Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Westerveld over de Raad van State uitspraak van 1 juli over gewortelde kinderen
Vragen van het lid Westerveld (PRO) aan de Minister van Asiel en Migratie over de Raad van State uitspraak van 1 juli over gewortelde kinderen (ingezonden 22 juli 2026).
Antwoord van Minister Van den Brink (Asiel en Migratie) (ontvangen 9 september 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2663.
Vraag 1
Bent u bekend met de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State van 1 juli 2026 dat u geen goede belangenafweging heeft gemaakt over de afsluitende
regeling «kinderpardon» tussen het belang van Nederland en de belangen van kinderen?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Volgt uit deze uitspraken dat de drie gezinnen waarover deze gaan een verblijfsvergunning
krijgen?
Antwoord 2
In deze drie zaken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State expliciet
opgedragen om aan de betrokken kinderen en hun ouders een verblijfsvergunning te verlenen
op grond van het privéleven (artikel 8 EVRM).1 De IND zal uitvoering geven aan deze uitspraken. Verder kan ik niet ingaan op individuele
zaken.
Vraag 3
Erkent u dat het uitzetten van deze kinderen na zo veel jaren verblijf in Nederland
ronduit schadelijk is voor hun ontwikkeling, zoals de Raad van State doet?
Antwoord 3
In algemene zin geldt dat het belang van het kind een eerste overweging is die zwaar
meeweegt bij de belangenafweging bij een aanvraag op basis van artikel 8 EVRM. Dit
volgt uit vaste rechtspraak van het EHRM.2 Hier valt ook het risico op ontwikkelingsschade onder (hierbij wordt onder meer gekeken
naar deskundigenrapporten, de leeftijd van het kind en medische of psychische omstandigheden),
als onderdeel van een individuele, brede belangenafweging waar alle relevante elementen
in worden betrokken. In de belangenafweging worden de algemene belangen van de Nederlandse
staat afgewogen tegen de persoonlijke belangen van de vreemdeling om in Nederland
familie- of gezinsleven uit te oefenen. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de
openbare orde, het economisch belang van Nederland, de duur van het verblijf van de
vreemdeling en belemmeringen om het familie- of gezinsleven elders uit te oefenen.
Dat is dus altijd een individuele afweging en dat maakt ook dat ik geen generieke
kwalificatie voor alle gevallen kan geven.
Vraag 4
Wanneer zullen de gezinnen hierover geïnformeerd worden en hoe zal het verdere proces
eruitzien?
Antwoord 4
De IND geeft uitvoering aan de uitspraken. Verder kan ik niet ingaan op deze individuele
zaken.
Vraag 5 en 6
Welke verdere consequenties heeft het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State dat u geen goede belangenafweging heeft gemaakt door de belangen
van het kind en het belang van het privéleven van het gezin minder zwaar te wegen
dan het feit dat zij onrechtmatig in Nederland verblijven? Heeft dit consequenties
voorbij deze drie gezinnen?
Gaat u in het vervolg het belang van het kind zwaarder laten meewegen ten opzichte
van het belang van de overheid in het geval dat zij langtijdig geworteld zijn, zoals
de Raad van State ook oordeelt?
Antwoord 5 en 6
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat in deze drie zaken over de afsluitende
regeling «kinderpardon» geen toereikende belangenafweging is gemaakt tussen het belang
van Nederland en de belangen van kinderen.De interpretatie van de afdelingsuitspraken
is op dit moment onderwerp van nadere bestudering.
Ondertekenaars
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie