Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de Kabinetsreactie op het advies ‘Ieder zijn aandeel’ en evaluatie cultuurleningen (Kamerstuk 32820-580)
2026D46838 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties
de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de Minister
d.d. 2 juli 2026 inzake kabinetsreactie advies «Ieder zijn aandeel» en evaluatie cultuurleningen
(Kamerstuk 32 820, nr. 580).
De voorzitter van de commissie,
Hamstra
Adjunct-griffier van de commissie,
Bosnjakovic
Inhoud
I
Vragen en opmerkingen uit de fracties
•
Inbreng van de leden van de D66-fractie
•
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
•
Inbreng van de leden van de PRO-fractie
•
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
•
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
•
Inbreng van de leden van de Groep Markuszower
II
Reactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie
op het advies «Ieder zijn aandeel» van de Raad voor Cultuur en de evaluatie van de
cultuurleningen. Deze leden vinden het belangrijk dat de culturele en creatieve sector
ook op de lange termijn kan rekenen op een gezonde financiering. Publieke financiering
vormt daarvoor een belangrijke basis. Ook zien de leden kansen om andere vormen van
financiering beter te benutten en de samenwerking tussen overheden, private financiers
en culturele organisaties te versterken. Zij hebben hierover nog enkele vragen aan
de Minister.
De leden van de D66-fractie lezen dat de Raad voor Cultuur aandacht vraagt voor een
structurele indexatie van subsidies en dat de Minister erkent dat culturele instellingen
vaak maar beperkte mogelijkheden hebben om stijgende lonen en prijzen zelf op te vangen.
Tegelijkertijd ziet de Minister bezwaren tegen het wettelijk vastleggen van deze indexatie.
Ziet Minister mogelijkheden om, zonder indexatie wettelijk vast te leggen, culturele
instellingen wel meer voorspelbaarheid te bieden over de ontwikkeling van hun subsidie
wanneer lonen en prijzen stijgen? Kan de Minister daarbij aangeven in hoeverre verschillen
in de wijze waarop Rijk, provincies, gemeenten en cultuurfondsen omgaan met loon-
en prijsontwikkelingen op dit moment tot knelpunten leiden voor instellingen die financiering
van meerdere overheden ontvangen?
De leden van de D66-fractie steunen de inzet van de Minister om met provincies en
gemeenten afspraken te maken over de samenhang van het cultuurstelsel, de taakverdeling
tussen overheden, regionale spreiding en het opbouwen van weerstandsvermogen. Kan
de Minister nader toelichten naar welke mogelijkheden zij kijkt? Wordt daarbij bijvoorbeeld
gekeken naar meer duidelijkheid voor culturele instellingen over welke overheid waarvoor
verantwoordelijk is? En hoe worden culturele organisaties en brancheverenigingen betrokken
bij de gesprekken met medeoverheden over het nieuwe cultuurbestel, zodat ook hun ervaringen
met verschillende financieringsvoorwaarden daarin worden meegenomen?
De leden van de D66-fractie zijn positief over de verkenning die de Minister samen
met private financiers start om beter in kaart te brengen welke fondsen en financiers
actief zijn in de culturele sector en om te komen tot een structurelere dialoog tussen
publieke en private financiers. Wanneer verwacht de Minister deze verkenning af te
ronden en is zij voornemens de uitkomsten hiervan met de Kamer te delen? En hoe gaat
de Minister voorkomen dat een betere samenwerking tussen financiers vooral ten goede
komt aan grotere instellingen die al over uitgebreide fondsenwervingsnetwerken beschikken?
De leden van de D66-fractie lezen dat verbeteringen mogelijk zijn in de ANBI-wetgeving
en dat zij bij het bredere gesprek over filantropie de belangen van de culturele en
creatieve sector onder de aandacht brengt. Welke knelpunten voor culturele instellingen
ziet de Minister op dit moment bij het gebruik van de ANBI-status en andere mogelijkheden
om particuliere giften aan te trekken? Welke daarvan brengt zij onder de aandacht
van haar collega’s?
De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat uit de evaluatie van SEO blijkt dat
de cultuurleningen doeltreffend en doelmatig zijn en dat de combinatie van financiering
en begeleiding ook bijdraagt aan de zakelijke ontwikkeling van culturele organisaties.
Deze leden steunen daarom de keuze van de Minister om het beschikbare budget de komende
jaren stapsgewijs met € 6 miljoen te verhogen. Kan de Minister toelichten volgens
welk tijdpad deze aanvullende € 6 miljoen beschikbaar komt? Wat betekent deze uitbreiding
naar verwachting voor het aantal culturele ondernemers en organisaties dat gebruik
kan maken van de cultuurleningen?
De leden van de D66-fractie vinden het belangrijk dat culturele organisaties voldoende
ruimte hebben om financiële reserves op te bouwen zodat zij tegenvallers kunnen opvangen,
kunnen investeren en minder kwetsbaar zijn voor financiële schommelingen. Deze leden
constateren dat subsidievoorwaarden het opbouwen van een gezond weerstandsvermogen
in de praktijk kunnen beperken. Welke mogelijkheden ziet de Minister om culturele
organisaties meer ruimte te geven om een passend weerstandsvermogen op te bouwen?
En hoe kan daarbij worden voorkomen dat verschillende voorwaarden van Rijk, gemeenten,
provincies en cultuurfondsen elkaar tegenwerken?
De leden van de D66-fractie constateren dat private financiering vaak makkelijker
tot stand komt wanneer er ook sprake is van een stabiele publieke financiële basis.
Deze leden zien publieke financiering daarmee niet alleen als basisfinanciering, maar
ook als mogelijke hefboom voor private investeringen. Hoe weegt de Minister deze wisselwerking
mee in haar inzet om private financiering van cultuur te vergroten?
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van
de Minister over «Ieder zijn aandeel» en de evaluatie van cultuurleningen. Deze leden
onderschrijven het belang van het brede scala aan financieringsbronnen, van private
investeringen, subsidies, giften, sponsoring tot cultuurleningen.
De leden van de VVD-fractie ondersteunen de oproep van de Raad voor Cultuur om meer
duidelijkheid te creëren in de rolverdeling tussen publieke en private financiers.
Deze leden ondersteunen ook de start door de Minister van een verkenning om de verschillende
fondsen en financiers in de sector beter in kaart te brengen. De leden vragen zich
wel af welke vorm de dialoog tussen publieke en private financiers zal krijgen en
hoe dit gaat leiden tot een betere afstemming tussen de verschillende partijen van
de inzet van financiële instrumenten.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Minister de komende vier jaar € 1,4
miljoen ter beschikking wordt gesteld voor het matchingsproject en dat ondersteunen
deze leden. De vraag is of dit structureel iedere vier jaar beschikbaar wordt gesteld
of dat dit incidenteel is.
De leden van de VVD-fractie zien de beantwoording met belangstelling tegemoet.
Inbreng van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het advies
«Ieder zijn aandeel» en de kabinetsreactie in de onderhavige brief. Deze leden zien
dat kunst en cultuur bijdragen aan verbinding en creativiteit in onze samenleving,
maar zijn ook blij dat de Minister in haar brief de aanzienlijke economische betekenis
van de creatieve en culturele sector erkent in termen van werkgelegenheid, innovatie
en een aantrekkelijk vestigingsklimaat in heel Nederland. Nederland heeft dan ook
een groot belang bij een bloeiende culturele sector. Investeren in cultuur is dus
niet alleen in het belang van culturele instellingen, maar ook van individuele makers
in de creatieve en culturele sector en van de samenleving als geheel.
De leden van de PRO-fractie merken op dat al in 2024 de Kamer de motie van de leden
Rooderkerk en Mohandis heeft aangenomen over onderzoeken hoe een bloeiende culturele
sector in heel Nederland beter geborgd kan worden.1 Deze leden lezen met instemming dat de Raad voor Cultuur de misvatting bestrijdt
dat een afname in publieke financiering valt te compenseren met meer private financiering.
Hoe welkom private investeringen, giften en sponsoring immers ook kunnen zijn in de
culturele en creatieve sector, ze bieden lang niet altijd instellingen of individuele
makers het vertrouwen en de stabiliteit in financiering waarbij een bloeiende culturele
sector gebaat is. De Minister vat in haar brief de analyse van de Raad voor Cultuur
in dezen samen. Mogen de leden hieruit afleiden dat ook zij deze misvatting afwijst?
Voorts merken de leden van de PRO-fractie op dat sinds 2005 de overheidsuitgaven aan
cultuur weliswaar in absolute zin zijn gestegen, maar de Raad voor Cultuur constateert
dat dit cultuurbudget als aandeel van de totale rijksbegroting daalde van 0,47 procent
naar 0,35 procent. In vergelijking met andere sectoren levert de cultuursector volgens
de Raad hierdoor inmiddels jaarlijks ruim € 500 miljoen in. De Minister lijkt deze
analyse te betwisten met een verwijzing naar incidentele middelen voor bijvoorbeeld
energiecompensatie corona. Deze leden vragen wat het beeld van de ontwikkeling van
het cultuurbudget wordt als men het corrigeert op zulke incidentele middelen. De Minister
neemt de aanbeveling voor een structurele intensivering van de publieke financiering
niet over, onder verwijzing naar het regeerakkoord, dat geen extra middelen voor cultuur
beschikbaar stelt. Hoe verhoudt het niet investeren in een stabielere publieke financieringsbasis
zich tot de conclusie van de Raad voor Cultuur dat private financiering publieke financiering
volgt en dat publiek geld noodzakelijk is om privaat geld te mobiliseren?
De leden van de PRO-fractie constateren dat de Minister ook stelt dat het eventueel
wettelijk vastleggen van indexatie van loon- en prijsbijstelling de ongelijkheid tussen
verschillende sectoren op de OCW-begroting zou vergroten. Uit de brief van de vorige
Minister2 maken deze leden op dat het primair onderwijs (inclusief speciaal onderwijs), studiefinanciering
en de rijksbijdrage aan de media een wettelijk verplichte prijsbijstelling, zonder
voorbehoud, kennen. Kan de Minister specificeren op welke andere sectoren op de OCW-begroting
zij doelt, ten opzichte waarvan zij zo’n «grotere ongelijkheid» zou afwijzen?
De leden van de PRO-fractie merken voorts op dat de Raad voor Cultuur er ook op wijst
dat een systeem zoals de cultuursector stabiele elementen nodig heeft waaromheen,
waarbinnen en van waaruit dynamiek kan ontstaan of in confrontatie waarmee het nieuwe
kan ontstaan. Hoe verwacht de Minister – behalve door de verlenging van de subsidietermijn
van cultuursubsidies naar acht jaar – de stabiliteit van culturele organisaties te
vergroten, ook in financiële zin? De Raad voor Cultuur adviseert bijvoorbeeld publieke
financiers om meer weerstandsvermogen toe te staan aan culturele organisaties bij
subsidieverlening. Dat versterkt hun financiële positie. Deelt de Minister het oordeel
van de Raad voor Cultuur dat het hebben van een voldoende weerstandsvermogen een noodzakelijk
onderdeel is van een gezonde bedrijfsvoering voor culturele organisaties? Waarom neemt
de Minister de aanbeveling niet over om culturele organisaties in staat te stellen
een weerstandsvermogen van 12 tot 20 procent op te bouwen, en welke concrete norm
wil zij dan wél met provincies, gemeenten en cultuurfondsen afspreken?
De leden van de PRO-fractie wijzen erop dat het coalitieakkoord extra aandacht belooft
voor landelijke dekking van cultuurvoorzieningen en regionale spreiding.3 Hoe denkt de Minister deze regionale spreiding en landelijke dekking van cultuurvoorzieningen
daadwerkelijk te verbeteren, nu zij hiervoor geen aanvullende structurele middelen
beschikbaar stelt?
De leden van de PRO-fractie merken op dat het kabinet voornemens heeft om te bezuinigen
op het ambtenarenapparaat. Welke consequenties hebben deze bezuinigingen voor de systeemverantwoordelijkheid
van de Minister voor cultuur?
De leden van de PRO-fractie constateren dat het kabinet het belangrijk vindt om het
geven aan goede doelen fiscaal aantrekkelijk te houden en de Minister steunt gezamenlijke
CBF-erkenning voor de culturele sector en aansluiting bij Goede Doelen Nederland.
Deze leden vragen de Minister om te kwantificeren welke gedragseffecten zij hiervan
verwacht bij giften aan cultuurdoelen.
Tot slot merken de leden van de PRO-fractie op dat SEO Economisch Onderzoek in haar
evaluatie van cultuurleningen concludeert dat deze doeltreffend en doelmatig zijn
en dat de verhouding tussen maatschappelijke kosten en bereikte effecten erg positief
is. Tegelijkertijd geeft het Cultuurfonds te kennen4 dat het binnen tien maanden haar volledige € 6 miljoen heeft uitgeleend, maar het
de Cultuurfondslening wil uitbreiden met € 10 miljoen om te voldoen aan de enorme
vraag, want veel culturele instellingen willen groeien en hebben ideeën om te vernieuwen,
maar ze lopen vast op de financiering. Welke rol ziet de Minister voor zichzelf bij
een dergelijke eventuele uitbreiding van dit revolverende fonds?
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
Ieder zijn aandeel
De leden van de CDA-fractie danken de Minister voor de kabinetsreactie op het advies
van de Raad voor Cultuur. De Minister plaatst enkele kanttekeningen bij de analyse
van de Raad dat het cultuurbudget niet is meegegroeid met de totale uitgaven van de
rijksoverheid. Kan de Minister dit verder onderbouwen met cijfers? Hoe hebben de cultuuruitgaven
zich volgens de Minister ontwikkeld in de afgelopen jaren, ook ten opzichte van de
overheidsuitgaven?
De leden van de CDA-fractie hebben begrip voor de afwegingen die de Minister schetst
ten aanzien van het wettelijk vastleggen van de indexatie van lonen en prijzen. Dit
onderwerp moet in een breder perspectief dan alleen cultuur of de OCW-begroting bezien
worden. Daarom vragen deze leden of de Minister een rijksbreed overzicht kan geven
bij welke beleidsthema’s of begrotingsartikelen de indexatie van lonen en prijzen
wel wettelijk is vastgelegd en waarom, zodat deze leden zich hiervan een beeld kunnen
vormen.
De leden van de CDA-fractie vragen graag aandacht voor het domeinoverstijgende belang
van cultuur. Cultuur heeft naast haar intrinsieke waarde ook een belangrijke maatschappelijke
functie en speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol in de beweging van zorg naar welzijn
en de sociale basis. Deze leden lezen dat de Minister niet voornemens is om een meerjarenplan
cultuur en het sociaal domein op te stellen, terwijl dit wel eerder is toegezegd aan
de Kamer. Deelt de Minister wel dat hier grote kansen liggen en zo ja, waarom is zij
niet bereid om tot een meerjarenplan te komen?
De leden van de CDA-fractie delen met de Minister dat filantropie een grote rol speelt
bij bijdragen aan de culturele sector. Deze leden lezen dat de Minister het schenken
aan kunst en cultuur onder de aandacht wil brengen. Hoe gaat de Minister dit doen?
Ook de fiscale regelingen zoals de giftenaftrek en de ANBI-wetgeving zijn hiervoor
essentieel. Welke knelpunten en verbeteringen ziet de Minister specifiek als het gaat
om de culturele sector? Hoe kijkt de Minister bijvoorbeeld naar de culturele ANBI-status
en het beperkte effect hiervan bij grote giften?
Evaluatie cultuurleningen
De leden van de CDA-fractie dat het instrument van de cultuurlening als doelmatig
en doeltreffend is geëvalueerd. Deze leden zijn blij dat de komende jaar meer budget
voor deze leningen beschikbaar komt. De leden constateren wel dat veruit het grootste
deel van de leningen wordt verstrekt in de Randstad en specifiek in Amsterdam. Deelt
de Minister dat een goede regionale spreiding van de cultuurleningen belangrijk is?
Hoe wil de Minister ervoor zorgen dat de leningen in heel Nederland door de hele sector
gebruikt worden? Wil de Minister de Kamer zo snel mogelijk informeren over de uitkomsten
van de gesprekken met Cultuur+Ondernemen en de stappen die op dit punt ondernomen
worden?
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie lezen dat uit de evaluatie van de cultuurleningen blijkt
dat gebruikers relatief vaak zijn geconcentreerd in Amsterdam en de Randstad, terwijl
de Minister met Cultuur+Ondernemen in gesprek wil gaan over de landelijke spreiding
van deze leningen.
Deze leden vragen of de Minister inzichtelijk kan maken welk aandeel van de cultuurleningen
in de afgelopen vier jaar terecht is gekomen in de Randstad en welk aandeel daarbuiten,
uitgesplitst naar provincie. Tevens vragen zij hoe de Minister verklaart dat de cultuurleningen,
die landelijk beschikbaar zijn, in de praktijk relatief sterk geconcentreerd zijn
in Amsterdam en de Randstad. Voorts vragen zij welke concrete maatregelen de Minister
gaat nemen om ervoor te zorgen dat culturele ondernemers en organisaties in dorpen,
kleinere gemeenten en landelijke regio’s beter toegang krijgen tot de cultuurleningen.
Tot slot vragen zij of de Minister bereid bij de uitbreiding van het budget voor cultuurleningen
expliciet te monitoren of het aanvullende geld daadwerkelijk leidt tot een betere
regionale spreiding. Zo ja, hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Daarnaast lezen de leden van de BBB-fractie dat kleinere en middelgrote culturele
organisaties volgens de Raad voor Cultuur vaak lokaal en regionaal geworteld zijn,
maar tegelijkertijd minder gemakkelijk private financiering aantrekken dan grotere
en bekendere instellingen. Ook hier hebben deze leden een aantal vragen over. Hoe
voorkomt de Minister dat de sterkere inzet op private financiering, filantropie en
matchfunding vooral ten goede komt aan grote culturele instellingen die al beschikken
over professionele fondsenwervers en uitgebreide netwerken? Hoe worden kleine culturele
organisaties, lokale musea, muziekverenigingen, podia en andere lokaal gewortelde
initiatieven in staat gesteld om eveneens gebruik te maken van matchfunding en private
financiering? Voorts vragen de leden of de Minister de zorg deelt dat een financieringsmodel
dat sterker leunt op private bijdragen regionale verschillen juist kan vergroten,
omdat het vermogen om private financiering aan te trekken niet overal in Nederland
gelijk is. Hoe wil zij dit voorkomen? Ten slotte vragen de leden of bij de verdere
uitwerking van het cultuurbeleid ook wordt gekeken naar de positie van cultuurvormen
die sterk verbonden zijn met de identiteit van dorpen en regio’s, waaronder lokale
tradities, verenigingen en immaterieel erfgoed.
Inbreng van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de brief van de Minister.
Deze leden wachten de beantwoording met belangstelling af.
II Reactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S. Hamstra, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
C.H. Bosnjakovic, adjunct-griffier