Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Ouwehand over ‘de oversterfte onder dieren in de veehouderij door de hitte’
Vragen van het lid Ouwehand (PvdD) aan de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij en Voedselzekerheid en Natuur over de oversterfte onder dieren in de veehouderij door de hitte (ingezonden 14 juli 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Erkens (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)
(ontvangen 14 september 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026,
nr. 2583.
Vraag 1
Heeft u gezien dat in het nieuws is gekomen dat op Franse pluimveebedrijven massale
sterfte onder kippen heeft plaatsgevonden tijdens de hittegolf van eind juni 2026?1
2
Antwoord 1
Dit heb ik gezien.
Vraag 2
Heeft u gezien dat ook is gemeld dat varkens zijn omgekomen nadat de ventilatie in
hun stal was uitgevallen?3
Antwoord 2
Ja.
Vraag 3
Deelt u het sterke vermoeden dat ook in Nederland in tijden van hitte (veel) meer
dieren op veehouderijbedrijven sterven dan gebruikelijk? Zo nee, waarop baseert u
zich als u denkt dat er zich geen oversterfte onder dieren in de Nederlandse veehouderij
voordoet gedurende hete perioden?
Antwoord 3
Het spreekt voor zich dat in hitteperiodes kwetsbare dieren meer risico lopen. Zoals
in voorgaande jaren is gemeld in Kamerbrief van 23 oktober 2020 (Kamerstuk 28 286 nr. 1130) en beantwoording van Kamervragen in 2020 en 2021, is gebleken uit cijfers van meldingen
bij de NVWA en van sectororganisaties, dat tijdens hitteperiodes sterfte onder dieren
op het primair bedrijf plaatsvond. De oorzaken daarvoor leken vooral bij factoren
zoals stalventilatie of koelsystemen die uitvielen te liggen. Sindsdien zijn interventies
hierop gepleegd vanuit het Plan van Aanpak Hittestress (Kamerstuk 28 286, nr. 1296) door bijvoorbeeld invoering van de verplichting om een noodaggregaat en alarmsysteem
in stallen met ventilaties aanwezig te hebben en door hitteprotocollen die de sector
heeft opgesteld.
Vraag 4
Kunt u de Kamer informeren over de (vermoedelijke) oversterfte onder dieren in de
veehouderij tijdens de periodes van hitte dit jaar en welke specifieke omstandigheden
daarbij aan de orde waren, zoals het uitvallen van ventilatie of benodigde inzet van
de brandweer?
Antwoord 4
Oversterfte zoals deze humaan gemeld wordt is een statistische (voorspel-) berekening
gebaseerd op data van voorgaande jaren en verschillende (goed bijgehouden) parameters.
Voor de veehouderij is een dergelijke statistische onderbouwde duiding niet op te
maken.
Sterftecijfers op primaire bedrijven worden voor runderen, schapen en geiten op dierniveau
geregistreerd in het I&R systeem. Hierbij wordt alleen geregistreerd om welke diersoort
het gaat en de leeftijd van het dier, niet om welk type bedrijf (bijvoorbeeld vleesrunderen
versus melkrunderen). Houders van varkens dienen de aantallen gestorven varkens te
registreren in I&R. Voor pluimvee worden sterftecijfers niet in I&R geregistreerd.
Wel moeten houders die 250 of meer vogels houden verplaatsingen van kippen, kalkoenen,
parelhoenders en eenden melden. Ook bestaat voor houders van pluimvee een meldplicht
bij verhoogde sterfte gedurende enkele dagen.
Omdat in het I&R systeem niet geregistreerd wordt wat de reden voor de sterfte van
dieren is, is het vaststellen van oversterfte als gevolg van hitte niet mogelijk.
De NVWA wil doeltreffender en doelmatiger (risicogericht en kennis gedreven) invulling
geven aan haar toezicht. Voor een aantal van deze taken is permanente toegang tot
actuele (real time) gegevens nodig. Voorbeelden hiervan zijn realtime gegevens van
Rendac Son B.V. (hierna: Rendac) over afwijkende sterftecijfers op bedrijven (onder
andere voor hittestress) en afvoer van kadavers vanaf verzamelplaatsen of slachthuizen.
Momenteel ontbreekt er in de wetgeving een duidelijke grondslag (bevoegdheid) voor
de NVWA voor het opvragen van gegevens bij derden.
Ik werk dan ook aan de toezegging van mijn voorganger (Kamerstuk 28 286, nr. 1335) om te onderzoeken of, hoe en onder welke voorwaarden (o.a. vanwege de bescherming
van persoonsgegevens) de bevoegdheid vormgegeven kan worden. Ik informeer de Kamer
over de voortgang begin 2027.
Voormalig Minister LNV heeft in 2021 in de Kamerbrief dierenwelzijn en hitte (Kamerstuk
28 286, nr. 1210) veehouders opgeroepen om een melding te maken bij de NVWA als men duidelijke aanwijzingen
heeft dat dieren door verstikking of door uitval van systemen om het leven zijn gekomen.
Bij de NVWA zijn geen meldingen bekend. Deze oproep herhaal ik daarom bij deze.
Vraag 5
Kunt u reflecteren op het waterverbruik door de veehouderij, alleen al vanwege het
simpele feit dat dieren gedurende hun leven steeds zullen moeten drinken en de extra
waterbehoefte gedurende hete perioden ten behoeve van de benodigde koeling voor de
dieren in het licht van de droogte waar Nederland steeds vaker mee kampt en het feitelijke
watertekort dat nu dreigt?4
Antwoord 5
Houders van dieren hebben een plicht om hun dieren goed te verzorgen. Daar hoort bij
dat dieren ook voldoende te drinken krijgen. Er is op dit moment geen tekort aan drinkwater.
Vraag 6
Hoe zouden de zogenaamde klimaatplannen van veehouders eruit moeten gaan zien en welke
consequenties zullen die hebben voor de vraag naar stroom en water door de veehouderij
gedurende hete perioden als voor beide terreinen al geldt dat we keuzes moeten gaan
maken?
Antwoord 6
In de AMvB dierwaardige veehouderij ben ik voornemens een maatregel op te nemen die
het hebben van een klimaatplan verplicht. Hierin dient een houder maatregelen op te
nemen ter voorkoming van hitte- en koudestress. Het doel van de verplichting is dat
de veehouder zich bewust is van periodes waarin dieren hitte- of koudestress kunnen
ervaren en dat hiervoor bedrijfsspecifiek handelingsperspectief op papier staat. Het
plan beschrijft hoe een veehouder het beste kan handelen in voorbereiding op- en tijdens
warme en koude periodes zodat de dieren de mogelijkheid hebben zich hierop aan te
passen om hitte- en koudestress tot een minimum te beperken. Het is aan de veehouder
zelf om keuzes te maken die het best aansluiten bij diens bedrijfsvoering en houderijsysteem,
waar de vraag naar en het gebruik van stroom en water in meegenomen kan worden.
Vraag 7
Onderschrijft u de analyse dat de risico’s voor het welzijn van dieren aanmerkelijk
zijn toegenomen nu de klimaatcrisis resulteert in frequentere, langdurigere en hevigere
hittegolven?
Antwoord 7
Zoals ook in het Plan van aanpak hittestress staat (Kamerstuk 2023D25025), is het voorkomen van hittestress bij dieren een toenemend aandachtspunt aangezien
de KNMI’14 klimaatscenario’s5 al voorspelden dat de temperatuur verder stijgt en dat Nederland steeds meer te maken
zou krijgen met hete zomers.
Vraag 8
Erkent u dat het voor het dierenwelzijn veel beter is om uit voorzorg veel minder
dieren te fokken in aanloop naar de maanden waarin de kans tegenwoordig groot is dat
het (zeer) warm wordt in Nederland, in plaats van stallen vol met dieren proberen
te koelen met schaarse stroom en water?
Antwoord 8
De beladingsgraad in wagens, maar ook de beschikbare staloppervlakte voor de dieren
hebben impact op de mogelijkheid voor dieren om af te kunnen koelen. Meer ruimte creëren
voor deze dieren in de zomermaanden kan een goede manier zijn om hittestress te helpen
voorkomen.
Vraag 9
Bent u bij of na uw aantreden gebriefd over de aantallen dieren die jaarlijks sterven
op veehouderijbedrijven in Nederland? Zo ja, wanneer was dat en op welke registratie(s)
baseert u zich daarbij?
Antwoord 9
Zoals ik in vraag 4 heb geantwoord, worden de sterftecijfers van runderen, geiten
en varkens in het I&R systeem geregistreerd. De veehouders hebben de verplichting
om voor deze diersoorten hun dieren af te melden met een doodmelding aan het I&R systeem.
Doordat de meldtermijnen variëren van 2 tot 7 werkdagen, afhankelijk per diersoort,
is een actueel, dagdagelijks beeld niet uit het I&R systeem te verkrijgen. Verplichte
registratie in I&R vindt plaats vanwege het belang van tracering van dieren met het
oog op diergezondheid en dierziektebestrijding. I&R gegevens worden tevens gebruikt
in de basismonitoring diergezondheid om vroegtijdig signalen van dierziekteproblematiek
op te sporen.
De NVWA kan sterftecijfers op bedrijfsniveau opvragen in I&R. Deze worden waar nodig
benut voor het opmaken van een retrospectief sterftesjabloon van het bedrijf ten behoeve
van handhaving en toezicht.
Vraag 10
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van stichting Wakker Dier, dat cijfers combineerde
van de Gezondheidsdienst voor Dieren, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, het
Centraal Bureau voor de Statistiek en de sector zelf om de vroegtijdige sterfte van
dieren (uitval) te berekenen die in geheel 2023 heeft plaatsgevonden in de Nederlandse
veehouderij?6
Antwoord 10
Ja.
Vraag 11
Kunt u bevestigen dat die berekeningen erop uitkomen dat behalve het (in ovo) uitselecteren
en vergassen van 25 miljoen haantjes in de legkippenhouderij er jaarlijks meer dan
20 miljoen dieren sterven op de veebedrijven in Nederland, dieren die het slachthuis
dus niet eens halen?
Antwoord 11
Ik kan dit niet bevestigen, omdat door de overheid of een NGO niet van alle diersoorten
een representatief beeld kan worden verkregen van sterftecijfers op veehouderijbedrijven
vanwege beperkte toegang tot de (sterfte)data.
Vraag 12
Hoe beoordeelt u de berekeningen van Wakker Dier? Vindt u de sterftecijfers van dieren
op veehouderijbedrijven waar zij op uitkomen plausibel? Zo nee, op basis van welke
cijfers en gegevens denkt u van niet?
Antwoord 12
Zie mijn antwoord op vraag 4 en 11.
Vraag 13
Kunt u bevestigen dat een veehouder de dieren die zijn gestorven op zijn bedrijf (dagelijks)
moet verzamelen en vervolgens moet aanbieden voor destructie door ze langs de kant
van de weg te plaatsen, waarna het destructiebedrijf ze ophaalt? Zo nee, hoe zit het
dan?
Antwoord 13
De houder moet gestorven dieren aan Rendac melden uiterlijk op de werkdag nadat het
dier is overleden. Rendac moet vervolgens op de eerste werkdag na deze melding het
kadaver ophalen en de houder moet het kadaver op zijn erf langs de weg aan Rendac
aanbieden. Hierop zijn 2 uitzonderingen vastgesteld, namelijk dat de houder en Rendac
overeen kunnen komen om de dieren op een andere plaats (op het erf) aan te bieden
resp. op te halen en dat kleine kadavers (<25kg en varkens <200kg) gekoeld kunnen
worden bewaard en één keer in de twee weken (pluimvee vier weken) op een vaste werkdag
worden gemeld en aangeboden7.
Vraag 14
Hoe worden door respectievelijk de veehouder en het destructiebedrijf de aantallen
gestorven dieren geregistreerd? Hoe en aan wie wordt dit gerapporteerd en met wie
worden deze gegevens gedeeld?
Antwoord 14
Sterfte bij runderen wordt door de veehouder doorgegeven aan Rendac. Rendac meldt
voor de veehouder een doodmelding aan het I&R systeem. Een doodmelding bij schapen
en geiten meldt de veehouder aan het I&R systeem. Rendac heeft hier geen rol. Varkenshouders
zijn verplicht sterfte bij varkens te (laten) melden aan het I&R systeem. Hierbij
moeten aantallen en soort varkens gemeld worden.
Jaarlijks worden aantallen doodmeldingen van runderen, schapen, geiten en varkens
gerapporteerd via de jaarrapportage I&R. Deze rapportage wordt gepubliceerd op de
website van RVO. Sterftecijfers van pluimvee worden niet doorgeven aan het I&R systeem.
Er is enkel sprake van aan- en afvoermeldingen van pluimveekoppels in I&R. Gestorven
pluimvee wordt opgehaald in kadavertonnen die gemeld dienen te worden bij Rendac.
Vraag 15
Vindt u het passen bij de intrinsieke waarde van het dier om sterfte onder dieren
in de veehouderij te registreren of rapporteren in gewicht, in plaats van in individuele
aantallen dieren?
Antwoord 15
Er is geen sprake van registratie van sterfte van dieren in I&R op basis van gewicht.
Registratie van gewicht speelt enkel een rol bij de facturering ten behoeve van destructie.
Vraag 16
Deelt u de mening dat er een publiek belang mee gemoeid is om de sterfte van dieren
op Nederlandse veehouderijbedrijven adequaat te registreren en inzichtelijk en toegankelijk
te maken voor handhavers, journalisten, maatschappelijke organisaties en volksvertegenwoordigers?
Zo nee, waarom vindt u het niet nodig dat onafhankelijk kan worden gemonitord en gecontroleerd
welke sterfte zich voordoet onder dieren in de Nederlandse veehouderij? Zo ja, bent
u bereid hier de nodige stappen toe te zetten?
Antwoord 16
Ik vind het belangrijk om goed zicht te hebben op de sterfte van dieren op veehouderijbedrijven.
Daarom wordt de sterfte van dieren voor de aangewezen diersoorten via het I&R systeem
geregistreerd en jaarlijks door RVO gerapporteerd op de website. Het I&R systeem is
toegankelijk voor organisaties die door mij zijn aangewezen voor handhaving in Nederland.
Dit betreft voor I&R in de veehouderij, de NVWA. Er zijn geen andere organisaties
die rechtstreeks toegang hebben tot de door de overheid ingewonnen I&R data en dus
de sterftecijfers.
Gegevens over sterfte bij de aangewezen diersoorten I&R kunnen op elk moment worden
opgevraagd door externe partijen, maar zijn door de registratietermijnen die variëren
van 2–7 werkdagen niet actueel. Als het verzoek tot leveren van data voldoet aan de
gestelde eisen zal RVO deze data leveren.
Het is voor de NVWA dus niet mogelijk om via I&R een volledig en actueel beeld te
verkrijgen van sterftecijfers.
Daarom wil ik de NVWA in staat stellen om afwijkende sterftecijfers op bedrijven beter
te kunnen monitoren. Zoals ook bij vraag 4 aangegeven, onderzoek ik of de mogelijkheid
bestaat voor een wettelijke grondslag voor het opvragen van gegevens van derden, zoals
gegevens van Rendac. Op die manier kan de NVWA effectiever en efficiënter toezicht
houden.
Vraag 17
Op welke termijn mogen we adequate registraties verwachten die inzichtelijk en toegankelijk
zijn voor handhavers, journalisten, maatschappelijke organisaties en volksvertegenwoordigers?
Antwoord 17
De registraties rondom sterfte, geboorte, verplaatsingen, etc. zijn beschikbaar in
I&R. Ook worden alle data rondom de meldingen aan het I&R-systeem jaarlijks in een
rapportage gepubliceerd op de website van RVO. De NVWA en de LID hebben rechtstreekse
toegang tot het I&R-systeem in het kader van handhaving.
Ik werk aan de toezegging van mijn voorganger (Kamerstuk 28 286, nr. 1335) om te onderzoeken of, hoe en onder welke voorwaarden voor de NVWA de wettelijke
grondslag (bevoegdheid) vormgegeven kan worden voor het opvragen van gegevens van
derden. Ik informeer de Kamer over de voortgang begin 2027.
Ondertekenaars
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur