Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Boomsma en Nanninga over discriminatie door debatcentrum TivoliVredenburg door het cancelen van de EK debatteren voor studenten vanwege de deelname van Israëlische studenten
Vragen van de leden Boomsma en Nanninga (beiden JA21) aan de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over discriminatie door debatcentrum TivoliVredenburg door het cancelen van de EK debatteren voor studenten vanwege de deelname van Israëlische studenten (ingezonden 3 augustus 2026).
Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), mede namens de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (ontvangen 14 september 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2823.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht dat debatcentrum TivoliVredenburg op het laatste moment
de finale van het debattournooi van het EK debatteren dat daar zou plaatsvinden heeft
gecanceld, omdat ook Israëlische studenten mee zouden doen?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Bent u met de indieners eens dat het zorgelijk, abject en verwerpelijk is dat organisaties
bijeenkomsten cancelen vanwege de deelname van nota bene studenten, op basis van hun
nationaliteit, en zeker wanneer dat gericht is op één specifieke nationaliteit? Graag
een toelichting.
Antwoord 2
Net als vele anderen, hecht ik grote waarde aan een pluriforme sector waarin ruimte
is voor verschillende geluiden. Juist studenten willen we immers de ruimte geven om
met elkaar in debat te gaan, verschillende perspectieven te horen en van mening te
verschillen. Culturele en internationale academische samenwerking draagt daar in belangrijke
mate aan bij. Uitwisseling en samenwerking tussen individuen zorgt voor blijvende
verbinding en dialoog, juist ook bij thema’s die gezien hun aard en context schuren
en heel gevoelig liggen.
Tegelijkertijd hebben instellingen een grote vrijheid en daarmee ook een belangrijke
verantwoordelijkheid in het bepalen wat zij programmeren en met wie zij samenwerken.
Die vrijheid is belangrijk en hoort bij een open en democratische samenleving. Dat
instellingen zorgvuldig naar hun programmering kijken, zeker in het licht van het
aanhoudende conflict in het Midden-Oosten, hoort bij het nemen van hun verantwoordelijkheid.
Besturen dienen transparant te zijn over de afwegingen die zij maken. Ik vind het
in dat verband goed dat TivoliVredenburg publiekelijk heeft toegelicht hoe zij tot
hun besluit zijn gekomen.
De overheid moet afstand houden van de afwegingen die instellingen maken bij individuele
casussen. Juist die terughoudendheid is van belang om de fundamentele vrijheden van
onze democratie te beschermen.
Vraag 3
Meent u dat het wettelijk is toegestaan om evenementen te cancelen vanwege de deelname
van Israëlische studenten? En zo ja, kunt u uitleggen hoe dat zich verhoudt tot het
verbod op discriminatie en tot de Algemene wet gelijke behandeling?
Antwoord 3
Culturele instellingen gaan zelf over hun programmering en hebben zich daarmee te
houden aan de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). In dit geval is geen sprake
van een verschil in behandeling bij de toegang tot een aangeboden dienst, omdat het
evenement niet is doorgegaan.
Vraag 4
Bent u het met de indieners eens dat het weren van evenementen vanwege deelname van
Israëlische studenten, ook wanneer dat wordt gedaan met een beroep op het feit dat
zij de universiteit waar zij studeren zouden vertegenwoordigen (waarvan de organisatie
nadrukkelijk heeft verklaard dat dit niet het geval is), directe, of in ieder geval
indirecte, discriminatie is op basis van nationaliteit?
Antwoord 4
Het is niet aan het kabinet om in specifieke gevallen een oordeel te geven of er sprake
is van (verboden) direct of indirect onderscheid. Dit is voorbehouden aan de rechter
en/of het College voor de Rechten van de Mens.
Vraag 5
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de organisator van het Europees Kampioenschap
debatteren verklaart dat alle studenten op eigen titel deelnemen?
Antwoord 5
Ja.
Vraag 6
Deelt u de opvatting dat studenten niet verantwoordelijk mogen worden gehouden voor
het handelen van de regering van het land waar hun universiteit is gevestigd? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 6
Burgers, dus ook studenten, kunnen niet direct verantwoordelijk worden gehouden voor
het handelen van een regering van een land.
Vraag 7
Is het kabinet bekend met andere evenementen die worden geannuleerd of geen doorgang
vinden omdat daar Israëlische studenten aan zouden deelnemen?
Antwoord 7
Nee, daar is het kabinet niet mee bekend.
Vraag 8
Is het kabinet bekend met andere evenementen die worden geannuleerd of geen doorgang
vinden omdat daar studenten aan zouden deelnemen van universiteiten gevestigd in een
land omdat de regering van dat land ergens van wordt beschuldigd? Zo ja, welke? Zo
nee, hoe beoordeelt u het dat dit blijkbaar alleen wordt gedaan bij studenten van
de enige Joodse staat?
Antwoord 8
Nee, daarmee is het kabinet niet bekend. Zie het antwoord op vraag 2.
Vraag 9
Hoe verhoudt het annuleren van nota bene de finale van een debatwedstrijd bedoeld
voor ideeënuitwisseling vanwege de identiteit van een deel van de deelnemers zich
volgens u tot de academische vrijheid en de maatschappelijke opdracht van universiteiten
om de vrije uitwisseling van argumenten te bevorderen?
Antwoord 9
Ik betreur het dat deze situatie is ontstaan. Juist studenten moeten de ruimte hebben
om met elkaar in debat te gaan. Het valt onder de vrijheid en verantwoordelijkheid
van TivoliVredenburg om een afweging te maken over wat zij programmeren en met wie
zij samenwerken. Die vrijheid is belangrijk en hoort bij een open en democratische
samenleving. Dat instellingen daarbij extra zorgvuldig naar hun programmering kijken
hoort bij het nemen van hun verantwoordelijkheid.
Vraag 10
Ontvangt TivoliVredenburg subsidie van het Rijk of uit andere publieke middelen? Zo
ja, om welke bedragen en subsidieregelingen gaat het en welke voorwaarden inzake gelijke
behandeling en toegankelijkheid zijn daaraan verbonden?
Antwoord 10
De overheid heeft geen rechtstreekse subsidierelatie met TivoliVredenburg. Wel ontvangt
TivoliVredenburg een jaarlijkse bijdrage van € 13,4 miljoen van de gemeente Utrecht
in het kader van de Utrechtse Cultuurnota 2025–2028. Vanuit het Fonds Podiumkunsten
ontvangt TivoliVredenburg € 58.450 per jaar vanuit de Podiumregeling. Vanuit Fonds
voor Cultuurparticipatie ontvangt zij € 32.360 vanuit de regeling co-creatie instellingen.
Voor alle bovengenoemde financiers is het in het kader van de code diversiteit en
inclusie een voorwaarde dat TivoliVredenburg een visie moet hebben hoe het omgaat
met gelijke behandeling en toegankelijkheid. Het is echter aan TivoliVredenburg zelf
om doelstellingen m.b.t. de code te formuleren en ook bepaalt de organisatie zelf
hoe zij deze willen bereiken. Ik ga ervan uit dat TivoliVredenburg, net als iedere
instelling, hierbij het gelijkheidsbeginsel uit Artikel 1 van de Grondwet in acht
houdt.
Vraag 11
Klopt het voorts dat de Universiteit Utrecht en University College Utrecht vanwege
de deelname van Israëlische universiteiten hun steun aan het debattoernooi hebben
ingetrokken? Zo ja, welke betrokkenheid hadden deze instellingen bij het toernooi,
en op welke gronden hebben zij hun steun ingetrokken? Bent u het met de indieners
eens dat ook universiteiten hun steun aan dergelijke evenementen niet behoren in te
trekken alleen vanwege de deelname van studenten met bepaalde nationaliteiten?
Antwoord 11
De rol van de Universiteit Utrecht (UU) en University College Utrecht (UCU) was het
faciliteren van debatruimtes en overnachtingsplekken. Deze steun hebben ze ingetrokken
nadat zij van de organisatie informatie hadden ontvangen die wees op kenmerken van
institutionele betrokkenheid van Israëlische organisaties. Volgens de UU sluit dit
niet aan bij hun generieke beleid als het gaat over institutionele samenwerkingen
met Israëlische instellingen op gebied van onderwijs en onderzoek. Het besluit van
de UU en UCU om de steun aan EUDC 2026 in te trekken valt onder de autonomie van kennisinstellingen.
Een zorgvuldige afweging hoort bij de verantwoordelijkheid van institutionele autonomie.
Vraag 12
Deelt u de opvatting dat van instellingen die met publieke middelen worden gefinancierd
in het bijzonder mag worden verlangd dat zij geen personen uitsluiten op grond van
nationaliteit of nationale afkomst?
Antwoord 12
Artikel 1 van onze Grondwet en de daaraan gelieerde gelijkebehandelingswetgeving in
Nederland regelt dat iedereen in Nederland in gelijke gevallen gelijk behandeld dient
te worden. De kaders hiervoor zijn neergelegd in de Awgb. Deze plicht geldt voor elke
organisatie, ongeacht hoe zij wordt gefinancierd. Van iedere instelling mag worden
verlangd dat zij geen verboden onderscheid maakt. Daar waar een vermoeden van verboden
onderscheid bestaat, is het aan de rechter en/of het College voor de Rechten van de
Mens om hierover te oordelen.
De leden Van Zanten en Van der Plas, van de fractie BBB, hebben middels een motie
het kabinet verzocht om met behulp van de antidiscriminatiebepalingen aanvullende
kaders te ontwikkelen waarin subsidies kunnen worden ingetrokken wanneer instellingen
zich schuldig maken aan antisemitisme, het faciliteren ervan en/of het niet ingrijpen
hierop.2 In de laatste voortgangsbrief discriminatie en racisme is de Minister van BZK uitgebreid
ingegaan op het juridisch kader waarbinnen verleende subsidies kunnen worden geweigerd
of ingetrokken.3
Vraag 13
Bent u het eens met de indieners dat dit een ontoelaatbare vorm van discriminatie
betreft en dat het noodzakelijk is om hier een morele grens te trekken door dit publiekelijk
af te keuren? Is het kabinet bereid dit te doen?
Antwoord 13
Of er in het voorliggende geval sprake is van verboden onderscheid in de zin van de
Awgb staat niet vast. Zie verder het antwoord op vraag 12.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede namens
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties