Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Nobel over het bericht dat een huurder met twee koopappartementen in een sociale huurwoning mag blijven
Vragen van het lid Nobel (VVD) aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over het bericht dat een huurder met twee koopappartementen in een sociale huurwoning mag blijven (ingezonden 15 juli 2026).
Antwoord van Minister Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening)
(ontvangen 22 september 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026,
nr. 2966.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Rechter zet streep door ontruiming: man met twee koopappartementen
mag in sociale huurwoning blijven»?1
Antwoord 1
Ja, ik ben hier mee bekend.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u deze situatie waarin een huurder die eigenaar is van twee koopappartementen
toch in zijn sociale huurwoning kan blijven wonen, terwijl honderdduizenden woningzoekenden
jarenlang niet aanmerking komen voor een (sociale huur-) woning?
Antwoord 2
Hoewel het op grond van de geldende regelgeving niet verboden is om een sociale huurwoning
van een woningcorporatie te huren en tegelijkertijd een koopwoning in eigendom te
hebben, vind ik deze situatie onwenselijk.
Vraag 3
In hoeverre deelt u de opvatting dat sociale huurwoningen in de eerste plaats bedoeld
zijn voor huishoudens die (financieel) niet in staat zijn zelfstandig in hun huisvesting
te voorzien en dat het onwenselijk is dat personen met een substantieel vermogen een
sociale huurwoning bezet houden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Het kabinet hecht aan een doelmatige en rechtvaardige inzet van de sociale woningvoorraad.
Sociale huurwoningen van corporaties vormen een schaars goed en zijn in de eerste
plaats bedoeld voor huishoudens die vanwege hun financiële positie niet of nauwelijks
terechtkunnen op de koopmarkt of in de midden en vrije huursector. Juist voor mensen
met een kleine portemonnee bieden woningcorporaties een betaalbare en passende woning.
In een tijd waarin de druk op de sociale huursector groot blijft en veel woningzoekenden
langdurig moeten wachten op een huis, is het van belang dat deze woningen beschikbaar
zijn voor degenen die daarop het meest zijn aangewezen. Daarom heb ik op 21 september
2026 een brief aan uw Kamer verstuurd waarin ik de twee maatregelen uit het coalitieakkoord
heb uitgewerkt om scheefhuren tegen te gaan.
Vraag 4
Weet u hoeveel sociale huurwoningen worden bewoond door mensen die daarnaast eigenaar
zijn van één of meerdere woningen of beschikken over vermogen dat ruim boven de nog
in te voeren vermogensgrens ligt? Zo ja, hoe veel woningen zijn dit? Zo niet, bent
u bereid dit in kaart te brengen?
Antwoord 4
Gegevens uit de CBS Woonbase, laten zien dat de meerderheid van de huishoudens die
een sociale huurwoning van een woningcorporatie bewonen slechts een beperkt vermogen
heeft: 61% beschikt over een vermogen van € 10.000 of minder. Ongeveer 24.000 (1%)
huishoudens in een sociale huurwoning van een corporatie hebben een vermogen van boven
de € 200.000. Voor verdere context en cijfers verwijs ik u naar de Kamerbrief. Een
onderzoek van het CPB laat zien dat circa 12 duizend corporatiehuurders (incl. midden-
en vrije huur) één of meer eigen woningen bezitten. Wanneer we enkel kijken naar de
sociale huurwoningen van corporaties zien we bijna 11.000 huurders die tevens woningeigenaar
zijn, ongeveer een 0,5% van alle huurders in een sociale huurwoning van een corporatie.
Soms zijn mensen tijdelijk (mede-)eigenaar van een woning: bijvoorbeeld kort na een
scheiding, bij doorstroom naar koop of na een erfenis. In andere gevallen lijkt er
sprake te zijn van langdurig woningbezit.
Vraag 5
Klopt het dat woningcorporaties in dergelijke gevallen op dit moment slechts beperkt
mogelijkheden hebben om een huurovereenkomst te beëindigen? Hoe beoordeelt u deze
situatie?
Antwoord 5
Woningcorporaties beschikken over juridische mogelijkheden om op te treden tegen huurders
die bijvoorbeeld niet in de woning wonen, illegaal onderverhuren of andere huurvoorwaarden
schenden. Ook beëindiging van de huurovereenkomst wegens «dringend eigen gebruik»
kan in bepaalde situaties mogelijk zijn, zoals blijkt uit recente uitspraken waarbij
Ymere betrokken was. Tegelijkertijd laat jurisprudentie, waaronder een zaak van Woningstichting
Naarden, zien dat aan deze mogelijkheid grenzen zijn.
Het huurder-eigenaarschap is in beginsel ongewenst, omdat daarmee schaarse sociale
huurwoningen niet beschikbaar komen voor huishoudens die daarop zijn aangewezen. Dit
betekent echter niet dat woningbezit zonder meer tot verlies van de huurwoning moet
leiden. Er kunnen situaties zijn waarin het toch niet wenselijk is om een huurcontract
te beëindigen. Een algemene beëindigingsgrond zou een te vergaande maatregel zijn.
In plaats daarvan zet ik in op het actief benutten van de bestaande juridische mogelijkheden
om op te treden wanneer een huurder over passende alternatieve huisvesting beschikt.
Gelet op de bestaande mogelijkheden en de recente jurisprudentie ligt het op dit moment
meer voor de hand deze instrumenten actief te benutten, dan aanvullende wettelijke
normen te stellen. De juridische ontwikkelingen op dit gebied zal ik de komende tijd
nauw volgen.
De voorgestelde maatregelen zijn vooral gericht op een eerlijke toewijzing van sociale
huurwoningen aan mensen die deze het hardst nodig hebben en op het stimuleren van
doorstroming. Bestaande juridische mogelijkheden, zoals een beroep op «dringend eigen
gebruik», moeten daarom eerst actief worden benut. Ook wordt gekeken naar betere beschikbaarheid
van gegevens over woningbezit, waarbij gegevensdeling alleen mogelijk is als daarvoor
een wettelijke grondslag bestaat en deze uitvoerbaar en proportioneel is. Voor meer
toelichting verwijs ik u naar de Kamerbrief.
Vraag 6
Wat is de stand van zaken van de in het coalitieakkoord aangekondigde invoering van
de eenmalige vermogenstoets en de jaarlijkse inkomenstoets bij sociale huurwoningen?
Indien sprake is van vertraging, wat is daarvan de oorzaak?
Antwoord 6
Ik heb op 21 september 2026 een Kamerbrief verstuurd met de voorgenomen maatregelen
omtrent scheefhuren. Mijn doel is begin 2027 in internetconsultatie te gaan met het
wetsvoorstel waarin de twee coalitieakkoordmaatregelen tegen scheefhuren zijn uitgewerkt.
Vraag 7
Bent u bereid in de toekomst een herhaaldelijke vermogenstoets te verkennen voor sociale
huurders die na intrekking in de woning aanzienlijk vermogen opbouwen? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 7
Ik heb op verzoek van uw Kamer ook de mogelijkheden voor een vermogensafhankelijke
huurverhoging verkend. Voor meer informatie verwijs ik u naar de eerder genoemde Kamerbrief.
In het vervolgproces zal, met uw Kamer, moeten worden gewogen hoe de (uitvoerings)kosten
zich verhouden tot de baten. Daarbij is een mogelijkheid, in aanvulling op een eventuele
vermogenstoets bij de toewijzing van sociale huurwoningen, jaarlijks getoetst of het
vermogen van zittende huurders aanleiding geeft tot een hogere huurverhoging. De systematiek
kan worden vormgegeven zoals de inkomensafhankelijke huurverhoging (IAH) en, net als
de IAH, in beginsel beschikbaar worden gesteld voor alle verhuurders in het lage segment
en alleen verplicht worden gesteld voor woningcorporaties.
Vraag 8
Bent u bereid te bezien of woningcorporaties een expliciete wettelijke grondslag kunnen
krijgen om de huur te beëindigen indien een huurder beschikt over voldoende vermogen
en daarmee redelijkerwijs zelf in zijn huisvesting kan voorzien?
Antwoord 8
Nee, ik ben niet bereid een algemene wettelijke grond te creëren waarmee een woningcorporatie
de huurovereenkomst kan beëindigen enkel omdat een huurder over voldoende vermogen
beschikt om zelf in zijn huisvesting te voorzien. Daar komt bij dat vermogen niet
automatisch betekent dat iemand daadwerkelijk passende alternatieve huisvesting kan
vinden. De Nederlandse woningmarkt kent grote schaarste: niet alleen sociale huurwoningen
zijn moeilijk beschikbaar, maar ook een vrije-sectorhuurwoning of koopwoning is niet
makkelijk te vinden. Het bezitten van een flink vermogen is een aanleiding om doorstroming
te stimuleren of een grotere bijdrage te vragen, maar zou op zichzelf geen grond moeten
zijn om iemand zijn woning te ontnemen.
Vraag 9
Welke andere maatregelen acht u noodzakelijk om ervoor te zorgen dat sociale huurwoningen
daadwerkelijk beschikbaar blijven voor huishoudens die daarop zijn aangewezen en niet
worden bezet door mensen die over aanzienlijke vermogens beschikken?
Antwoord 9
Ik verwijs u hiervoor opnieuw naar de Kamerbrief. Ik ben voornemens om twee maatregelen
omtrent scheefhuren in te voeren: de verplichte inkomensafhankelijke huurverhoging
(IAH) en de vermogenstoets bij woningtoewijzing. Met deze maatregelen wordt beoogd
de schaarse sociale voorraad huurwoningen beschikbaar te houden voor huishoudens die
deze ondersteuning het meeste nodig hebben. Met uw Kamer en de woningcorporatiesector
bespreek ik de mogelijkheden met betrekking tot de jaarlijkse vermogenstoets en de
toets op woningbezit.
Vraag 10
Bent u bereid de Kamer vóór de begrotingsbehandeling Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening te informeren over de voortgang van de invoering van de vermogenstoets en
andere maatregelen om scheefwonen effectiever tegen te gaan?
Antwoord 10
Ja, zie hiervoor de eerder genoemde Kamerbrief (verstuurd op 21 september 2026).
Vraag 11
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Antwoord 11
Ja.
Ondertekenaars
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening