Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over Voorhang van het ontwerp van het Tijdelijk besluit peuter-kleutergroepen (Kamerstuk 31322-590)
2026D47555 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties
de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de Staatssecretaris
d.d. 7 september 2026 inzake de voorhang van het ontwerp van het Tijdelijk besluit
peuter-kleutergroepen (Kamerstuk 31 322, nr. 590). Bij brief van ... heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie,
Hamstra
Adjunct-griffier van de commissie,
Easton
Inhoud
I
Vragen en opmerkingen uit de fracties
•
Inbreng van de leden van de D66-fractie
•
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
•
Inbreng van de leden van de PRO-fractie
•
Inbreng van de leden van de PVV-fractie
•
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
•
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
II
Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerp
van het Tijdelijk besluit peuter-kleutergroepen. Deze leden zien kansen in het eerder
samenbrengen van kinderopvang en onderwijs. Voor jonge kinderen kan de stap naar de
basisschool nu groot zijn, terwijl juist in deze jaren de basis wordt gelegd voor
hun verdere ontwikkeling. Door peuters en kleuters samen te laten spelen en leren,
kunnen professionals eerder aansluiten bij wat een kind nodig heeft, kan kennis over
de ontwikkeling van een kind beter worden overgedragen en kan de overgang naar school
minder abrupt worden. Deze leden vinden het daarom goed dat de Staatssecretaris ruimte
wil geven om in de praktijk te onderzoeken hoe deze samenwerking het beste kan worden
vormgegeven en hebben hierover de volgende vragen.
De leden van de D66-fractie vinden het belangrijk dat kinderen al op jonge leeftijd
een stevige basis meekrijgen voor hun verdere ontwikkeling. Taalontwikkeling, woordenschat
en plezier in boeken en verhalen vormen een belangrijke voorbereiding op het latere
leesonderwijs. In de toelichting wordt beschreven dat in de peuter-kleutergroep een
doorgaande leer- en ontwikkellijn moet worden vormgegeven en dat voor kleuters aandacht
moet worden besteed aan de kerndoelen, waarbij ontdekkend en spelend leren centraal
blijft staan. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe binnen het experiment wordt onderzocht
of peuter-kleutergroepen bijdragen aan de taalontwikkeling en de voorwaarden voor
latere leesvaardigheid van kinderen? Wordt daarbij bijvoorbeeld gekeken naar woordenschat,
mondelinge taalvaardigheid, boekoriëntatie en leesplezier?
De leden van de D66-fractie constateren dat het werken in een peuter-kleutergroep
specifieke pedagogische en didactische deskundigheid vraagt van zowel leraren als
pedagogisch medewerkers. Hoe wordt binnen het experiment gezorgd dat leraren voldoende
zijn toegerust om onderwijs en ontwikkeling af te stemmen op kinderen van verschillende
leeftijden en ontwikkelniveaus? Wordt ook onderzocht welke aanvullende deskundigheid
nodig is wanneer peuter-kleutergroepen structureel zouden worden ingevoerd?
De leden van de D66-fractie lezen tegelijkertijd in de toelichting dat gelijkwaardigheid
tussen beide beroepsgroepen niet vanzelfsprekend is en goede afspraken vereist. Hoe
worden deelnemende organisaties ondersteund om deze samenwerking goed vorm te geven?
Wordt gezamenlijke scholing of professionalisering gestimuleerd? Wordt in de evaluatie
ook afzonderlijk gekeken naar de ervaringen, werkdruk en professionele ontwikkeling
van leraren en pedagogisch medewerkers? Kan de Staatssecretaris toelichten hoe de
ervaringen van deze professionals worden meegewogen bij een eventueel besluit over
structurele invoering?
De leden van de D66-fractie vragen ook aandacht voor de toegankelijkheid van het experiment.
Bij de selectie kan rekening worden gehouden met regionale spreiding en de spreiding
over bevoegde gezagen en kinderopvangorganisaties. Wordt daarbij ook bewust gestuurd
op variatie in sociaaleconomische achtergrond van kinderen, stedelijke en landelijke
gebieden en het aandeel kinderen met een risico op onderwijsachterstanden? Hoe wordt
gewaarborgd dat het onderzoek daarmee voldoende representatief is om later landelijke
conclusies te kunnen trekken?
De leden van de D66-fractie lezen dat nog beperkt Nederlands onderzoek beschikbaar
is naar de effecten van peuter-kleutergroepen en dat juist daarom voor een experiment
wordt gekozen. Kan de Staatssecretaris nader toelichten welke concrete uitkomsten
na afloop van het experiment nodig zijn om te kunnen beoordelen of peuter-kleutergroepen
structureel wenselijk zijn? Welke indicatoren worden daarbij gebruikt voor de ontwikkeling,
het welbevinden en de betrokkenheid van kinderen? Hoe wordt in het onderzoek onderscheid
gemaakt tussen de effecten op verschillende groepen kinderen, bijvoorbeeld kinderen
met een risico op een onderwijsachterstand, kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte
en kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong? Juist voor deze groepen wordt in de toelichting
een mogelijke meerwaarde van peuter-kleutergroepen genoemd.
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Kamerbrief over
de voorhang van het ontwerp van het Tijdelijk besluit peuter-kleutergroepen en hebben
daarover geen vragen.
Inbreng van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige
besluit. Deze leden gunnen ieder kind een goede start, willen van de kinderopvang
een publieke basisvoorziening maken zonder winstoogmerk, gratis toegankelijk voor
ieder kind, en zetten in op vroege en voorschoolse educatie met extra aandacht voor
kinderen met achterstanden. Zo willen zij bijdragen aan kansengelijkheid. Veel onderwijsachterstanden
ontstaan immers op jonge leeftijd en daarom is het belangrijk om jonge kinderen die
een achterstand dreigen op te lopen al op jonge leeftijd gericht te ondersteunen in
hun ontwikkeling.
Het onderhavige besluit doorbreekt het zogenoemde «split system» waarbij onderwijs
en kinderopvang twee afzonderlijke stelsels vormen en voorziet erin om voor een geselecteerde
groep bevoegde gezagen en houders van kindercentra in ieder geval gedurende vier jaar
gezamenlijk een peuter- en kleutergroep aan te bieden en met deze ruimte in de wet-
en regelgeving aan te sluiten bij de (ontwikkel)behoeften van jonge kinderen. De leden
van de PRO-fractie juichen deze mogelijkheid toe, want ook zij zien graag dat peuters
en kleuters een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.
De leden van de PRO-fractie hechten er wel aan dat hierbij duidelijke randvoorwaarden
worden gehandhaafd in termen van emotionele veiligheid voor de kinderen in de peuter-
en kleutergroep, de maximale groepsgrootte en bekwaamheid van de beroepskrachten.
Deze leden begrijpen dat de regering beslist niet de bedoeling heeft om het peuteraanbod
te «verschoolsen», maar jonge kinderen spelenderwijs uit te dagen in hun ontwikkeling,
met voldoende ruimte voor spelend leren. Kan de Staatssecretaris specificeren op welke
manieren zij dit waarborgt?
Inbreng van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de voorhang van
het ontwerp van het Tijdelijk besluit peuter-kleutergroepen. Deze leden hebben hier
geen verdere vragen over.
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het Tijdelijk besluit peuter-kleutergroepen
en maken graag van de gelegenheid gebruik enkele aanvullende vragen te stellen.
De leden van de CDA-fractie gaan ervan uit dat kinderopvangorganisaties, peuterscholen
en onderwijsinstellingen binnen een gemeente regelmatig overleggen wanneer een kind
doorstroomt naar het onderwijs, zeker als dit voor het kind van belang is. Klopt deze
aanname?
Hoofdlijnen van het voorstel
Begrijpen de leden van de CDA-fractie goed dat peuter-kleutergroepen specifiek bedoeld
zijn voor kinderen bij wie de overstap naar het onderwijs naar verwachting niet vanzelf
verloopt? Kan de Staatssecretaris aangeven hoe voor- en vroegschoolse educatie zich
tot dit voorstel verhouden? Gelijktijdig lezen deze leden dat zo’n groep in krimpregio’s
ook om pragmatische redenen kan worden ingezet om het aanbod in stand te houden. Wat
is precies het doel van dit tijdelijke besluit?
De leden van de CDA-fractie lezen dat een peuter-kleutergroep een nieuwe pedagogisch-didactische
werkwijze mogelijk maakt, die volgens hen veel kansen biedt. Gemeenten, scholen en
kinderopvangorganisaties hebben gevraagd om peuters en kleuters gezamenlijk in één
groep een aanbod te kunnen bieden. Kan de Staatssecretaris toelichten wat hiermee
precies wordt bedoeld? Tegelijkertijd zijn er waarschuwingen dat deze aanpak mogelijk
niet werkt. Begrijpen deze leden daarom goed dat gelijktijdig onderzoek wordt gedaan
naar de gevolgen van dit tijdelijke besluit? Is gewaarborgd dat een kind naar een
andere groep kan terugkeren als de aanpak in de praktijk niet passend blijkt?
Monitoring en evaluatie
Begrijpen de leden van de CDA-fractie goed dat de regeldruk onderdeel is van de monitoring
en evaluatie? Deze leden vragen daarnaast of de Kamer pas na de eindevaluatie over
de bevindingen wordt geïnformeerd (na 2031) of ook tussentijds.
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerp
van het Tijdelijk besluit peuter-kleutergroepen. Deze leden zien kansen in experimenten
die bijdragen aan een soepele overgang van kinderopvang naar basisonderwijs en die
scholen en kinderopvangorganisaties ruimte geven om maatwerk te bieden aan jonge kinderen.
Daarnaast kan dit experiment juist voor de regio van meerwaarde zijn doordat het scholen
en kinderopvangorganisaties meer mogelijkheden biedt om voorzieningen in stand te
houden en samen te werken in gebieden waar het aantal kinderen terugloopt. Deze leden
vinden het verstandig dat eerst in de praktijk wordt onderzocht wat de effecten zijn
op de ontwikkeling en het welbevinden van kinderen, voordat wordt besloten over structurele
wetgeving. De leden van de BBB-fractie hebben op dit moment geen nadere vragen over
het voorliggende ontwerpbesluit.
II Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S. Hamstra, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
A.E.W. Easton, adjunct-griffier