar, verzamelde hij maar liefst 114 politieregistraties. U gelooft het niet.
(Onrust op de publieke tribune.)
De voorzitter:
Ik schors de vergadering een enkel ogenblik. Ik verzoek de beveiliging de gast van de tribune te evacueren.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen. Het woord …
(Onrust op de publieke tribune.)
De voorzitter:
De vergadering is geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
We hebben dit eenmaal eerder meegemaakt. Toen heb ik bij de derde keer besloten om de tribune te evacueren en de aanwezigen de gelegenheid te geven om deze vergadering op een andere plek bij te wonen. Ik zeg nogmaals: als dit nu nog één keer gebeurt, schors ik de vergadering en zullen de aanwezige gasten deze vergadering op een andere plek in het gebouw moeten bijwonen, want we gaan deze plenaire vergadering niet onderbreken omdat de volksvertegenwoordiging vanaf de publieke tribune niet in staat wordt gesteld om haar werk te doen. U bent gewaarschuwd. Het woord is aan de heer Wilders.
De heer Wilders (PVV):
Dank u wel, meneer de voorzitter. Sindsdien, zei ik net, verzamelde hij, Mohammed K., maar liefst 114 politieregistraties. 114! Vooral …
(Onrust op de publieke tribune.)
De voorzitter:
De vergadering is geschorst. Ik verzoek de beveiliging de tribune te evacueren. De verzamelde pers kan gewoon op de tribune blijven zitten.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Er was helaas een verstoring — het waren enkele verstoringen — vanaf de publieke tribune, waardoor we helaas hebben moeten verzoeken om de publieke tribune te ontruimen. De gasten zullen worden begeleid naar een plek waar de vergadering op een andere manier kan worden bijgewoond. Geaccrediteerde journalisten blijven gewoon op de publieke tribune plaatsnemen om de plenaire vergadering te volgen. Ik stel voor dat we het mondelinge vragenuur opnieuw beginnen. Ik geef het woord aan de heer Wilders voor zijn bijdrage en zijn vragen aan de staatssecretaris. Het woord is aan de heer Wilders.
De heer Wilders (PVV):
Dank u, voorzitter, en dank u dat ik opnieuw mag beginnen. Eind mei ontving de politie een melding. In een woning in Amsterdam-Oost waren twee vrouwen overvallen door drie Syrische mannen. De vrouwen werden door de Syriërs aan hun haren getrokken, in hun gezicht geslagen en met een mes bedreigd. Eén vrouw kreeg zelfs het mes op haar keel. Ze werden beroofd van hun sieraden, telefoons, geld en paspoort, en de vrouwen werden uiteindelijk bebloed door de politie aangetroffen. De verdachte Syriërs heten Laith A., Khir Aldin B. en Mohammed K. Vorige week stonden ze voor de rechter.
Mohammed K. is nu 18 jaar oud. Hij kwam vier jaar geleden, op zijn 14de, naar Nederland. Sindsdien verzamelde hij maar liefst 114 politieregistraties. 114! U hoort het goed. 114 in vier jaar tijd, vaak voor diefstal. Wat leven we eigenlijk in een bananenrepubliek, als iemand met 114 politieregistraties nog steeds in Nederland zit en zijn gang kon gaan. Hij zit vast voor deze gewelddadige overval, maar zover had het natuurlijk nooit mogen komen. De minister had dit gajes Nederland nooit mogen binnenlaten. Deze Mohammed K. had na het eerste misdrijf van die 114 meldingen natuurlijk meteen het land uitgezet moeten worden. Ik vraag aan de staatssecretaris: waarom is dat niet gebeurd? Kloppen de berichten dat deze crimineel nu doodleuk van plan is om zijn ouders en broertjes uit Syrië naar Nederland te halen? Klopt het ook dat ze hebben gezegd dat ze, zodra ze hier zijn, op zoek gaan naar een leuke woning in Amsterdam? Dat zullen dan waarschijnlijk twee sociale huurwoningen zijn en waarschijnlijk met voorrang, want Mohammed heeft inmiddels ook zijn vriendin bezwangerd.
Voorzitter. In wat voor ziek land leven we? Hoeveel diefstallen, hoeveel overvallen, hoeveel messen op de keel of hoeveel slachtoffers moeten er nog volgen voordat dit kabinet eindelijk voor de Nederlanders opkomt, onze grenzen sluit en een asielstop invoert? Laat het helder zijn: Mohammed K. hoort niet in Nederland. Hij moet ons land uit, net als al die andere Syriërs die hier niets te zoeken hebben. Daarom heb ik een aantal vragen voor de staatssecretaris. Eén. Hoe heeft het in hemelsnaam zover kunnen komen? Niemand in Nederland snapt dit. Iedereen die dit hoort, is daar woest over. Twee. Gaat u Mohammed K., als hij wordt veroordeeld, na zijn verdiende straf onmiddellijk het land uitzetten? Gaat u hem, als hij niet wordt veroordeeld, voor die 114 meldingen meteen het land uitzetten? Waarom heeft u dat niet gedaan en gaat u dat nu doen? Gaat u ervoor zorgen dat hij zijn familie niet naar Nederland mag laten overkomen en dat er dus ook geen woningen aan hem worden verstrekt? Wanneer begint u met het uitzetten van de Syriërs? Wanneer komt eindelijk die asielstop?
De voorzitter:
Het woord is aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Voorzitter, dank u wel. Dank ook aan de vragensteller in dit geval, want het zijn natuurlijk berichten die we lezen en die we ook allemaal meenemen. Het is, volgens mij, heel goed dat we nu de tijd hebben om antwoorden te geven. Het is natuurlijk wel zo dat, in z'n algemeenheid, op individuele casuïstiek niet ingegaan wordt, maar ik vind het wel belangrijk om hier heel duidelijk over te zijn. Overlast en crimineel gedrag door asielzoekers zijn onacceptabel. We treden daar normerend tegen op en dat zullen we blijven doen. Wanneer een asielzoeker is veroordeeld voor een misdrijf, wordt altijd onderzocht of de asielvergunning ingetrokken kan worden of dat de verblijfsaanvraag voor asiel afgewezen kan worden op grond van de openbare orde.
De bestaande nationale aanpak van overlast bestaat uit vier pijlers: sneller beslissen over kansarme aanvragen, maatwerk in de opvang, lik-op-stukbeleid in de openbare ruimte en een stevige inzet op terugkeer. In de asielprocedure werken de IND en DTenV juist samen om bij een negatieve beschikking het vertrektraject zo snel mogelijk op te starten. Op 12 juni jongstleden is het Europese Asiel- en migratiepact in werking getreden; dat is voor uw Kamer geen nieuws. Ook dat gaat onze grip op migratie verstevigen, bijvoorbeeld met de terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers en het werken aan asielaanvragen buiten de Europese Unie. Op die manier spant onze minister zich in om de overlast merkbaar terug te dringen en meer rust te brengen in de migratieketen. Aanstaande donderdag is er een commissiedebat Asiel en migratie, waarin u met de minister nader in gesprek zal gaan over deze onderwerpen.
De heer Wilders (PVV):
Ik heb zelden zo'n waardeloos antwoord gehoord. "Normerend optreden" zegt de staatssecretaris: "Wij treden normerend op." U doet helemaal niks. Er zit iemand die hier 114 keer een politieregistratie heeft gehad, waaronder voor diefstal, misdrijven. Doordat u niks heeft gedaan, heeft hij vrouwen kunnen beroven, vrouwen kunnen mishandelen, vrouwen met een mes tot bloedens toe kunnen behandelen. Dat is niet "normerend optreden"; dat is helemaal niets doen. Als u niets doet, wat u blijkbaar heeft gedaan, en als u dat soort mensen niet alleen binnenlaat omdat u de grenzen weigert te sluiten maar ook nog eens zorgt dat ze niet weggaan, keert u zich tegen de Nederlandse bevolking. Dan is het goed dat dit kabinet hopelijk heel snel zijn biezen pakt.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik heb alle begrip voor de verontwaardiging over zo'n individuele casus. Eind 2024 is uw Kamer geïnformeerd door toenmalig minister Faber over een aanscherping van de openbareordecasuïstiek in het asielbeleid. Daarbij is er een beleidsaanscherping aangekondigd die nog steeds onverkort van kracht is. Na een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling onderzoekt de IND steeds of aan de voorwaarden voor weigering of intrekking van de asielvergunning is voldaan. Daar is niets aan veranderd. Daarbij hebben we te maken met hoge eisen van het Europese Unierecht. Indien een verblijfsvergunning niet kan worden ingetrokken, betekent dat ook dat rechten die daaruit voortvloeien, bijvoorbeeld rechten die betrekking hebben op gezinshereniging, niet onthouden kunnen worden. Dat is wat de Kwalificatierichtlijn van ons eist. Dat is het belangrijkste wat we in stand kunnen houden. Nogmaals, ik heb alle begrip voor de verontwaardiging over deze individuele casus.
De heer Ellian (VVD):
Sorry, dit laatste deel ontgaat mij. Iemand met 114 politieregistraties kan volgens datzelfde Europese recht gewoon uitgezet worden. Dat had ook al moeten gebeuren. Ik herhaal de vraag van collega Wilders graag. Het kan toch niet zo zijn dat deze man nu een beroep doet op nareis? Dat is toch ongelofelijk? Dat is niet uit te leggen aan de samenleving, aan slachtoffers en aan nabestaanden. We vragen dus om een simpel antwoord. Gaat het kabinet daar werk van maken, ja of nee?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Daar maken wij zeker al werk van. Ik ga niet in op een individuele casus. In zijn algemeenheid heb ik u gezegd dat de IND na een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling altijd onderzoekt of aan de voorwaarden voor het weigeren of intrekken van de asielvergunning kan worden voldaan. In zo'n geval zal dat ook het geval zijn.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dit is echt … Deze antwoorden zijn gewoon bijna niet te doen. U bent hier aan het aflezen van een door ambtenaren voorbereid papiertje. Leg dat papiertje nou eens even weg. Vertelt u gewoon in klare taal, in gewonemensentaal, wat hier precies aan de hand is. Iemand met 114 politieregistraties heeft nog recht op nareis. Ik herhaal ook de vraag van de heer Wilders: leg dat eens in klare taal uit aan de mensen in Nederland. Zij begrijpen hier totaal niets van.
De voorzitter:
De staatssecretaris vervangt vandaag de minister van Asiel en Migratie.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Zeker, voorzitter, en met liefde. Ik kan deze antwoorden vanuit mijn hart geven. Op het moment dat er sprake is van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling zijn er voldoende mogelijkheden om te zeggen dat we de vergunning intrekken. Ik kan niet ingaan op een individuele casus en de minister zou dat ook niet doen. Dat is altijd zo in deze Kamer. Aanstaande donderdag is er een commissiedebat over asiel en migratie. Het is heel goed om dan door te vragen welke wet- en regelgeving er in een specifieke casus geldt. Daar kunt u het debat met de minister over aangaan. Ik ga niet in op dit individuele geval. In zijn algemeenheid is het zo dat een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling wel degelijk consequenties heeft in Nederland.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Volgens mij zijn we het met elkaar eens dat als je 114 keer in aanraking komt met de politie, Nederland misschien niet jouw thuis is. Als jij vrouwen met messen bedreigt, is Nederland niet jouw thuis. Als je in een azc terechtkomt, gastvrij wordt behandeld en vervolgens bekeerde christenen met de dood bedreigt, is Nederland gewoon niet voor jou. De goeden lijden onder de kwaden. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of zij bereid is om te kijken of die regeling aangescherpt kan worden. Het kan toch niet zo zijn dat je na 114 keer alsnog een verblijfsvergunning en een paspoort krijgt?
Staatssecretaris Van Bruggen:
We hebben hier te maken met hoge eisen van het Europese Unierecht. Het is dus niet zo dat wij daar als land zomaar invloed op kunnen uitoefenen. Volgens mij is het belangrijk wat ik zojuist heb gezegd. Als er redenen en onherroepelijke strafrechtelijke veroordelingen zijn, is er wel degelijk een grond om dit aan te pakken. Tegelijkertijd deel ik natuurlijk de verontwaardiging over de individuele casuïstiek, over dit soort voorbeelden. Ik begrijp die heel goed. Het kabinet deelt die ook met u. Tegelijkertijd hebben we te maken met wet- en regelgeving en met de manier waarop we met elkaar omgaan in Nederland. We doen er in dit kabinet alles aan om te zorgen dat we hard optreden als het gaat over het handhaven van de openbare orde en mensen die het recht niet zo nauw nemen in ons land.
De heer Van Asten (D66):
Ik schrik er heel erg van dat iemand die 18 jaar oud is al 114 keer is gepakt en een politieregistratie heeft, terwijl die pas vanaf zijn 14de in Nederland is. Dan is daar echt iets behoorlijk misgegaan. Minderjarigen worden door Nidos begeleid. Er zit ook een hele escalatie in welke begeleiding ze krijgen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: is die specialistische Nidos-begeleiding voor jongeren waar het helemaal mis mee gaat dan wel de gespecialiseerde jeugdzorg, voldoende om ervoor te zorgen dat we nooit tot deze 114 komen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Laat ik in zijn algemeenheid zeggen dat we iets te doen hebben als samenleving als er sprake is van zo'n hoog aantal verdenkingen, zo'n hoog aantal momenten waarop een jeugdige met de politie in aanraking komt. Ik geloof dat Nidos daar haar keiharde best voor doet. Ik geloof ook dat het niet altijd eenvoudig is. Ik denk dat het belangrijk is ook dat gesprek met de minister te kunnen blijven voeren om te zorgen dat we alles kunnen doen wat er nodig is om juist deze jongeren goed te laten landen in de Nederlandse samenleving. Dan kunnen we namelijk voorkomen dat we in dit soort situaties terechtkomen.
De heer Ceulemans (JA21):
Dit gaat echt je voorstellingsvermogen compleet te buiten. De staatssecretaris heeft het over de openbare orde en het openbareordecriterium. Dit stuk ellende is gewoon één grote wandelende bedreiging voor de openbare orde met zijn 114 politieregistraties. Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat de staatssecretaris zegt dat er zelfs tegen zo iemand met zo veel registraties verblijfsrechtelijk niets te doen is?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Zonder in herhaling te willen vallen, is het zo dat na een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling de IND in zijn algemeenheid de mogelijkheden heeft om de voorwaarden voor weigering of intrekking van de asielvergunning wel degelijk ter tafel te brengen. Dat is in Nederland gewoon het geval; dat kan gewoon. Op deze individuele casus kan ik niet ingaan en dat zal ik ook niet doen, maar in zijn algemeenheid zijn er wel degelijk mogelijkheden.
De heer Ceulemans (JA21):
De staatssecretaris gaat voorbij aan het punt van de openbare orde, maar laat ik het dan zo stellen: dat hij hier is, is al schandalig genoeg, maar dat hij ook nog even zijn gezin laat overkomen, is natuurlijk helemaal aan niemand uit te leggen. Is er op dit moment een beletsel, of het nou nationale of Europese wetgeving is, dat belet dat de gezinshereniging of nareis of wat dan ook wordt gestopt als de referent een bedreiging voor de openbare orde is? Is de staatssecretaris bereid om tot het uiterste te gaan om in ieder geval dat niet door te laten gaan?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik spreek hier in algemeenheden. Ik ga niet op deze individuele casus in, maar in zijn algemeenheid kunnen we, als een verblijfsvergunning niet kan worden ingetrokken, niet zomaar een stop zetten op de rechten die daarmee gemoeid zijn, zoals het recht op gezinshereniging, dat voortvloeit uit de verblijfsvergunning. Dat is in zijn algemeenheid hoe we daar in Nederland mee omgaan. Dat is ook een hoge eis die aan ons gesteld wordt vanuit het Europese Unierecht, dus daar gaan wij als Nederland ook niet zomaar andere wet- en regelgeving op los kunnen laten.
Mevrouw Vondeling (PVV):
Het is onbegrijpelijk dat deze minister zich verschuilt achter wetten en regelgeving om criminele Syriërs niet uit te zetten, want Duitsland en Oostenrijk zetten criminele Syriërs gewoon uit naar Syrië. Waarom doet het kabinet dat dan nog niet?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat lijkt me een relevante en uitstekende vraag om in het commissiedebat met de minister te bespreken. Ik denk dat het belangrijk is om ook de minister in het commissiedebat te bevragen over randvoorwaarden en allerlei aanvullende maatregelen die wel of niet mogelijk zijn. Hij zal ook met liefde de antwoorden geven. Op dit moment en in deze casus zijn dit de antwoorden die ik u heb kunnen geven.
De heer Struijs (50PLUS):
Even een vraag vanuit het veld. Politiemensen zijn diep verontwaardigd dat ze regelmatig mensen vele malen moeten aanhouden, in dit geval 114 keer. Is het niet een oplossingsrichting dat je bij de eerste keer snelrecht toepast en dat je met een veroordeling gelijk uit het hele systeem wordt gegooid? Ik ben op zoek naar die versnelling, want dit is een uitzichtloze situatie, ook voor de mensen in de uitvoering.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Natuurlijk heeft de heer Struijs groot gelijk. We hebben ook een nationale aanpak die gaat over dat lik-op-stukbeleid. Ontstaan er dan ook nog situaties zoals degene die nu als voorbeeld worden gegeven? Ja, ongetwijfeld, ook tot mijn eigen grote verontwaardiging en tot verdriet van het kabinet. Wat kunnen we dan binnen de bestaande wet- en regelgeving naast dat we al zeggen: "We moeten sneller beslissen wat betreft kansarme aanpakken. We moeten die zaken zo snel mogelijk lik-op-stuk behandelen." Dit zijn allemaal mogelijkheden die ook het OM dagelijks oppakt, om het maar even zo te zeggen. Ik heb er alle begrip voor dat er een grote frustratie kan leven als we zien dat het aantal overtredingen en misdrijven toeneemt. Daarin hebben we als samenleving dus echt iets anders te doen. Of dat nou is wat de heer Van Asten als voorbeeld geeft of dat we daar op een andere manier nationaal manier mee om kunnen gaan, lijkt mij een uitstekend gesprek om ook met de minister te voeren tijdens het commissiedebat.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik voel veel steun voor een motie, die er aankomt. Dank u.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik hoor deze staatssecretaris, als vertegenwoordiger van de bestuurlijke en politieke elite in dit land, zich verschuilen achter wetten en verdragen, zoals het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Maar zullen we het eens hebben over de rechten van de Nederlanders? Het recht op leven, om niet verkracht en vermoord te worden door zo'n type. Het recht op gezinsleven als je op zoek bent naar een betaalbare huurwoning, terwijl nu weer een Syrisch gezin voorrang krijgt. Wanneer gaan D66 en het CDA, en al die mensen, PRO'ers, die hier allemaal achter staan, zich eens in Brussel inzetten voor aanpassing van dat verdrag?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat doen we elke dag. Dit kabinet werkt ontzettend hard, op nationaal, internationaal en Europees niveau, om er juist voor te zorgen dat we dit soort excessen niet tegenkomen en dat we ze het hoofd kunnen bieden. Tegelijkertijd hebben we te maken met een rechtsstaat, met Europese regelgeving, met Nederlandse wet- en regelgeving. Alles wat we kunnen doen wat bijdraagt aan de veiligheid voor Nederlanders, zullen we doen.
De heer Russcher (FVD):
Ik heb gemerkt dat de staatssecretaris graag in algemeenheden spreekt. Het gaat nu de hele tijd over één specifieke casus, van Mohammed K., die 114 politieregistraties op zijn kerfstok heeft. Dan heb ik een vrij algemene vraag. Heeft de staatssecretaris inzichtelijk hoeveel statushouders, hoeveel asielzoekers, zich in Nederland bevinden waarbij mogelijk hetzelfde het geval is, dus die meerdere politieregistraties op hun naam hebben, maar waarbij het niet lukt om ze uit te zetten en die mogelijk zelfs hun gezin naar Nederland kunnen halen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Die cijfers heb ik nu niet bij mij. Ik denk dat het heel goed is als u donderdag, als die vraag tijdens het commissiedebat nog leeft, het antwoord op die vraag zult krijgen. Dan kunnen er ook antwoorden gegeven worden die meer in detail gaan. Ik begrijp de vraag.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording van de gestelde vragen.
Vragen Moorman
Vragen van het lid Moorman aan de staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie over het bericht dat uit PISA-scores blijkt dat de Nederlandse leesvaardigheid zeer laag is.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Moorman voor haar vragen namens de fractie van PRO aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die ik van harte welkom heet in ons midden. Het woord is aan mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
Voorzitter, dank u wel. Ik ben heel blij dat ik de gelegenheid krijg om vragen te stellen, want het is nogal wat. Vanochtend zagen wij de nieuwe PISA-scores. PISA is het internationaal vergelijkend trendonderzoek naar onder andere de leesvaardigheid van onze 15-jarigen. De vorige keer, in 2022, was het al dramatisch. Een op de drie 15-jarigen kon onvoldoende lezen. Nu is het nog erger geworden. Bijna twee op de vijf 15-jarigen kan niet genoeg lezen om mee te komen in de samenleving. Dat betekent dat je geen bijsluiter kan lezen bij een medicijn en dat je geen betalingsherinnering kan lezen, met alle gevolgen van dien.
Dat dat in een rijk land als Nederland kan bestaan, is toch eigenlijk om je helemaal kapot te schamen. Want elk kind in Nederland moet natuurlijk gewoon kunnen leren lezen. Om dat te leren zou het ook helemaal niet moeten uitmaken naar welke school je gaat. De beste school zou gewoon de school om de hoek moeten zijn. Maar in Nederland maakt het enorm uit naar welke school je gaat. Sterker nog, de schoolverschillen in Nederland zijn de grootste van Europa. U snapt dat ik, maar ik neem aan velen met mij, hier zeer, zeer, zeer verontrust over ben.
Ik heb daar een aantal vragen over aan de staatssecretaris. Uiteraard wil ik als eerste weten hoe de staatssecretaris kijkt naar de uitkomsten van deze PISA-scores. Wij hebben haar voor de zomer al horen zeggen: lezen moet op één. Dat is op zich een heel mooie uitspraak, maar we weten helemaal niet hoe ze dat gaan invullen en wat dat dan in de praktijk precies betekent. Daar zou ik graag een antwoord op krijgen van de staatssecretaris.
De voorzitter:
Het woord is aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan mevrouw Moorman voor het stellen van deze vraag, want ik ben het helemaal met haar eens. De PISA-scores laten zien dat bijna 40% van de 15-jarigen inderdaad onvoldoende in staat is om teksten te lezen. Mevrouw Moorman noemde al het voorbeeld van een bijsluiter, maar ook contact opnemen met de overheid of met de bank kan allemaal niet als je niet taalvaardig bent. Ook ik schrok van de cijfers die vanochtend gepresenteerd zijn door PISA, om twee redenen. Taalvaardigheid is namelijk heel belangrijk, niet alleen om te kunnen lezen, maar ook voor alle andere basisvaardigheden die belangrijk zijn, zoals rekenen, burgerschap en digitale geletterdheid. Alles begint met taal. Het is zorgwekkend dat zo veel kinderen van 15 dat onvoldoende kunnen.
Wat moeten we dus doen? Ik denk dat we moeten doen wat we de afgelopen jaren al in gang hebben gezet, maar dat dat nog beter moet. Dat betekent focus op taal: taal als de basis van alle basisvaardigheden. Taal moet in alle vakken terugkomen. Daar hebben we gelukkig met de Kamer kerndoelen voor vastgesteld, zodat scholen beter weten wat leerlingen moeten kunnen en kennen om taalvaardig te worden. Dat gaat enorm helpen. Heel veel scholen zijn daar ook al mee bezig. Ik zie op scholen die daar hard mee bezig zijn dat dat ook zijn vruchten afwerpt. We moeten met elkaar ook de lat hoger leggen voor de verwachtingen van leerlingen, maar ook voor die van leraren, scholen en onszelf. Wat mij betreft moet de lat omhoog om ervoor te zorgen dat we deze trend keren en dat het lezen in Nederland weer beter wordt, opdat de leervaardigheid en daarmee ook onze ontwikkeling als samenleving vooruit kan.
Mevrouw Moorman (PRO):
De staatssecretaris zegt dat ze geschrokken is. Ik ben blij dat zij hier echt mee aan de slag wil. Tegelijkertijd merk ik dat heel veel mensen niet geschrokken zijn, omdat we dit allang weten. De lerarentekorten in Nederland zijn gigantisch. De verschillen tussen scholen in lerarentekorten zijn gigantisch. We hebben een groot probleem met onze lerarenopleidingen en met de bijscholing. We doen niks aan de grote verschillen tussen scholen. Het zou bijvoorbeeld helpen om ongelijk te investeren voor gelijke kansen. Daar worden al goede resultaten mee gehaald in het land. Is de staatssecretaris bereid om naar een integrale visie te gaan in plaats van alleen maar de focus op een vaardigheid te leggen?
Staatssecretaris Tielen:
In mijn beleving gaat het juist over een integrale visie. Als je je kind naar school doet, zeg je eigenlijk: mijn kind gaat nu leren lezen, schrijven en rekenen. Dat is zo'n beetje de kern van ons onderwijs. Daarom is het zo belangrijk dat we dit daadwerkelijk naar een hoger niveau brengen. Dat heeft te maken met heel veel factoren. Mevrouw Moorman noemt er een aantal. De verschillen in kwaliteit tussen scholen zijn inderdaad nergens ter wereld zo groot als in Nederland. Die schoolverschillen moeten kleiner, en in mijn beleving dan wel zodanig dat ze allemaal beter worden. Dan helpt focus en dan helpt het om met iedereen die hoge verwachtingen te ervaren. In die zin vind ik wat de sectorraden, bonden en ouders zeggen in reactie op de PISA-scores wel positief. Ze zeggen dat dit echt iets is waar we allemaal de schouders onder moeten zetten. Ik geef daar graag richting aan, maar dat kan ik zeker niet alleen. Ik ben blij dat we de urgentie zien, dat we het probleem omarmen en dat we de oplossingsrichting met z'n allen inslaan.
Mevrouw Moorman (PRO):
De staatssecretaris zegt het zelf: de verschillen tussen scholen in Nederland zijn het grootst van de wereld. Het grootst van de wereld! Wij hebben het ideaal van gelijke kansen, maar het maakt dus enorm uit naar welke school je gaat. Vaak staan de scholen die minder goed presteren, met veel grotere lerarentekorten, precies in de wijken waar kinderen al veel minder meekrijgen vanuit huis, waar kinderen in armoede opgroeien, waar de taal minder goed wordt gesproken, waar geen boeken in huis zijn. Juist die kinderen zijn zo afhankelijk van het onderwijs. Voor hen moet onderwijs het verschil maken. Moeten wij dan niet ongelijk gaan investeren, juist in die scholen? Ik heb tot nu toe nog geen enkele actie of poging van de staatssecretaris gezien om juist te investeren op de plekken waar het het hardst nodig is. Wat gaat ze daaraan doen?
Staatssecretaris Tielen:
In wat mevrouw Moorman nu zegt, kan ik me toch niet helemaal vinden. Op dit moment wordt er al ongelijk geïnvesteerd. Scholen met veel leerlingen met een achterstandssituatie krijgen al meer geld, niet alleen om te zorgen dat er een veilig schoolklimaat en een stevige sociale basis zijn, maar ook om te zorgen voor de basisvaardigheden. We werken al met scholen in die situaties en we zien en weten al wat er extra nodig is, zodat we ons daar goed op kunnen richten. Daar zijn we dus mee bezig. Er zijn ook scholen die ondanks die achterstand echt vooruitstreven en tot de beste horen. Laten we dus niet proberen om nu een soort tweedeling in het scholenlandschap te creëren, maar laten we vooral de handen in elkaar slaan om dat samen te verbeteren, met iedereen die daarbij betrokken is: schoolleiders, leraren, schoolbesturen en ook de politiek, met daarin zeker ook een rol voor mij. Dat doen we om álle kwaliteit omhoog te krijgen en te zorgen dat leesvaardigheid, maar zeker ook rekenvaardigheid gewoon op een hoog niveau komen.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik krijg nu precies het antwoord waar ik al bang voor was. Ik hoor namelijk "we doen het al", maar hoe zijn we hier beland als we het al doen? We zijn het land met de grootste schoolverschillen, waar twee op de vijf kinderen niet voldoende kunnen lezen. Ik vraag echt meer. Ik vraag geen actieplan. Ik vraag niet nóg een tafel. Nee, ik vraag een integrale visie die begint bij de voorkant, waarbij we juist de leraar en de schoolleider op één zetten, want zij maken goed onderwijs. Graag wil ik daarop een reactie en vooral actie van de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Om heel eerlijk te zijn, vroeg mevrouw Moorman om ongelijk investeren. Ik heb gezegd: dat doen we al. Ik zeg dus niet: we doen al dingen en dat is al goed. Mevrouw Moorman stelde mij een vraag en ik zeg: dat doen we al. Alleen, dat blijkt niet genoeg. Wat nodig is, is inderdaad een integrale visie waarbij we ons allemaal bewust zijn van hoe belangrijk het is dat die lees- en taalvaardigheid omhooggaat voor elk kind, zodat je inderdaad als ouder, als je je kind naar een school stuurt, weet dat de onderwijskwaliteit hoog is. Dat betekent dat we met elkaar focus hebben, in dezelfde richting, en niet tegen elkaar in praten en met elkaar taal in alle vakken neerzetten — dat hebben we met de kerndoelen geregeld — en met gerichte bekostiging ook zorgen dat effectieve methodes, waarvan we uit de praktijk en uit de wetenschap weten dat ze werken, worden toegepast. Zo gaan we met elkaar vooruit, om inderdaad te hopen dat we over drie jaar … Dat hopen we niet alleen, maar we werken er ook hard aan, zodat we over drie jaar kunnen zien dat 15-jarigen echt beter kunnen lezen, want daar hebben ze de rest van hun leven profijt van.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Waar het Nederlandse onderwijs kapot aan gaat, zijn visies, dus laten we dat vooral niet doen. Ook in Limburg is het een gigantisch probleem. Het is dus in heel Nederland een probleem. Het probleem is dat scholen de kerntaken niet op orde hebben. Ze houden zich met te veel onzinnige dingen bezig. Het tweede is dat het ook afhankelijk is van welk schoolbestuur er zit. Het derde is dat — daar had mevrouw Moorman het over — die kansenongelijkheid wordt gevoed doordat we de verwachtingen een beetje gaan aanpassen. Dat moeten we niet doen. De vraag aan de minister is … De vraag aan de staatssecretaris is … Ik zeg altijd minister.
De voorzitter:
Jajajaja, heel snel.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dan komen ze ook nog met het plan …
De voorzitter:
Nee, dat is geen vraag.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dan komen ze met het plan om men ook nog anderstalig op te leiden op de basisschool. Dat is juist funest voor de PISA-scores.
De voorzitter:
Meneer Claassen, wat is uw vraag?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Is de staatssecretaris bereid dat onwerkelijke, ondeugdelijke, gekke plan naar de prullenbak te verwijzen?
Staatssecretaris Tielen:
Het plan waar meneer Claassen naar verwijst, is geen plan. Ik heb daar ook wat berichtgeving over gezien. Alles is erop gericht de Nederlandse taalvaardigheid te verbeteren. Dat doen we met rijkere teksten en ook leesplezier. Het is niet alleen belangrijk dat je bijsluiters kan lezen of met de bank kan communiceren; het is ook belangrijk dat je kan genieten van taal en lezen. Daar zijn de kerndoelen op ingericht, zodat ook in alle vakken de Nederlandse taal een belangrijke rol speelt.
Mevrouw Armut (CDA):
Als je een rondje loopt op een school, dan valt één ding op: heel vaak hebben boeken totaal of gedeeltelijk plaatsgemaakt voor laptops. We weten dat leerlingen beter leren uit boeken en stof ook beter weten te onthouden als ze het opschrijven. Het is wat het CDA betreft dus ook een slechte zaak dat die boeken steeds meer uit het klaslokaal verdwijnen. Ik vind het wel goed dat deze staatssecretaris bezig is met bijvoorbeeld de Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Armut (CDA):
Mijn vraag is of zij daarin ook echt expliciet wil meenemen dat we dat schermgebruik terugdringen en dat boeken en schrijven weer de norm worden op school.
Staatssecretaris Tielen:
Daar ben ik zeker toe bereid, ook omdat we in dit PISA-onderzoek zien dat scholen waar het gebruik van laptops en mobiele schermen is teruggedrongen daadwerkelijk beter presteren, onder andere op het gebied van taalvaardigheid. Er zijn al heel veel scholen waar "thuis of in de kluis" geldt. Dat betekent: geen mobieltjes in de klas, geen mobieltjes in de aula, geen mobieltjes op het schoolplein. We zullen dus zeker ook aandacht besteden aan hoe we daarmee om moeten gaan.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Het PISA-onderzoek kwam opnieuw hard binnen, want de daling zet zich voort. Dat was geen verrassing, want we zien natuurlijk al tijden dat het leesplezier daalt, dat het aantal boeken dat kinderen lezen daalt en dat het nu dus tot dit niveau is gekomen. Maar we zien ook dat het anders kan. Bij lezen gaat het niet goed, maar bij rekenen en natuurwetenschappen zien we dat de daling gestopt is. We kunnen hiermee door met het nieuwe curriculum, met extra geld voor onderwijs.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Mijn vraag aan de staatssecretaris is daarom als volgt. Zorgt zij ervoor dat er een nationale aanpak komt, samen met scholen, met leraren, met ouders, met iedereen die dit aangaat, om samen het lezen en schrijven te verbeteren?
Staatssecretaris Tielen:
Ja. Dat is ook de essentie van de versterkingsagenda. Daarom is die er ook nog niet: omdat ik die niet in mijn eentje op een kamer ergens op een ministerie ga lopen verzinnen. Die maken we samen. Daarom verwees ik er ook al naar. Ik ben heel blij dat de sectorraden, dus de onderwijsbesturen, de leraren, de ouders en de scholieren zelf, ook een reactie hebben gegeven op het PISA. Daaruit blijkt wat mij betreft heel duidelijk dat we dit samen moeten doen en dat iedereen daar een rol in heeft. Hoe we die rol richten op het verbeteren van taal en de andere basisvaardigheden, zijn we aan het opschrijven.
Mevrouw Beckerman (SP):
Bijna 40% van de 15-jarigen kan niet voldoende lezen. Dat is een schande. We horen de staatssecretaris zeggen: de lat moet hoger voor leerlingen en leraren. Daarmee leg je de schuld ook bij hen. Ik denk dat de lat voor het kabinet omhoog moet. De vorige keer kwam het kabinet met een masterplan. Dit keer komt het met een actieplan. Is dat niet veel te mager? Moeten we niet veel fundamenteler kijken naar het onderwijs? Moeten we niet kijken naar kleinere klassen, meer leraren en meer regie, en moeten we niet bovenal die gigantische ongelijkheid tussen scholen aanpakken? Zo leg je de lat voor jezelf volgens mij echt veel hoger.
Staatssecretaris Tielen:
Volgens mij heb ik expliciet gezegd "voor schoolbesturen, voor leraren, voor leerlingen, maar ook voor ons". Dat kunt u teruglezen in de Handelingen. Ik ben het daadwerkelijk met mevrouw Beckerman eens dat we het met z'n allen moeten doen om te zorgen dat het beter wordt. Of de versterkingsagenda aan de verwachtingen van mevrouw Beckerman gaat voldoen, weet ik niet. Ik zie haar al schudden. Maar daarin komt samen hoe we focus aanbrengen en hoe we gaan zorgen dat kinderen die op het vmbo zitten — dat is een van de schoolvormen waar ik me echt zorgen om maak, zeker als het gaat om taalvaardigheid — daadwerkelijk taalvaardiger worden en dus ook beter opgeleid worden om het vervolgonderwijs of de samenleving in te kunnen. Ik denk dus eigenlijk dat we heel erg aan dezelfde kant staan. Ik hoop dat ik dat aan mevrouw Beckerman kan laten zien met de versterkingsagenda.
De heer Kisteman (VVD):
Vorige week kwam het ESB-onderzoek naar buiten. Daarin wordt aangegeven dat het aantal miljarden dat extra naar onderwijs gaat, enorm is gestegen, terwijl het aantal leerlingen gelijk is gebleven. Nu nemen de PISA-scores, waarmee de kwaliteit van het onderwijs wordt gemeten, enorm af. Is de staatssecretaris het met de VVD eens dat het huidige systeem van de lumpsum het nagenoeg onmogelijk maakt om te sturen op de kwaliteit van het onderwijs? Wat gaat de staatssecretaris dan naast de Wet gerichte bekostiging doen om meer grip te krijgen op die sturing?
Staatssecretaris Tielen:
Het begint met definiëren wat kwaliteit eigenlijk is. Als het gaat om taalvaardigheid en leesvaardigheid, hebben we samen met uw Kamers de afgelopen tijd gewerkt aan de kerndoelen, waarin we vastleggen wat kinderen moeten kunnen en kennen als het gaat om taal. Daar staat veel meer concreter in. Er zijn, ook daar, hogere verwachtingen ten opzichte van de oude kerndoelen, die overigens uit 2006 stammen. Toetsen op die kwaliteit is heel belangrijk. Ook daarvoor geldt dat we er scherp op moeten zijn en moeten zorgen dat die omhooggaat. Maar het gaat niet alleen om de lat hoger leggen; het gaat ook om zorgen dat iedereen eroverheen kan. Daar is het onderwijs op gericht. Kwaliteit is daarin cruciaal. We proberen daar meer grip op te krijgen met gerichte bekostiging. Dat betekent dat scholen ook verantwoording afleggen over wat ze met het geld voor die basisvaardigheden doen en wat het heeft opgeleverd.
De heer Dassen (Volt):
Een van de punten uit de studie is dat kinderen die kunstmatige intelligentie, AI, gebruiken om essays te schrijven of om samenvattingen te maken, nog twintig punten lager scoren dan gemiddeld. Dat staat gelijk aan één jaar leren. Dat vind ik een hele zorgwekkende ontwikkeling. Ik ben benieuwd wat de staatssecretaris daaraan gaat doen, aangezien we zien dat AI steeds meer onderdeel wordt van onze samenleving, dat het steeds toegankelijker wordt en dat het steeds makkelijker gebruikt wordt. Daar heb ik nog niks over gehoord.
Staatssecretaris Tielen:
Die zorgen deel ik heel erg, juist. Zo'n uitgebreid onderzoek maakt inzichtelijk wat voor effect het heeft. Een jaar leerachterstand is echt gigantisch. Ik denk dat het gebruik van AI ook zijn voordelen kan hebben, maar dat we dat niet aan scholen en leraren zelf moeten laten, omdat het te ingewikkeld is, omdat het een grote impact heeft en omdat het voortdurend verandert. Daarom heb ik al eerder met de Kamercommissie afgesproken dat we met een regieplan komen over hoe de digitalisering en AI in het funderend onderwijs, dus op de basisscholen, de middelbare scholen en de speciaalonderwijsscholen, goed ingezet kunnen worden. Daarbij moeten we voorkomen dat AI het leervermogen gaat schaden. Dat is namelijk waar de heer Dassen naar verwijst. Het gaat dus om de manier waarop je AI inzet. We doen dat liever ter ondersteuning van de leraar om het onderwijs te verbeteren, en minder op zo'n manier dat het de leerling afsnijdbewegingen oplevert. Zo werd het genoemd in een van de rapportages die ik de afgelopen week heb gezien, geloof ik.
De heer Dassen (Volt):
Het is natuurlijk heel zorgwekkend. Met het gemak waarmee het te gebruiken is, is het moeilijk om erop te sturen. Ik snap dat de staatssecretaris zegt: ik kom met een regieplan; we gaan kijken hoe het de leerkracht kan ondersteunen. Ik denk wel dat het belangrijk is dat we leerlingen leren hoe om te gaan met AI, zodat ze daar daadwerkelijk in geletterd worden. Ik ben ook benieuwd hoe de staatssecretaris de vraag meeneemt hoe we bedrijven die dit soort programma's op de markt brengen, verantwoordelijk houden.
Staatssecretaris Tielen:
Dat is uiteindelijk onderdeel van het plan. Nu moet ik een beetje vooruitlopen, dus het is op details misschien wat vager dan meneer Dassen verwacht. Ik denk dat we met experts bij bedrijven en uitgevers enzovoorts moeten kijken hoe we de synergie kunnen vinden. Bij digitale geletterdheid hoort kunstmatige intelligentie. Die mag het leervermogen echter niet in de weg staan. Het zal ook te maken hebben met de manier waarop je het in lessen aanbiedt en met de manier waarop je toestaat dat leerlingen en leraren het gebruiken. Het moet allemaal gericht zijn op het omhoog krijgen van het leervermogen, zonder digitale geletterdheid links te laten liggen.
Mevrouw Moorman (PRO):
Regieplan, masterplan en actieplan: het duizelt je. Ik ben heel bang voor de versnippering, maar daar moeten we het misschien op een later moment over hebben. Eén ding blijft bij mij als een graat in de keel hangen: dat de staatssecretaris over de grote verschillen tussen scholen heeft gezegd dat we al ongelijk investeren. Blijkbaar doen we dat dan dus niet genoeg. De verschillen tussen scholen worden namelijk alleen maar groter. Moeten we niet veel meer ongelijk investeren, bijvoorbeeld door leraren in moeilijke wijken meer salaris te geven?
Staatssecretaris Tielen:
Het is geen kwestie van geld. Dit gaat over focus en kwaliteit. Het platslaan tot puur financieel investeren en daarmee schoolverschillen verkleinen, gaat echt totaal voorbij aan alle inzichten die dit PISA-rapport ons geeft, denk ik. We zullen die verder verrijken. Het is namelijk belangrijk genoeg om die trend te keren.
De voorzitter:
Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording van de gestelde vragen.
Vragen Bikkers
Vragen van het lid Bikkers aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat over het bericht "Brug A28 bij Nijkerk 'uit voorzorg' aan beide kanten dicht, verkeer omgeleid".
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Bikkers voor zijn vragen aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat namens de fractie van de VVD. Ik heet de minister van harte welkom in de Tweede Kamer. Als u zover bent, meneer Bikkers, is het woord aan u.
De heer Bikkers (VVD):
Dank u wel, voorzitter. De automobilist krijgt inmiddels het gevoel dat Rijkswaterstaat pas in beweging komt als de auto stilstaat. Dat beeld is ontstaan uit de problemen op bijvoorbeeld de A28, de A50 en de Norgerbrug. Pas als de weg wordt afgesloten, een spitsstrook dicht blijft of een brug maandenlang niet gebruikt kan worden, komt de overheid in actie. Sinds gisteren is de A28 bij Nijkerk volledig afgesloten. Rond de pijlers van de Hardenbergerbrug zijn zand en grind weggespoeld. Rijkswaterstaat kan de veiligheid daardoor niet meer garanderen. Laat ik daarover duidelijk zijn: als de veiligheid in het geding is, moet de weg dicht; veiligheid staat altijd voorop.
Juist daarom heb ik vragen over wat daaraan voorafging. Rijkswaterstaat wist namelijk al eerder van de uitspoeling, maar herstel stond pas in november gepland. Dan rijzen er vragen. Wanneer is dit probleem precies voor het eerst vastgesteld? Hoe is het risico sindsdien gemonitord? En vooral: waarom werd ervan uitgegaan dat er nog maanden gewacht kon worden? Wanneer verwacht de minister dat de brug weer veilig open kan? Wat wordt er ondertussen gedaan om te voorkomen dat Nijkerk en de omliggende gemeenten volledig vastlopen door omleidingen en sluipverkeer?
De voorzitter:
Het woord is aan de minister. Gaat uw gang.
Minister Karremans:
Dank u wel, voorzitter. Bij een inspectie is vastgesteld dat de constructieve veiligheid van de Hardenbergerbrug niet langer kan worden gegarandeerd. Daarom is de brug in beide richtingen afgesloten en ook voor scheepvaart gestremd. Zoals de heer Bikkers ook al zei: veiligheid staat altijd voorop. In verband met zijn ouderdom wordt deze brug regelmatig geïnspecteerd. Dat noemen we een zogenaamd "verhoogd inspectieregime". Datzelfde geldt voor vergelijkbare bruggen. Dat zullen we ook blijven doen. Dit hebben wij de Kamer ook gemeld in de Staat van de Infrastructuur. Ook deze specifieke brug wordt daarin vermeld. Waar we verwachten vergelijkbare situaties aan te treffen, controleren we extra.
Deze brug is sinds maandag, begin van de middag, afgesloten. Toen is besloten om de brug te sluiten. Door de lage waterstanden van de afgelopen maanden — zoals bekend, hebben we te maken gehad met intensieve droogte — en door intensieve scheepvaart is er grind en zand weggespoeld, waardoor de damwanden van de brug te weinig tegendruk krijgen. Sinds het moment van afsluiting zijn alle inspanningen erop gericht om de brug zo snel mogelijk weer open te krijgen. As we speak zijn er werkschepen aan het werk — daar heb ik zonet nog een paar foto's van gekregen — om het zand en het grind de vaarweg weer in te krijgen. Er wordt non-stop, dag en nacht, 24 uur per dag doorgewerkt totdat het af is, zodat naar verwachting uiterlijk deze donderdagavond om 20.00 uur, en zo mogelijk eerder, de brug weer open kan en het verkeer weer over de A28 kan doorrijden.
Voorzitter. Dat over de brug, maar laat mij in het algemeen nog zeggen dat deze brug uit de jaren zestig stamt, net zoals heel veel infrastructuur in Nederland. Daarom moet die in het komende decennium vervangen worden. Dit is een van de meer dan 100 infrastructurele objecten die extra geïnspecteerd moeten worden omdat die tegen het eind van hun levensduur aan zitten. Hier zullen we de komende jaren ook flink in moeten investeren om Nederland bereikbaar en economisch gezond te houden. Dat is waarom de staatssecretaris en ik drie maanden na ons aantreden zijn begonnen met de grootste verbouwing van het Mobiliteitsfonds ooit, waarbij we miljarden verschuiven van nieuwe aanleg naar vernieuwing en onderhoud. Dat zijn geen leuke keuzes, maar die zijn wel noodzakelijk om ervoor te zorgen dat Nederland door kan blijven rijden en de economie door kan blijven draaien.
De heer Bikkers (VVD):
Helder verhaal, maar dit incident staat natuurlijk niet op zichzelf. Op de A50 bleef een spitsstrook dagenlang dicht omdat overhangende takken het zicht van camera's blokkeerden. Precies hetzelfde probleem deed zich een jaar eerder al voor, dus het was te voorzien. Bij Assen blijft de Norgerbrug waarschijnlijk tot begin 2027 dicht omdat de boerenzwaluw onder de brug is gaan broeden. Het beeld dat hierdoor ontstaat, is ongemakkelijk: pas als een spitsstrook dicht moet, wordt er gesnoeid; pas als een brug niet meer veilig is, wordt er gerepareerd; pas als een wegverbinding maandenlang wordt afgesloten, wordt duidelijk hoe groot de gevolgen voor inwoners, ondernemers, binnenvaart en omliggende gemeenten zijn. Mijn vraag aan de minister is daarom niet alleen: wat gaan we vandaag doen aan dit huidige probleem? Het is een bredere en meer fundamentele vraag: deelt de minister dat hier sprake lijkt van een structureel probleem met vooruitkijken en preventief handelen als het gaat om onze infrastructuur? Wanneer gaat hij ervoor zorgen dat Rijkswaterstaat niet langer pas in beweging komt als de auto stilstaat? Gaat hij de problemen oplossen vóórdat er verkeersborden moeten komen waarop staat "weg afgesloten"?
Minister Karremans:
Ik denk dat we daar juist wel vandaag keuzes voor moeten maken. De keuzes die tien jaar geleden zijn gemaakt, merken wij namelijk vandaag, en alle keuzes die wij vandaag maken, merken ze over tien jaar. Dus om te voorkomen dat over tien jaar … Ik neem aan dat de heer Bikkers dan nog in de Kamer zit, maar ik weet niet of ik dan nog minister van Infrastructuur en Waterstaat ben. Om die situatie te voorkomen, zullen we moeten investeren en zullen we uiteindelijk veel meer geld moeten steken in onderhoud en vernieuwing. Als we dat namelijk niet doen, weten we — dat is ook meerdere malen door Rijkswaterstaat gemeld in de Staat van de Infrastructuur — dat je steeds meer verstoringen en steeds meer afsluitingen krijgt, omdat de veiligheid natuurlijk altijd vooropstaat, wat ook dan het geval zal zijn. We moeten dus nu zorgen dat we goed investeren in vernieuwing en onderhoud om te voorkomen dat we in de toekomst nog meer problemen krijgen.
De heer Bikkers (VVD):
Ik had dit antwoord natuurlijk wel verwacht, maar mijn vraag is eigenlijk: hoe zorgen we ervoor dat we dit soort problemen voor zijn? Hoe zorgen we er met betere inspecties voor dat we er niet doorheen zakken op het moment dat het echt niet meer gaat en de brug echt onveilig is? Misschien kan de minister daar iets over zeggen. Als we namelijk kijken naar de bruggen — dan heb ik het alleen nog maar over de bruggen — zien we het volgende. De Giessenbrug, de Hardenbergerbrug, de Norgerbrug, de Papendrechtsebrug, de Zeelandbrug, de Twee Zwanenbrug en in de planning ook nog de Haringvlietbrug en de Brienenoordbrug; alles gaat eruit! Hoe zorgen we ervoor dat Nederland economisch vooruit blijft gaan?
Minister Karremans:
Zoals ik al zei, is heel veel infrastructuur gebouwd in de jaren zestig. Toen waren er ongeveer 250.000 auto's in Nederland. Inmiddels zijn het er miljoenen, en ze zijn ook een heel stuk zwaarder dan toen het geval was. De infrastructuur die toen is aangelegd, is dus niet gemodelleerd op de huidige belasting die deze elke dag krijgt. Dat betekent ook een bepaalde mate van onvoorspelbaarheid. Ik kan dus niet garanderen dat we dit soort zijinvliegers, zoals we dat noemen, nooit meer zullen krijgen. Het inspecteren van verouderde infrastructuur doen we niet voor niets heel frequent om te voorkomen dat dit soort situaties plaatsvinden.
Nog één ding over die tak. Toen ik hoorde over die tak … Nou, die tak heeft het niet heel lang volgehouden sinds dat bericht op mijn bureau kwam. Die tak is dus geschiedenis. Dat hadden we bij Rijkswaterstaat beter moeten aanpakken. Daar leren we ook van.
De heer Bikkers (VVD):
Ik denk dat die tak een mooi voorbeeld is. De vraag is natuurlijk: hoe zorgen we ervoor dat die tak daar niet meer gaat komen? Hoe zorgen we ervoor dat we aan de voorkant weten wat er gaat gebeuren, zodat dit soort maatregelen niet meer nodig zijn?
Dank u wel.
Minister Karremans:
Die tak gaat er niet meer komen. Dat kan de tak vergeten.
De voorzitter:
U heeft hem zelf weggesnoeid.
Minister Karremans:
Als het langer had geduurd, had ik het zelf gedaan, ja.
De voorzitter:
Daadkracht! Meneer Stoffer heeft een vraag.
De heer Stoffer (SGP):
De mensen in het land denken eigenlijk: kunnen ze in Den Haag nu helemaal niks? Ik was afgelopen vrijdag in Zwartsluis. De Kolksluis zit daar al ik weet niet hoelang dicht. De Merwedebrug is me ook echt een doorn in het oog, en met mij vele transportondernemers. En dan nu de brug bij Nijkerk. De minister refereerde zojuist aan de Staat van de Infrastructuur. De vraag is eigenlijk: kan hij op basis daarvan al voorspellen wat de volgende brug wordt die we af gaan sluiten?
De voorzitter:
Ja. De minister.
De heer Stoffer (SGP):
Dat is eigenlijk een retorische vraag, voorzitter. Veel belangrijker is de vraag: hoe krijgen we hier grip op?
De voorzitter:
Ja. De minister.
De heer Stoffer (SGP):
Ik wil graag een richting geven. Is de minister het met mij eens dat er vanuit de politiek gewoon extra structureel budget …
De voorzitter:
Ja, ja, ja.
De heer Stoffer (SGP):
… van miljarden vrijgespeeld moet worden om dit te doen? Alleen maar roepen dat Rijkswaterstaat in beweging komt, helpt namelijk niet.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Stoffer.
De heer Stoffer (SGP):
Is de minister het met mij eens dat daar gewoon structureel extra geld, en fors geld, bij moet?
De voorzitter:
De minister heeft het woord.
Minister Karremans:
Ja, en dat zijn we ook aan het doen. We zijn ook veel meer geld aan het vrijmaken voor onderhoud en vernieuwing. We staan aan de vooravond van de grootste verbouwing van het Mobiliteitsfonds ooit. Dat weet de heer Stoffer en dat weet de heer Grinwis ook; heel veel mensen hier in deze Kamer weten dat we daarmee bezig zijn. We hebben daar een aantal debatten met elkaar over gevoerd, en dat is nodig. Het zal wel pijnlijke keuzes vergen. Het betekent namelijk dat nieuwe wegprojecten of nieuwe spoorprojecten, waar we misschien al jarenlang van dromen, iets minder prioriteit krijgen, omdat wij dat noodzakelijke onderhoud en die noodzakelijke vernieuwing moeten doen. Maar om een voorbeeld te geven: het gemaal bij IJmuiden, de Haringvlietbrug en een aantal andere cruciale stukken infrastructuur die ontzettend oud zijn, zijn nog van €0 dekking voorzien in het Mobiliteitsfonds. Als we die situatie laten ontstaan, kan ik u op een briefje geven dat we hier een jaar lang met elkaar kunnen debatteren over dit soort situaties. Op een gegeven moment zal Rijkswaterstaat dat soort wegen namelijk moeten afsluiten, omdat de veiligheid altijd voorop zal staan.
De voorzitter:
Meneer Stoffer, kort en bondig, in ieder geval korter en bondiger dan zojuist.
De heer Stoffer (SGP):
Ik doe een poging, voorzitter. In de uitgelekte stukken zien we dat er nu 1,5 miljard incidenteel extra is toegevoegd aan de rijksbegroting. Of dat waar is of niet, zien we volgende week, maar mijn vraag aan de minister is: is dit niet een druppel op een gloeiende plaat? Moeten wij als Kamer niet gewoon jaarlijks structureel extra miljarden toevoegen om überhaupt gewoon rijdende te blijven?
Minister Karremans:
Ik ga niet reageren op uitgelekte stukken rondom Prinsjesdag.
De voorzitter:
Mevrouw Boelsma-Hoekstra.
De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter, een punt van orde.
De voorzitter:
Nee, dat waren er twee.
De heer Stoffer (SGP):
Een punt van orde.
De voorzitter:
Wat is het punt van orde?
De heer Stoffer (SGP):
Ik heb niet gevraagd of de minister wil reageren op die uitgelekte stukken. Ik zei: dat zien we dinsdag. Het gaat mij om het tweede, of het structureel nodig is om niet incidenteel, maar structureel …
De voorzitter:
Maar wat gaat er mis met de orde? Want u maakt een punt van orde. Volgens mij gaat het niet om de orde.
De heer Stoffer (SGP):
Nou, voorzitter, dat mijn vraag wordt weggeduwd en ik geen antwoord krijg op de vraag die ik stel.
De voorzitter:
Ja. U gaat over uw vraag, maar de minister gaat over de antwoorden en u kunt daar vervolgens uw conclusies uit trekken. Mevrouw Boelsma-Hoekstra.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik heb een vraag voor de minister over de veiligheid. We hebben net heel veel voorbeelden van bruggen gehoord. Wat mij opvalt, is het volgende. Als voorbeeld noem ik de Merwedebrug. We hebben reguliere inspecties. We hebben de Staat van de Infrastructuur. En toch moet er op stel en sprong een brug afgesloten worden omdat daar een extra inspectie is in verband met die vervanging. De zorg van het CDA is: hebben we wel grip op de staat van alle bruggen, zodat er geen onveilige situaties ontstaan? Want als die Merwede niet was vervangen, dan was die inspectie ook niet gedaan.
Minister Karremans:
Dit is aan het licht gekomen door een inspectie, omdat die brug onder een verhoogd inspectieregime valt. Op die manier zorgen we ervoor dat we de juiste informatie op tijd boven water krijgen. Hier is het geval dat door extreme droogte en lage waterstanden, schroeven van schepen dichter bij de bodem komen. Daardoor kunnen schepen minder belading meenemen, waardoor ze vaker moeten varen. Je krijgt dus meer doorgangen door die vaart, waardoor er steeds meer zand wordt weggespoeld door de schroeven van die schepen. Daardoor vindt er bodemdaling plaats en is er minder tegendruk voor die pilaren. Dat is de samenvatting van wat hier aan de hand is. We wisten in algemene zin dat dat erosieproces plaatsvond, maar dat is versneld door de droogte. Daarom is hebben we de brug geïnspecteerd en is er nu ook naar gehandeld.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mijn vraag is eigenlijk dezelfde als die van de heer Stoffer en gaat over het structurele geld. Het klinkt allemaal veel, 1 miljard, 1,5 miljard, maar ik zit inmiddels ruim vijf jaar in deze Kamer en ik kan mij nog mijn allereerste technische briefing herinneren, in 2021, van Rijkswaterstaat, dat toen al de noodklok luidde over de investeringen die gedaan zouden moeten worden op het gebied van bruggen en wegen.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Die komt. Ik weet dat er in het Klimaatfonds nog voor ongeveer 13,5 miljard aan onbestede middelen zit. Ik zou de minister willen voorstellen een flinke greep te doen in het Klimaatfonds om ervoor te zorgen dat we onze bruggen en wegen veilig kunnen houden, ook voor de scheepvaart, en dat we die niet besteden aan windparken, zonnepanelen en warmtepompen.
Minister Karremans:
Ik ga hier niet in het mondelinge vragenuur even een greep in de kas doen van het fonds van een collega. Mevrouw Van der Plas zal begrijpen dat ik dat niet doe. Maar de essentie is dat vernieuwing en onderhoud van het rijkswegennet wel prioriteit moeten krijgen. Dat geldt overigens ook voor het spoorwegennet in Nederland en voor het hoofdvaarwegennet evenzo. Dat zijn we dus ook aan het doen. Dus daarvoor zullen noodzakelijke keuzes ook onvermijdelijk zijn. We sturen daarover binnen een paar weken een brief naar de Kamer met de uitkomsten van de herprioritering op basis van het afweegkader dat wij samen met de Kamer hebben gemaakt. Daar zal dus uit volgen dat we natuurlijk veel meer miljarden gaan besteden aan vernieuwing en onderhoud om dit soort situaties te voorkomen. Over de vraag of er daarbovenop nog meer geld moet: elke bewindspersoon zal meer geld altijd verwelkomen. Maar tegelijkertijd heb ik er, als ik kijk naar de talkshows en naar de inlopen van partijen die spreken met onder anderen de premier of de minister van Financiën, niet één partij, op misschien een paar na, infrastructuur horen noemen. Dus die geef ik wel even mee terug. Uiteindelijk is dit een totale politieke keuze die we met elkaar maken.
Mevrouw Beckerman (SP):
Sinds 2010 hebben we zes VVD-kabinetten en zeven VVD-ministers van IenW gehad. Deze minister doet alsof dit een serie incidenten is, alsof dat tekort van 80 miljard toevallig is ontstaan. Wil deze minister niet ook ergens erkennen dat er hier sprake is van VVD-falen en dat we weer toe moeten naar een overheid die structureel durft te investeren in de samenleving en dus ook in wegen?
De voorzitter:
Minister, kort en bondig.
Minister Karremans:
Nee, want dit gaat om brede politieke afwegingen die je met elkaar maakt. Bovendien zijn het niet alleen VVD-ministers geweest, zeker niet in het recente verleden. Bovendien kan ik die ook niet zo heel veel verwijten. Die hebben ook geprobeerd zo goed mogelijk met deze situatie om te gaan. Je hebt te maken met prijsstijgingen, stikstofproblematiek en heel veel andere redenen voor de situatie waarin we nu zitten. Ik zou dit zeker niet één partij aanrekenen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
De ChristenUnie heeft zich tijdens de bijzondere begrotingsbesluitvorming — dat kunnen we wel zeggen — ingespannen voor extra geld voor infrastructuur en woningbouw. Laat dat dus duidelijk zijn. De vraag die ik heb, is de volgende. We worden iedere keer weer verrast, en de minister ook, door een brug die er dan weer uit gaat. Is er voor elke brug die nu risico loopt op dit moment voldoende capaciteit bij Rijkswaterstaat en voldoende geld om die aan te pakken? Dan heb ik het niet over structureel geld op de lange termijn, maar echt over de vraag of er nu hands-on geld en capaciteit beschikbaar zijn om alles te doen. Wanneer is het een brug te ver voor de minister? Wanneer komt hij over de brug?
Minister Karremans:
Nou, daar ben ik mee begonnen; ik loop vanaf moment één over de brug. En ik ben er bijna, zou ik tegen de heer Grinwis willen zeggen. We moeten alleen wel met elkaar een aantal keuze maken en ik geef de Kamer wel mee dat dat dus ook pijnlijke keuzes zullen zijn. Het geld komt helaas ook bij IenW niet uit de hemel vallen, dus we zullen daar keuzes in moeten maken. Als het gaat om de korte termijn, heeft Rijkswaterstaat altijd de capaciteit en de middelen om acute onveilige situaties op te lossen, maar op de lange termijn … Dat heb ik ook al gezegd: de Haringvlietbrug heeft nog €0 dekking. We zullen daar dus keuzes voor moeten maken, terwijl dat een brug is die op dit moment ongeveer 24/7 bij elkaar gelast wordt door Hollandia. Dat kunnen we dus ook niet voor altijd zo laten voortbestaan. Maar dat gesprek gaan we nog met elkaar voeren.
De heer De Hoop (PRO):
Als de heer Karremans niet oppast, wordt hij zo meteen nog de minister van instortingsgevaar en wegafsluiting. Dat is niet de bedoeling, volgens mij, maar daar begint het wel een beetje op te lijken. Er gaat namelijk bijna geen week meer voorbij zonder dat we nieuwsberichten zien van wegen die afgesloten worden en bruggen waar grote problemen zijn. Ik vind eigenlijk dat de Kamer daar beter over geïnformeerd moet worden en dat we dat niet elke keer in het nieuws moeten lezen. Ik zou de minister dus willen verzoeken een maandelijkse rapportage met de Kamer te delen waarin Rijkswaterstaat schetst waar grote problemen zijn met betrekking tot wegafsluitingen of veiligheid, zodat we dat niet meer telkens in het nieuws hoeven te lezen.
Minister Karremans:
Ik respecteer natuurlijk altijd de informatievraag. Alleen, als ik heel eerlijk ben, denk ik dat méér rapporten hier het probleem niet gaan oplossen. Dezelfde mensen die die rapporten moeten schrijven, moeten ook die problemen oplossen. Ik zou dus juist willen aanbevelen om die mensen aan het werk te houden: handen uit de mouwen voor het verbeteren en het vernieuwen van onze bruggen in plaats van het tikken van meer rapporten.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van het mondelinge vragenuur. Ik schors de vergadering voor een enkel ogenblik. Daarna zullen we aanvangen met de herdenking naar aanleiding van het overlijden van koning Harald V van Noorwegen. De vergadering is voor een enkel ogenblik geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Herdenking naar aanleiding van het overlijden van koning Harald V van Noorwegen
Herdenking naar aanleiding van het overlijden van koning Harald V van Noorwegen
Aan de orde is de herdenking naar aanleiding van het overlijden van koning Harald V van Noorwegen.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de herdenking van Zijne Majesteit Koning Harald V van Noorwegen. Ik heet de Kamerleden welkom, het publiek op de tribune en de mensen die online meekijken. Een bijzonder warm welkom aan de heer Erling Rimestad, ambassadeur van Noorwegen in Nederland. Ik verzoek u allen, voor zover dat mogelijk is, om te gaan staan.
Vandaag herdenken wij koning Harald V van Noorwegen. Harald was 3 jaar oud toen Duitse troepen in april 1940 Noorwegen binnenvielen. Samen met zijn moeder en zijn twee zussen moest hij zijn land verlaten, eerst naar Zweden, daarna naar de Verenigde Staten. Zijn vader, kroonprins Olaf, en zijn grootvader, koning Haakon VII, verbleven tijdens de oorlog in Groot-Brittannië. Pas na de bevrijding, vijf jaar later, keerde het gezin terug naar Noorwegen. Het jongetje dat zijn land in oorlogstijd had moeten verlaten, zou later meer dan drie decennia koning van datzelfde land zijn. Op 17 januari 1991 volgde Harald zijn vader op als koning. Hij koos daarbij hetzelfde devies als zijn vader en zijn grootvader: alt for Norge; alles voor Noorwegen.
Maar het Noorwegen waarvan koning Harald koning werd, veranderde. Harald veranderde mee. Dat werd misschien nergens zo zichtbaar als in 2016, het jaar waarin hij 25 jaar koning was. Harald en Sonja nodigden 1.500 mensen uit het hele land uit in de paleistuin in Oslo. De koning keek naar zijn gasten en vertelde wie volgens hem samen Noorwegen vormden. Het waren mensen uit alle delen van het land, met verschillende achtergronden, geloven en religies. Zijn boodschap was eenvoudig: Noorwegen, dat zijn jullie; Noorwegen, dat zijn wij.
Dat vermogen om met zijn land mee te bewegen zonder zijn eigen rol uit het oog te verliezen, kenmerkte zijn koningschap, ook wanneer Noorwegen getroffen werd door groot verdriet. Op 22 juli 2011 werden in Oslo en op het eiland Utøya 77 mensen vermoord. Een paar dagen later stond koning Harald voor een land dat probeerde te bevatten wat er was gebeurd. Hij sprak over verdriet en over de leegte die zo veel families was aangedaan, maar ook over het Noorwegen dat daarna weer verder moest, over een samenleving waarin vrijheid sterker moest zijn dan angst. Op zulke momenten werd zichtbaar wat een koning in een constitutionele monarchie kan betekenen: niet degene die politieke antwoorden geeft, maar wel degene die er staat, die woorden probeert te vinden wanneer woorden tekortschieten en die een land eraan kan herinneren wat het juist op zo'n moment wil zijn.
Er was ook een andere Harald: een man die het liefst buiten was, die van de zee hield en vooral van zeilen. Hij vertegenwoordigde Noorwegen drie keer op de Olympische Spelen en droeg in 1964 in Tokyo de Noorse vlag tijdens de openingsceremonie. Later werd hij wereldkampioen zeilen. Ook toen hij allang koning was, bleef hij wedstrijden varen. Die liefde voor het water brengt hem misschien ook wel dichter bij ons, want Nederland en Noorwegen delen natuurlijk veel meer dan een voorliefde voor de zee. Onze landen zijn al lange tijd bondgenoten en handelspartners. We werken samen aan onze veiligheid, aan energie en op de Noordzee. We delen een sterke gehechtheid aan democratie en de internationale rechtsorde.
Tussen onze koningshuizen bestond daarnaast een heel persoonlijke band. Koning Harald en koningin Sonja bezochten Nederland, toenmalig koningin Beatrix was te gast in Noorwegen en ook koning Willem-Alexander en koningin Máxima werden er door Harald en Sonja ontvangen. Tijdens het staatsbezoek van ons koningspaar aan Noorwegen in 2021 sprak koning Harald met bijzondere warmte over die relatie, over Nederland, maar ook over zijn persoonlijke vriendschap met prinses Beatrix. Zelfs bij een officieel staatsbanket kon hij het niet laten om over voetbal te beginnen: over Nederlandse supporters die dachten dat Noorse supporters "Holland" riepen, terwijl ze eigenlijk "Haaland" riepen. Hij wenste Nederland veel succes met de volgende wedstrijd. Maar, voegde hij eraan toe, ook weer niet té veel succes. Het zegt misschien iets over de vanzelfsprekendheid die in de loop van vele jaren tussen onze landen en onze koningshuizen was ontstaan.
Na zijn overlijden schreven koning Willem-Alexander, koningin Máxima en prinses Beatrix over hun bijzondere vriendschap met Harald. Zij herinnerden zich hun gezamenlijke tochten door Oslo en verder naar het noorden. Zij schreven hoe dankbaar zij waren voor de manier waarop hij Nederland en de Nederlanders omarmde.
Geachte leden. Koning Harald werd geboren in 1937. Het Noorwegen van zijn jeugd bestaat niet meer. Hij zag zijn land bezet worden en bevrijd worden. Hij zag het veranderen, welvarender worden en veelkleuriger. Hij maakte momenten van groot nationaal geluk mee, maar stond ook naast zijn landgenoten wanneer zij rouwden. Het jongetje dat Noorwegen ooit noodgedwongen moest verlaten, werd een koning die zijn leven lang probeerde te dienen wat dat land geworden was.
Namens de Tweede Kamer wens ik het Noorse volk, koningin Sonja en alle andere nabestaanden van koning Harald V alle sterkte toe met dit verlies.
Ik geef het woord aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat namens het kabinet.
Minister Karremans:
Voorzitter, leden van de Kamer, ambassadeur en andere aanwezigen op de tribune. Vandaag herdenken wij Zijne Majesteit Koning Harald V van Noorwegen. Met het overlijden van koning Harald verliest Noorwegen een staatshoofd dat een bijzondere plaats heeft ingenomen in de Noorse harten. Ook in Nederland staan we met groot respect en medeleven stil bij dit verlies.
Koning Harald stond bekend als koning van het volk, benaderbaar en dicht bij de mensen. Zijn koningschap liet zien dat een moderne monarchie meer is dan traditie en ceremonie. Hij was als koning dienstbaar aan de samenleving en vertegenwoordigde de Noorse staat op een manier die menselijk, warm en toegankelijk was. Hij toonde dezelfde nuchterheid als liefhebber van de zee en van de zeilsport. Daarover zei hij zelf: "Een van de dingen die ik leuk vind aan zeilen, is dat het voor de wind niet uitmaakt wie je bent of wat je bent."
In zijn persoonlijke keuzes toonde koning Harald moed en overtuiging. Zijn huwelijk met zijn koningin Sonja, zonder adellijke of koninklijke afkomst, was in de jaren zestig in Noorwegen geen vanzelfsprekende keuze. Toch koos hij voor de liefde en voor de overtuiging dat persoonlijke verbinding zwaarder weegt dan een oude gewoonte. Daarmee gaf hij een moderne invulling aan de monarchie.
Namens de regering spreek ik ons diepe medeleven uit aan de Noorse koninklijke familie, aan de Noorse regering en aan het Noorse volk. Wij delen in hun verdriet. We spreken daarnaast onze grote waardering uit voor de zorgzaamheid waarmee koning Harald zich heeft ingezet voor zijn land, voor zijn volk en voor de verbondenheid tussen Noorwegen en Nederland. Hij leeft voort in de herinnering van de vele mensen die hij heeft geraakt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Mag ik u nu verzoeken om een moment van stilte?
(De aanwezigen nemen enkele ogenblikken stilte in acht.)
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan is er nu gelegenheid voor condoleances in het Ledenrestaurant. Ik schors de vergadering een enkel ogenblik.
De vergadering wordt van 15.18 uur tot 15.25 uur geschorst.