Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Ten Hove over antwoorden op vragen inzake het bericht dat de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg veel minder effectief is dan jarenlang werd aangenomen
Vragen van het lid Ten Hove (Groep Markuszower) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over antwoorden op vragen inzake het bericht dat de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg veel minder effectief is dan jarenlang werd aangenomen (ingezonden 2 juli 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 21 september
2026).
Vraag 1
Kunt u aangeven op basis van welke concrete, meetbare indicatoren u de POH-GGZ dan
wél als succesvol beschouwt? En op welk moment zou u wél tot herziening overgaan?1
Antwoord 1
Het is een te smalle blik om alleen naar de instroom in de basis en specialistische
GGZ te kijken als indicator. Ik beschouw de inzet van de POH-GGZ als waardevol voor
de ondersteuning van huisartsen, het creëren van voldoende toegankelijk zorgaanbod,
het bieden van laagdrempelige zorg, voor de verlichting van wachttijden, en bij de
samenwerking tussen eerstelijnszorg en het sociaal domein. Huisartsen geven aan dat
de inzet van de POH-GGZ hen ontlast. De inzet van de POH-GGZ is in het Integraal Zorgakkoord
(IZA) recent juist verhoogd om genoemde redenen, om bij te dragen aan toegankelijke
eerstelijnszorg en betere samenwerking tussen zorg en sociaal domein.
Vraag 2
Kunt u toelichten hoe uw constatering dat de POH-GGZ heeft bijgedragen aan «het creëren
van meer behandelaanbod» en dat dit een beleidsdoel was, zich verhoudt tot uw stelling
dat uit de toename van circa 500.000 gebruikers zonder afname van het aantal patiënten
in de basis- en specialistische ggz niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat
een nieuwe groep zorggebruikers is ontstaan? Betekent dit dat u bewust heeft ingezet
op het vergroten van de zorgvraag (induced demand)? Zo ja, op basis van welk wetenschappelijk
bewijs acht u dat medisch en maatschappelijk verantwoord? Zo nee, hoe verklaart u
dan de sterke toename van het aantal gebruikers zonder afname van het aantal patiënten
in de basis- en specialistische ggz?
Antwoord 2
Er is niet bewust ingezet op het vergroten van de zorgvraag. Met het vergroten van
het behandelaanbod is er altijd een risico dat de zorgvraag groeit als neveneffect.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, moet groei van het gebruik van de POH-GGZ
niet alleen worden bezien in de context van de basis en specialistische GGZ, maar
ook als antwoord op de toenemende zorgvraag in de huisartsenpraktijk.
Vraag 3
Waarom weegt u cross-sectioneel praktijkonderzoek zwaarder dan longitudinale populatie-data?
Welk type bewijs zou volgens u doorslaggevend zijn om de uitbreiding terug te draaien?
Antwoord 3
De inzet van de POH-GGZ moet zoals aangegeven niet alleen worden bezien in de context
van zorg in de GGZ, maar juist ook als uitbreiding van de capaciteit in de eerstelijnszorg,
waardoor de POH-GGZ de huisarts ontlast. Het genoemde onderzoek is waardevol, maar
kent ook beperkingen. Zo wordt de POH-GGZ inmiddels breder ingezet dan oorspronkelijk
omschreven in de beleidsdoelstellingen. Bovendien is de rol van de POH-GGZ sinds de
onderzoeksperiode verder ontwikkeld. De uitbreiding terugdraaien zonder deze vernieuwde
context mee te nemen zou hieraan tekort doen. Het Ministerie van VWS gaat de komende
tijd met betrokken partijen in gesprek om de huidige rol en inzet van de POH-GGZ te
bespreken, mede in het licht van de uitkomsten van het genoemde onderzoek.
Vraag 4
Waarom acht u een onafhankelijke, integrale kosten-batenanalyse (inclusief alternatieve
inzet van die middelen in specialistische GGZ) op dit moment «niet aan de orde»? Welke
minimale bewijslast hanteert u eigenlijk voordat honderden miljoenen euro’s per jaar
als verantwoord worden beschouwd?
Antwoord 4
Zoals geschetst ziet het kabinet een brede rol en meerwaarde van de POH-GGZ. Op verzoek
van partijen uit de huisartsenzorg en ggz is in het IZA beleid ingezet om de rol van
de POH-GGZ te verbreden en versterken, met eerdergenoemde redenen. Dit beleid wordt
gemonitord, maar er is op dit moment geen aanleiding om de gemaakte afspraken terug
te draaien.
Vraag 5
Bestaat er volgens u eigenlijk enig empirisch scenario waarin u de grootschalige inzet
van POH-GGZ wél zou terugschroeven?
Antwoord 5
Zoals aangegeven ziet het kabinet op dit moment geen aanleiding om de in het IZA afgesproken
inzet van de POH GGZ terug te schroeven. Mocht de monitoring van de gemaakte afspraken
of het gesprek met de sector dat het Ministerie van VWS in het licht van het recente
onderzoek zal voeren daar reden voor geven, dan zal het kabinet daar uiteraard passende
vervolgstappen in zetten.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport