Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Ceder over de inclusie van mensen met een beperking en van kinderen bij ontwikkelingssamenwerking
Vragen van het lid Ceder (ChristenUnie) aan de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over de inclusie van mensen met een beperking en van kinderen bij ontwikkelingssamenwerking (ingezonden 17 juli 2026).
Antwoord van Minister Sjoerdsma (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking)
(ontvangen 11 september 2026).
Vraag 1
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie-Ceder/Bamenga over toegang
voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen?1
Antwoord 1
Inclusiviteit ligt ten grondslag aan de ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s die
het ministerie financiert. Deze programma’s zijn daarom zo veel mogelijk toegankelijk
voor diverse groepen in een samenleving, waaronder mensen met een beperking. Conform
de motie Ceder en Bamenga (Kamerstuk 36 180, nr. 149) blijf ik op reguliere basis in gesprek met relevante organisaties, zoals de Dutch
Coalition on Disability and Development (DCDD).
Vraag 2
Kunt u per sector specificeren hoe u de toegang voor mensen met een beperking tot
door Nederland gefinancierde interventies onder respectievelijk de sectoren water,
voedsel en gezondheid aantoonbaar garandeert, zoals de motie vraagt (en er dus niet
enkel aandacht voor heeft)? Welke eventuele aanpassingen heeft u daarvoor doorgevoerd
sinds het aannemen van de motie?
Antwoord 2
Binnen de sectoren water, voedsel en gezondheid wordt inclusie als uitgangspunt gehanteerd
bij de ontwikkeling en de uitvoering van programma’s. Hieronder valt ook het waarborgen
van toegang tot interventies voor mensen met een beperking, naast andere kwetsbare
groepen.
Een voorbeeld binnen de watersector is het door Nederland medegefinancierde Global Water Security and Sanitation Partnership met de Wereldbank. Dit programma stimuleert toegang voor mensen met een beperking
tot werk en diensten op het gebied van water en sanitaire voorzieningen en bevordert
dat zij een rol spelen in besluitvorming.
Binnen de programmering op voedselzekerheid is het landrechtenprogramma in Benin (Projet de Préparation de la Mise à l'Échelle du Cadastre national) een voorbeeld van een project gericht op het bevorderen van toegang tot land voor
vrouwen, jongeren en kwetsbare groepen, zoals mensen met een beperking.
Binnen de programmering op gezondheid werken partners in Mozambique bijvoorbeeld met
afbeeldingen voor betere communicatie met mensen met een auditieve beperking. Ook
start dit jaar in Burkina Faso een programma op het gebied van seksuele en reproductieve
gezondheid en rechten (SRGR) dat rekening houdt met de informatiebehoeften van mensen
met een beperking.
Vraag 3
Kunt u toezeggen ook in deze kabinetsperiode doorlopend in gesprek te zijn met relevante
organisaties over de aantoonbare en gegarandeerde toegang van mensen met een beperking
tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Het ministerie voert regulier overleg met organisaties zoals de Dutch Coalition on
Disability and Development (DCDD), waarin onder meer wordt gesproken over de inclusie
van mensen met een beperking in ontwikkelingsbeleid en -programma’s.
Ook in de SRHR NEXT-alliantie van Nederlandse organisaties wordt specifiek aandacht
besteed aan de behoeften en toegang van mensen met een beperking.
Vraag 4
Bent u bereid om periodiek de Kamer te informeren over (de verbetering van) toegang
voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 4
Het ministerie voert geen doelgroepenbeleid in ontwikkelingssamenwerking. Dat betekent
dat de betrokkenheid van kwetsbare groepen, waaronder mensen met een beperking, niet
systematisch gemonitord wordt. Het is dan ook niet uitvoerbaar uw Kamer periodiek
te informeren over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde
interventies. Uiteraard blijft inclusie van mensen met een beperking een belangrijk
aandachtspunt binnen onze beleidsontwikkeling en programmatische inzet. In onze reguliere
rapportages, zoals het BHOS-Jaarverslag, zal ik, waar mogelijk, blijven aangeven hoe
dit in de praktijk wordt ingevuld.
Vraag 5
Bent u bereid om de inclusie van mensen met een beperking expliciet op te nemen in
uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties
die deze mensen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Bij het uitwerken van de nieuwe visie op ontwikkelingssamenwerking wordt gekeken naar
advisering door de AIV. Bij de totstandkoming van haar advies, heeft de AIV een openbare
oproep gedaan om bij te dragen met schriftelijke input. Daarop hebben diverse organisaties
kunnen reageren, waaronder hopelijk organisaties die mensen met een beperking vertegenwoordigen
of programma’s voor en met mensen met een beperking uitvoeren. Bij de verdere uitwerking
van de visie zal ik, waar passend, het gesprek voeren met relevante organisaties.
Vraag 6
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie van het lid Ceder c.s.
over inzichtelijk maken in hoeverre de sectorale beleidsprioriteiten het welzijn van
kinderen ten goede komen?2
Antwoord 6
Zie het antwoord op vraag 7.
Vraag 7
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel van de investeringen in ontwikkelingssamenwerking
de komende jaren ten goede komen aan kinderen en onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
Het ministerie voert geen doelgroepenbeleid in ontwikkelingssamenwerking. Hierdoor
wordt niet bijgehouden hoeveel van de investeringen ten goede komen aan het welzijn
van kinderen. Wel is er in specifieke programma’s bijzondere aandacht voor kinderen.
In lijn met de motie van de leden Ceder cs. (motie 36 800 XVII, nr. 51) zal ik voortaan jaarlijks in het BHOS-jaarverslag inzicht geven in een aantal specifieke
programma’s waar welzijn en belangen van kinderen nadrukkelijk meewegen.
Voorbeelden zijn programma’s van UNICEF en Max Foundation, die direct bijdragen aan
gezondheid van kinderen via voedselzekerheid en toegang tot water, sanitaire voorzieningen
en hygiëne; het ACCEL-programma van de International Labour Organization, dat kinderarbeid
tegengaat in internationale waardeketens voor cacao, katoen, thee en goud, in Ivoorkust,
Mali, Nigeria, Ghana, Kenia en Uganda; en het PROSPECTS partnerschap, waarin inclusie
van vluchtelingenkinderen in onderwijssystemen en nationale kinderbescherming wordt
meegenomen als onderdeel van sociale bescherming van vluchtelingen in landen van opvang.
Tevens ondersteunt PROSPECTS kinderen uit gastgemeenschappen en uit de populatie van
intern ontheemden in toegang tot onderwijs. In het Future4Binti-programma (2026–2030,
EUR 50 mln.) is er specifiek aandacht voor meisjes om schadelijke praktijken zoals
vrouwelijke genitale verminking en kindhuwelijken in Oost-Afrika tegen te gaan. Ook
het Global Programme to End Child Marriage van UNICEF (2024–2027, EUR 18 mln.) zet
in op bescherming van kinderen en specifiek meisjes tegen kindhuwelijken. Daarnaast
zijn er andere door Nederland gefinancierde programma’s gericht op levensreddende
hulp en bescherming voor alle mensen in nood met extra aandacht voor de meest kwetsbaren,
waaronder kinderen.
Vraag 8 en 9
Klopt het dat het mandaat van de jongerenambassadeur op het Ministerie van Buitenlandse
Zaken afloopt en diverse programma’s rond jongeren en onderwijs niet worden voortgezet?
Hoe verhoudt dat zich tot de passage in het coalitieakkoord «We vergroten perspectief
door te investeren in jongeren, onderwijs (...)»?
Bent u bereid om het mandaat van de jongerenambassadeur te verlengen? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 8 en 9
Het vorige kabinet heeft besloten de jongerenagenda geen prioriteit meer te geven.
Gegeven capaciteitsbeperkingen en vele noden moeten keuzes worden gemaakt. Na een
effectieve fase van bewustwording en internationaal aanjagen van het jongerenthema
(Youth at Heart) is het nu tijd voor verankering van deze aanpak in het OS-beleid
via de reguliere werkprocessen. Het is dan ook niet logisch om de aanjaagfunctie van
de (onder het vorige kabinet opgeheven functie) Ambassadeur Jongeren, Onderwijs en
Werk opnieuw in het leven te roepen.
Jongeren blijven primair benaderd worden als partners met een stem die gehoord moet
worden; jongerenparticipatie wordt vormgegeven door reeds bestaande structuren zoals
de VN-Jongerenvertegenwoordigerprogramma, SRGR- jongerenambassadeur, de WestWing en
lokale jongerenadviescommissies bij posten. Ook worden programma’s gericht op jongeren,
zoals Orange Corners, PROSPECTS en KEY, (door)ontwikkeld en uitgevoerd.
Vraag 10
Bent u bereid om aandacht voor het welzijn en de belangen van kinderen expliciet op
te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken
met organisaties die kinderen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 10
Aandacht voor het welzijn en belangen van kwetsbare groepen, waaronder kinderen liggen
aan de basis van mijn ontwikkelingsbeleid.
Ondertekenaars
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking