Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Westerveld en Bolhuis over het recht op onderwijs voor kinderen in de opvang
Vragen van de leden Westerveld en Bolhuis (beiden PRO) aan de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Asiel en Migratie over het recht op onderwijs voor kinderen in de opvang (ingezonden 23 juni 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Tielen (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) en van Minister
Van den Brink (Asiel en Migratie) (ontvangen 14 september 2026). Zie ook Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2540.
Vraag 1
Wat vindt u van de constatering van de Inspectie van het Onderwijs dat er de afgelopen
jaren geen verbetering is gekomen voor de eerder geïdentificeerde problemen rond het
onderwijs voor kinderen in de noodopvang?1
Antwoord 1
Wij herkennen dat het recht op onderwijs voor minderjarige asielzoekers onder druk
staat en er nog steeds kinderen in de asiel(nood)opvang zijn bij wie de toeleiding
naar het onderwijs niet goed verloopt. Dit is reden tot grote zorg en wij zoeken dan
ook samen met ketenpartners naar mogelijkheden om deze situatie te verlichten.
Het COA probeert de toegang tot en continuïteit van het onderwijs van kinderen in
de asielopvang te waarborgen door hen te plaatsen op locaties met voldoende passend
onderwijsaanbod in de omgeving, maar dit lukt door de grote tekorten aan opvangplekken
niet altijd. Verhuizingen leiden daardoor regelmatig tot schoolwisselingen en vertraging
bij de start van het onderwijs. Om dan toch het onderwijs voor deze kinderen te organiseren,
worden diverse maatregelen ingezet zoals de inzet van regiocoördinatoren van OCW om
scholen en gemeenten te adviseren. Scholen werken onderling ook samen om deze kinderen
onderwijs te geven, in een taalklas, internationale schakelklas of met extra taalondersteuning
in een reguliere klas. In het uiterste geval kunnen gemeenten sinds 2023 een tijdelijke
nieuwkomersvoorziening laten inrichten om zo meer kinderen (tijdig) toegang tot onderwijs
te geven.
Vraag 2
Bent u ingegaan op het verzoek van de Inspectie van het Onderwijs om met hen in gesprek
te gaan over de al jarenlang gesignaleerde problematiek in de noodopvang en hun aanbevelingen?
Zo ja, wat is de uitkomst van dat gesprek? Zo nee, gaat u dit doen en op welke termijn?
Antwoord 2
Naar aanleiding van het rapport hebben wij op 25 juni 20262 een beleidsreactie aan uw Kamer gezonden. Graag zeggen wij in aanvulling daarop toe
om komend najaar gezamenlijk met de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie voor
Justitie en Veiligheid in gesprek te gaan over de aanbevelingen en oplossingsrichtingen.
Vraag 3
Bent u het ermee eens dat continuïteit van de schoolloopbaan, ook als jongeren meerderjarig
worden, van groot belang is voor een ononderbroken ontwikkeling en het voltooien van
de schoolloopbaan – voor de jongere, de samenleving en de economie?
Antwoord 3
Ja.
Vraag 4
Hoe komt het dat de ononderbroken toegang tot onderwijs voor kinderen in noodopvang
nog steeds niet goed is geregeld, ondanks dat de Inspectie al jaren aan de bel trekt?
Antwoord 4
Daarvoor zien wij verschillende oorzaken. Tijdig en goed onderwijs voor minderjarige
asielzoekers valt of staat met vroegtijdige afstemming en samenwerking. De toegang
tot onderwijs en de organisatie van opvang zijn namelijk nauw met elkaar verweven,
maar er zijn verschillende actoren en stelsel bij betrokken. Waar het COA verantwoordelijk
is voor de opvang, begeleiding van minderjarige asielzoekers en een initiërende rol
heeft in hun toeleiding naar school, organiseren gemeenten en provincies in overleg
met scholen voldoende onderwijsplekken en dragen schoolbesturen zorg voor een goed
onderwijsaanbod. Tijdige afstemming tussen COA, scholen, gemeenten en provincies is
een randvoorwaarde om gezamenlijk aan deze maatschappelijke opgave te voldoen.
De beschikbaarheid en organisatie van onderwijs op lokaal en regionaal niveau spelen
hierbij een belangrijke rol. Scholen in het reguliere en gespecialiseerde primair
en voortgezet onderwijs geven bijvoorbeeld aan handelingsverlegen te zijn om leerlingen
met een andere moedertaal en vaak zeer diverse en onderbroken onderwijsgeschiedenis
goed les te geven. Scholen met weinig ervaring met nieuwkomers missen bijvoorbeeld
deskundigheid op het gebied van Nederlands als tweede taal (NT2). Zeker in het voortgezet
onderwijs gaan minderjarige asielzoekers -en andere nieuwkomers- daarom doorgaans
één of twee jaar naar een internationale schakelklas (isk), waar veel expertise is
op het gebied van NT2. Het aantal isk’s in Nederland is echter niet landelijk dekkend
en relatief kostbaar. Ook zorgen constante schommelingen in het aantal nieuwkomersleerlingen
ervoor dat scholen niet altijd het benodigde personeel duurzaam kunnen behouden. Bij
een grotere en/of plotselinge leerlinginstroom moeten zij dan eerst nieuw bevoegd
personeel werven.
COA probeert bij de plaatsing van kinderen zoveel mogelijk rekening te houden met
de beschikbaarheid van onderwijs in de omgeving. Tegelijkertijd is het onder de huidige
druk op de opvangcapaciteit niet altijd mogelijk om kinderen en jongeren te plaatsen
en gedurende langere tijd te laten verblijven op een locatie waar het gewenste onderwijsaanbod
direct beschikbaar is. Daar komt bij dat verhuisbewegingen van jeugdigen als gevolg
hebben dat kinderen vaker snel van school moeten wisselen. Zeker als er groepen kinderen
tegelijk verhuizen, hebben scholen soms even tijd nodig om het onderwijsaanbod op
te schalen. Voor kinderen is de consequentie dan dat ze moeten wennen aan een andere
school met andere lesmethoden, leraren en andere klasgenoten.
Tenslotte zien we dat binnen de groep minderjarige asielzoekers de groep alleenstaande
minderjarige vreemdelingen (hierna: amv) extra kwetsbaar is. Deze amv hebben geen
ouders of gezin in Nederland om hen te ondersteunen en krijgen een jeugdbeschermer
van Nidos toegewezen. Bij verhuizingen naar een andere opvanglocatie verandert ook
de regionale context waarin de jongere wordt begeleid en onderwijs wordt georganiseerd.
Het kan daardoor extra complex zijn om de begeleiding, de beschikbaarheid van onderwijs
en de start op een nieuwe school goed op elkaar af te stemmen. Dit vraagt om goede
samenwerking tussen COA, Nidos, gemeenten en onderwijsinstellingen. De aanmelding
door Nidos van kinderen op een school komt hierdoor niet altijd tijdig tot stand en
ook het snel signaleren en aanpakken van bijvoorbeeld verzuim kan bij een verhuizing
extra aandacht vragen.
Vraag 5
Bent u het ermee eens dat hiermee de rechten van kinderen zoals onder meer beschreven
in het Internationale Kinderrechtenverdrag, specifiek artikel 6 op ontwikkeling, worden
geschonden en hoe verenigt u deze problematiek met de Leerplichtwet?
Antwoord 5
Wij erkennen dat de rechten van kinderen op tijdige toegang tot volwaardig onderwijs
niet altijd voldoende kunnen worden nageleefd door de oorzaken zoals beschreven in
het antwoord op vraag 4. Deze situatie heeft onze aandacht.
Vraag 6
Is het door een onafhankelijke partij – niet zijnde de overheid –, zoals de Landsadvocaat,
juridisch getoetst of Nederland wel of niet aan het Internationale Kinderrechtenverdrag
voldoet inzake het onderwijs aan kinderen uit de noodopvang of de reguliere opvang?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
Er is geen afzonderlijke, onafhankelijke juridische toets uitgevoerd of Nederland
met het onderwijsaanbod aan kinderen in de noodopvang en reguliere opvang volledig
voldoet aan het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Reden
hiervoor is dat de kaders voor dit onderwijs niet afwijken van het onderwijs dat aan
andere leerlingen wordt gegeven.
Vraag 7
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de toegang te waarborgen voor alle kinderen?
Antwoord 7
Voor de korte termijn bieden regiocoördinatoren nieuwkomersonderwijs scholen en gemeenten
informatie en advies om de toegang voor nieuwkomersleerlingen onder wie minderjarige
asielzoekers, te organiseren en waar nodig het onderwijsaanbod op te schalen. Er is
sinds 2023 ook de mogelijkheid om in uiterste situaties een tijdelijke nieuwkomersvoorziening
(hierna: tnv) te starten. Tot nu toe is dit in 20 gemeenten aan de orde geweest.
Het Ministerie van OCW werkt aan een wetgevingstraject om het onderwijs aan nieuwkomers
(nog) beter te organiseren. Daarbij wordt ook gekeken naar de toegankelijkheid en
organiseerbaarheid van het onderwijs voor nieuwkomers en naar mogelijkheden voor méér
samenwerking tussen scholen en met andere actoren. Deze en overige maatregelen staan
benoemd in de brief «Een betere start voor kinderen met Nederlands als tweede taal»
die de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie uw Kamer in juni 2025 heeft toegestuurd.3
De uitvoerbaarheid van het onderwijs op lokaal en regionaal niveau blijft echter ook
afhankelijk van de plaatsing en verblijfsduur van kinderen in asielopvanglocaties.
JenV en COA werken er samen met andere betrokken ketenpartners hard aan om de situatie
in de opvang voor kinderen te verbeteren, zowel door alle inspanningen om noodopvang
af te bouwen en het aantal verhuizingen terug te brengen, als ook door maatregelen
te nemen om de toegang tot onderwijs te waarborgen. Zo vraagt COA bij bestuurlijke
afspraken met gemeenten aandacht voor de toegang tot onderwijs en zijn er werkinstructies
voor opvanglocaties opgesteld zodat de werkwijze rond toegang tot onderwijs helder
is. Ook de Nationale Opvangorganisatie (NOO) is vanuit JenV betrokken bij het signaleren
van knelpunten op het gebied van onderwijs en staat in contact met OCW.
Vraag 8
Worden er nog andere artikelen uit het Kinderrechtenverdrag geschonden?
Antwoord 8
Dat kan alleen door een rechter worden vastgesteld door de specifieke feiten te beoordelen.
Vraag 9
Hoeveel kinderen tussen de 5 en 18 jaar in de noodopvang en de reguliere opvang staan
momenteel op de wachtlijst voor onderwijs, uitgesplitst naar onderwijssector?
Antwoord 9
Dit is niet bekend. Er is geen wachtlijst speciaal voor asielzoekerskinderen. Ook
hebben COA, Nidos, J&V en OCW geen cijfers beschikbaar over hoeveel kinderen verblijvend
in de (nood)opvang niet naar school gaan.
Het COA heeft voor het tweede opeenvolgende jaar een inventarisatie gedaan naar de
leef- en verblijfomstandigheden van kinderen en amv op de COA-locatie, waaronder de
toegang tot onderwijs. Hierdoor is er beter inzicht verkregen in de locaties waar
knelpunten worden ervaren en het aantal kinderen die hierdoor wordt geraakt. Dit is
vervolgens in nauwe samenwerking met OCW opgepakt. Ook zijn er recent signalen dat
de problematiek het laatste jaar is afgenomen ten opzichte van enkele jaren geleden.
Vraag 10
Hoeveel kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang moesten in 2025 langer
dan de de wettelijke termijn van 3 maanden wachten om naar onderwijs geleid te worden?
Antwoord 10
Deze gegevens zijn niet bekend. Zie verder het antwoord op vraag 9.
Vraag 11
Klopt het dat het voorkomt dat deze termijn van 3 maanden bij iedere nieuwe verhuizing
opnieuw als norm gehanteerd wordt, ondanks dat de termijn officieel slechts eenmalig
geldt voor kinderen en jongeren die net in Nederland zijn aangekomen? Zo ja, bij hoeveel
kinderen bleek dit in de afgelopen 3 jaar het geval?
Antwoord 11
Ja, dat komt voor. Indien een van de regiocoördinatoren nieuwkomersonderwijs van OCW,
de Inspectie van het Onderwijs, COA of Nidos een signaal ontvangt dat dit aan de orde
is, gaat deze in gesprek met de betreffende gemeente of school om te stimuleren dat
alsnog zo spoedig mogelijk in onderwijs wordt voorzien.
Vraag 12
Hoe groot is momenteel het capaciteitstekort over heel Nederland om kinderen in de
noodopvang en in de reguliere opvang ononderbroken onderwijs te kunnen bieden?
Antwoord 12
Deze capaciteit verschilt per regio en ook per onderwijssector. Zo zijn er in het
primair onderwijs veel meer nieuwkomers die meteen naar een reguliere school gaan,
of waar een reguliere school een taalklas start, dan in het voortgezet onderwijs.
Er zijn daarmee veel basisscholen die nieuwkomers onderwijs geven. In het voortgezet
onderwijs is dat nauwelijks het geval: daar worden nieuwkomersleerlingen in de regel
naar een internationale schakelklas (isk) verwezen. De isk’s zijn verspreid over het
hele land. De opvanglocaties zijn niet altijd in de buurt van de isk’s.
Omdat de bezetting en duur van opvanglocaties kunnen fluctueren, het opvanglandschap
regelmatig verandert en kinderen vaak verhuizen, is er geen betrouwbare inschatting
van de benodigde of de beschikbare onderwijscapaciteit specifiek voor nieuwkomersleerlingen.
Vraag 13
In welke regio’s is er sprake van een capaciteitstekort om onderwijs te voorzien voor
alle in die regio gevestigde kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang?
Antwoord 13
Capaciteitsproblemen spelen met name bij (soms seizoensgebonden) noodopvang voor grote
groepen leerplichtigen waarvoor snel onderwijs georganiseerd moet worden voor een
relatief korte periode. Ook bij verhuisbewegingen van meerdere minderjarigen naar
een andere opvanglocatie waar zij meteen weer onderwijs moeten kunnen volgen, zoals
we vaker zien bij groepen amv, vraagt het veel van scholen en gemeenten om het onderwijsaanbod,
zowel personeel als onderwijshuisvesting, snel op te schalen. Zie verder ook het antwoord
op vraag 12.
Vraag 14
Heeft u zicht op hoe vaak kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang verhuizen
en hoeveel onderwijstijd ze daardoor verliezen? Zo ja, kunt u deze cijfers delen?
Zo nee, kunt u dit aantal verhuizingen en de daardoor verloren onderwijstijd in kaart
brengen?
Antwoord 14
De Staat van Migratie 2026 is onlangs gepubliceerd, zie migratiecijfers.nl/publicaties.
In paragraaf 4.3.2.1 wordt ingegaan op de verhuisbewegingen van minderjarige kinderen
die onderdeel zijn van een gezin en van amv. In deze paragraaf staan tabellen over
het aantal verhuisbewegingen van kinderen binnen COA-locaties en separaat van amv
naar reden van verhuizing en het gemiddeld aantal verhuisbewegingen per kind. Ook
wordt gerapporteerd over het totaal aantal verhuisbewegingen en de gemiddelde verblijfsduur
bij uitstroom. Verhuisbewegingen in noodopvanglocaties zijn in deze cijfers meegenomen.
Een verblijf korter dan 30 dagen wordt niet meegeteld als verhuisbeweging, omdat de
school dan -gemiddeld genomen- nog niet gestart is.
Er is geen informatie over gemiste onderwijstijd die verloren is gegaan vanwege verhuizingen.
Het plaatsingsbeleid is erop gericht om kinderen en amv zo min mogelijk in noodopvang
te plaatsen en het streven is om het aantal verhuisbewegingen te minimaliseren.
Vraag 15
Wat gaat u doen om te voorkomen dat kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang
door frequente verhuizingen onderwijstijd missen en steeds een nieuwe school en nieuwe
leerlingen moeten leren kennen?
Antwoord 15
Wij vinden het onwenselijk dat kinderen regelmatig moeten verhuizen en daardoor onderwijs
missen, van school moeten wisselen en steeds nieuwe sociale contacten moeten opbouwen.
Stabiliteit is van groot belang voor hun ontwikkeling en welzijn.
Zolang de druk op de opvangcapaciteit hoog blijft, kunnen verhuizingen niet altijd
worden voorkomen. En, zoals eerder genoemd, hebben die verhuizingen en de kortdurende
opvanglocaties direct effect op de mate waarin het onderwijs tijdig en goed georganiseerd
kan worden. Het kabinet werkt daarom samen met het COA aan een stabieler opvanglandschap
door de reguliere opvangcapaciteit uit te breiden, onder meer via de uitvoering van
de Spreidingswet. Daarnaast werken het kabinet, gemeenten, scholen, het COA en DUO
aan een betere continuïteit van onderwijs, onder meer door de gegevensuitwisseling
tussen onderwijs en opvang te verbeteren wanneer kinderen verhuizen. Zodra de opvangcapaciteit
dit toelaat, heeft het hoge prioriteit om kinderen uitsluitend te plaatsen op locaties
waar toegang tot onderwijs geborgd is en waar zij langere tijd kunnen verblijven.
Daarbij is voor de stabiliteit in het leven van kinderen in de opvang niet alleen
voldoende en duurzame opvangcapaciteit van belang, maar een goed functionerende asielketen.
Snelle procedures en tijdige doorstroom naar huisvesting dragen bij aan het verminderen
van de druk op de opvangcapaciteit en bieden kinderen meer stabiliteit en continuïteit.
Vraag 16
Hoe staat het met de uitvoering van de ambitie uit het regeerakkoord om ervoor te
zorgen dat kinderen niet continu verhuisd worden en welke acties zijn er al ondernomen?
Welke acties gaat u ondernemen om dat continu verhuizen te voorkomen?
Antwoord 16
Het beperken van verhuisbewegingen blijft leidend, maar dit is onder de huidige omstandigheden
nog niet structureel te realiseren. Met de uitvoering van de Spreidingswet, waaronder
de inzet van interbestuurlijk toezicht, wordt gewerkt aan het vergroten van het aandeel
reguliere, duurzame opvanglocaties en het verminderen van de afhankelijkheid van noodopvang.
Dat is noodzakelijk om het aantal verhuisbewegingen van kinderen daadwerkelijk en
duurzaam te kunnen beperken. Daarnaast blijft ook een tijdige doorstroom van vergunninghouders
naar gemeentelijke huisvesting van groot belang. Momenteel verblijven er nog veel
kinderen met een verblijfsvergunning in de COA-opvang, terwijl huisvesting in gemeenten
hen meer stabiliteit en perspectief biedt. Een goede doorstroom vermindert de druk
op de opvangcapaciteit, beperkt zo de noodzaak tot verhuisbewegingen, geeft kinderen
de kans om te participeren in de gemeenschap waar ze ook wonen en draagt bij aan het
welzijn en de ontwikkeling van kinderen.
Vraag 17
Klopt het dat kinderen in de noodopvang die over enkele maanden 18 worden, niet meer
toegelaten worden tot onderwijsvoorzieningen voor kinderen in de noodopvang en blijven
de bewuste kinderen daardoor langer op de wachtlijst? Hoe zit dit voor kinderen in
de reguliere opvang?
Antwoord 17
Minderjarigen hebben recht op onderwijs ongeacht waar zij verblijven en ongeacht hun
verblijfsstatus en zij kunnen -als zij voor hun 18e jaar met een opleiding zijn gestart- deze opleiding ook afmaken. Wel kan het zo zijn
dat voor een jongere die bijna 18 jaar is, een isk niet meer de meest geschikte onderwijsplaatsing
is. Een jongere volgt dan in de regel immers onderwijs met kinderen die (veel) jonger
zijn en gebruikt lesmaterialen bedoeld voor jongere leerlingen. Ook stroomt een meerderjarige
leerling na één of twee jaar isk niet meer door naar het voortgezet onderwijs. Afhankelijk
van verschillende factoren is er de mogelijkheid om te starten in het mbo of in het
vavo.
Als OCW signalen ontvangt dat leerlingen van 17 jaar geen toegang krijgen tot onderwijs
in verband met hun leeftijd, dan gaan de regiocoördinatoren van het ministerie met
de betreffende school of mbo-instelling en gemeente in gesprek om te zoeken naar een
passende oplossing.
Vraag 18
Welke oplossingen voorziet u om te garanderen dat ieder kind toegang tot onderwijs
krijgt, ook als ze binnen enkele maanden 18 worden?
Antwoord 18
Om deze jongeren te laten meedoen, is het wenselijk dat het onderwijs goed aansluit
op hun mogelijkheden en motivatie. Juist omdat voor oudere leerlingen het toekomstperspectief
kan verschillen, is het wenselijk dat in goed overleg met leerling en ouders of voogd
wordt besproken welk onderwijs wordt gevolgd en waar naartoe wordt gewerkt. In het
wetsvoorstel onderwijs aan nieuwkomers, waarover u in september een brief met de eerste
contouren ontvangt, zal ook aandacht zijn voor een gedifferentieerd aanbod voor deze
doelgroep.
Vraag 19
Overweegt u daarbij meer flexibiliteit te voorzien waardoor kinderen in de noodopvang
of in de reguliere opvang in het jaar dat ze 18 worden het leerjaar kunnen afmaken,
ook nadat ze meerderjarig zijn geworden? Zo niet, waarom niet?
Antwoord 19
Wettelijk bestaat deze mogelijkheid al en ook de herschikte Opvangrichtlijn4 stelt dat asielzoekers niet uit het onderwijs mogen worden geweerd omdat zij de leeftijd
van 18 jaar hebben bereikt. Er zijn weinig signalen dat dit op isk’s niet wordt nageleefd.
Waar nodig, komen wij ook komend schooljaar in actie als er signalen binnenkomen dat
dit niet gebeurt.
Vraag 20
Welke mogelijkheden ziet u om de capaciteit van onderwijs voor kinderen in de noodopvang
of in de reguliere opvang op te schalen zodat er geen wachtlijsten meer zijn en welke
van die mogelijkheden zult u benutten en welke niet? En waarom die keuze?
Antwoord 20
Schoolbesturen en gemeenten voeren tenminste jaarlijks overleg over de invulling van
het onderwijs aan nieuwkomers. Dat biedt een startpunt om gezamenlijk afspraken te
maken over de benodigde onderwijscapaciteit en eventuele regionale samenwerking. Daarbij
is het wenselijk om eerst te verkennen wat er binnen de bestaande onderwijscapaciteit
en personeel mogelijk is, waarbij bijvoorbeeld de bestaande aanpak voor personele
tekorten kan worden gevolgd. Voor kinderen en jongeren die extra onderwijsondersteuning
en/of zorg en jeugdhulp nodig hebben, kan het samenwerkingsverband passend onderwijs
meedenken over een passend arrangement.
Biedt dit onvoldoende oplossing, dan kan de regio in overleg met de regiocoördinator
nieuwkomersonderwijs van het Ministerie van OCW onderzoeken of een aanvraag voor een
tijdelijke nieuwkomersvoorziening passend is. In een tijdelijke nieuwkomersvoorziening
kan een schoolbestuur afwijken van de eisen aan onderwijsinhoud en -personeel om op
deze wijze het onderwijs sneller op te kunnen schalen in het belang van de leerlingen.
Vraag 21
Welke acties gaat u ondernemen om tekorten aan gekwalificeerde docenten voor onderwijs
voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang op te lossen?
Antwoord 21
De aanpak van de personele tekorten in het onderwijs aan nieuwkomers loopt mee in
de brede aanpak van de tekorten, zoals de subsidieregeling voor zij-instromers en
de aanpak via de onderwijsregio’s. Uit de tekortmeting vo van 2025 blijkt dat het
tekort aan docenten op isk’s (internationale schakelklassen) vergelijkbaar is met
die van het overige reguliere onderwijs, namelijk 3,5% op isk’s t.o.v. 3,3% in het
reguliere vo5. In het po ligt het tekort in taalklassen lager dan in reguliere klassen6. Bij deze cijfers moet opgemerkt worden dat er binnen het nieuwkomersonderwijs grote
fluctuaties bestaan door het op- en afschalen van opvanglocaties, ook gedurende een
schooljaar en dat daarmee de zoektocht naar onderwijspersoneel een uitdaging is die
inherent is aan de verhuisbewegingen in de asielketen.
Vraag 22
Hoeveel bijkomende financiering zou er nodig zijn om alle wachtlijsten voor onderwijs
voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang weg te werken?
Antwoord 22
Momenteel is geen sprake van wijdverspreide wachtlijsten voor het onderwijs aan nieuwkomers,
maar kunnen kinderen niet altijd direct in het onderwijs terecht na een verhuizing
naar een andere opvanglocatie. Zoals in de antwoorden op vragen 1, 4, 12 en 13 is
toegelicht, hangen de knelpunten voor het verzorgen van onderwijs aan nieuwkomersleerlingen
o.a. samen met de vele verhuisbewegingen van kinderen in de asielketen en schommelingen
in de leerlinginstroom. Bij de scholen die wel te maken hebben met personele tekorten,
is bovendien lang niet altijd een gebrek aan financiering het probleem. Er zijn dan
bijvoorbeeld geen bevoegde, geschikte kandidaten voor een vacature of er is een tekort
aan onderwijshuisvesting.
Vraag 23
Kunt u dat budget vrijmaken? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 23
Zie het antwoord op vraag 22.
Vraag 24
Aangezien de verantwoordelijkheden over het garanderen van toegang tot onderwijs voor
kinderen in noodopvang over vele partijen versnipperd is, wat zal u doen om meer coördinatie
te garanderen? Zal het Rijk hier meer regie op pakken?7
Antwoord 24
Het kabinet onderschrijft dat goede afstemming tussen de verschillende partijen nodig
is om de toegang tot onderwijs voor kinderen in de asielopvang zo goed mogelijk te
borgen. Daarbij is het van belang dat de verantwoordelijkheden van de verschillende
partijen worden gerespecteerd: gemeenten en onderwijsbesturen zijn verantwoordelijk
voor de organisatie van het onderwijs, terwijl het COA verantwoordelijk is voor de
opvang en bij de plaatsing van kinderen waar mogelijk rekening houdt met de beschikbaarheid
van onderwijs.
OCW, JenV, en VWS werken daarom aan een interdepartementale routekaart waarin de verschillende
verantwoordelijkheden, signaleringslijnen en mogelijke interventies beter met elkaar
worden verbonden.
Vraag 25
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Antwoord 25
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie