Schriftelijke vragen : Het voorgenomen besluit om de licentie van Ongehoord Nederland in te trekken
Vragen van het lid Van Houwelingen (FVD) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het voorgenomen besluit om de licentie van Ongehoord Nederland in te trekken (ingezonden 17 september 2026).
Vraag 1
Speelt een fragment dat Ongehoord Nederland onlangs heeft uitgezonden en waarvan u
«zich kapot bent geschrokken» en dat u heeft gekwalificeerd als «verwerpelijk» en
«schandalig» een rol bij uw voorgenomen besluit om de licentie van Ongehoord Nederland
in te trekken?
Vraag 2
Kan u uiteenzetten hoe u heeft gewaarborgd dat uw reeds publiekelijk uitgesproken
inhoudelijke oordeel over deze uitzending geen directe of indirecte rol heeft gespeeld
bij uw kort daarna gevormde voornemen tot intrekking van de erkenning?
Vraag 3
Kan u uitsluiten dat dit inhoudelijke oordeel via begrippen als «journalistieke kwaliteitsnormen»,
«samenwerking», «governance» of «bedrijfsvoering» alsnog onderdeel is geworden van
de feitelijke beoordeling die aan het intrekkingsvoornemen ten grondslag ligt?
Vraag 4
Kan u tevens toelichten hoe u voorkomt dat de schijn ontstaat dat reeds voor ontvangst
en beoordeling van de zienswijze een inhoudelijk of bestuurlijk eindoordeel over Ongehoord
Nederland is gevormd?
Vraag 5
Bent u het eens met het oordeel van het Commissariaat voor de Media dat dit bewuste
fragment «een kantelpunt» is dat u in staat stelt van uw bevoegdheid gebruik te maken
om Ongehoord Nederland uit het bestel te halen? Zo ja, kan men daaruit dan (logischerwijs)
concluderen dat dit fragment een rol heeft gespeeld bij uw voorgenomen besluit om
de licentie in te trekken? Zo nee, waarom bent u het op dit punt niet eens met het
Commissariaat voor de Media en wat betekent dat voor de betrouwbaarheid van dit instituut?
Vraag 6
Herinnert u zich dat u in uw brief van 8 september schreef «dat de samenwerking binnen
het bestel duurzaam ontwricht is»? Is het op dit moment feitelijk zo dat Ongehoord
Nederland niet met de andere omroepen wil samenwerken of willen de andere omroepen
niet met Ongehoord Nederland samenwerken?1
Vraag 7
Is het correct dat de ombudsman van de NPO binnen 24 uur na de eerste uitzending van
Ongehoord Nederland een onderzoek is gestart naar Ongehoord Nederland?2
Vraag 8
Is een van de redenen voor dit onderzoek het vermoeden, op basis van klachten, dat
de berichtgeving van Ongehoord Nederland feitelijk incorrect zou zijn?
Vraag 9
Is het correct dat het BNNVARA-programma Zembla in een uitzending over zogenaamde
«online hufters» tweets heeft «aangepast» – dat wil zeggen: het ging om verzonnen/gefabriceerde,
aangepaste en dus valse tweets – op basis waarvan Twittergebruikers (die deze door
Zembla aangepaste tweets verstuurd zouden hebben) bovendien in de problemen zijn gekomen?3
Vraag 10
Is het correct dat het BNNVARA-programma Zembla hiervoor excuses heeft aangeboden?4
Vraag 11
Is het correct dat de ombudsman van de NPO naar dit incident geen onderzoek heeft
ingesteld en het Commissariaat voor de Media geen boete heeft opgelegd?
Vraag 12
Heeft BNNVARA met het plaatsen van deze fictieve tweets het eigen redactiestatuut
geschonden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft het Commissariaat voor de Media
in dit geval geen bestuurlijke boete opgelegd aan BNNVARA maar gebeurt dat wel bij
Ongehoord Nederland en is dat niet vreemd?
Vraag 13
Is bij u wellicht één voorbeeld bekend van een andere omroep dan Ongehoord Nederland
die ooit een bestuurlijke boete heeft ontvangen van het Commissariaat voor de Media
voor het niet naleven van het eigen redactiestatuut?
Vraag 14
Is het correct dat u, bij uw voorgenomen besluit de licentie van Ongehoord Nederland
in te trekken, ook de bestuurlijke boete die Ongehoord Nederland heeft ontvangen in
september 2025 vanwege vermeende belangenverstrengeling meeweegt?
Vraag 15
Is het correct dat er bij de NPO de afgelopen jaren talloze voorbeelden van (vermeende)
belangenverstrengeling de revue zijn gepasseerd, bijvoorbeeld van een voormalig NPO-voorzitter
die een affaire had met een topambtenaar van OCW alsmede van allerlei NPO-presentatoren
die door het Commissariaat zijn onderzocht vanwege (de schijn van) belangenverstrengeling?5 Is het correct dat in al deze gevallen door het Commissariaat voor de Media geen
bestuurlijke boete is opgelegd en is dat niet eigenaardig?
Vraag 16
Is bij u wellicht één voorbeeld bekend van een andere omroep dan Ongehoord Nederland
die ooit een bestuurlijke boete heeft ontvangen van het Commissariaat voor de Media
voor «belangenverstrengeling»? Indien dit het geval is, welke omroep betrof dit? Indien
dit niet het geval is, wat zegt het feit dat uitsluitend en alleen Ongehoord Nederland,
een nieuwe omroep waar de andere omroepen niet mee willen samenwerken, hier ooit voor
beboet is over de vermeende onpartijdigheid van het Commissariaat voor de Media, zeker
gezien de talloze voorbeelden van (vermeende) belangenverstrengeling? Is dat niet
enigszins curieus?
Vraag 17
Is bij u wellicht één voorbeeld bekend van een andere omroep dan Ongehoord Nederland
die ooit een bestuurlijke boete heeft ontvangen van het Commissariaat voor de Media
voor het schenden van de journalistieke code van de NPO? Indien dit het geval is,
welke omroep betrof dit? Indien dit niet het geval is, wat zegt het feit dat uitsluitend
en alleen Ongehoord Nederland, een nieuwe omroep waar de andere omroepen niet mee
willen samenwerken, hier ooit voor beboet is over de vermeende onpartijdigheid van
het Commissariaat voor de Media, zeker gezien de talloze voorbeelden van (vermeende)
belangenverstrengeling? Is dat niet wat merkwaardig?
Vraag 18
Is het correct dat de commissie-Van Rijn heeft geconstateerd dat er door BNNVARA niet
goed is omgegaan met allerlei meldingen over mistanden rond het programma De Wereld
Draait Door?6
Vraag 19
Heeft deze conclusie van de commissie-Van Rijn wellicht geleid tot een onderzoek van
de NPO-ombudsman of een boete van het Commissariaat voor de Media?
Vraag 20
Moet op basis van deze conclusie van de commissie-Van Rijn niet logischerwijs worden
geconcludeerd dat er bij BNNVARA geen sprake was van «een deugdelijke inrichting,
sturen en beheersing van de bedrijfsprocessen», waar het correct afhandelen van meldingen
en klachten natuurlijk een onderdeel van is? Was u, op grond van Artikel 2.33 van
de Mediawet, dan niet alleen bevoegd maar zelfs verplicht de erkenning van BNNVARA
in te trekken? Waarom is dat niet gebeurd?7
Vraag 21
Is dit alles niet wonderlijk en lijkt het er niet heel sterk op dat er continu (door
de NPO, door de ombudsman, door het Commissariaat voor de Media) met twee maten wordt
gemeten om zo Ongehoord Nederland, een omroep waar geen enkele andere omroep mee wil
samenwerken, uit het bestel te kunnen werken?
Vraag 22
Kan de Kamer een overzicht ontvangen van alle bestuurlijke boetes die door het Commissariaat
voor de Media ooit aan NPO-omroepen zijn uitgedeeld?
Vraag 23
Is het correct dat volgens de NPO-ombudsman uitsluitend en alleen Ongehoord Nederland
zich schuldig zou hebben gemaakt aan het verspreiden van foutieve berichten (mis-/desinformatie)?
Betekent dit dat alle andere omroepen volgens de NPO-ombudsman blijkbaar altijd «de
waarheid» op televisie hebben verkondigd? Indien dat niet het geval, waarom is dan
uitsluitend en alleen Ongehoord Nederland hierop door de NPO-ombudsman aangesproken?
Is dat niet opmerkelijk?
Vraag 24
Kan u per afzonderlijke intrekkingsgrond uiteenzetten welke concrete feiten en omstandigheden
u zelfstandig heeft vastgesteld en gewogen en op welke punten u het oordeel van respectievelijk
het Commissariaat voor de Media en de NPO overneemt?
Vraag 25
Kan u daarbij per intrekkingsgrond aangeven welke feiten, omstandigheden of waarderingen
naar uw oordeel door de zienswijze van Ongehoord Nederland nog kunnen worden weerlegd
en tot een ander eindoordeel kunnen leiden?
Vraag 26
Kan u aangeven welke sanctiebesluiten u mede aan uw voorgenomen intrekkingsbesluit
ten grondslag heeft gelegd?
Vraag 27
Kan u bevestigen dat de sanctiebesluiten die u mede aan uw voorgenomen intrekkingsbesluit
ten grondslag legt nog niet onherroepelijk zijn?
Vraag 28
Hoe heeft u bij uw beoordeling meegewogen dat deze besluiten nog aan rechterlijke
toetsing onderworpen zijn of kunnen worden?
Vraag 29
Acht u het zorgvuldig en evenredig om mede op basis van nog niet onherroepelijke sanctiebesluiten
over te gaan tot intrekking van een erkenning en, zo ja, waarom?
Vraag 30
Heeft u bij uw beoordeling de actuele situatie bij Ongehoord Nederland betrokken?
Zo ja, kan u aangeven welke verbeteringen u heeft vastgesteld en welk gewicht u daaraan
heeft toegekend? Zo nee, hoe kan u dan vaststellen dat Ongehoord Nederland thans niet
in staat zou zijn duurzaam aan de wettelijke vereisten te voldoen?
Vraag 31
Herinnert u zich dat uw intrekking van de erkenning heeft aangeduid als het zwaarste
middel dat u ter beschikking staat?8 Welke minder vergaande maatregelen heeft u per afzonderlijke intrekkingsgrond concreet
onderzocht, waarom acht u deze maatregelen ontoereikend en op basis van welke feiten
komt u tot die conclusie?
Vraag 32
Hoe heeft u de noodzakelijkheid en proportionaliteit van intrekking afgewogen tegen
de gevolgen daarvan voor de vereniging, haar leden, medewerkers en kijkers?
Vraag 33
Kan u de proportionaliteits- en noodzakelijkheidstoets die u in dit verband heeft
verricht integraal aan de Kamer doen toekomen?
Vraag 34
Bent u bekend met het optreden van de voorzitter van het Commissariaat voor de Media
in Nieuwsuur op 3 september 2026 waarin zij naar aanleiding van de betreffende uitzending
van Ongehoord Nederland expliciet verklaarde dat zij op dat moment sprak «als een
persoon» en «niet als het instituut Commissariaat voor de Media», waarna zij de uitzending
persoonlijk kwalificeerde als «toch een vorm van Hitlerverheerlijking»?9 Bent u het met dat «persoonlijk oordeel» eens?
Vraag 35
Hoe beoordeelt u het feit dat de voorzitter van een onafhankelijke toezichthouder
zich publiekelijk persoonlijk en inhoudelijk uitlaat over de journalistieke inhoud
die door het Commissariaat zelf als het beslissende «kantelpunt» is aangemerkt voor
het verlies van vertrouwen in Ongehoord Nederland?
Vraag 36
Heeft u, gelet op Artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht en uw eigen verplichting
tot zorgvuldige voorbereiding op grond van Artikel 3:2 van die wet, onderzocht of
deze combinatie van een persoonlijk inhoudelijk oordeel van de voorzitter en het daaropvolgende
institutionele oordeel van het Commissariaat over hetzelfde feitencomplex aanleiding
kan geven tot twijfel over de onbevooroordeelde totstandkoming van dat oordeel, dan
wel de schijn van vooringenomenheid kan wekken?10
Vraag 37
Heeft u daarbij onderzocht welke rol de voorzitter persoonlijk heeft gespeeld bij
de voorbereiding, beraadslaging en vaststelling van het formele oordeel waarin de
betreffende uitzending als «kantelpunt» is aangemerkt?
Vraag 38
Zo ja, op welke wijze heeft dit onderzoek plaatsgevonden en wat waren de conclusies?
Zo nee, waarom acht u een dergelijk onderzoek niet noodzakelijk voordat u dit oordeel
van het Commissariaat mede ten grondslag legt aan een voornemen tot intrekking van
de erkenning?
Vraag 39
Kan u toezeggen dat u bij uw definitieve besluit zelfstandig zal toetsen of het oordeel
van het Commissariaat en de daaraan ten grondslag liggende feiten op zorgvuldige en
onbevooroordeelde wijze tot stand zijn gekomen?
Vraag 40
Kan u een volledig overzicht geven van alle contacten tussen uw ministerie, de NPO
en het Commissariaat voor de Media in de periode van 24 augustus tot en met 7 september
2026, met vermelding van data, deelnemers en onderwerpen van overleg?
Vraag 41
Kan u tevens de in deze periode opgemaakte verslagen, agenda's, gespreksnotities en
relevante correspondentie aan de Kamer doen toekomen?
Vraag 42
Kan u reconstrueren hoe in deze periode de positie van de betrokken instanties is
geëvolueerd tot een formeel verzoek van de NPO tot intrekking van de erkenning?
Vraag 43
Heeft u of uw ministerie in deze periode bij de NPO of het Commissariaat gevraagd
naar, aangedrongen op of anderszins gesproken over de mogelijkheid van intrekking
van de erkenning van Ongehoord Nederland? Zo ja, wanneer, met wie en op wiens initiatief?
Vraag 44
Hoe beoordeelt u het feit dat de NPO in dit dossier verschillende rollen vervult,
waaronder die van samenwerkingspartner binnen het publieke bestel, beoordelaar van
de naleving van journalistieke normen en uiteindelijk verzoeker tot intrekking van
de erkenning?
Vraag 45
Welke waarborgen zijn volgens u aanwezig om te voorkomen dat deze verschillende rollen
elkaar bij de totstandkoming van een intrekkingsverzoek beïnvloeden?
Vraag 46
Heeft u zelfstandig onderzocht of het verzoek van de NPO op een zorgvuldige en onbevooroordeelde
wijze tot stand is gekomen? Zo ja, waaruit heeft deze toets bestaan?
Vraag 47
Kan u een overzicht geven van alle landelijke publieke omroepen waaraan het Commissariaat
voor de Media in de afgelopen tien jaar een of meer bestuurlijke sancties heeft opgelegd,
met daarbij per omroep de aard en het aantal sancties?
Vraag 48
In welk van deze gevallen hebben de betreffende sancties aanleiding gegeven om intrekking
van de erkenning te onderzoeken, te adviseren of te verzoeken?
Vraag 49
Welk objectief en kenbaar criterium bepaalt volgens u wanneer een of meerdere overtredingen
of sancties de drempel naar intrekking van een erkenning overschrijden?
Vraag 50
Hoe waarborgt u dat dit criterium bij Ongehoord Nederland op dezelfde wijze wordt
toegepast als bij andere landelijke publieke omroepen?
Vraag 51
Welke analyse heeft u gemaakt van de gevolgen van intrekking van de erkenning van
Ongehoord Nederland voor de externe pluriformiteit van het publieke omroepbestel,
mede bezien in het licht van Artikel 2.1 van de Mediawet 2008?11
Vraag 52
Hoe heeft u daarbij meegewogen dat het Nederlandse publieke omroepbestel mede is gebaseerd
op verenigingen die hun maatschappelijke legitimatie ontlenen aan hun leden?
Vraag 53
Welke betekenis kent u in uw proportionaliteitsafweging toe aan het feit dat intrekking
ertoe leidt dat een omroepvereniging met tienduizenden betalende leden haar vertegenwoordiging
binnen het publieke bestel verliest?
Vraag 54
Hoe beoordeelt u de mogelijke gevolgen daarvan voor het maatschappelijk draagvlak
voor en de legitimiteit van het publieke omroepbestel als geheel?
Vraag 55
Kan u deze vragen voor het mediadebat (over Ongehoord Nederland) op 24 september beantwoorden?
Indieners
-
Gericht aan
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Indiener
Pepijn van Houwelingen, Kamerlid