Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 944 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechtsbijstand en enkele andere wetten in verband met het versterken van rechtsbijstand in het strafproces (Wet versterking rechtsbijstand in het strafproces)
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 28 september 2026
Inhoudsopgave
Gezamenlijke inbreng commissie
2
Inbreng van de fracties
5
Algemeen
5
1. Inleiding
6
1.1 Algemeen
6
2. Adviezen over het wetsvoorstel
6
3. Uitbreiding van consultatiebijstand in B-zaken
7
3.1 Aanleiding
7
3.2 Huidige situatie
7
3.3 Uitbreiding consultatiebijstand in B-zaken
8
3.4 Beschikbaarheid raadslieden
9
4. Kosteloze consultatie- en verhoorbijstand voor ontboden minderjarige en kwetsbare
meerderjarige verdachten van een misdrijf
10
4.1 Aanleiding
10
4.2 Vaststelling van kwetsbaarheid verdachte
10
4.3 Consultatiebijstand voor minderjarige en kwetsbare meerderjarige verdachten die
worden uitgenodigd om op een plaats van verhoor te verschijnen
11
4.4 Verhoorbijstand in C-zaken
11
5. Afdoeningsbijstand bij de strafbeschikking
11
5.1 Aanleiding
11
5.2 Introductie van een wettelijk recht op afdoeningsbijstand
12
5.2.1 Kosteloos voor aangehouden verdachte
12
5.2.2 Verdachten die zich in vrijheid bevinden
12
5.3 Moment waarop de afdoeningsbijstand wordt verleend
13
5.3.1 Inpassing in ZSM-werkwijze
13
5.4 Uitzondering wanneer afdoeningsbijstand niet binnen de duur van de vrijheidsbeneming
kan worden gerealiseerd
13
6. Kosteloos gesprek met een raadsman voor niet-aangehoudenverdachten
14
7. Aanpassingen in verband met de omzetting van Richtlijn2016/800
14
7.1 Aanwijzing raadsman voor minderjarige verdachte tijdens de berechting
14
8. Verantwoordelijkheid voor ambtshalve aanwijzing van een raadsman na de piketfase
14
9. Delegatiegrondslag Wet op de rechtsbijstand
15
10. Financiële- en uitvoeringsconsequenties
15
II. Artikelsgewijze toelichting
16
Onderdeel D
16
Onderdeel F
16
Gezamenlijke inbreng commissie
1. Algemeen
De vaste commissie voor J&V heeft in het kader van het voorbereidend onderzoek van
het voorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechtsbijstand
en enkele andere wetten in verband met het versterken van rechtsbijstand in het strafproces
(het wetsvoorstel) de leden Abdi (PRO) en Straatman (CDA) tot wetgevingsrapporteurs
benoemd. De wetgevingsrapporteurs hebben ten behoeve van het verslag een schriftelijke
inbreng opgesteld met vragen van verdiepende en verduidelijkende aard aan de regering.
De commissie heeft besloten de inbreng van de wetgevingsrapporteurs over te nemen
en in het verslag als inbreng van de commissie op te nemen.1
Bij de hiernavolgende inbreng is zo veel mogelijk de volgorde van de memorie van toelichting
aangehouden. Achtereenvolgens worden vragen gesteld over de aanwijzing van een raadsman
voor niet-aangehouden minderjarige verdachten van een overtreding, kwetsbare meerderjarige
verdachten, beschikbaarheid raadslieden en werkwijze piketdiensten.
2. Aanwijzing raadsman voor niet-aangehouden minderjarige verdachte van een overtreding
EU-recht
De leden van de commissie constateren dat het wetsvoorstel naar aanleiding van het
advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (de Afdeling) is aangepast
voor de categorie minderjarige verdachten van overtredingen die worden uitgenodigd
voor verhoor. Deze aanpassing is nodig om te voldoen aan het EU-recht (zie Richtlijn
2016/800 over de procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte zijn in een strafprocedure
en de uitspraak van het Hof van Justitie van 5 september 2024, C-603/22). De aanpassing
houdt een uitbreiding in van rechtsbijstand voor minderjarige verdachten van een overtreding
die zich in vrijheid bevinden voor de fase van de berechting. Voortaan wordt in deze
fase in alle gevallen (zowel rechtbank als de kantonrechter) ambtshalve en kosteloos
een raadsman aangewezen, zoals voorgesteld in artikel 491, eerste lid, Sv. Voor de
fase van het voorbereidend onderzoek heeft de regering deze uitbreiding echter niet
geregeld. De regering geeft als reden hiervoor dat Richtlijn 2016/800 voor lichte
strafbare feiten waarvoor geen vrijheidsstraf kan worden opgelegd en waarvoor de verdachte
zich in vrijheid bevindt, alleen van toepassing is op de procedure voor de rechtbank
en niet in de fase van het vooronderzoek. Uit artikel 77h, eerste lid, onder b, Sr.
blijkt dat voor minderjarigen geldt dat ten aanzien van overtredingen alleen een geldboete
of taakstraf kan worden opgelegd en geen vrijheidsbenemende sanctie. Gelet hierop
is volgens de regering de richtlijn niet van toepassing op het vooronderzoek ingeval
van overtredingen door minderjarigen en is het derhalve niet verplicht om voor die
fase te voorzien in ambtshalve en kosteloze rechtsbijstand.
De leden van de commissie constateren dat de Afdeling in zijn advies aangeeft dat
bij het opleggen van een geldboete of taakstraf aan een minderjarige vervangende jeugddetentie
kan worden opgelegd. Deze leden vragen of de regering kan aangeven op grond waarvan
zij meent dat vervangende jeugddetentie niet onder «vrijheidsstraf» valt zoals bedoeld
in Richtlijn 2016/800. Zijn er bronnen, bijvoorbeeld bij de totstandkoming van de
richtlijn, die erop wijzen dat onder «vrijheidsstraf» geen vervangende jeugddetentie
valt en dat de richtlijn dus niet van toepassing is in de fase van het voorbereidend
onderzoek?
Zelfredzaamheid minderjarige en kwetsbare meerderjarige verdachten van overtredingen
De leden van de commissie constateren dat in het wetsvoorstel in de consultatiefase
wel de uitbreiding van automatische en kosteloze rechtsbijstand was opgenomen voor
niet-aangehouden minderjarige en kwetsbare meerderjarige verdachten van een overtreding
die worden uitgenodigd voor verhoor (dus in de fase van het voorbereidend onderzoek).
De rechtvaardiging daarvoor werd volgens de toelichting van destijds erin gevonden
dat deze categorie verdachten niet vanzelfsprekend over voldoende zelfredzaamheid
beschikt om in hun rechten in het strafproces te effectueren. Naar aanleiding van
de adviezen van de politie, de Raad voor de rechtspraak, en de Raad voor Rechtsbijstand
is dit onderdeel echter na de consultatiefase uit het wetsvoorstel geschrapt. De toelichting
wijst op het advies van de politie waarin deze aangeeft dat het bij overtredingen
om lichte strafbare feiten gaat waarbij doorgaans voor gekozen wordt om de zaak buitengerechtelijk
(door bijvoorbeeld Halt) af te doen. Het ligt het niet in de rede om vast te houden
aan verplichte rechtsbijstand vanwege verminderde zelfredzaamheid als dit de mogelijkheid
van een snelle en laagdrempelige afdoening in het belang van de minderjarige verdachte
belet, aldus de toelichting. Bovendien heeft de Raad voor Rechtsbijstand ten aanzien
van de vorengenoemde uitbreiding in de consultatieversie aangegeven dat de krapte
op de arbeidsmarkt gevolgen zal kunnen hebben voor de uitvoerbaarheid.
De leden van de commissie vragen welke additionele uitvoeringsconsequenties de nu
gekozen route heeft. Is er nog ruimte om omwille van onwenselijke uitvoeringsconsequentie
de reikwijdte van het wetsvoorstel te beperken? Kan de regering aangeven hoe groot
de gevolgen zijn waarop de Raad voor Rechtsbijstand doelt? In hoeverre geldt het argument
van laagdrempelige en buitengerechtelijke afdoening ook voor kwetsbare meerderjarige
verdachten? Kan de regering aangeven of er overig beleid wordt gevoerd om ervoor te
zorgen dat de minderjarige en kwetsbare meerderjarige verdachten van overtredingen
hun rechten in het strafproces zo goed mogelijk kunnen effectueren?
3. Kwetsbare meerderjarige verdachten
Het wetsvoorstel regelt dat kwetsbare meerderjarige verdachten van een misdrijf die
niet zijn aangehouden, maar die worden uitgenodigd voor verhoor voortaan automatisch
en kosteloos een raadsman aangewezen krijgen die rechtsbijstand verleent voorafgaand
en tijdens het verhoor. Dit is een uitbreiding van het recht op rechtsbijstand ten
opzichte van het huidige recht. In het huidige recht wordt alleen voor aangehouden
kwetsbare verdachten van misdrijven automatisch en kosteloos een raadsman aangewezen.
De leden van de commissie constateren dat uit het onderzoek van de Open Universiteit
«De kwetsbare verdachte en het doen van afstand van een advocaat» uit 2025 blijkt
dat kwetsbaarheid van een verdachte, met name een licht verstandelijke beperking (LVB),
in het strafproces niet altijd (tijdig) wordt onderkend, onder meer omdat deze verdachten
vaak hun beperking proberen te verbergen. Uit het onderzoek blijkt ook dat het merendeel
van de verdachten wordt verhoord door de basispolitie, die vaak geen verhooropleiding
of opleiding in het verhoren van kwetsbare verdachten heeft gevolgd. Herkent de regering
dit beeld en deze bevindingen van het onderzoek? Zo ja, in hoeverre is de effectiviteit
en de beoogde rechtsbescherming van het wetsvoorstel voor kwetsbare meerderjarige
verdachten afhankelijk van het kunnen herkennen van de kwetsbaarheid door opsporingsambtenaren?
Kan de regering aangeven of en welke maatregelen er worden genomen om de herkenning
van kwetsbaarheid van verdachten door opsporingsambtenaren te verbeteren zodat kwetsbare
verdachten de extra rechtsbescherming in het wetsvoorstel niet mislopen? In hoeverre
wordt in de opleiding voor de (basis)politie voldoende aandacht besteed op het gebied
van het herkennen van kwetsbare verdachten?
4. Beschikbaarheid raadslieden en werkwijze piketdiensten, gevolgen werkwijze en voorzieningen
politie
De leden van de commissie constateren dat het Openbaar Ministerie (OM) in zijn advies
erop wijst dat de voorgestelde uitbreiding van het recht op rechtsbijstand in het
vooronderzoek bij B-zaken (misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten) en
bij een voorgenomen OM-strafbeschikking tijd kost. De verwachting van het OM is dat
het in meer gevallen, bijvoorbeeld in ZSM-zaken (zorgvuldig, snel en op maat), niet
in staat zal zijn om bij veelvoorkomende misdrijven snel tot een strafrechtelijk afdoening
te komen. Het OM acht het van belang dat de werkwijze waarop de verplichte consultatiebijstand
moet plaatsvinden zodanig is ingericht dat de tijd die het de raadsman kost om contact
op te nemen met de verdachte tot een minimum moet worden beperkt. Daarbij speelt de
beschikbaarheid en de aanwijzing van piketraadsmannen, en de afstemming tussen de
roosters voor piketadvocaten en de openingstijden van ZSM-locaties een belangrijke
rol. Op dit laatste wijst ook de politie in zijn advies. Volgens de politie is het
van belang dat de piketadvocatuur ook ná 20.00 uur beschikbaar is. Daarnaast vraagt
de politie om bij de inwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel rekening te houden
met de implementatie bij alle eenheden (zoals aan te passen en te bouwen verhoorruimten,
passend in te richten advocatenkamers en adequate en veilige communicatiemiddelen).
De regering vermeldt in de toelichting dat als onderdeel van de implementatie van
het wetsvoorstel in samenspraak met de betrokken organisaties zal worden verkend op
welke wijze de beschikbaarheid van de piketadvocatuur en de openingstijden van ZSM-locaties
beter op elkaar kunnen worden afgestemd. Er wordt bijvoorbeeld toegewerkt naar een
werkwijze waarin raadslieden standaard in de nabijheid van een ZSM-locatie of de ophoudlocatie
van de verdachte aanwezig kunnen zijn, zodat reistijden tot een minimum worden beperkt,
aldus de toelichting.
De leden van de commissie hebben de volgende vragen over de gevolgen van dit wetsvoorstel
voor het strafrechtketen. Kan de regering aangeven wat de gevolgen van dit wetsvoorstel
zijn voor de doorlooptijden van (ZSM-)zaken? Welke vertragingen worden er verwacht
en hoe gaat de regering ervoor zorgen dat de gevolgen van dit wetsvoorstel voor de
doorlooptijden worden gemitigeerd? Kan de regering aangeven wat de gevolgen van dit
wetsvoorstel zijn voor de beschikbaarheid van raadslieden, hoe de regering ervoor
gaat zorgen dat er voldoende raadslieden beschikbaar zijn en dat de beschikbaarheid
wordt afgestemd op de tijden van de ZSM-locaties zoals het OM en de politie aangeven?
Wat is de laatste stand van zaken rondom de hiervoor genoemde verkenning met de betrokken
organisaties? Zijn er concrete afspraken gemaakt over een betere werkwijze waarop
de verplichte consultatiebijstand moet plaatsvinden zodat de tijd die het de raadsman
kost om met de verdachte contact op te nemen tot een minimum wordt beperkt? Zo ja,
welke afspraken zijn er gemaakt? Kan de regering aangeven hoe het staat met de benodigde
aanpassing van werkprocessen en voorzieningen bij met name de politie en het OM? Wat
is voor de politie en het OM het vroegst mogelijke moment van inwerkingtreding?
Inbreng van de fracties
Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden onderschrijven het belang van voldoende en kwalitatief goede rechtsbijstand
om de bescherming van de rechten van burgers te versterken. Wie wordt geconfronteerd
met de meest ingrijpende bevoegdheden van de overheid, moet zich kunnen laten bijstaan,
ongeacht de achtergrond van de verdachte.
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden stellen voorop dat in een goed functionerende rechtsstaat iedereen een
eerlijk strafproces verdient. Goede rechtsbijstand is daarbij een essentiële randvoorwaarde.
Deze leden zijn trots dat Nederland in alle internationale rankings tot de top behoort
van landen die zeer goed presteren wat betreft de kwaliteit van ons strafproces en
het waarborgen van de rechten van verdachten. Volgens het EU Justice Scoreboard 2026
besteedt Nederland in absolute bedragen op Denemarken na het meeste van alle lidstaten
aan gesubsidieerde rechtsbijstand voor strafrechtzaken en is het totale bedrag dat
de overheid uitgeeft per inwoner aan rechtspraak alleen in Duitsland en Luxemburg
hoger. Deze statistieken geven niet direct een acute aanleiding om te veronderstellen
dat gebrek aan adequate rechtsbijstand in het strafproces een urgent probleem is.
Deze leden vinden het niettemin goed dat de regering een aantal keuzes heeft gemaakt
met het doel de rechtsbijstand in het strafproces en de tenuitvoerleggingsfase te
versterken. Op onderdelen zijn zij echter nog niet op voorhand overtuigd van nut en
noodzaak van enkele wijzigingen. Zij stellen nog enkele vragen over het wetsvoorstel.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden
benadrukken dat goede en toegankelijke rechtsbijstand voor verdachten in het strafproces
zeer belangrijk is voor het functioneren van de rechtsstaat. Zij maken graag van de
gelegenheid gebruik om vragen te stellen aan de regering. Zij hebben namelijk enige
zorgen over de impact van onderhavig wetsvoorstel op de doorlooptijden in de strafrechtketen.
Kan de regering daar nader op ingaan?
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het
wetsvoorstel. Deze leden hopen dat de wijzigingen positief zullen bijdragen aan de
rechtsbijstand van verdachten om zo kwetsbare deelnemers aan het rechtsproces bij
te staan. Deze leden maken van de gelegenheid gebruik enkele vragen te stellen over
het wetsvoorstel.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden zien
daarin een aantal verbeteringen van de rechtsbijstand, maar hebben daarnaast ook nog
een aantal vragen en opmerkingen.
1. Inleiding
1.1 Algemeen
De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering geen evaluatiebepaling heeft
opgenomen bij onderhavig wetsvoorstel. Gezien de impactvolle wijzigingen voor de rechtspraktijk
en samenwerking tussen het OM, de Rechtspraak en de advocatuur die met deze wetswijziging
in werking treden, lijkt het deze leden verstandig om wel een evaluatiebepaling in
de wet op te nemen. Wat is de reden dat de regering hier niet voor heeft gekozen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering het van belang acht om dit wetsvoorstel
vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering in te voeren. Tegelijkertijd
lezen deze leden dat het voor de invoering randvoorwaardelijk is dat er werkafspraken
zijn gemaakt met de ketenpartners en dat de ICT bij de ketenpartners op orde is. Kan
de regering ingaan op de tijdlijn die hierop van toepassing is? Hoe wordt voorkomen
dat hierdoor vertraging in het proces wordt opgelopen?
2. Adviezen over het wetsvoorstel
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering het wenselijk vindt dat de wijzigingen
in het wetsvoorstel nog vóór de inwerkingtreding van het nieuwe wetboek van strafvordering
moeten worden doorgevoerd. Deze leden brengen in herinnering dat de regering vooralsnog
vasthoudt aan de datum van 1 april 2029 voor inwerkingtreding van het nieuwe wetboek.
Dat achten zij niet realistisch, maar dat is een andere discussie. De voornoemde leden
wijzen erop dat zowel de politie, het OM als de Raad voor de Rechtsbijstand hebben
aangegeven dat de implementatiecapaciteit onder druk staat. Een aantal wijzigingen
in het wetsvoorstel brengt aanzienlijke veranderingen met zich mee. Zo moet een aantal
nieuwe werkprocessen worden ingericht, consultatiebijstand zal veel vaker worden verleend,
enzovoort. Over drie jaar wil de regering dat ook het hele nieuwe wetboek van strafvordering
is geïmplementeerd. Hoe realistisch is dat? Kan de regering nader motiveren waarom
de implementatiecapaciteit van de ketenpartners kennelijk van ondergeschikt belang
is ten opzichte van de versterkte rechtsbescherming die het wetsvoorstel biedt?
De leden van de VVD-fractie vragen of Slachtofferhulp Nederland is geconsulteerd over
het wetsvoorstel. In algemene zin vinden deze leden het vreemd dat een wetsvoorstel
dat tot doel heeft rechtsbijstand in het strafproces te versterken, geen enkele versterking
meebrengt voor slachtoffers. Zij vragen of de regering nader kan ingaan op deze keuze.
Waarom worden er alleen uitbreidingen voorgesteld voor verdachten van misdrijven en
niet voor slachtoffers van misdrijven? Is de regering het eens met deze leden dat
in beginsel slachtoffers (en dan specifiek minderjarige en kwetsbare slachtoffers)
ook aanspraak moeten kunnen maken op gesubsidieerde rechtsbijstand onder vergelijkbare
condities als verdachten?
De leden van de VVD-fractie constateren dat de politie erop heeft gewezen dat 40%
van de aanhoudingen plaatsvindt tussen 20:00 en 07:00 uur. Dit is precies het tijdvak
waarin de piketcentrale gesloten is. Deelt de regering de zorg dat verdachten hierdoor
structureel vaker de nacht moeten worden ingesloten omdat het nieuwe, dwingende recht
op consultatiebijstand feitelijk niet uitgeoefend kan worden? Welke concrete afspraken
liggen er inmiddels over avond- en nachtbeschikbaarheid van de piketadvocatuur en
is de wet hierop afgestemd of loopt de wetgeving vooruit op iets dat operationeel
nog niet geregeld is?
De leden van de VVD-fractie vragen wat de verwachte toename is van de werklast van
de politie. In de consultatiefase van het wetsvoorstel was er nog een andere wettekst
en toelichting voorgelegd aan de ketenorganisaties. Naar aanleiding van onder andere
de politie heeft de regering besloten het conceptwetsvoorstel zo aan te passen dat
de verwachte toename van de werklast voor de politie beperkter zal zijn. Klopt de
verwachte dubbeling van de consultatiebijstand en de verhoorbijstand in B-zaken nog
steeds? Zo nee, wat zijn dan de verwachte stijgingen? Kunnen die stijgingen nader
worden onderbouwd? Wat is de verwachte stijging van de werklast voor de politie na
het beperken van de reikwijdte voor ontboden minderjarige en kwetsbare verdachten
tot misdrijven (na het schrappen van overtredingen)?
De leden van de VVD-fractie constateren dat het OM heeft gezegd dat verplichte consultatiebijstand
en de bijstand voorafgaand aan de strafbeschikking ertoe zullen leiden dat het vaker
niet lukt om binnen de negen-uurstermijn een afdoeningsbeslissing te nemen, met als
gevolg dat meer verdachten worden heengezonden zonder afdoeningsbeslissing en langere
doorlooptijden. Onderschrijft de regering deze conclusie van het OM en is het mogelijk
een kwantitatieve inschatting te geven van hoeveel zaken hierdoor worden geraakt?
Weegt de regering het belang van kosteloze rechtsbijstand hier structureel zwaarder
dan een snelle, zichtbare afdoening van veelvoorkomende criminaliteit? Zo ja, waarom
is daar niet explicieter voor gekozen?
De leden van de CDA-fractie vragen wat de stand van zaken is van de werkprocessen
van de verschillende ketenpartners. Wat deze leden betreft, zijn duidelijke en realistische
werkafspraken essentieel voor de invoering van onderhavig wetsvoorstel. Zij vragen
hoe de regering dit op gaat pakken of inmiddels heeft opgepakt.
3. Uitbreiding van consultatiebijstand in B-zaken
3.1 Aanleiding
De leden van de CDA-fractie lezen dat de maatregelen in dit wetsvoorstel onverkort
van toepassing zijn op de situaties waarin er sprake is van een aangehouden verdachte
van wie de zaak niet volgens de ZSM-werkwijze wordt behandeld. Kan de regering nader
ingaan op de vraag welke zaken dit betreft en wat daarvan de uitvoeringsconsequenties
zijn?
3.2 Huidige situatie
De leden van de CDA-fractie lezen dat de consultatiebijstand in B-zaken op dit moment
«desgevraagd» wordt verleend. Kan de regering toelichten hoe vaak op dit moment een
beroep op deze bijstand wordt gedaan? Daarnaast vragen deze leden of er indicaties
zijn dat er een significante groep is die wel bijstand verlangt, maar daar nu niet
expliciet om vraagt.
3.3 Uitbreiding consultatiebijstand in B-zaken
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de keuze om de regeling voor
consultatiebijstand in B-zaken gelijk te trekken met die in A-zaken, zodat een verdachte
pas afstand kan doen van het recht op rechtsbijstand nadat hij door een raadsman over
de gevolgen daarvan is ingelicht. Uit de in de memorie van toelichting aangehaalde
evaluatie van de Erasmus Universiteit Rotterdam blijkt immers dat veel verdachten
die aanvankelijk afstand wilden doen, na een standaardgesprek alsnog van rechtsbijstand
gebruikmaken. Deze leden lezen in de memorie van toelichting dat de Nederlandse Orde
van Advocaten (NOvA) in dit verband heeft gewezen op de te verwachten taakverzwaring
voor piketraadslieden en heeft gesuggereerd dat de politie, net als nu, de verdachte
vraagt of hij bijstand wenst en dat antwoord meldt aan de Raad voor Rechtsbijstand,
zodat een piketraadsman meldingen kan prioriteren en onnodig lang oponthoud wordt
voorkomen. Deze leden vragen de regering of deze suggestie wordt betrokken bij de
werkafspraken die bij de implementatie worden gemaakt, en zo nee, waarom niet.
De leden van de CDA-fractie lezen dat wordt voorgesteld dat alle verdachten die worden
aangehouden in een A- of B-zaak, automatisch een raadsman te spreken krijgen. In de
huidige praktijk geldt dat automatisme alleen voor A-zaken. Deze leden vragen welke
gevolgen deze wijziging heeft voor de beschikbaarheid van raadslieden en de capaciteit
bij andere betrokken ketenpartners. Zij vragen om hoeveel extra zaken het gaat waarin
automatisch een raadsman aangewezen wordt ten opzichte van de huidige praktijk. Verwacht
de regering door deze uitbreiding vertragingen en het verder oplopen van doorlooptijden
van strafzaken?
De leden van de CDA-fractie lezen dat het wenselijk is dat bij de implementatie van
de uitbreiding van consultatiebijstand zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de bestaande
werkprocessen voor consultatiebijstand in A-zaken voor meerderjarige, niet-kwetsbare
verdachten, waarmee in de praktijk inmiddels ruime ervaring is opgedaan. Deze leden
vragen of de regering uiteen kan zetten wat deze werkwijze inhoudt en op welke manier
dit toegepast gaat worden op de zaken die nu niet onder de regeling vallen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het mogelijk is om, mits de verdachte ermee
instemt, consultatiebijstand telefonisch te laten plaatsvinden. Deze leden lezen ook
dat de regering opmerkt dat de ernst van de verdenking of de persoon van de verdachte
met zich kunnen brengen dat fysieke consultatiebijstand niettemin de voorkeur kan
hebben. Zij vragen of de regering kan aangeven in welke gevallen fysieke consultatiebijstand
dan de voorkeur heeft. Is dat wettelijk geregeld en door wie wordt dat bepaald? Daarnaast
vragen deze leden of het mogelijk is dat een verdachte na telefonische rechtsbijstand
toch rechtsbijstand verleend kan krijgen door een raadsman die fysiek naar de verdachte
in hechtenis toekomt, als hij of zij van gedachten wisselt.
De leden van de CDA-fractie begrijpen dat de consultatiebijstand in B-zaken ook van
toepassing is op de situaties waarin er sprake is van een Halt-verwijzing en een reprimandegesprek.
Kan de regering toelichten waarom dit passend wordt geacht?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de wettelijke regeling mogelijkheden
biedt om telefonisch of via videoconferentie consultatiebijstand te verlenen bij instemming
van de verdachte. Het is belangrijk dat er verstandig met de aanwezige capaciteit
wordt omgegaan, waardoor het belangrijk is hier gebruik van te maken. Deze leden achten
het van belang om waakzaam te blijven dat een snellere afhandeling niet de standaard
wordt en resulteert in onpersoonlijke ofwel efficiëntie-gedreven bijstand. Zij vragen
de regering hoe gewaarborgd kan worden dat er bewuste afwegingen worden gemaakt tussen
digitale- en fysieke ondersteuning.
3.4 Beschikbaarheid raadslieden
De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de piketcentrale
van de Raad voor Rechtsbijstand voor de politie bereikbaar is van 07:00 tot 20:00
uur, terwijl de ZSM-locaties in beginsel tot 23.00 uur geopend zijn, en dat een 's
avonds aangehouden verdachte daardoor in de regel pas de volgende dag een piketraadsman
kan spreken. Deze leden lezen in het consultatieadvies van de politie dat uit politieregistraties
blijkt dat een substantieel deel (ongeveer 40%) van de aanhoudingen juist plaatsvindt
in het tijdvak tussen 20:00 en 07:00 uur en dat het recht van de aangehouden meerderjarige
verdachte van een VH-feit (voorlopige hechtenis) op toegang tot een aangewezen advocaat
daardoor gedurende 11 van de 24 uren feitelijk niet kan worden uitgeoefend. Deze leden
vragen de regering of zij deze constatering deelt en wat het betekent voor de effectiviteit
van het recht op rechtsbijstand, zoals dat voortvloeit uit artikel 6 Europees Verdrag
voor de Rechten van de Mens (EVRM) en Richtlijn 2013/48, dat een wettelijk recht gedurende
bijna de helft van het etmaal niet kan worden gegarandeerd.
De leden van de D66-fractie vragen de regering in het verlengde daarvan nader te reflecteren
op de observatie van de politie dat dit ook zou betekenen dat «de aangehouden meerderjarige
verdachte van relatief geringe VH-feiten waar onderzoekshandelingen snel zijn voltooid
in het tijdvak na 20:00 uur de keus heeft: óf afstand doen van het recht op consultatie-
en verhoorbijstand waardoor hij verhoord en heengezonden zou worden; óf geen afstand
doen van die rechten, waardoor hij voor de nacht ingesloten zal worden en de volgende
ochtend met het oog op het te houden verhoor een aangewezen raadsman contact met hem
zal zoeken». Het Platform Bijzondere Opsporingsdiensten wijst op vergelijkbare gevolgen.
Deze leden achten het een onwenselijke uitkomst wanneer een wetsvoorstel dat de rechtsbescherming
beoogt te versterken er in de praktijk toe kan leiden dat verdachten langer van hun
vrijheid worden beroofd. Zij vragen de regering hoe zij dit risico weegt en of, en
zo ja, hoe zij zich gaat inspannen om deze situaties te voorkomen, bijvoorbeeld door
langere bereikbaarheid van de piketcentrale en naast de verkenning naar harmonisatie
van openingstijden van de piketcentrale en de ZSM-locaties.
De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering of inmiddels werkafspraken zijn
gemaakt met de NOvA over efficiencywinst en de beschikbaarheid van raadslieden. Deze
leden vragen ook aan de regering of verwacht wordt dat in de beginfase van de implementatie
van het wetsvoorstel een tekort is aan raadslieden, omdat wellicht de systemen nog
niet goed op elkaar zijn aangesloten.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering benadrukt dat de advocatuur, gelet
op de onafhankelijke positie, over de eigen beschikbaarheid gaat. Welke waarborgen
gelden hiervoor gelet op de onafhankelijke positie en op het feit dat roosters van
piketadvocaten en ZSM-locaties op elkaar afgestemd zijn en bij voorziene grootschalige
verstoringen kunnen worden opgeschaald?
4. Kosteloze consultatie- en verhoorbijstand voor ontboden minderjarige en kwetsbare
meerderjarige verdachten van een misdrijf
4.1 Aanleiding
De leden van de D66-fractie lezen dat de uitbreiding in het voorliggende voorstel,
anders dan in de consultatieversie, is beperkt tot verdenkingen wegens een misdrijf.
De Afdeling heeft bij die beperking opgemerkt dat voor vrijwel alle overtredingen
in het Nederlandse stelsel hechtenis kan worden opgelegd en dat bovendien bij het
opleggen van een geldboete of taakstraf vervangende hechtenis kan worden bevolen,
zodat ook in die gevallen niet van Richtlijn 2016/800 kan worden afgeweken. In het
nader rapport wordt gesteld dat aan minderjarigen in geval van een overtreding geen
vrijheidsbenemende straf kan worden opgelegd, onder verwijzing naar artikel 77h, eerste
lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht. Deze leden stellen vast dat in die reactie
niet wordt ingegaan op de door de Afdeling genoemde mogelijkheid van een vervangende
jeugddetentie bij een geldboete of taakstraf. De Afdeling merkt op dat de keuze voor
voornoemde beperking niet eenduidig af te leiden valt uit de consultatiereacties waarnaar
de memorie van toelichting verwijst. De onderbouwing zegt dat verplichte rechtsbijstand
niet in de weg mag staan van een snelle en laagdrempelige buitengerechtelijke afdoening,
zoals een Halt-verwijzing of een reprimande, en dat het belang van de verdachte daarmee
vaak beter is gediend. Dat onderschrijven deze leden. Het is echter de vraag of dat
een wettelijke uitsluiting in die gevallen rechtvaardigt, nu die onderbouwing vooral
opgaat voor zaken die ook echt buitengerechtelijk worden afgedaan, en niet voor minderjarige
verdachten van een overtreding die wél wordt verhoord en van wie de zaak vervolgens
met een strafbeschikking of dagvaarding wordt afgedaan. Deze leden vragen de regering
te reflecteren op de vraag of een regeling waarin per geval van het recht op rechtsbijstand
kan worden afgeweken – zoals het Hof van Justitie door de uitspraak van 5 september
2024, C-603/22 verlangt – niet beter aansluit bij zowel het EU-recht als bij het doel
om lichte zaken licht af te doen.
De leden van de SP-fractie constateren dat het automatisch en kosteloos aanwijzen
van een raadsman voor rechtsbijstand voor minderjarige en kwetsbare meerderjarige
verdachten die worden uitgenodigd voor verhoor wordt beperkt tot gevallen waarin er
een verdenking is van een misdrijf. Daardoor wordt dit recht dus niet gecreëerd voor
minderjarige en kwetsbare meerderjarige verdachten van lichtere vergrijpen zoals overtredingen.
Ook de Afdeling heeft hier vragen over gesteld. Wat zijn de redenen waarom de regering
er niet voor kiest om ook in die gevallen automatisch kosteloze rechtsbijstand te
garanderen?
De leden van de SP-fractie lezen dat de regering erop wijst dat «in geval van een
overtreding geen vrijheidsbenemende straf worden opgelegd». Toch kunnen er in dat
geval wel andere straffen op worden gelegd. Waarom is dat voor de regering geen reden
om kosteloze rechtsbijstand bij verhoren toe te laten? Bovendien geldt dit argument
niet voor kwetsbare meerderjarige verdachten. Waarom maakt de regering daar dan toch
dezelfde afweging?
4.2 Vaststelling van kwetsbaarheid verdachte
De leden van de VVD-fractie constateren dat zowel de politie als de Raad voor de rechtspraak
constateren dat het begrip «kennelijke kwetsbaarheid» in de praktijk lastig te operationaliseren
is voor opsporingsambtenaren, zeker bij niet-aangehouden verdachten waarmee geen eerder
contact is geweest. Kan de regering nader toelichten welke concrete instructies of
hulpmiddelen de politie krijgt om kwetsbaarheid tijdig vast te stellen en hoe wordt
voorkomen dat dit leidt tot uitstel van verhoren en extra capaciteitsbeslag?
De leden van de CDA-fractie vragen welke maatregelen de regering neemt om het herkennen
van kwetsbaarheid van verdachten te verbeteren voorafgaand aan het verhoor. Deze leden
vragen daarnaast op welke manier is gewaarborgd dat het afnemen van een verhoor van
een kwetsbare verdachte door een gespecialiseerde opsporingsambtenaar geschiedt.
De leden van de CDA-fractie vragen wat de (procesrechtelijke) gevolgen zijn als ten
onrechte een verdachte niet wordt herkend als kwetsbaar. Heeft de regering signalen
dat opsporingsambtenaren nu tegen obstakels aanlopen om kwetsbaarheid tijdig te kunnen
herkennen?
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering het met hen eens is dat kwetsbaarheid
als gevolg van het gebruik van verdovende middelen niet valt onder de kwetsbaarheid
zoals bedoeld in onderhavig wetsvoorstel en dus niet automatisch leidt tot kosteloze
rechtsbijstand?
4.3 Consultatiebijstand voor minderjarige en kwetsbare meerderjarige verdachten die
worden uitgenodigd om op een plaats van verhoor te verschijnen
De leden van de CDA-fractie lezen dat voor de ontboden minderjarige of kwetsbare meerderjarige
verdachte voldoende tijd beschikbaar moet zijn tussen ontvangst van de uitnodiging
voor het verhoor en het tijdstip waarop het verhoor plaatsvindt. Wat houdt «voldoende
tijd» exact in?
Daarnaast vragen deze leden waarom ervoor is gekozen om deze regeling ook van toepassing
te laten zijn op overtredingen door de aangehouden minderjarige verdachten, ondanks
de geringe ernst van het strafbare feit. Bestaat er juridische ruimte om dit alleen
te beperken tot misdrijven die een minderjarige verdachte vermoedelijk heeft gepleegd?
Is dit bijvoorbeeld een verplichting die volgt uit rechtspraak van het Europees Hof
voor de Rechten van de Mens (EHRM), of is dit een beleidsmatige keuze?
4.4 Verhoorbijstand in C-zaken
De leden van de CDA-fractie lezen dat wat betreft verhoorbijstand in C-zaken de regeling
uit 2017 wordt teruggedraaid. Kan de regering nader toelichten waarom in C-zaken sprake
moet kunnen zijn van kosteloze rechtsbijstand?
5. Afdoeningsbijstand bij de strafbeschikking
5.1 Aanleiding
De leden van de VVD-fractie merken op dat in het coalitieakkoord is afgesproken de
mogelijkheden voor afdoening door de politie uit te breiden, bijvoorbeeld door uitbreiding
van een politietransactie en/of een politiestrafbeschikking, waarbij we zorgen voor
adequate rechtsbescherming. Kan de regering toelichten wat er tot nu toe is gedaan
ter uitvoering van deze coalitieafspraak, welke bijdrage het wetsvoorstel hieraan
levert en wanneer de Kamer nader wordt geïnformeerd over de wijze waarop deze afspraak
wordt uitgevoerd?
De leden van de VVD-fractie merken op dat de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak
heeft gesteld dat minderjarigen bij de strafbeschikking een hogere drempel voor de
hoorplicht hebben dan volwassenen. Dat lijkt volgens deze leden haaks te staan op
de beschermingsgedachte van het wetsvoorstel. Waarom is hiervoor gekozen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat een strafbeschikking, wanneer deze wordt uitgevaardigd,
niet aan de strafrechter wordt voorgelegd. Om die reden acht de regering het wenselijk
de rechtsbescherming te verbeteren van verdachten van wie een zaak met een strafbeschikking
wordt afgedaan. Deze leden constateren dat het voor sommige verdachten niet altijd
direct duidelijk is dat aanvaarding van een strafbeschikking betekent dat de schuld
over het strafbare feit wordt vastgesteld, en dat dit dus ook iets betekent voor het
strafblad. Kan de regering aangeven of zij signalen heeft dat verdachten met name
vanwege de snelheid van de procedure afzien van verzet tegen een stafbeschikking,
terwijl zij niet direct weten wat de gevolgen hiervan zijn? Is de regering van mening
dat het voorstel tot het versterken van afdoeningsbijstand ook bijdraagt aan de begrijpelijkheid
van het systeem van strafbeschikkingen voor verdachten?
5.2 Introductie van een wettelijk recht op afdoeningsbijstand
De leden van de CDA-fractie lezen dat in alle regio’s de afdoeningsbijstand mogelijk
is gemaakt, maar dat het nog niet overal plaatsvindt. Kan de regering een recente
stand van zaken geven?
De leden van de SP-fractie lezen dat via dit wetsvoorstel «kosteloze afdoeningsbijstand
geïntroduceerd voor alle aangehouden verdachten van wie de zaak met een strafbeschikking
wordt afgedaan». Daarbij lijkt echter geen automatische aanwijzing van een raadsman
te worden ingevoerd, terwijl het nu wel regelmatig voorkomt dat verdachten zonder
advocaat naar een OM-afdoeningsprocedure gaan, waardoor zij een zwakkere positie hebben
bij die procedure. Waarom heeft het kabinet er niet voor gekozen om automatisch kosteloos
een raadsman voor rechtsbijstand aan te wijzen voor verdachten wiens zaak via een
strafbeschikking door het OM wordt afgedaan?
5.2.1 Kosteloos voor aangehouden verdachte
De leden van de CDA-fractie vragen waarom een aangehouden verdachte zonder raadsman,
die gebruik wil maken van het recht op bijstand bij de afdoening van zijn zaak, wél
een raadsman krijgt toegewezen. Deze leden vragen of de regering het ermee eens is
dat dit lijkt af te wijken van de regels voor de zogenoemde C-zaken. Waarom geldt
voor strafbeschikkingen een andere regeling?
5.2.2 Verdachten die zich in vrijheid bevinden
De leden van de D66-fractie onderschrijven dat juist bij de strafbeschikking extra
waarborgen op hun plaats zijn. Deze leden constateren echter dat het wetsvoorstel
het recht op kosteloze afdoeningsbijstand koppelt aan de omstandigheid dat de verdachte
op dat moment van zijn vrijheid is beroofd en niet aan de ernst of complexiteit van
de zaak of aan de zwaarte van de op te leggen sanctie. Het OM heeft er in zijn advies
op gewezen dat dit ertoe leidt dat een recht op kosteloze rechtsbijstand ontstaat
voor verdachten van betrekkelijk eenvoudige feiten die op heterdaad zijn aangehouden,
zoals winkeldiefstal en vernieling, terwijl verdachten van ernstiger of complexer
feiten, waarbij aanvullend onderzoek nodig is en die daardoor in vrijheid worden gesteld
of enkel worden ontboden, dat recht niet hebben. Deze leden lezen als reactie hierop
in de memorie van toelichting dat een dergelijk verschil niet nieuw is en dat het
wetsvoorstel op dit punt aansluit bij de bestaande systematiek van gesubsidieerde
rechtsbijstand in strafzaken. Zij vinden dat geen inhoudelijke rechtvaardiging, maar
een beschrijving van het bestaande stelsel. Daarom vragen zij de regering alsnog te
motiveren waarom vrijheidsbeneming, en niet de zwaarte van de voorgenomen afdoening,
het onderscheidende criterium behoort te zijn voor de vraag of kosteloze rechtsbijstand
wordt aangeboden.
De leden van de CDA-fractie begrijpen dat een standaardconsult kosteloos is en van
toepassing kan zijn op alle typen strafbare feiten. Deze leden vragen de regering
wat de toegevoegde waarde hiervan is ten opzichte van de juridische diensten die het
Juridisch Loket levert.
5.3 Moment waarop de afdoeningsbijstand wordt verleend
5.3.1 Inpassing in ZSM-werkwijze
De leden van de CDA-fractie lezen dat bij de afdoeningsbijstand wordt verwacht dat
de raadsman ook kennis wil nemen van de processtukken, waardoor vertraging wordt voorzien.
Hoeveel vertraging wordt hierbij verwacht en wat betekent dit voor de doorlooptijden?
5.4 Uitzondering wanneer afdoeningsbijstand niet binnen de duur van de vrijheidsbeneming
kan worden gerealiseerd
De leden van de D66-fractie lezen dat het voorgestelde artikel 257ca Sv de mogelijkheid
biedt af te zien van het onderhoud tussen verdachte en raadsman indien de daarmee
gemoeide tijd ertoe leidt dat de strafbeschikking niet binnen de duur van de vrijheidsbeneming
kan worden uitgereikt en dat deze uitzondering terughoudend dient te worden toegepast.
Deze leden lezen tevens dat de Raad voor de rechtspraak heeft gevraagd hoe deze uitzondering
zich verhoudt tot het elders in de toelichting neergelegde uitgangspunt dat het belang
van kosteloze rechtsbijstand prevaleert boven het belang om de strafbeschikking fysiek
uit te reiken. Deze leden vragen de regering dat verschil nader te duiden en aan de
hand van voorbeelden te verduidelijken in welke situaties toepassing van de uitzondering
in de rede ligt.
De leden van de D66-fractie lezen dat een afzonderlijke, gedetailleerde administratie
niet verplicht is en dat kan worden volstaan met een verbalisering in algemene bewoordingen
dat de verdachte de mogelijkheid is geboden en dat de verdachte die meent onvoldoende
in de gelegenheid te zijn gesteld verzet kan instellen. Deze leden merken op dat de
rechter die het verzet behandelt dan moet toetsen of terughoudend met de uitzondering
is omgegaan, zonder over de daarvoor benodigde gegevens te beschikken en dat het OM
in zijn advies dezelfde vraag heeft opgeworpen. Zij vragen de regering of zij bereid
is te bevorderen dat in het proces-verbaal ten minste wordt vastgelegd op welk tijdstip
de verdachte is meegedeeld dat een strafbeschikking zal worden uitgevaardigd, of hij
te kennen heeft gegeven van het recht op afdoeningsbijstand gebruik te willen maken
en of dat onderhoud heeft plaatsgevonden, zodat de rechter in verzet daadwerkelijk
kan toetsen zonder dat een uitgebreide administratie hoeft te worden gevoerd, conform
de ingebrachte punten van het OM.
De leden van de CDA-fractie vragen wat de uitvoeringsconsequenties zijn als de nieuwe
regelgeving ertoe zal leiden dat de strafbeschikking aan de verdachte na invrijheidsstelling
pas zal kunnen worden toegestuurd, in plaats van dat deze tegen het einde van het
ophouden voor het onderzoek fysiek aan de verdachte wordt uitgereikt. Kan de regering
daarnaast ingaan op wat wordt bedoeld met dat de zaken hierdoor door het OM worden
geprioriteerd?
De leden van de CDA-fractie lezen dat in uitzonderlijke situaties, op grond van artikel
257ca Sv, wordt afgezien van onderhoud tussen de verdachte en diens raadsman voorafgaand
aan het uitvaardigen van de strafbeschikking. Kan de regering nader ingaan op de vraag
om wat voor uitzonderlijke situaties het in dergelijke gevallen gaat?
6. Kosteloos gesprek met een raadsman voor niet-aangehoudenverdachten
De leden van de D66-fractie lezen dat de verdachte in de strafbeschikking zelf op
de mogelijkheid van het standaardconsult wordt gewezen. Juist omdat het hier gaat
om mensen die de strafbeschikking niet altijd zullen begrijpen, vragen deze leden
hoe wordt geborgd dat deze mededeling begrijpelijk is.
De leden van de D66-fractie lezen dat de Raad voor Rechtsbijstand heeft gewezen op
het bewerkelijke declaratieproces voor het standaardconsult, dat veel administratieve
handelingen vergt van zowel de Raad voor de Rechtsbijstand als de advocatuur en dat
bij de implementatie zal worden bezien of dit minder bewerkelijk kan worden ingericht.
Deze leden vragen de regering wanneer daarover duidelijkheid bestaat.
De leden van de CDA-fractie vragen waarom de regering ervoor heeft gekozen om ook
een kosteloos gesprek mogelijk te maken met een raadsman voor niet-aangehouden verdachten
van overtredingen.
7. Aanpassingen in verband met de omzetting van Richtlijn 2016/800
7.1 Aanwijzing raadsman voor minderjarige verdachte tijdens de berechting
De leden van de VVD-fractie zien dat het arrest C-603/22 zag op de opsporingsfase
in een Poolse zaak. Nederland trekt de daarin geformuleerde lijn (geen categorische
uitsluiting) door naar de berechtingsfase bij overtredingen van minderjarigen, waar
naar Nederlands recht sowieso geen gevangenisstraf kan worden opgelegd. Kan de regering
motiveren waarom niet is gekozen voor een individuele beoordeling per geval, wat immers
de letterlijke lijn van het arrest lijkt te zijn, in plaats van een algemene «altijd
een raadsman»-regel? Is de regering bekend met het implementatierapport van de Europese
Commissie (COM(2024) 489), waaruit blijkt dat een meerderheid van de lidstaten de
evenredigheidsuitzondering juist ruimer toepast dan het Hof nu eist? Heeft de regering
in kaart gebracht hoe andere lidstaten, in het bijzonder landen met een vergelijkbare
«overtreding»-categorie, hiermee omgaan? Waarom kiest Nederland hier voor de meest
ruimhartige interpretatie, met alle gevolgen voor de doorlooptijden in de strafrechtketen
van dien?
8. Verantwoordelijkheid voor ambtshalve aanwijzing van een raadsman na de piketfase
De leden van de VVD-fractie lezen in de beslisnota bij het wetsvoorstel dat in de
versie die aan de Afdeling is voorgelegd, in de memorie van toelichting werd beschreven
hoe de last tot aanwijzing van een advocaat in de praktijk werkt. Deze teksten zijn
geschrapt, omdat het advies aanleiding kan geven om dit proces op een andere manier
in te richten. Kan nader worden toegelicht waarom hiertoe is besloten? Waarom kan
een passage over de werkwijze van een last tot aanwijzing van een advocaat niet in
de memorie van toelichting staan? Deze leden vragen hoe dit straks alsnog in de wet
wordt vastgelegd en ook hoe de praktijk tot die tijd zonder een in de wetsgeschiedenis
vastgelegde werkwijze blijft functioneren in deze gevallen.
9. Delegatiegrondslag Wet op de rechtsbijstand
De leden van de VVD-fractie merken op dat de regering voorstelt bij algemene maatregel
van bestuur (AMvB) voortaan tijdelijk te kunnen voorzien in een regeling voor kosteloze
rechtsbijstand, zonder dat daarvoor iedere keer een volledige wetgevingsprocedure
hoeft te worden doorlopen. Deze leden vragen naar een uitputtend overzicht van alle
organisaties die de afgelopen jaren hebben aangegeven deze dringende noodzaak te zien.
In welke gevallen acht de regering het noodzakelijk niet alleen de financiële draagkracht
van de rechtzoekenden buiten beschouwing te laten?
10. Financiële- en uitvoeringsconsequenties
De leden van de D66-fractie lezen dat de Raad voor Rechtsbijstand in zijn advies heeft
aangegeven dat de Raad, gelet op de benodigde systeemaanpassingen, nog geen inschatting
kan maken van de impact en de kosten van het wetsvoorstel voor de rechtsbijstand,
dat zij de raming missen van het totale aantal zaken van ontboden minderjarige verdachten
in C-zaken, en dat uit de kostenberekening in de memorie van toelichting niet blijkt
of naast de programmakosten ook de uitvoeringskosten zijn meegenomen. Deze leden vragen
de regering op elk van deze drie punten in te gaan en de Kamer de geactualiseerde
ramingen te doen toekomen.
De leden van de D66-fractie vragen, gelet op de opmerking van de Raad voor Rechtsbijstand
dat het aantrekken van nieuwe capaciteit gelet op de krapte op de arbeidsmarkt mogelijk
niet slaagt, hoe de regering de personele uitvoerbaarheid van dit wetsvoorstel beoordeelt
in samenhang met de bredere opgave rond de sociale advocatuur en hoe dit wetsvoorstel
zich verhoudt tot de in het coalitieakkoord opgenomen investering in de sociale advocatuur
en tot de opvolging van de aanbevelingen van de commissie-Van der Meer II.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Raad voor Rechtsbijstand heeft aangegeven
dat zij, mede door de lopende Vervanging applicatielandschap Wet op Rechtsbijstand,
nog geen volledig beeld heeft van de structurele uitvoeringskosten en daarom een inschatting
mist van het aantal zaken van ontboden minderjarigen in C-zaken. Is er inmiddels een
vollediger kostenbeeld en is de gereserveerde structurele dekking (€ 12 miljoen ZSM-budget,
plus de aparte bedragen van € 3 miljoen, € 800.000 en € 5,6 miljoen) toereikend gebleken,
of is een actuelere raming nodig voordat de wet in werking treedt?
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan toelichten hoe de financiële
dekking van onderhavig wetsvoorstel is ingeregeld in de begroting van het Ministerie
van Justitie en Veiligheid over het jaar 2027.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering om toe te lichten of er voldoende advocaten
beschikbaar zullen zijn voor de groep verdachten die op grond van onderhavige wetsvoorstel
in aanmerking komen voor kosteloze rechtsbijstand. Wat betekent onderhavig wetsvoorstel
voor de werkdruk bij het OM en de advocatuur?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat er voldoende capaciteit is voor de
uitbreiding van de rechtsbijstand. Er wordt echter door het OM, de politie en de Raad
voor Rechtsbijstand gesproken over krapte. Bij het uitbreiden van deze bijstand is
het cruciaal dat deze wetsverankering financierbaar maar ook uitvoerbaar is. Daarom
vragen deze leden waarop de uitspraak «Er blijken voldoende advocaten beschikbaar
te zijn» is gebaseerd, gezien de verwachte toename als gevolg van deze wijzigingen.
Kan de regering duidelijkheid geven over hoe de hoeveelheid piketadvocaten zich heeft
ontwikkeld en wat de verwachtingen zijn over deze ontwikkeling als gevolg van deze
wijzigingen?
II. Artikelsgewijze toelichting
Onderdeel D
De leden van de VVD-fractie constateren dat de verantwoordelijkheidsverdeling wordt
teruggedraaid naar de situatie zoals die gold voor 2017, zodat het wederom de taak
is van (de voorzitter van) het gerecht om een last tot aanwijzing van een raadsman
aan de Raad voor de Rechtsbijstand te geven in gevallen waarin niet blijkt dat de
verdachte een raadsman heeft. De vraag óf, en zo ja, hoe de Raad voor de Rechtsbijstand
daadwerkelijk bevoegd is buiten de piketfase te dwingen, wordt echter niet beantwoord.
Dat vinden deze leden een gemiste kans. Waarom wordt er pas begin 2027 een «voorkeursoptie»
verwacht en met het oog daarop artikel 40 Sv waarschijnlijk nogmaals gewijzigd? Erkent
de regering dat met het wetsvoorstel de onduidelijkheden die in de praktijk worden
geconstateerd niet worden opgelost? Erkent de regering dat de stijgende aantallen
verzoeken op grond van artikel 13 Advocatenwet (557 verzoeken in 2024, waarvan slechts
een kwart wordt gehonoreerd) nopen tot snel handelen?
De leden van de VVD-fractie betreuren dat het «draaiboek impactvolle zaken» nog altijd
niet is gepubliceerd, zodat de inhoud niet kenbaar en toetsbaar is. Kan de regering
alsnog het vastgestelde draaiboek (of als dat echt niet kan een samenvatting) met
de Kamer delen? Hoe verhoudt het draaiboek zich tot de ambtshalve aanwijzing zoals
die in het gewijzigde artikel 40 Sv wordt geregeld? Kan de regering in overleg met
de NOvA hier duidelijkheid over verschaffen?
Onderdeel F
De leden van de VVD-fractie merken op dat het OM heeft gesteld dat artikelen 257ca
en 257cb niet eenvoudig te doorgronden zijn en dat begrippen als «ZSM-werkwijze» en
«afdoeningsbijstand» geen wettelijke termen zijn. Kan de regering hierop reflecteren?
De voorzitter van de commissie, Eerdmans
Adjunct-griffier van de commissie, Nouse
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
L.L. Nouse, adjunct-griffier