Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Van Asten en Huidekooper over het bericht "Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal"
Vragen van de leden Van Asten en Huidekooper (beiden D66) aan de Ministers van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en van Klimaat en Groene Groei over het bericht «Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal» (ingezonden 15 juli 2026).
Antwoord van Minister Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening),
mede namens de Minister van Klimaat en Groene Groei (ontvangen 18 september 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig
bouwmateriaal»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Herkent u het in het bericht geschetste beeld dat een aanzienlijk deel van de bij
sloop en renovatie vrijkomende bouwproducten en bouwmaterialen nog niet opnieuw als
volwaardig bouwproduct of bouwmateriaal wordt toegepast? Welke gegevens zijn hierover
bij het Rijk beschikbaar?
Antwoord 2
Dit beeld herken ik. De gegevens over onder meer hergebruik zijn te vinden in het
Materiaalstromen-onderzoek2 in de bouw, dat ik samen met de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) periodiek
laat uitvoeren om inzicht te hebben in hoe de materiaalstromen in de bouw – de woning-
en utiliteitsbouw en de infra – zich ontwikkelen. Wat betreft hergebruik geeft het
onderzoek over het jaar 2023 aan dat 12% van de totale materiaalstroom in de B&U bestaat
uit zgn. secundaire materialen: hergebruikte materialen na (circulaire) sloop. Het
onderzoek geeft ook aan dat in theoretische potentie dit ongeveer 19% in 2023 had
kunnen zijn, en wanneer dit wordt doorgetrokken naar 2030 zou 24% van de gevraagde
materialen in de B&U op te vangen zijn door vrijkomend materiaal uit sloop en herstel
en verbouw of renovatie. Wanneer er wordt gekeken naar de gehele bouw (woningbouw,
utiliteitsbouw en infra) zou dit potentieel 40% kunnen zijn3.
Het «opnieuw toepassen als volwaardig bouwproduct of bouwmateriaal» – het zgn. hergebruik
– is daarom een van de speerpunten van mijn beleid om te komen tot een circulaire
bouweconomie, mede ter uitvoering van het Nationaal Programma Circulaire Economie
(NPCE) onder coördinatie van de Minister van KGG. Onder coördinatie van het Ministerie
van BZK voeren sinds februari dit jaar diverse marktpartijen de «Aanpak Circulair
Slopen en Hergebruik (ACSH of kortweg de Aanpak)»4 uit om te komen tot een standaard werkwijze van circulair slopen om vervolgens die
vrijgekomen bouwmaterialen en producten her te gebruiken in de woning- en utiliteitsbouw
(de zgn. B&U) bij nieuwbouw, renovatie en onderhoud.
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat beter inzicht in vrijkomende materiaalstromen nodig is om
gericht beleid te kunnen voeren op meer hergebruik en hoogwaardige recycling?
Antwoord 3
Ja, en meer inzicht bereik ik door monitoring van de uitvoering van de «Aanpak Circulair
Slopen en Hergebruik (ACSH)». Deze monitoring ziet onder meer toe op het aandeel vrijkomende
materialen in de bouw en dat wordt hergebruikt in de B&U, inclusief het niveau van
hergebruik: hoog- of laagwaardig. Via de maatregelen stimulering van onder meer hergebruik
en recycling via Rijksinkoop stimuleer ik samen met de Minister van KGG dat Rijkswaterstaat,
ProRail en Rijksvastgoedbedrijf inzichtelijk maken in hoeverre zij toe kunnen werken
naar percentages hergebruik en recycling.
Vraag 4
In de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik is aangekondigd dat er wordt gewerkt aan
landelijke monitoring van circulair slopen en hergebruik. Kunt u aangeven hoe deze
monitoring ervoor staat en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Antwoord 4
De monitoring voor de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik (ACSH) is in ontwikkeling.
De scope is inmiddels vastgesteld: deze omvat zowel de voortgang van de uitvoering
van de aanpak als een inhoudelijke en kwantitatieve monitoring op nationaal niveau,
bijvoorbeeld over het totale volume sloopmateriaal in Nederland. De eerste resultaten
van deze monitoring worden verwacht in het tweede kwartaal van 2027.
Vraag 5
Koplopers in de bouwsector geven aan dat hergebruikte materialen in de huidige Milieuprestatie
Gebouwen (MPG) soms ongunstiger scoren dan nieuwe materialen door een gebrek aan gestandaardiseerde
data. Ziet u mogelijkheden om deze systematiek op korte termijn te optimaliseren,
zodat hergebruik eerlijk wordt gewaardeerd?
Antwoord 5
Dit punt krijgt aandacht in het lopende onderzoek naar module D en de whole-life carbon global warming potential (wlc-gwp). De resultaten van dit onderzoek verwacht ik dit jaar aan uw Kamer aan
te bieden. Op basis van de conclusies hieruit zal ik een voorstel doen voor verdere
beleidsmatige opvolging.
Vraag 6
In dezelfde aanpak wordt gewerkt aan een baseline en meetbare ambities voor circulair
slopen en hergebruik. Wanneer verwacht u deze vast te kunnen stellen en op welke manier
wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Antwoord 6
In 2026, het eerste uitvoeringsjaar van de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik,
worden specifieke indicatoren voor 2030 vastgesteld. Deze indicatoren, gebaseerd op
praktijkervaringen en het Materiaalstromen-onderzoek, zullen worden gebruikt voor
monitoring. Een voorbeeld hiervan is een indicator voor het percentage secundair materiaal
dat na circulaire sloop daadwerkelijk wordt hergebruikt.
De Minister van KGG zal in het eerste kwartaal van 2027 de Integrale Circulaire Economie
Rapportage (ICER) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) aan de Tweede Kamer
aanbieden. Bij die gelegenheid zal ik ook de voortgang van de uitvoering van de Aanpak
Circulair Slopen en Hergebruik (ACSH) melden, waaronder de ontwikkelingen rondom de
monitoring.
Vraag 7
Welke belemmeringen voor meer hergebruik van bouwproducten en bouwmaterialen ziet
u op dit moment als het meest urgent, bijvoorbeeld op het gebied van certificering,
kwaliteitsborging, garanties en de waardering van hergebruik in de milieuprestatieberekening?
Antwoord 7
Na consultatie van marktpartijen en analyse van de hele keten van sloop, logistiek
en toepassing van hergebruik van het materiaal is tot een prioritering (een «top 10»)
van belemmeringen gekomen die actie behoeven. De prioritering is zo gekozen dat met
de uitvoering van de ACSH impact en resultaat wordt behaald op die plekken in de keten
waar dit het meest nodig is, waarbij ook de beschikbare middelen voor de uitvoering
is meegewogen. Een van de geprioriteerde belemmeringen die actie behoeft betreft de
kwaliteitsborging (garanties) van secundaire materialen die zijn vrijgekomen na (circulaire)
sloop.
Vraag 8
Welke mogelijkheden ziet u om de komende jaren meer zekerheid te creëren voor opdrachtgevers
en bouwers die gebruik willen maken van hergebruikte bouwproducten en materialen?
Antwoord 8
De actie zoals genoemd in antwoord 7 over kwaliteitsborging (garanties) van secundaire
materialen die zijn vrijgekomen na (circulaire) sloop geeft meer zekerheid aan opdrachtgevers
over het hergebruik van bouwproducten en materialen. Daarnaast zijn er acties geprioriteerd
in de ACSH specifiek gericht op opdrachtgevers om een handelingsperspectief te ontwikkelen
waardoor ze circulair slopen en hergebruik beter kunnen implementeren in hun werkpraktijk,
zoals het standaardiseren van aanbestedingsteksten. Deze acties bouwen voort op wat
er in de praktijk bij RWS5 en het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) gebeurt en van wordt geleerd. Zo geeft het RVB
met de Routekaart Verduurzamen6 aan welke strategie, (aanbestedings-)eisen en maatregelen toegepast kunnen en/of
moeten worden als het gaat om (Rijks-)vastgoed, bijvoorbeeld het dak isoleren (met
isolatiewaarde conform energieprestatie) met een hergebruikt isolatiemateriaal.
Ook de trajecten Noord-Holland Noord7 en de Circulaire Geveleconomie8 zijn goede en navolgbare voorbeelden van hoe meer zekerheid bieden aan opdrachtgevers
ten aanzien van hergebruik van bouwproducten en materialen.
Verder blijven Rijkswaterstaat, ProRail en het Rijksvastgoedbedrijf met de eerder
beschikbaar gemaakte middelen werken aan de stimulering van onder meer hergebruik
en recyclaat. In de reeds geactualiseerde roadmaps van de Strategie Klimaatneutrale
en Circulaire Infra (KCI) zijn door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat samen
met mede-overheden afspraken gemaakt over hergebruik van bouwproducten en materialen9. De vraag naar hergebruikte bouwproducten en materialen in de grond-, weg- en waterbouwsector
wordt tevens gestimuleerd door het wetsvoorstel Milieuprestatie-eisen GWW, dat reeds
door de Minister van KGG aan uw Kamer is aangeboden10.
Vraag 9
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bij grotere sloop- en renovatieprojecten vaker
vooraf in kaart te brengen welke bouwproducten en materialen geschikt zijn voor hergebruik?
Welke rol kan het Rijk spelen om dit verder te stimuleren?
Antwoord 9
Dit is zeker een goede optie en o.a. het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) doet dit al aan
de hand van de zgn. Materiaalpotentiescan11. Een materiaalpotentiescan is een rapportage die inzicht geeft in welke vrijkomende
materialen (bij diverse vormen van vastgoedingrepen) hoogwaardig kunnen worden hergebruikt.
Hierdoor kunnen de vrijkomende bouwproducten en bouwmaterialen circulair worden ingezet.
Het vooraf in kaart brengen is ook een belangrijk aspect van de onder de Aanpak ontwikkelde
BBW – Best Beschikbare Werkwijzen voor circulaire sloop12. Als een van de acties van de uitvoering van de Aanpak wordt daarnaast gekeken wat
het Rijk hierin kan doen om dit te stimuleren met wet- en regelgeving.
Vraag 10
Deelt u de opvatting dat een grotere beschikbaarheid van herbruikbare materialen ook
voldoende vraag naar deze materialen vereist? Welke mogelijkheden ziet u voor het
Rijk en andere publieke opdrachtgevers om die vraag verder te vergroten?
Antwoord 10
Die opvatting deel ik. Publieke opdrachtgevers kunnen vanuit hun rol als inkoper bijdragen
aan het creëren van vraag naar hergebruikte en gerecyclede materialen, onder meer
circulariteit mee te nemen in aanbestedingen en bij de keuze voor materialen. Het
traject voor Circulaire Rijksinkoop (door Rijksvastgoedbedrijf, Rijkswaterstaat en
ProRail) is onder meer bedoeld om de vraag naar herbruikbare materialen te vergroten.
Het RVB neemt circulariteit mee bij alle vastgoedbeslissingen. In elk project stelt
het RVB circulariteitseisen zodat hergebruik wordt gestimuleerd. Via het traject van
Circulaire Inkoop scherpt het RVB deze eisen en gunningscriteria periodiek aan, passend
bij de marktonwikkelingen, en deelt zij haar tools en ervaringen met andere (publieke)
opdrachtgevers.
Vraag 11
Deelt u de opvatting dat de overheid via haar eigen inkoopbeleid (zoals bij het Rijksvastgoedbedrijf)
een sleutelrol kan spelen in het creëren van voldoende vraag naar deze materialen?
Hoe geeft u hier momenteel concreet invulling aan?
Antwoord 11
Ja, zie ook mijn antwoorden 8 t/m 10. Het Rijk geeft hier concreet invulling aan via
de inkoop door andere het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) en Rijkswaterstaat (RWS). Daarbij
wordt de inkoopkracht van het Rijk benut om de markt voor circulaire en milieuvriendelijkere
bouwmaterialen en werkwijzen verder te ontwikkelen.
Wat betreft concrete invulling door het Rijksvastgoedbedrijf hanteert het RVB als
inkoopstrategie de zgn. koploper-pelotonaanpak. Deze aanpak houdt in dat de eisen
die de koplopers in de sector nu al kunnen leveren, over 2-3 jaar de eisen voor het
peloton zullen zijn. Dit geldt voor CO2-reductie en circulariteit. Door de markt duidelijkheid te geven over de te verwachten
eisen in de komende jaren kunnen bedrijven zich hier tijdig op voorbereiden. Eén van
de koploperprojecten is het Kantoor vol Afval (KaVA) in Katwijk. Dit is een voorbeeldstellend
project voor circulair renoveren en de opschaling daarvan. De geleerde lessen zijn
de standaard geworden voor huidige projecten.
Vraag 12
Welke aanvullende stappen acht u nodig om het aandeel hergebruikte bouwproducten en
materialen richting 2030 substantieel te vergroten?
Antwoord 12
De uitvoering van de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik loopt t/m 2030 en is een
stap naar het vergroten van het aandeel hergebruikte bouwproducten en een stap naar
een circulaire (bouw-)economie met minder winning en gebruik nieuwe grondstoffen en
minder milieu-impact. Voor een substantiële vergroting van hergebruik van 12% naar
wat (in theoretisch potentieel) mogelijk zou kunnen zijn, namelijk ongeveer 24% in
de B&U, is meer nodig. Dit zal inspanning vergen van alle partijen in de keten, zoals
de bouwmaterialenindustrie om hun processen en producten te verduurzamen13 en van de brancheorganisaties om de ontwikkelde hulpmiddelen te laten toepassen door
hun achterban. Maar er is ook substantiële opschaling nodig in zowel de samenwerking
tussen de slopers, bouwers en de logistieke partijen in de keten, als opschaling in
elke schakel afzonderlijk en ook tegelijkertijd in elke schakel in de keten. Het Transitieteam
Circulaire Bouweconomie, waarin experts uit de bouwsector vertegenwoordigd zijn, pleit
voor een Nationale Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik14. Door de huidige aanpak te verbreden (naar ook de infra) en op te schalen, kan meer
impact gehaald worden, waarbij de beschikbare middelen voor de uitvoering moet worden
meegewogen. De Minister van KGG en ik hebben samen besloten om de bouwsector als prioritaire
circulaire economie sector aan te wijzen, met name vanwege de impact die in de bouwsector
te behalen is15. Dit is in lijn met de uitvoering van het coalitieakkoord, waarin het kabinet de
ambitie heeft neergelegd om het Nationaal Programma Circulaire Economie te versterken.
De Kamer wordt hier rond eind van dit jaar over geïnformeerd.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Mede namens
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei