Plenair verslag
Tweede Kamer, 88e vergadering
Dinsdag 30 juni 2026
-
Begin14:00 uur
-
Sluiting0:00 uur
-
StatusOngecorrigeerd
Opening
Voorzitter: Van Campen
Aanwezig zijn leden der Kamer, te weten:
De voorzitter:
Ik open de vergadering van dinsdag 30 juni 2026.
Vragenuur
Vragenuur
Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 12.3 van het Reglement van Orde.
Vragen Westerveld
Vragen van het lid Westerveld aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over het bericht dat zorglocaties van ExpertCare voor ernstig zieke kinderen uiterlijk woensdag dicht moeten.
De voorzitter:
Aan de orde is het mondelinge vragenuur. Ik geef daarvoor het woord aan mevrouw Westerveld voor haar vragen namens de fractie van PRO aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, die ik van harte welkom heet in het parlement. Het woord is aan mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Dank u wel, voorzitter. De laatste maanden hebben wij vrijwel dagelijks contact met Marcel, Jonas en zoveel andere ouders van kinderen die ernstig ziek zijn of een ernstige beperking hebben. Op 27 januari stortte hun wereld in. Samen met de ouders van ongeveer 80 kinderen hoorden zij toen dat de locaties van Villa ExpertCare twee maanden later zouden sluiten. Deze locaties zijn onmisbaar voor deze gezinnen. Hun kinderen kunnen daar terecht voor specialistische medische zorg, maar die locaties zijn ook broodnodig voor ouders om even op adem te komen. Dat is soms hard nodig als je beseft dat een aantal van deze ouders er 's nachts soms wel tien keer uit moeten om te checken hoe het met hun kind gaat en dat een keer door de wekker heen slapen fataal kan zijn voor hun kind. Geen wonder dat deze ouders al maanden radeloos zijn. Op 5 maart beloofde de minister dat de locaties open zouden blijven, in ieder geval totdat er een passende oplossing zou zijn voor alle kinderen. Maar eind vorige week bleek dat het nachtmerriescenario waar ouders al zo lang voor waarschuwden, uitkwam. Door personeelsverloop kan de kwaliteit namelijk niet geborgd worden en oordeelde de inspectie dat twee van die locaties morgen moeten sluiten, morgen al. De directie van ExpertCare en hun buitenlandse eigenaar, miljoenenbedrijf B. Braun, lijken hier bewust op aangestuurd te hebben.
Mijn belangrijkste vragen aan de minister zijn: Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat zij haar belofte gestand doet en er vóór morgen een passende oplossing komt voor alle kinderen? Hoe heeft dit zover kunnen komen? Niet alleen de ouders, maar ook wij, als hele Kamer, hebben hier in diverse Kamerdebatten al verschillende keren voor gewaarschuwd. Hoe staat het met de zorgplicht, nu bedrijven die gericht zijn op winst hier duidelijk lak aan hebben en er de afgelopen maanden een heel overlegcircus is opgetuigd, maar ook de minister niet heeft kunnen ingrijpen, terwijl hier kinderlevens op het spel staan? Wat is die wettelijke zorgplicht dan waard?
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Sterk:
Laat ik beginnen met te zeggen dat ik het verschrikkelijk vind. De afgelopen week heb ik tijdens de commissievergadering ook al gezegd dat wij hier nu staan met elkaar en moeten constateren dat datgene is gebeurd wat we hadden gehoopt te kunnen voorkomen. Dat is natuurlijk verschrikkelijk, in de eerste plaats voor die kinderen en hun ouders, die in langdurige onzekerheid blijven. Het is ook triest om te moeten constateren dat de belofte die het bestuur van VEC heeft gedaan, dat de locaties zouden openblijven totdat er een passende voorziening zou zijn voor deze kinderen, tot op heden nog steeds niet is nagekomen. Dat is de belofte die ik heb herhaald, maar het is niet een belofte van mij geweest. Het is een belofte waar we afspraken over hadden gemaakt met VEC en waaraan ik hen vanaf het begin constant heb gehouden.
We hebben hier met man en macht aan gewerkt met alle partijen die in het systeem daarin een rol hebben. Het gaat dus over de zorgkantoren en de zorgverzekeraars. Die zijn samen met de zorgaanbieder Project Herberg begonnen, om te zorgen dat de bemiddeling sneller zou gaan. De inspectie heeft vanaf het begin goed meegekeken en heeft nu dus helaas moeten constateren dat, ondanks alle acties, de patiëntveiligheid niet meer te garanderen is en dat VEC inderdaad voor 1 juli moet zorgen dat de kinderen een andere passende plek hebben. De NZa heeft natuurlijk ook steeds goed meegekeken naar de zorgplicht die ligt bij de zorgverzekeraars en de zorgkantoren. Zoals u zelf misschien ook hebt gezien, is de aanwijzing die is gegeven door de IGJ inmiddels openbaar. Na 13.00 uur is die openbaar geworden. Daarin kunt u precies lezen op welke punten de inspectie constateert dat de zaak niet op orde is. Dat gaat ook over de manier waarop het bestuur van VEC heeft opgetreden gedurende deze periode.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik hoor de minister verwijzen naar het bestuur van Villa ExpertCare. Ik hoor haar ook zeggen: "We hebben moeten constateren dat …" Met alle respect, maar dit klinkt mij veel te passief, want het gaat hier letterlijk over de levens van kinderen. Dat zijn kinderen met een ernstige meervoudige beperking en kinderen die ernstig ziek zijn. Sommige kinderen krijgen daar zelfs palliatieve zorg. Dan zou het toch ook aan onze minister moeten zijn, als stelselverantwoordelijke, om te kunnen ingrijpen? Daar gaat het over. Daar gaat mijn vraag over de zorgplicht ook over. Er is een wettelijke zorgplicht. Hoe kan het dan dat een buitenlandse eigenaar van een bedrijf dat is gericht op winst maken kennelijk lak heeft aan kinderlevens, maar wij niet in staat zijn en de minister niet in staat is om de wettelijke zorgplicht te handhaven? Daar heb ik nog een vraag over.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld is nog aan het woord.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik heb nog een vraag. Een van mijn andere vragen was hoe de minister gaat zorgen voor een oplossing voor deze kinderen. Morgen gaan twee van de locaties sluiten. Wij weten dat er voor een aantal kinderen nog geen oplossing is. De minister zegt terecht dat de ouders radeloos zijn. Wat is dan de oplossing? Ik heb de minister horen beamen dat die locaties pas dichtgaan op het moment dat er een passende oplossing is voor alle kinderen.
Minister Sterk:
Ik wil opnieuw zeggen dat het een verschrikkelijke situatie is waarin we hier zitten. Bij alles wat ik zeg, staat voorop dat onze grootste zorg op dit moment is dat de kinderen een goede plek krijgen. Dat is niet alleen mijn eerste, maar ook mijn tweede en ook mijn derde prioriteit op dit moment. Vanaf het moment dat ik minister ben, heb ik mij constant hiermee bemoeid. Ik heb u als Kamer ook constant meegenomen in elke stap, tot en met zelfs vorige week nog een vertrouwelijke brief over de aanwijzing van de IGJ. Ik wil hier dus niet het beeld laten ontstaan dat ik nu pas in actie kom. Ik heb er volgens mij alles aan gedaan wat past bij de rol die ik heb in het systeem om ervoor te zorgen dat we aan een oplossing komen. Ik heb ook meermalen gesproken met de cliëntenraad. Ik heb op een gegeven moment mensen bij mij op kantoor gehad. Ik heb vorige week nog een onafhankelijke intermediair ingesteld. Volgens mij heb ik geprobeerd, met man en macht, met alle partijen in het systeem, om ervoor te zorgen dat het niet zover zou hoeven komen. Maar uiteindelijk is VEC degene die de plicht heeft om deze kinderen een plek te bieden, samen met de zorgkantoren en de zorgverzekeraars.
Dan uw vraag hoe het zit met de wettelijke zorgplicht. Ik wil de zaak waarmee we nu te maken hebben heel graag evalueren als dit allemaal voorbij is, want nu moet alles erop gericht zijn dat de kinderen een plek krijgen. Maar inderdaad, ik denk dat het goed is dat we kijken wat we hiervan kunnen leren en ook hoe het stelsel werkt. Twee. Op dit moment is de aanwijzing van de inspectie dat het bestuur voor 1 juli ervoor moet zorgen dat er een plek is. Als het dat niet doet, kan de inspectie maatregelen treffen in de vorm van een bestuurlijke boete of bestuursdwang. Mocht dat allemaal niet lukken, dan ligt er vanaf april wel voor elk kind een noodscenario klaar dat in samenspraak met de ouders is gemaakt. Dat is natuurlijk geen ideale oplossing. Daarom zitten we er ook zo op te drukken dat er een oplossing moet komen vanuit VEC. Maar mocht dat niet lukken, dan ligt er een noodscenario klaar voor deze kinderen.
Als ik dan nog even naar de toekomst mag kijken, denk ik dat we ook met elkaar moeten constateren dat er op dit moment een probleem ligt rondom dit type kindzorg in Nederland. Ik wil de zorgverzekeraars er dan ook toe oproepen — dat heb ik ook gedaan — om niet alleen te kijken binnen de instellingszorg die we nu hebben, maar om ook daarbuiten te gaan zoeken naar oplossingen die ruimte bieden voor de hoogspecialistische kindzorg waarover het hier gaat.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Het klopt dat de minister samen met de ambtenaren al maanden hiermee bezig is, waarvoor dank. Ik weet dat ze er ontzettend druk mee is, maar dat is ook meteen het probleem. Er is een heel overleg opgetuigd waar de minister druk mee is, maar waarmee ook de inspectie, de NZa, de zorgverzekeraars, de zorgkantoren, verschillende advocaten, verschillende zorgbedrijven en de cliëntenraad druk zijn, terwijl niemand ingrijpt. Dat is volgens mij de kern van het probleem. Dan is mijn vraag aan de minister hoe zij als stelselverantwoordelijke de verantwoordelijkheid gaat pakken voor deze kinderen en deze gezinnen. Hoe gaat zij, samen met alle partijen die ik net noemde, ervoor zorgen dat dit in de toekomst niet meer gebeurt? Het mag toch niet zo zijn dat grote bedrijven met soms buitenlandse eigenaren uiteindelijk verantwoordelijk zijn voor de zorg voor deze kinderen, die tot de meest kwetsbare kinderen in Nederland behoren?
Minister Sterk:
Maar er wordt al ingegrepen op dit moment. Dat is ook de rol die de inspectie te spelen heeft. Zo hebben we dat hier ook geregeld met elkaar. De inspectie ziet al vanaf het begin toe op de veiligheid van deze kinderen en op de kwaliteit van de zorg. In die zin wordt er dus ingegrepen. Voor als er inderdaad geen passende oplossing voor deze kinderen komt vanuit VEC, hebben we noodscenario's klaarliggen, dus dat ligt er allemaal. En ja, ik vind ook wat van wat er hier is gebeurd, hoe het bestuur acteert en hoe de buitenlandse investeerder hierbij optreedt; dat heb ik ook al eerder gezegd. Ik vind ook dat we dat met elkaar moeten gaan evalueren, maar wel nadat we hebben gezorgd dat er rust komt en dat er een oplossing komt voor deze kinderen. Daarvoor staat alles nu wat mij betreft op scherp. De inspectie kijkt daar nu echt heel dik op toe, samen met de zorgverzekeraars en de NZa. Ik kijk natuurlijk ook mee, maar wel vanuit mijn rol in het stelsel.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik heb een vraag aan de minister. Donderdag staat er ook een debat over dit onderwerp gepland. Wat heeft de minister van de Kamer nodig? Wat kan de Kamer donderdag bijdragen om nog iets te veranderen of beter te maken, anders dan wat er vandaag besproken wordt?
Minister Sterk:
Dat vind ik op zich een heel mooie vraag. Ik denk dat wij met de Kamer — zo heb ik het in ieder geval steeds ervaren — geprobeerd hebben om samen op te trekken, omdat wij allemaal vinden dat dit eigenlijk niet zou moeten kunnen. Op dit moment denk ik dat de Kamer niet zo veel anders kan dan hier steeds aandacht voor blijven vragen, en terecht. Maar ik denk dat we op den duur wel met elkaar het gesprek aan moeten gaan over wat hier nu precies gebeurd is en welke lessen we hieruit kunnen trekken, om te kijken of we dat in de toekomst kunnen voorkomen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik vind het echt ongelofelijk pijnlijk dat we hier nu staan, na al de debatten die we hier met elkaar over hebben gevoerd. Er is een multinational, B. Braun, die die zorglocaties overneemt. Die zet vervolgens het vastgoed in een aparte bv en zegt dan: we willen van de zorg af. Wij hebben na het besluit van B. Braun om deze zorg af te schaffen tegen deze minister gezegd: pas op en grijp in, want het personeel gaat weglopen, de zorg komt onder druk te staan en die locaties zullen gaan sluiten; er zijn geen andere plekken.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Dobbe (SP):
Deze minister zei telkens: nee, we laten de partijen hun werk doen, we kunnen niet ingrijpen en de inspectie kan niet ingrijpen. En nu gaan die locaties dicht, dus de minister mag hier uitleggen wie hier nu gefaald heeft.
Minister Sterk:
Ik wil de Kamer er toch ook graag aan herinneren dat ik op een gegeven moment het bestuur bij mij heb geroepen en heb gezegd: ik wil niet dat voor 31 december de contracten worden beëindigd, en daarvoor wil ik het bestuur in zijn rol zetten. Ik hoop dat u zich dat ook nog herinnert. Dat was juist om ruimte te bieden door te zorgen dat de locaties inderdaad open zouden kunnen blijven totdat er goede zorg zou zijn. Ik kan er niks aan doen dat die zorgaanbieder ging stoppen; dat mag in dit land. Alleen, de continuïteit van zorg is altijd mijn focus geweest. Daarom heb ik ook de afspraak met VEC gemaakt om niet dicht te gaan voordat de kinderen een plek hebben en dat de contracten opengebroken zouden worden, zodat mensen tot het einde van dit jaar nog in dienst zouden kunnen blijven. Volgens mij hebben we er dus met alle partijen alles aan gedaan om dit te voorkomen, maar de enige die hier echt aansprakelijk voor is, is het bestuur van VEC, dat tot op dit moment niet in staat is gebleken om de kwaliteit en patiëntveiligheid goed te borgen totdat de locaties zouden gaan sluiten.
De voorzitter:
Mevrouw Dobbe, kort en bondig.
Mevrouw Dobbe (SP):
De minister lijkt wel een toeschouwer bij wat zich hier nu allemaal afspeelt. Dat is ze natuurlijk niet. Deze minister is stelselverantwoordelijk. We hebben hiervoor gewaarschuwd. We hebben gezegd: dat personeel gaat weg, dat gaat lopen. We hebben gezegd: er zijn geen andere plekken voor die kinderen. De minister kan nu wel verwijzen naar noodscenario's, maar wat dan? Die plekken zijn er namelijk niet. De minister draait er wel omheen. Wie is hier nu verantwoordelijk? Dat is uiteindelijk wel de minister. De minister had kunnen ingrijpen. Dat had ze kunnen doen via de inspectie. Dat had ze ook zelf kunnen doen, maar dat heeft ze niet gedaan. Daar wil ik wel een antwoord op.
Minister Sterk:
Ik heb toch bezwaar tegen het beeld dat hier wordt geschetst, alsof er niets is gebeurd. Ik heb net voor u genoemd wat wij allemaal hebben gedaan. Laten we ook niet vergeten dat de helft van de kinderen inmiddels een passende plek heeft. De helft van de kinderen zit dus al op een plek die past bij de zorg die ze nodig hebben, waar ouders mee akkoord zijn gegaan. Dat betekent ook dat de andere helft van de kinderen die plek niet heeft. Daar is alle zorg nu ook op gericht, en nu heel specifiek op de twee locaties op basis waarvan de IGJ die aanwijzing gegeven. Wij doen er alles aan — dat is ook hoe het stelsel werkt — om te zorgen dat dat op een goede manier gebeurt. De zorgplicht ligt zowel bij Villa ExpertCare alsook bij de zorgverzekeraars en de zorgkantoren. Die moeten dat waarmaken. Voor als dat niet lukt, hebben we de noodsituaties klaarliggen. Dat is hoe we dit stelsel laten werken. Ik ben de eerste om te erkennen dat dit inderdaad voor ouders heel veel onzekerheid en frustratie geeft. Ik had het ook anders gewild, maar dit is wel de situatie waar we vandaag in zitten.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
De inspectie gaat nu handhaven, maar het effect daarvan komt vooral terecht bij ouders en kinderen. Dat willen we natuurlijk met z'n allen niet, omdat we Kamerbreed, denk ik, gewoon echt heel graag zo snel mogelijk een oplossing voor deze kinderen willen. Mijn vraag gaat eigenlijk over het volgende. Het CDA vindt dat ook die zorgaanbieder gewoon echt aan de verplichtingen en verantwoordelijkheden moet worden gehouden. Je hebt ook gewoon een maatschappelijke verantwoordelijkheid.
De voorzitter:
Uw vraag.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Zo ga je niet om met zulke kwetsbare kinderen. Mijn vraag is eigenlijk de volgende. Zorgverzekeraars en VEC proberen nu binnen het huidige systeem tot oplossingen te komen. Als dat niet lukt, is er dan ook ruimte om tot alternatieve oplossingen te komen zodat in ieder geval de zorg voor die kinderen, al dan niet tijdelijk, op een goede manier door kan gaan?
Minister Sterk:
Ik zie inderdaad dat ze het op dit moment vooral binnen het systeem doen. Zoals ik net al zei, zou mijn oproep aan zorgverzekeraars en zorgkantoren echt zijn om ook buiten het systeem te gaan zoeken naar plekken voor deze kinderen. We moeten namelijk, denk ik, constateren dat het ongelofelijk ingewikkeld is om op dit moment die passende voorzieningen te vinden.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Op 2 april beloofde de minister hier in de Kamer dat zij zou gaan opschalen op het moment dat de continuïteit van zorg niet gegarandeerd zou zijn. Dat is nu het geval. Morgen hebben vijftien kinderen gewoon geen plek meer en zeker geen passende plek. Ik zou dus heel graag van de minister willen weten wat zij tussen vandaag en morgenvroeg precies gaat doen. Ik zou heel graag willen weten … Ik zou in ieder geval heel concreet een antwoord willen op de volgende vraag. Het kan niet zo zijn dat een noodoplossing, waar de minister nu naar verwijst, inhoudt dat ouders urenlang moeten gaan reizen met zeer zorgintensieve kinderen of dat ouders misschien wel minder moeten gaan werken omdat dat de enige oplossing is die nu voorhanden is. Dat is niet passend.
Minister Sterk:
Op de eerste vragen van mevrouw Maeijer: die kinderen hebben wel een plek. Ook na 1 juli hebben die kinderen nog steeds een plek, omdat continuïteit van zorg vooropstaat. Alleen als het bestuur het niet lukt om voor 1 juli de kinderen op een andere plek te plaatsen, zal dat betekenen dat er andere middelen gaan worden ingezet door de inspectie. Dat heb ik net benoemd. Dat kan een bestuursdwang zijn of dat kan ook een bestuurlijke boete zijn. Twee. Die plekken die er zijn en die er ook zouden kunnen komen in het noodscenario, zouden op een andere locatie kunnen zijn, maar soms ook thuis met ondersteuning. Nogmaals, de kwaliteit van de zorg staat namelijk voorop. Dat is nog steeds geen ideale situatie; dat besef ik ook. Daarom is het van belang dat we ook naar structurele oplossingen gaan kijken. Daar wordt op dit moment heel hard aan gewerkt in het project Herberg waarbij ook met voorrang gekeken wordt naar de kinderen die in deze twee locaties zitten.
Mevrouw Wendel (VVD):
De huidige situatie is verschrikkelijk voor de kinderen en natuurlijk ook voor hun ouders. Dat zijn ouders die echt met hart en ziel, met alles wat ze in zich hebben, voor deze kinderen zorgen. Maar ze hebben af en toe even een beetje rust nodig om bij te komen, om vervolgens weer met alles wat ze in zich hebben voor die kinderen te kunnen zorgen. Mijn vraag is of het letterlijk gevaarlijk kan zijn voor deze kinderen wanneer er steeds meer van deze ouders wordt gevraagd. Want als ouders oververmoeid raken, is een foutje veel sneller gemaakt. Mijn vraag is dus concreet wat de minister nu voor de ouders doet om ervoor te zorgen dat zij dit ook volhouden. Ik maak me daar echt zorgen over
Minister Sterk:
Ik begrijp het. Ik maak me daar soms ook zorgen over. Ik spreek natuurlijk geregeld met de cliëntenraad en ik merk gewoon dat deze hele situatie voor hen enorm veel stress geeft. Dat gaat het vaak ook nog over hun eigen kinderen. Maar dat is ook iets waar … Kijk, de oplossingen worden altijd gezocht in samenspraak met de ouders. Om dat proces echt goed te leiden — vorige week heb ik u ook verteld dat daar wat ruis over ontstond — hebben we een onafhankelijke intermediair aangesteld die daar op meekijkt. Het is echter vooral de rol van de zorgverzekeraar om er goed op toe te zien dat de ouders het inderdaad nog steeds kunnen dragen. Dat moet onderdeel zijn van de oplossing die voor deze kinderen wordt gezocht.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
De minister heeft de afgelopen weken gestreden voor wat ze waard is tegen een bedrijf dat het kennelijk niks kan schelen. Ik vind dat stuitend en het maakt me woest, want kwetsbare kinderen en hun ouders zijn daar de dupe van. Hoe voorkomt de minister nu dat dit bedrijf, omdat twee locaties nu gesloten zijn, dit ook als uitweg ziet voor de andere locaties?
Minister Sterk:
Dat vind ik een beetje een ingewikkelde vraag. Ik herken de gevoelens die Kamerlid Bikker uitspreekt. We weten natuurlijk wel dat deze zorgaanbieder gaat stoppen. Dat is geen nieuw feit. We wisten dat vanaf het begin. Wij hebben met alle partijen in het stelsel gewerkt aan het ervoor zorgen dat dat stoppen niet ten koste gaat van goede zorg voor deze kinderen. Daar zitten we nu en dat is mijn focus. Wat betreft de rol van investeerders bij deze zorgaanbieder: ik vind dat echt een gesprek dat we later zouden moeten gaan voeren, maar dat heb ik wel meermalen toegezegd.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Daar kijk ik ook naar uit, want dat is hard nodig. Ik vrees het volgende. Wij gaan hier telkens uit van mensen die goedschiks bezig zijn en ten goede handelen omdat ze de zorg voor die kinderen en die ouders nog belangrijker vinden dan de exacte datum waarop een deur sluit, omdat men een zorgplicht voelt. Maar de gebeurtenissen van de afgelopen weken — zelfs de inspectie moest ingrijpen, en dat doen ze niet zomaar — laten zien dat er ook kwaadschiks gehandeld kan worden of dat men het onvoldoende vasthoudt. Ik vraag dan aan de minister: wat heeft u in het koffertje om dit bedrijf schrik aan te jagen en om ervoor te zorgen dat we niet straks in een of andere spoedvergadering opnieuw bijeen zijn omdat het bedrijf opnieuw kwaadschiks handelt? Kan de minister daar duidelijkheid over geven?
Minister Sterk:
U vraagt eigenlijk hoe we er nou voor kunnen zorgen dat deze ondernemers verantwoord ondernemen. U zegt eigenlijk dat dat op dit moment niet gebeurt. Aankomende week komt er een brief naar de Kamer over de Wet integere bedrijfsvoering zorgaanbieders. Dat is een brief die onder andere ingaat op het vraagstuk: hoe kunnen we er nou voor zorgen dat de private equity en zo, die in deze zorg soms ook rondgaat, wel op zo'n manier plaatsvindt dat die ten goede komt aan de zorg van de kinderen, en niet aan de portemonnee van de investeerders?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Het is natuurlijk verschrikkelijk voor de kinderen en hun gezinnen. Het is goed om te horen dat — dat hebben we ook gelezen — voor de helft van deze kinderen een passend alternatief is gevonden. Ik maak me wel echt zorgen om de andere helft. Ik kan me namelijk voorstellen dat die zorgvraag nog veel complexer is. In het vorige debat vroeg ik wanneer een alternatief passend is. Soms werd iets als passend gepresenteerd terwijl er nog een wachtlijst van drie tot vijf jaar is. Mijn vraag aan de minister is hoe zij borgt dat een passend alternatief passend is en niet pas na een aantal jaar komt, als er een plekje vrijkomt op de wachtlijst.
Minister Sterk:
Dat is nou juist ook waarom we het Project Herberg hebben opgericht. Daarin werken de zorgaanbieders samen met de zorgverzekeraars. Passend is dus datgene waarvan ook de ouders vinden dat dat passend is voor hun kind. Daarbij moet het voldoen aan de zorg die het kind nodig heeft. Dat is wat wij "passende zorg" noemen en dat is waar dit op is gericht. Om dat ook echt te versnellen — de aanwijzing van de inspectie zal daar overigens ook bij helpen — hebben we de onafhankelijke intermediair erbij gezet, die goed kan meekijken of dat inderdaad goed genoeg gebeurt, want we kregen ruis, bijvoorbeeld over kinderen die wel of niet bemiddeld zouden zijn.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
De minister heeft mij in ieder geval voor een deel gerustgesteld. Ze zegt namelijk dat we gaan kijken of binnen de Wibz — laat ik het als volgt zeggen — de slechten in de zorg uit de mand gaan. Ik vroeg ook of zij nog iets kan zeggen over het maatwerk dat zij kan bieden voor deze ouders.
Minister Sterk:
Ik kan geen maatwerk bieden vanuit de rol die ik heb in het stelsel. Maatwerk moet geboden worden vanuit de zorgverzekeraars, nogmaals, in samenspraak met de zorgaanbieder. Die moeten gaan kijken wat een kind nodig heeft en waar dat geboden zou kunnen worden. Kan dat in een andere instelling of misschien tijdelijk met ondersteuning thuis? Maar het moet wel met instemming van de ouders zijn. Dat is maatwerk en dat is waarom ik die onafhankelijke intermediair erbij heb gezet. Er moet goed op meegekeken worden, want vorige week bleek dat er ruis over was. Het bestuur zei dat dat voor een heleboel al geregeld was, terwijl de cliëntenraad zei zich daar niet in te herkennen. De zorgverzekeraars hebben ook hun rol te spelen. Ik vind het wat betreft maatwerk ook belangrijk dat men niet alleen gaat zoeken binnen de instellingen die we nu hebben, maar ook gaat kijken buiten de instellingen. Het volgende is misschien ook een vraagstuk voor op de langere termijn. Blijkbaar is de zorg in Nederland zo kwetsbaar dat als één zorgaanbieder dreigt te stoppen, we inderdaad een heel groot probleem hebben.
Mevrouw Westerveld (PRO):
De minister heeft het nu een aantal keer gehad over die noodplannen, alsof die een oplossing zouden zijn voor ieder kind. Mijn vraag aan haar is: wat is de bron waaruit blijkt dat dit een passende oplossing is voor kinderen? Als de bron ExpertCare is, dan weet ik hoe ik het moet duiden. Vanochtend en gisteren spraken we nog met ouders die aangaven dat die noodplannen helemaal niet passend zijn, dat het inderdaad aan de andere kant van het land is of dat het personeel weg is. Zojuist kwam het IGJ-rapport, waaruit ook blijkt dat personeel weggaat. Waar haalt zij het idee vandaan dat het noodscenario voor ieder kind een passende plek zou bieden?
Minister Sterk:
Die noodscenario's zijn natuurlijk verre van ideaal; daarom zijn het ook noodscenario's. Je wilt eigenlijk gewoon dat VEC zich zodanig verantwoordelijk voelt dat er inderdaad een passende oplossing komt, in samenspraak met de zorgverzekeraars. Maar omdat je weet dat dat in die scenario's misschien op een gegeven moment niet meer het geval zal zijn, zijn er in april noodscenario's gemaakt. Dat moet ook. Dat hebben de zorgverzekeraars gedaan in samenspraak met de ouders om te kijken wat next best zou kunnen zijn, mocht het toch niet lukken. Je wil gewoon dat de zorg voor deze kinderen niet in gevaar komt. Dat is wat voor mij het allerbelangrijkste is op dit moment. De zorg voor deze kinderen en de veiligheid van deze kinderen staat bovenaan en daarom liggen nu de noodscenario's klaar. Ik had gehoopt die niet te hoeven gebruiken, althans dat de zorgkantoren die niet zouden hoeven gebruiken, want dat doe ik zelf niet. Het is nu even de vraag of die gebruikt gaan worden. Het is nu vooral zo dat er druk op het bestuur wordt gezet om te zorgen dat er een oplossing komt voor deze kinderen, eventueel met bestuursdwang of een bestuurlijke boete.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor haar aanwezigheid in de Kamer.
Vragen Van den Berg
Vragen van het lid Van den Berg aan de staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei over het bericht "Elektriciteitsnet in Brabant gaat vanaf 1 juli tijdelijk op slot".
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Van den Berg als volgende vragensteller. Dat doet hij namens de fractie van JA21 aan de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, die ik eveneens van harte welkom heet in de Kamer. Het woord is aan de heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Voorzitter, dank u wel. Klopt het dat netcongestie het gevolg is van een ondoordachte elektrificatiestrategie waarbij de vraag naar stroom en de instabiele productie van elektriciteit door zon en wind veel sneller is opgevoerd dan het net aankan? Dat is mijn vraag aan de staatssecretaris.
De voorzitter:
Kort en bondig. Het woord is aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris De Bat:
Daar zou ik ook heel kort antwoord op kunnen geven, namelijk: nee.
De heer Van den Berg (JA21):
Die had ik wel verwacht. Maar het klopt toch dat zon en wind de problemen op het net ook hebben veroorzaakt?
Staatssecretaris De Bat:
De oorzaken van netcongestie liggen een heel stuk ingewikkelder en breder. Je zou zelfs terug kunnen gaan naar hoe Nederland de energievoorziening heeft opgebouwd met een gasinfrastructuur en daardoor een wat mindere elektriciteitsinfrastructuur. Vervolgens hebben we het altijd uitgelegd als "zo efficiënt mogelijk", waardoor er nooit heel veel ruimte is gekomen op het net. We wilde juist die ruimte heel beperkt houden in het kader van kostenefficiëntie. Daarna hebben we gezien dat er geëlektrificeerd is. Mensen gingen steeds meer elektrische apparaten gebruiken. Dat deden we op de momenten dat we dat ook het liefst allemaal tegelijk doen. Daardoor ontstaan er pieken. Vanzelfsprekend is er heel veel flexibele opwek — daarover ging uw vraag ook — en die zorgt ook voor pieken. Dat geheel aan samenspel van factoren maakt dat netcongestie bestaat.
De heer Van den Berg (JA21):
Wil de staatssecretaris in ieder geval bevestigen dat zon en wind wel deel zijn van de problemen met netcongestie?
Staatssecretaris De Bat:
Ik heb net geschetst dat er meerdere oorzaken zijn, waarvan de toename van flexibele opwek inderdaad ook een oorzaak kan zijn op de plekken waar dat zo is. Ook dat moeten we erkennen; het netwerk bestaat niet alleen uit één geheel netwerk voor Nederland — ook wel — maar vooral ook uit heel veel lokale netwerken, waar je soms echt invoedingsproblematiek hebt.
De heer Van den Berg (JA21):
Deze vraag is natuurlijk heel belangrijk. Na Flevoland, Gelderland en Utrecht gaat nu in heel het land het stroomnetwerk op slot. Waar eerder grootverbruikers al geen zware of zwaardere aansluiting meer konden krijgen, gaan nu ook alle huishoudens en kleinverbruikers op een wachtlijst. Nieuwe woningen kunnen straks simpelweg niet worden aangesloten. Enexis zei daarover: er komt een periode van wachten voor iedereen. Dat is een buitengewoon zorgelijke boodschap, want dit raakt niet alleen bedrijven of grote industriële gebruikers; het raakt iedereen. Deze problematiek komt bovendien niet uit de lucht vallen. Toen ik zeven jaar geleden startte bij de Provinciale Staten waarschuwde ik al voor netcongestie. We hebben jarenlang ingezet op de elektrificatie van vrijwel alles: iedereen aan de elektrische auto's, warmtepompen, en kookplaten of inductie. Alsof dat nog niet zwaar genoeg was voor ons elektriciteitsnetwerk, hebben we het ook nog eens een keer overbelast met de instabiele opwek van zon en wind. Het is alsof je iedereen het spoor op jaagt, maar vervolgens geen extra treinen laat rijden, geen extra spoor aanlegt, en juist tijdens de spits de dienstregeling stillegt. Dan weet je dat het op een gegeven moment vastloopt. JA21 wil daarom van de staatssecretaris weten hoe het kabinet gaat voorkomen dat heel Nederland letterlijk op slot gaat.
Daarbij heb ik nog een vraag. Wat gaat de staatssecretaris concreet doen om te voorkomen dat woningbouwprojecten stilvallen doordat nieuwe woningen geen aansluiting kunnen krijgen?
Staatssecretaris De Bat:
Ook dit is een vraag die om een best wel gedetailleerd antwoord vraagt. In dit land zien we dat het op elke plek net anders is. Het artikel waar de heer Van den Berg eerder aan refereerde, gaat met name over Brabant. We hebben in de regio Gelderland, Flevoland en Utrecht gezien dat de nood daar het hoogst werd. Daar hebben we een aanpak op gezet die alle vormen van crisis in zich had. We hebben in delen van dat gebied heel snel weer ruimte kunnen vinden. Daarbij moeten we ook erkennen dat het juist daar waar alleen woningbouw aan de orde is, moeilijker is om die flex te vinden.
Wat betreft oplossingsrichtingen hebben we gezocht naar mogelijkheden om netneutraal bouwen versneld mogelijk te maken, waardoor woonwijken sowieso aangesloten kunnen worden. En voor het gebied waarin over een aantal jaar een groter slot komt, is de aansluiting van woningen die op dit moment gepland zijn nog steeds mogelijk. Dat betekent dat je die woningen in ieder geval de komende drie jaar nog kunt aansluiten. Hetzelfde zal gelden voor andere gebieden waarin het krapper wordt. Daar werken we dus vol aan. Later vandaag zullen we nog een volgende brief over netcongestie sturen, waarin we een aantal van de stappen die we hebben gezet, zullen uitleggen.
De heer Van den Berg (JA21):
Het klopt toch wel dat die aansluitstop vanaf 1 juli 2026 tot 1 januari 2027 gaat gelden voor de kleinverbruikers? Dat stelt in ieder geval Netbeheer Nederland. Klopt die informatie dan niet?
Staatssecretaris De Bat:
Die klopt wel. Het bericht van de netbeheerder is wel een stuk gedetailleerder. Die doet ook de oproep om vooral zelf te kijken wat je kunt binnen je eigen aansluiting. Een heleboel kan ook nog; vaak kun je een interne verbouwing gewoon nog doen of een nieuwe keuken gewoon nog installeren, maar je moet dan wel even kijken welk soort aansluiting je nodig hebt. Het vraagt dus om iets meer nadenken aan de voorkant, maar als je dat nadenken goed doet, is er gelukkig ook nog wel wat mogelijk. Maar ja, het antwoord is ook: als je meer wilt, als je zwaarder wilt, dan heb je echt even na te denken. Die aansluitstop geldt echt alleen voor het deel Utrecht-Noord.
De heer Van den Berg (JA21):
Dat laat dus toch wel zien dat het niet alleen Brabant is, en ook niet alleen Utrecht, Flevoland en Gelderland; het geldt voor het hele land. Dan geven netbeheerders ook nog aan dat er tot 2040 270 miljard euro nodig is voor de uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook hoe hij die gaat betalen. De staatssecretaris sprak net over die kostenefficiëntie. Nog beter: wie gaat er uiteindelijk betalen voor deze rekening?
Staatssecretaris De Bat:
Nogmaals, de acute aansluitstop voor woningbouw vanaf 1 juli geldt alleen voor Utrecht-Noord. Voor de rest van het land zijn er nog heel veel meer mogelijkheden. Het is goed om dat te blijven benadrukken.
Twee. De heer Van den Berg wijst op het rapport-FIEN van de netbeheerders, waarin de totale doorkijk is gegeven van wat alle netuitbreiding vraagt aan kosten. Dat is een eerste aanzet; er moet nog heel goed bekeken worden wat daar effectief van waar wordt. Zoals de heer Van den Berg ook weet, worden de kosten van ons elektriciteitsnet omgeslagen over de gebruiker.
De heer Van den Berg (JA21):
Het is volgens mij wel zo dat die kosten linksom of rechtsom betaald moeten worden. Ik ken de netbeheerders als goede onderzoekers — volgens mij heeft PwC dit onderzoek gedaan — dus ik vraag nogmaals wie dit nou gaat betalen. Kan de staatssecretaris daarbij ook een inschatting geven van hoe groot de economische schade van die netcongestie, waarvan we allebei beamen dat die er is, volgens de staatssecretaris op dit moment nou precies is?
Staatssecretaris De Bat:
Netcongestie is een groot probleem. Daar hebben we dus ook heel veel aandacht voor. We bouwen sneller. Er komt ook wetgeving naar uw Kamer om sneller bouwen mogelijk te maken. We doen een oproep om het net veel flexibeler te gebruiken. Dat helpt ons allemaal. Gelukkig zien we daar ook hele goede voorbeelden van. Uiteindelijk zullen we het net, als we het uitbreiden, gezamenlijk moeten betalen. De vragen hoeveel het net uitgebreid moet worden en hoe groot het moet worden, zijn natuurlijk vragen van de toekomst. De doorrekening die is gedaan, zullen we ook heel scherp volgen. Uiteindelijk moet blijken of die klopt of niet. Als die klopt, zal dit via het omslagstelsel betaald worden door de gebruikers.
De heer Van den Berg (JA21):
Dank voor het antwoord. Dat is dan duidelijk. Uiteindelijk is het de taak van ons allemaal om de economische schade zo veel mogelijk te beperken. Op dit moment berekent de Boston Consultancy Group dat dit tussen de 10 en 40 miljard euro per jaar kost. Wat gaat de staatssecretaris concreet doen om die schade zo veel mogelijk te beperken, zodat ons verdienvermogen niet wordt aangetast?
Staatssecretaris De Bat:
Met heel hard werken en samen met alle partijen hebben we voor Flevoland, Gelderland en Utrecht een aantal oplossingen hebben kunnen bedenken. Ik ben nu ook bezig met zo'n zelfde aanpak voor de gebieden waarbij de nood daarna het hoogst is en waar hetzelfde dreigt te gebeuren, namelijk Brabant en Noord-Holland. Als het nodig is, doen we dat voor het hele land. Dat staat nog los van het feit dat we sneller bouwen — daar doen we alles aan — en ook allerlei maatregelen nemen ten aanzien van flexibeler gebruik van het net en het stimuleren van mensen om de piekmomenten te mijden, waardoor we met elkaar het net ook beter kunnen gebruiken.
De heer Van den Berg (JA21):
Dat laat dan zien wat ik al zei. Zeven jaar geleden agendeerde ik dit voor het eerst. Nu zijn we inderdaad op het punt waarop we in Noord-Holland wellicht naar een aansluitstop gaan. Dat is natuurlijk heel zorgelijk. Dat brengt me ook tot de volgende vraag. Als wij doorgaan met deze transitie op deze wijze, is dat dan niet een heilloze weg? Moeten we niet een rem zetten op die elektrificeringsplannen, zodat we dit niet nog erger maken?
Staatssecretaris De Bat:
Ik denk dat er genoeg redenen zijn om door te gaan met het steeds minder gebruiken en uiteindelijk afstappen van fossiele brandstoffen, omdat we daar ook een afhankelijkheid van hebben die ons niet verder brengt. Dat neemt niet weg dat ik het ermee eens ben dat we een grote opgave hebben. Ik doe ook niet anders dan dag na dag hard werken om die oplossingen ook te vinden.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik weet dat de staatssecretaris hier heel hard aan werkt, maar dan stel ik nogmaals de vraag: moeten we nu niet meer op de rem gaan trappen, zodat we Nederland niet helemaal op slot zetten? Anders is het zo meteen niet alleen Flevoland, Gelderland en Utrecht, maar gaat het hele land echt op slot.
Staatssecretaris De Bat:
De grootste vraag om dingen op te lossen komt van ondernemers, van woningbouwers, van mensen die huizen willen neerzetten. Ik denk dat het juist goed is om met die partijen verder te gaan. Als zij ons vragen om ervoor te zorgen dat er betere en meer aansluitingen komen, dan zijn wij zeer bereid om daar hard voor te werken en samen met hen oplossingen te verzinnen.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
De heer Van den Berg (JA21):
Afrondend. Wij blijven ons hier hard voor maken. Wij blijven ons ook zorgen maken om de industrie. Mijn laatste vraag is: hoe gaan we ervoor zorgen dat de netcongestie niet leidt tot boetes bij de industrie omdat ze het niet kunnen doormaken?
Staatssecretaris De Bat:
Dat is een terecht punt. In het kader van de totale verduurzaming moet je dat voortdurend in balans zien. Je kunt niet een straf opleggen, als je het zo zou willen noemen, terwijl iemand wel zou willen elektrificeren, maar dat niet kan. Dat zal dus ook niet gebeuren.
De heer Kops (PVV):
Het is een enorme puinhoop op ons elektriciteitsnet. De staatssecretaris draaide er een beetje omheen, maar het is nota bene erkend door de voorganger van de staatssecretaris — ze zit daarachter — dat dit wel degelijk voornamelijk komt door de uitrol van duurzame energie. U weet wel: die vreselijke windturbines en zonneparken. Op die manier gaan we zo langzamerhand van duurzame energie naar geen energie. Dat is natuurlijk onacceptabel. De vraag aan de staatssecretaris is natuurlijk waarom hij daar niets aan doet. Is de staatssecretaris ertoe bereid ons elektriciteitsnet te redden van de ondergang door gewoon te stoppen met de uitrol van duurzame energie? Is hij er ook toe bereid om nu, op dit moment, ons elektriciteitsnet te verlichten door op z'n minst die vreselijke windturbines gewoon stop te zetten?
Staatssecretaris De Bat:
Ik ken mijn voorganger als een genuanceerd mens. Ik geloof dus nooit dat zij heeft gezegd dat dit komt door alles wat er met flexibele opwek wordt gedaan. Ik heb net aan het begin van mijn antwoorden aan de heer Van den Berg geschetst dat er meerdere redenen zijn. Een van de redenen is inderdaad het toegenomen aanbod van flexibele opwek. Dat maakt dat je naar het geheel in balans moet kijken. Het komt ook voor dat flexibele opwek wordt uitgeschakeld om de pieken uit het net te halen. Dat gebeurt al. Tegelijkertijd zie je ook dat juist steeds meer bedrijven en organisaties zelf oplossingen vinden, bijvoorbeeld door te werken met een opslag ertussen, waardoor ze het geheel kunnen benutten. Volgens mij is dat de route naar een echte oplossing.
De heer Köse (D66):
Het energienet is de snelweg voor de energietransitie. We zien dat er nu een flinke file op staat. Dat kost ons 10 tot 40 miljard per jaar; een vraag hierover werd net al gesteld. Dat komt omdat we straks misschien niet meer kunnen bouwen, we bedrijven niet kunnen laten groeien op een duurzame manier en energieprojecten niet van de grond komen. Ik kom nu op de vraag, voorzitter. Mijn collega heeft al een motie ingediend over de crisiswet netcongestie.
De voorzitter:
En de vraag?
De heer Köse (D66):
Mijn vraag is: wanneer komt die er?
Staatssecretaris De Bat:
Daar hebben we drie weken geleden, denk ik, een heel debat over gehad. Ik heb geschetst dat er nog voor de zomer een aantal wetgevingsprogramma's naar de Kamer komt en we in het kader van de versnelling richting het eind van het jaar met een breder pakket komen om te versnellen. Het allerbelangrijkste is sneller bouwen. Wat dat betreft zitten er nu al een aantal zaken in de pijplijn. Een ander punt is dat het Grids Package vanuit Europa eraan komt. Dat helpt om stikstof op een andere manier te wegen bij het aanvragen van vergunningen. Daarmee versnellen we al. We doen er alles aan om nog meer wetgeving aan te passen en ook om zaken binnen bestaande wetgeving te gedogen, om dingen echt mogelijk te maken.
Mevrouw Müller (VVD):
De staatssecretaris weet dat de VVD zich hier grote zorgen over maakt en dat we verwachten dat het wetgevingspakket snel richting de Kamer komt. Wat betreft het flexibeler inzetten van het net weten we dat regionale netbeheerders in de FGU-regio onlangs hebben aangekondigd dat mensen een bonus kunnen krijgen zodra zij niet tijdens de piekuren gebruikmaken van stroom. Ik zou de staatssecretaris willen vragen: kunnen we dat ook gaan doen in andere provincies, zoals in Brabant?
Staatssecretaris De Bat:
Dit is een van de oplossingen die in het totaalpakket van oplossingen zit. Dit moet wel een klein beetje volgtijdelijk, omdat netbeheerders dit niet overal tegelijk op dezelfde manier kunnen inregelen. Dat doen we op een manier waarbij het het eerste kan waar het het hardste nodig is. In Brabant zullen we een heleboel elementen van de aanpak in FGU benutten, om daar nog sneller dan in FGU tot oplossingen te komen.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik wil het nog even hebben over Utrecht-Noord. De staatssecretaris zei net dat daar echt een aansluitstop plaatsvindt. Maar is dat dan niet juist de kern van het probleem? We kunnen het daar nu oplossen met gasgeneratoren. Daardoor kunnen we die wijken toch gaan stutten. Is dat niet juist een signaal dat we moeten stoppen met de variabele opwek van zon en wind en meer moeten inzetten op regelbare bronnen, zoals gas en kernenergie?
Staatssecretaris De Bat:
Dat is volgens mij het bewijs dat we niet blind zijn, dat alle oplossingen nodig zijn en dat je dus ook af en toe gasgestookte turbines moet inzetten om pieken op te vangen.
De heer Van den Berg (JA21):
Kan de staatssecretaris toezeggen dat we in het vervolg veel meer gaan inzetten op regelbare bronnen? Dus niet continu zon en wind en variabel, want dat verergert de netcongestie. Kunnen we door het hele land niet veel beter inzetten op regelbare bronnen, zodat we niet overal in dezelfde ellende komen te zitten als nu in Utrecht het geval is?
Staatssecretaris De Bat:
Het is echt een en-enverhaal. Je zult het allebei moeten doen als je uiteindelijk wilt verduurzamen, als je van de fossiele vraag af wilt komen en als je tegelijkertijd je regelbaar vermogen op peil wilt houden.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
We staan als lemmingen aan de afgrond; dat is het gevoel dat mij hier bekruipt. We gaan elektrificeren omdat ooit bedacht is dat dat goed was. Ons grootste natuurgebied, de Noordzee, is verkracht; laten we het maar gewoon benoemen zoals het is. Vervolgens is er onvoldoende elektriciteit om het allemaal te laten draaien. Deze vraag is al een aantal keer gesteld, maar de politiek is net als reclame: herhalen. Is het wellicht niet toch verstandig om te stoppen met die heilloze weg om overal windmolens neer te plempen en moeten we niet inzetten op andere stabiele energie? Want ik maak me grote zorgen over de woningbouw en onze economie.
Staatssecretaris De Bat:
Zoals mevrouw Keijzer weet, hebben we het nationaal Programma Energiehoofdstructuur, waarin al in 2023 een eerste route is gelegd voor hoe je je opwek organiseert als je de gascentrales over een aantal jaren gaat uitschakelen. Daar hoort bij dat je wind, zon en kernenergie nodig hebt om uiteindelijk zowel de flexibele opwek als de stabiele basislast goed te organiseren. Het is dus ook hier een en-enverhaal. Je hebt echt alles nodig als je aan alle vraag wilt kunnen voldoen.
De heer Vermeer (BBB):
Ik wil daar toch nog even op inhaken. Kan de staatssecretaris vandaag gewoon erkennen dat de overheid jarenlang ambities heeft gestapeld, zonder de infrastructuur op orde te brengen? En kan hij toezeggen dat er geen nieuwe elektrificatie of energieambities bij komen, zonder dat er eerst een harde toets wordt uitgevoerd op de netcapaciteit en de uitvoerbaarheid?
Staatssecretaris De Bat:
Zoals de heer Vermeer ook weet, is het plannen van dat soort grote projecten zodanig ver in de tijd dat je nu die plannen voor grootschalige opwek moet maken en je tegelijkertijd je netwerk op orde moet brengen. Dat is ook wat we doen. We hebben allerlei programma's waarmee we het 380kV-netwerk, dus het hoogspanningsnetwerk in Nederland, uitrollen en versterken. We hebben plannen om alle onderliggende netten goed te versterken. We hebben ook plannen om de opwek op een goede manier te organiseren. Dat gaat tegelijkertijd. Dat moet natuurlijk wel zodanig gebeuren dat je net sterk genoeg is op het moment dat je de opwek gereed hebt. Die balans gaan we echt verbeteren.
De heer Vermeer (BBB):
Ik vergelijk dit gewoon met toch nog emmers water in een bad blijven gooien dat al vol is, terwijl je eigenlijk weet dat het gaat overstromen. Ik heb ook nog iets anders. De regio's zien wél waar de problemen zitten. Zij weten welke woningbouwprojecten cruciaal zijn, maar de prioritering wordt centraal, en een beetje technisch, uitgevoerd door, met name, de netbeheerders. Kunnen we de provincies en gemeenten niet meer zeggenschap geven in dit proces in plaats van dat zij maar moeten afwachten wat eruit komt?
Staatssecretaris De Bat:
In de werkwijze van de minister van VRO vraagt zij aan de betrokken ministeries, in dit geval dus ook aan mij, waar woningbouw zonder netcongestie mogelijk is. Ze heeft natuurlijk meer van die vraagstukken die we moeten oppakken, want die hebben soms ook te maken met watercapaciteit. Dat wordt uiteindelijk bij elkaar opgeteld. Pas als dat mogelijk is, kun je bijvoorbeeld de grote gebieden waarin je meer woningen tegelijk wil programmeren daadwerkelijk op de kaart zetten. We moeten niet eerst iets intekenen en dan bedenken of het überhaupt past. Dat vraagt een andere manier van denken. Dat is opgepakt. We zitten daar ook gezamenlijk over aan tafel, zodat we dit element aan de voorkant meenemen als we in overleg met provincies en gemeenten nieuwe woonwijken programmeren.
De voorzitter:
Ik bedank de staatssecretaris voor zijn aanwezigheid in de Kamer.
Vragen Bikker
Vragen van het lid Bikker aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het bericht "C-support en Q-support stoppen eind 2026".
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Bikker voor haar mondelinge vragen namens de fractie van de ChristenUnie aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die ik eveneens van harte welkom heet in het parlement. Het woord is aan mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Zes jaar geleden zaten we midden in de coronapandemie. Voor heel veel mensen voelt dat gelukkig als een gepasseerd station, hooguit als iets wat je weer ziet bij die parlementaire enquête, maar voor duizenden postcovidpatiënten is dat helemaal niet het geval. Dagelijks voelen zij de pijn van een verloren leven, van een verloren actief leven, van verloren energie, van een verloren baan of van verloren sociale contacten. Te vaak zijn ze moedeloos, want er is nauwelijks een behandeling, nauwelijks vooruitgang en geen luisterend oor bij de huisarts. Juist voor deze mensen is C-support vaak een reddingsboei. Het nieuws dat C-support zich nu gedwongen voelt om te stoppen, is dan ook met grote wanhoop ontvangen bij een hele groep mensen. Ik zie het in mijn mailbox. Opnieuw voelen zij zich niet gezien.
Voorzitter. Ik start daarom met een fundamentele vraag: is de organisatie van C- en Q-support niet meer nodig volgens de minister?
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank u wel. Laat ik beginnen met zeggen dat ik mij ongelofelijk goed realiseer dat mensen met postcovid, Q-koorts of een ander postacuut infectiesyndroom, afgekort PAIS, te maken hebben met een ziekte, of de gevolgen daarvan, die grote impact heeft op hun gezondheid, welzijn, werk en sociale leven. Soms hebben ze ook echt weinig uitzicht of perspectief dat het beter wordt.
Bovendien is het ook een ziekte die vaak nog niet goed, of goed genoeg, erkend of gehoord wordt. Ik heb onlangs gesproken met een aantal PAIS-patiënten. Hun persoonlijke verhalen, allemaal met hun eigen ervaring en invalshoek, hebben echt indruk op mij gemaakt. Het zijn vaders, moeders, dochters, ondernemers en soms ook kinderen en jongeren. Het zijn allemaal mensen die midden in het leven staan en van wie het leven plotseling stil is komen te staan zonder, zoals ik net ook al zei, enige zekerheid op herstel of verbetering van hun situatie. Dat zij in de afgelopen jaren, voor Q-koortspatiënten natuurlijk al langer, voor covid- en postcovidpatiënten de afgelopen vijf jaar, een fijne, veilige plek vonden bij Q-support en C-support begrijp ik ongelofelijk goed.
Dan ben ik bij de directe vraag van mevrouw Bikker of ik vind dat de organisatie niet meer nodig is. Zo heb ik het beluisterd. Wij hebben bij de oprichting van Q-support en C-support altijd gezegd: dit is een tijdelijke organisatie; nu we zien dat deze nieuwe ziekte zich manifesteert en openbaart, willen we snel kennis kunnen bundelen en mensen kunnen helpen, maar dat doen we tijdelijk, want in ons zorgsysteem is het de bedoeling dat iedereen in de reguliere zorg zijn zorg of ondersteuning kan krijgen. Dat is hoe we altijd gewerkt hebben. Ik heb ongelofelijk veel respect en bewondering voor het werk dat Q-support en C-support tot op de dag van vandaag gedaan hebben. Ik denk dat het ook ongelofelijk goed is dat we met elkaar gezegd hebben dat we het nu gaan overdragen aan de reguliere zorg. Die kennisfunctie blijft van heel groot belang, zodat huisartsen, maar ook andere zorg-, ondersteunings- en welzijnsprofessionals die hiermee te maken hebben, wel een plek hebben waar zij kennis kunnen ophalen. Daar blijven we dus ook structureel in investeren.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik vind dit razend onverstandig. Waarom? Omdat die kennis nu in de eerste lijn, bij de huisartsen, aanwezig wordt verondersteld. Ik spreek non-stop patiënten die een huisarts hebben die zegt: legt u me maar uit wat u heeft, want u weet meer dan ik. Ik spreek patiënten die niet terechtkunnen bij de postcovidexpertisecentra, want ook daar zijn de poorten gesloten. Ik zie een Kamer die gezegd heeft: minister, ga hiermee door. Het amendement-Bushoff heb ik graag mede-ingediend. Waarom? Omdat we allemaal aangeven dat deze kennis niet voorradig is en dat C-support op dit moment voorziet in een leemte in ons stelsel. Onderkent de minister dat?
De voorzitter:
De minister. Kort en bondig alstublieft.
Minister Hermans:
Vorige week is het amendement van Bushoff, Bikker, Diederik van Dijk, Van Brenk en Dobbe aangenomen. Dat zag erop om voor de afbouw van de werkzaamheden van de altijd als tijdelijk bedoelde — dat blijf ik benadrukken — organisatie van Q- en C-support nog wat extra tijd te nemen, ook nog volgend jaar, zodat de afbouw in langzamer tempo kan worden vormgegeven. Dat geld is dus gereserveerd op de begroting. Daar zit 3 miljoen in. Dat is erop gericht om te voorkomen dat in één keer aan het einde van het jaar de ondersteuning van patiënten stopt. Ik wil in de komende periode met Q- en C-support, met de patiëntenorganisaties en met de huisartsen om tafel om te bespreken hoe we dit geld zo goed mogelijk kunnen besteden. Daar zal ik me ook echt persoonlijk tegenaan bemoeien. Uiteindelijk gaat het erom hoe we ervoor zorgen dat we het belang van de patiënten zo goede mogelijk dienen. Op dat punt ben ik het duizend procent eens met mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Maar eerst het kalf laten verdrinken en dan de put dempen is een slechte manier van handelen. Wat nu gaat gebeuren, is dat er wel kennis verloren gaat. Mensen die zich al gespecialiseerd hebben, gaan toch ook weer andere dingen doen. Dat hebben we al op meer fronten gezien. Ook staan patiënten in de kou. Ik snap heel goed dat de minister zegt: als de reguliere zorg dingen aankan, kan het daarnaar terug. Alleen, waar baseert de minister op dat dit hier het geval is?
Minister Hermans:
Q- en C-support zijn begonnen omdat we zagen: er ontbreekt iets, er is iets nodig. Daar heeft de Kamer zich ook heel hard voor gemaakt. Er is altijd gezegd — ik sta daar ook echt helemaal achter — dat in ons reguliere zorgsysteem iedereen, ongeacht welke ziekte of aandoening iemand heeft, terecht moet kunnen. Ik sta er dus achter dat wij deze organisatie tijdelijk hebben opgezet met de bedoeling dat het overgaat naar de reguliere zorg. Ik vind dat je gewoon bij je huisarts terecht moet kunnen om die vragen te stellen. Ik zie ook — daar zag ook het amendement op van de heer Bushoff, mevrouw Bikker en de anderen die ik net noemde — het punt van de afbouw: hoe kunnen we die overgangsperiode wat zachter vormgeven, zodat voor de patiënten de ondersteuning blijft en we die kennisfunctie goed borgen? Juist over de overgangsperiode, waar die 3 miljoen uit het amendement voor is, wil ik met de partijen om tafel. Ik roep ook iedereen op om constructief aan tafel te komen, want we moeten het uiteindelijk regelen voor de patiënt.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Het gaat hier over patiënten die in veel gevallen nauwelijks energie hebben en die we opnieuw vragen om te strijden voor hun positie, die we opnieuw vragen om zich te voegen in een stelsel dat voor hen tekortschiet. Wat is er nodig? Onderzoek. Maar het geld is op. Postcovidpoliklinieken, die toegankelijk zijn, niet alleen voor onderzoek, maar ook voor behandeling en behandelinstructies voor huisartsen. Ik hoor veel te vaak dat dit tekortschiet. Het gaat hier niet over een groepje van een tiental mensen met een zeer, zeer zeldzame ziekte. Het gaat over een hele grote groep mensen. Ik zie tekorten, ik zie ervaring weglopen en de zorgen zijn groot. Wat het stomste is wat we dan kunnen doen — ik zeg dit niet vaak — is dat we deze patiënten opnieuw vragen om de strijd te voeren voor hun positie. Ik hoor de minister zeggen dat ze er alles aan gaat doen, maar ondertussen worden de schepen die we al hebben, wel achter ons verbrand. Dat kan toch ook op het ministerie van VWS alleen maar tot ongemak leiden? Heeft de minister in de gaten dat als er een nieuwe grootschalige ziekte is — dit is postcovid, maar we hebben ontdekt dat we ook veel te weinig hebben gedaan aan andere PAIS — we niet kunnen rekenen op het stelsel dat we hebben en dat we daarom de schepen niet achter ons moeten verbranden op het moment dat er nog geen vervanging is?
Minister Hermans:
Twee punten naar aanleiding van de opmerking van mevrouw Bikker. Eén. Nee, het is niet aan patiënten om nu te strijden. Het is nu aan ons, aan mij en het ministerie van VWS, aan Q- en C-support, aan de patiëntenorganisaties en aan de huisartsen — ik wil de reguliere zorg daar namelijk bij betrekken — om met elkaar aan tafel te gaan en te zorgen dat we die overgang regelen en te zorgen dat we het geld voor de patiëntenondersteuning volgend jaar goed kunnen besteden.
Dan het tweede: PAIS in bredere zin, de ondersteuning en hoe we die in het stelsel organiseren. Ik ben het met mevrouw Bikker eens dat we daar nog werk te doen hebben. Ik werk op dit moment, zo'n beetje as we speak, aan een brief, waarvan ik ook heb toegezegd aan de Kamer die nog voor de zomer te sturen, over hoe we daarmee omgaan. Maar dat geldt even breder dan alleen dit vraagstuk. Ik denk dat we hier echt heel goed over na moeten denken en dat we ons hierop voor moeten bereiden. Want de kans dat we hier in de toekomst nog een keer mee te maken krijgen, is natuurlijk echt serieus.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Daarom heb ik er eerder ook voor gepleit om de pandemische paraatheid op orde te krijgen. Dat is gelukt. Ik zeg hier echter heel duidelijk: ga niet schrappen en slopen als de vervanging nog niet klaarstaat. Ik hoop dat de minister op haar schreden terugkeert en dat we liever iets te lang in de lucht houden dan dat we nu dat grote tekort hebben. Zie wat het betekent voor patiënten. Dat geldt ook voor dat andere beleid dat structureel gevoerd moet worden. Aan de ene kant maakt deze Kamer zich telkens zorgen over de instroom in de WIA, maar aan de andere kant investeren we niet op plekken waar mensen in de problemen raken, omdat wij ons zorgstelsel nog steeds ouderwets organiseren en niet naar nieuwe ziekten omkijken. Ik hoop dat de minister haar plannen wil veranderen en er voor deze patiënten zal staan, ook nu.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Bikker.
Minister Hermans:
Heel kort. Zoals ik al zei: ik sta zeker voor deze patiënten. Ik heb een indringend en indrukwekkend gesprek gevoerd en heb gezien, gehoord en gevoeld wat voor effect dit heeft, niet alleen op het leven van mensen zelf, maar natuurlijk ook op hun naasten. Ik voel me dus wel degelijk gemotiveerd om het goede voor deze patiënten te doen. Ik vind het wel lastig als mevrouw Bikker woorden als "schrappen" en "slopen" gebruikt, want dat is helemaal niet waar we op gericht zijn. We hebben altijd gezegd: dit is tijdelijk. Ik wil het naar de reguliere zorg brengen, zodat je bij de huisarts om de hoek terechtkan. Daarvoor is het natuurlijk ook belangrijk dat die huisarts de kennis, de kunde en de expertise heeft. Daarom zeg ik dat ook de huisartsen aan tafel moeten, samen met de patiëntenorganisaties, Q- en C-support en het ministerie van VWS. Ik zal me er ook hoogstpersoonlijk tegenaan bemoeien om voor deze patiënten een goede overgang te regelen.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
We hebben het debat gevoerd. Ik vertelde de minister over Christel, die vanuit het onderwijs ziek geworden is en bij haar huisarts niet terechtkon. Zij hoopte eigenlijk dat C-support ook voor haar toegankelijk zou zijn. De minister heeft heel duidelijk laten zien: ze zijn daar met onderzoeken bezig en het moet naar de huisarts toe, maar het duurt wel even voordat het daar is. We hebben onderzoekers die nu weglopen omdat er misschien geen geld voor is. De vraag is: is het nu een centenprobleem of is het een ander probleem? Kan de minister daar heel duidelijk over zijn?
Minister Hermans:
Q- en C-support hebben laten weten de afbouw in 2026 voort te zetten, zoals dat ook in brieven van eind 2025 gecommuniceerd is. Toen kwam het amendement van de Tweede Kamer, waarmee werd gevraagd: kunnen we die afbouw over een iets langere periode vormgeven, dus in 2026 en ook nog in 2027? Dat amendement is vorige week aangenomen. Naar aanleiding daarvan heeft er overleg plaatsgevonden over de vraag: hoe gaan we daar nu invulling aan geven? In dat gesprek hebben Q- en C-support gezegd: wij kunnen het niet meer vormgeven en invullen op een manier die wij willen. Daar hebben we ons natuurlijk niet zomaar bij neergelegd. Daar is nog over doorgepraat. Uiteindelijk is dit echter het besluit geworden. Daarover bent u ook geïnformeerd. Ik vind het nu van het allergrootste belang om te kijken hoe we dat regelen, ook indachtig het amendement en de oproep uit de Kamer om te kijken hoe we het bedrag van 3 miljoen uit het amendement, dat er echt op gericht is om de patiëntenondersteuning in 2027 toch mogelijk te maken, daarvoor in kunnen zetten. Daarvoor wil ik graag het gesprek met patiëntenorganisaties, Q- en C-support, de huisartsen en natuurlijk VWS.
De heer Bushoff (PRO):
De minister zei het al: vorige week is er een amendement aangenomen van 6 miljoen euro voor mensen met postcovid en vergelijkbare ziektes. Het ging om 3 miljoen voor Q- en C-support en 3 miljoen om ervoor te zorgen dat die mensen uiteindelijk inderdaad in de reguliere zorg en ondersteuning terechtkomen. Mijn vraag is eigenlijk heel simpel: kan de minister garanderen dat die 6 miljoen die de Kamer voor dit doel beschikbaar heeft gesteld, ook voor dit doel beschikbaar blijft, ondanks dat C-support en Q-support nu tegen alle verwachtingen in zelf de stekker eruit hebben getrokken?
De voorzitter:
De minister, kort en bondig.
Minister Hermans:
De Kamer heeft vorige week dit amendement aangenomen. Het doel staat voor mij overeind. Ik heb al wat gezegd over de eerste 3 miljoen. Ook de tweede 3 miljoen blijft gewoon staan.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor haar aanwezigheid in de Kamer. Ik schors een enkel ogenblik, waarna we gaan stemmen.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.