Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Kröger en Piri over vijf jaar Talibanbewind in Afghanistan en de Nederlandse inzet voor de Afghaanse bevolking
Vragen van de leden Kröger en Piri (beiden PRO) aan de Ministers van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en van Buitenlandse Zaken over vijf jaar Talibanbewind in Afghanistan en de Nederlandse inzet voor de Afghaanse bevolking (ingezonden 17 augustus 2026).
Antwoord van Minister Berendsen (Buitenlandse Zaken) en de Minister van Buitenlandse
Handel en Ontwikkelingssamenwerking (ontvangen 11 september 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de verklaring «Vijf jaar Taliban: Afghanistan mag niet vergeten
worden», ondertekend door 17 hulporganisaties zoals Stichting Vluchteling, CARE Nederland,
en Cordaid?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u dat bijna 22 miljoen Afghanen in 2026 afhankelijk zijn van humanitaire
hulp, en dat de situatie verslechtert door dalende financiering, economische stagnatie,
regionale spanningen en klimaatschokken?
Antwoord 2
Het kabinet is bezorgd over de humanitaire situatie in Afghanistan. De humanitaire
noden in Afghanistan blijven onverminderd hoog, en dat zal naar verwachting door de
huidige ontwikkelingen in de regio en in het land niet snel veranderen. Tegelijkertijd
staat de financiële steun van de internationale gemeenschap aan Afghanistan steeds
verder onder druk. Het kabinet heeft zich gecommitteerd aan het blijven steunen van
de Afghaanse bevolking, met name de Afghaanse vrouwen en meisjes. Daarom maakt Nederland
humanitaire hulpverlening in Afghanistan mogelijk door flexibel inzetbare financiering
via meerdere kanalen: de VN, de Rode Kruis en Halve Maanbeweging, en de Dutch Relief Alliance. Nederland zal dit jaar, naast de reeds toegezegde bijdrage van EUR 6 miljoen2 aan het landenspecifieke noodfonds van de VN (Afghanistan Humanitarian Fund), een additionele bijdrage van EUR 5 miljoen leveren en is daarmee de grootste donor
van dit fonds.
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat humanitaire hulp alleen onvoldoende is en dat ook langjarige
investeringen via ontwikkelingssamenwerking nodig zijn in basisvoorzieningen, onderwijs,
bestaanszekerheid en klimaatweerbaarheid? Hoe vult Nederland dit in Afghanistan momenteel
in en is dit voldoende om de weerbaarheid van de bevolking op lange termijn te versterken?
Antwoord 3
Humanitaire hulp is hard nodig in Afghanistan. Nederland blijft zich daarom inzetten
voor gerichte humanitaire steun, bescherming van de meest kwetsbaren en versterking
van de weerbaarheid van de Afghaanse bevolking. Nederland erkent het Taliban-regime
niet en daardoor is er geen sprake van reguliere bilaterale ontwikkelingssamenwerking.
Tegelijkertijd oefent Nederland in internationaal verband druk uit op de de facto
autoriteiten om mensenrechten en humanitaire principes te respecteren en te garanderen
en schendingen te beëindigen en te voorkomen.
Om ervoor te zorgen dat de Afghaanse bevolking alsnog meer dan alleen humanitair ondersteund
wordt, ondersteunt het kabinet de lediging van basisnoden in multilateraal verband,
o.a. via de EU, het Afghanistan Resilience Trust Fund (ARTF) van de Wereldbank en de Asian Development Bank (AsDB). Deze initiatieven hebben als doel bij te dragen aan de zelfredzaamheid van
de Afghaanse bevolking.3
Vraag 4
Bent u bereid zich er binnen de Europese Unie voor in te zetten dat Afghanistan, vijf
jaar na de machtsovername door de Taliban, hoog op de internationale politieke agenda
blijft staan en de Kamer voor de Raad Buitenlandse Zaken waarin Afghanistan aan de
orde komt te informeren over de Nederlandse inzet?
Antwoord 4
Het kabinet blijft zich, waar mogelijk, inzetten voor ondersteuning van de Afghaanse
bevolking, met aandacht voor mensenrechten, basisnoden, steun aan het maatschappelijk
middenveld, opvang in de regio en humanitaire hulp. Dit gebeurt onder strikte voorwaarden
om het Taliban-regime niet te legitimeren, en waar mogelijk in EU-verband. Het kabinet
zal uw Kamer zoals gebruikelijk tijdig via de geannoteerde agenda blijven informeren
over de Nederlandse inzet voor de Raad Buitenlandse Zaken.
Vraag 5
Deelt u de opvatting dat de verdere afname van humanitaire en ontwikkelingsfinanciering
in Afghanistan vrouwen en meisjes onevenredig hard treft, juist omdat zij als gevolg
van het Talibanbeleid nauwelijks toegang hebben tot onderwijs, werk en andere bestaansmiddelen?
Zo ja, hoe weegt u dit mee in de Nederlandse inzet?
Antwoord 5
De situatie van Afghaanse vrouwen en meisjes is schrijnend. Het kabinet heeft zich
gecommitteerd aan het steunen van de Afghaanse bevolking, met name de Afghaanse vrouwen
en meisjes. Nederland doet dit onder andere via steun aan multilaterale organisaties
en steunt verschillende lokale organisaties die zich richten op de bevordering van
de rechten van vrouwen en meisjes in Afghanistan. Nederland werkt altijd vanuit de
«voor vrouwen, door vrouwen»-benadering, waarbij er in alle programmering speciale
aandacht voor vrouwen en meisjes is.
Vraag 6
Hoe beoordeelt u de verslechterde positie van vrouwen en meisjes in Afghanistan, waaronder
het feit dat naar schatting 2,2 miljoen meisjes nog altijd geen toegang hebben tot
voortgezet onderwijs?
Antwoord 6
Het is verwerpelijk dat het Taliban-regime vrouwen en meisjes in Afghanistan toegang
tot het voortgezet- en universitair onderwijs ontzegt. Nederland blijft zich uitspreken
tegen de mensenrechtenschendingen door het Taliban-regime, zowel in EU- als VN-verband.
In de minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten brengt Nederland
de grote zorgen over de situatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan nadrukkelijk
naar voren.
Vraag 7
Welke mogelijkheden ziet Nederland, zowel bilateraal als via de Europese Unie en multilaterale
organisaties, om de toegang tot onderwijs, gezondheidszorg en economische participatie
van Afghaanse vrouwen en meisjes te blijven ondersteunen zonder het Talibanregime
te legitimeren?
Antwoord 7
Zie het antwoord op vraag 3, 5 en 6.
Vraag 8
Bent u bekend met de belemmeringen die de Taliban vrouwelijke hulpverleners oplegt,
waardoor vrouwen en meisjes moeilijker toegang krijgen tot hulp en zorg? Wat doet
Nederland om veilig werken voor deze hulpverleners te waarborgen?
Antwoord 8
De afnemende veiligheid en toegang van vrouwelijke hulpverleners is zorgwekkend. Het
Taliban-regime heeft verschillende beperkingen opgelegd aan hulp aan vrouwen en door
vrouwen. In de praktijk is er enige bewegingsruimte om positieve uitkomsten door en
voor vrouwen te realiseren. Nederland blijft met (lokale) partnerorganisaties actief
in Afghanistan in gesprek over hoe Nederland deze organisaties zo goed mogelijk kan
ondersteunen bij hun werkzaamheden. Ook blijft Nederland zich op diplomatiek niveau
inzetten in verschillende internationale fora voor de veiligheid van vrouwelijke hulpverleners
en toegang tot hulp en zorg voor vrouwen, evenals de onafhankelijkheid en neutraliteit
van de hulpverlening.
Vraag 9
Hoe ondersteunt Nederland Afghaanse maatschappelijke organisaties, waaronder lokaal
en door vrouwen geleide organisaties, en ziet u ruimte deze steun te versterken, bijvoorbeeld
via directe, flexibele financiering?
Antwoord 9
Nederland ondersteunt, onder andere met directe flexibele financiering, verschillende
lokale organisaties die zich richten op de bevordering van de rechten van vrouwen
en meisjes in Afghanistan. Vanwege de toenemende restrictieve regels van de de facto
autoriteiten blijft deze steun noodzakelijk. Zoals beantwoord op vraag 3, erkent Nederland
het Taliban-regime niet als de legitieme vertegenwoordiging van de Afghaanse bevolking
en is hierdoor ook geen reguliere (bilaterale) ontwikkelingssamenwerking mogelijk.
Vraag 10
Bent u bekend met het manifest «De rechten van Afghaanse vrouwen zijn niet onderhandelbaar»4 van de Dolle Mina's en het Azadi Collectief, dat oproept tot het niet-normaliseren
van de Taliban, centraalstelling van vrouwenrechten, bestrijding van genderapartheid
en internationale verantwoording? Hoe beoordeelt u deze drie eisen?
Antwoord 10
Ja. Het normaliseren van de relatie met het Taliban-regime, zoals beschreven in het
manifest, is niet aan de orde. Nederland spreekt zich uit tegen de mensenrechtenschendingen.
Het kabinet roept he Taliban-regime op de mensenrechten, en de rechten van vrouwen
en meisjes in het bijzonder, te respecteren. Om deze reden heeft Nederland, samen
met Australië, Canada en Duitsland, Afghanistan aansprakelijk gesteld voor grove en
systematische schendingen van het Vrouwenverdrag. Over dit proces kan het kabinet,
in het belang van de aansprakelijkstelling, geen verdere uitspraken doen. De situatie
voor vrouwen en meisjes in Afghanistan blijft op de radar van dit kabinet.
Vraag 11
Bent u bekend met het EU-landenprofiel van Afghanistan en andere rapporten waaruit
blijkt dat voormalige bewakers van buitenlandse troepen een primair Talibandoelwit
zijn? Onderschrijft u de bevindingen dat zij worden achtervolgd, mishandeld en dat
een aantal van hen is vermoord? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 11
Voor bepaling van de positie van en risico’s die verschillende groepen lopen gaat
Nederland af op het algemeen ambtsbericht. Het meest recente algemeen ambtsbericht
is in december 2025 gepubliceerd. In de brief5 van het kabinet van 28 mei jl. over het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan
is op de verschillende groepen ingegaan.
Vraag 12
Zo ja, waarom weigert u dan de motie-Piri c.s. (Kamerstuk 36 800 V, nr. 23) uit te voeren om Afghaanse bewakers die voor Nederland werkten en hun gezinnen direct
naar Nederland over te brengen?
Antwoord 12
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl.6 heeft het kabinet besloten om de motie Piri vooralsnog in beraad te houden, hangende
de uitspraak van de Hoge Raad in het cassatieberoep van 42 extern ingehuurde Afghaanse
ambassadebewakers.
Vraag 13
Deelt u de mening dat het ongehoord is dat deze zaak inmiddels bijna vijf jaar voortsleept.
Zo ja, wat gaat u eraan doen?
Antwoord 13
Het kabinet heeft besloten de uitspraak van de Hoge Raad af te wachten omdat de uitkomst
van de rechtszaak sturend is voor het handelingsperspectief van het kabinet. Het kabinet
is zich ervan bewust dat dit besluit onzekerheid oplevert voor de betrokken voormalige
Afghaanse bewakers en hun gezinnen. Om zo spoedig mogelijk duidelijkheid te krijgen,
voor alle betrokkenen, heeft het kabinet ingestemd met een versnelde behandeling van
het cassatieberoep.
Vraag 14
Bent u bekend dat door afschaffing van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
per 12 juni jl., zonder overgangsrecht, circa 4.600 in 2021 geëvacueerde Afghanen
in grote onzekerheid verkeren? Deelt u de mening dat uitzetting voor hen, als doelwit
van de Taliban, een doodsvonnis betekent?
Antwoord 14
Met de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact is de asielvergunning voor
onbepaalde tijd komen te vervallen. Dat betekent niet dat daarmee geen perspectief
op langdurig en stabiel verblijf meer bestaat. Daarvoor blijven er in beginsel verschillende
wettelijke verblijfsroutes beschikbaar. Welke route van toepassing is, hangt af van
de individuele omstandigheden en het voldoen aan de daarvoor geldende voorwaarden.
Een mogelijke route is bijvoorbeeld doorstroom naar de status van EU-langdurig ingezetene.
Het afschaffen van de asielvergunning onbepaalde tijd betekent niet dat de hierboven
genoemde groep Afghanen moeten terugkeren. Wanneer zij op grond van hun individuele
situatie en de situatie in Afghanistan nog steeds gevaar lopen zal bescherming aan
de orde zijn en zal de vergunning voor bepaalde tijd worden verlengd.
Vraag 15
Bent u bereid alsnog een overgangsregeling te treffen voor deze groep, gezien hun
evacuatiegeschiedenis en veelal jarenlange werkrelatie met de Nederlandse overheid?
Antwoord 15
De asielaanvragen van deze groep zijn met voorrang behandeld vanwege de bijzondere
omstandigheden in Afghanistan en hun band met Nederland. Verder geldt dat er sprake
is van voldoende verblijfs- en perspectiefmogelijkheden binnen het stelsel. Daarom
zien wij geen aanleiding om voor deze groep een uitzonderingspositie te creëren.
Voor de beantwoording van de vragen 14 en 15 wordt verder verwezen naar de antwoorden
van het kabinet d.d. 17 augustus jl. op eerdere vragen van uw Kamer (ingezonden 3 juli
2026, 2026Z15703)
Vraag 16
Herinnert u zich het Nederlandse verzoek aan de Europese Commissie om in gesprek te
gaan met de Taliban over de terugname van Afghaanse asielzoekers, wat de facto betrekkingen
normaliseert met een regime dat vrouwen en meisjes onderdrukt? Hoe rijmt u dat met
de Nederlandse kabinetsinzet voor vrouwenrechten als centraal punt van het buitenlandbeleid?
Antwoord 16
Nederland onderhoudt minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten
in Afghanistan. Het normaliseren van de relatie met de Taliban is niet aan de orde.
Nederland erkent de Taliban niet als legitieme vertegenwoordiging van de Afghaanse
bevolking. Voor de beantwoording van de vraag 16 wordt verder verwezen naar de antwoorden
van het kabinet d.d. 10 juli jl. op eerdere vragen van uw Kamer (ingezonden 25 juni
2026, 2026Z14586).
Vraag 17
Heeft u al voortgang gemaakt met de uitvoering van de motie Piri om te inventariseren
onder Afghanistanveteranen en Afghaanse tolken in Nederland hoe zij aankijken tegen
het aanhalen van contacten met de Taliban? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de bevindingen
delen?
Antwoord 17
Deze motie wordt momenteel opgevolgd. Vanwege de gevoeligheid van het onderwerp wordt
de motie zorgvuldig uitgevoerd.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking