Antwoord schriftelijke vragen : Antwoorden op vragen van het lid Westerveld over de aanpak van complexe omgangsproblemen
Vragen van het lid Westerveld (PRO) aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over de aanpak van complexe omgangsproblemen (ingezonden 17 juni 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 9 september
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2501.
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt:
«Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe reflecteert u op de in het artikel beschreven zaken waarin kinderen tegen hun
uitdrukkelijke wens langdurig worden gescheiden van een ouder op basis van aannames
over ouderverstoting? Hoe wordt toezicht gehouden op de (mogelijke) schade en effectiviteit
van de maatregel?
Antwoord 2
In het algemeen geldt dat beslissingen over gezag en omgang en kinderbeschermingsmaatregelen
niet op aannames of een omstreden theorie mogen rusten, maar op professionele standaarden
en de best beschikbare kennis, een zorgvuldige casusafweging en met een toets door
de kinderrechter waarbij het kind zelf ook gehoord wordt. Alle door de gemeente gecontracteerde
aanbieders moeten voldoen aan kwaliteitseisen en professionals werken volgens richtlijnen
van de beroepsgroep. De gecertificeerde instelling volgt de voortgang en effecten
en stuurt zo nodig bij, de kinderrechter toetst de maatregel en de verlenging en de
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de werkwijze van gecertificeerde
instellingen. Hierbij baseert de Inspectie zich op de geldende wetten, regels en veldnormen.
Verder leert de praktijk dat sommige casussen zeer complex zijn, waarbij diverse belangen
en perspectieven soms scherp tegenover elkaar staan en er sprake is van stevige dilemma’s,
wat beslissingen in dergelijke casuïstiek zeer ingewikkeld maakt. Dat maakt een oordeel
van afstand – zonder directe professionele betrokkenheid – niet goed mogelijk.
Naar aanleiding van het artikel ga ik met Jeugdzorg Nederland en de betrokken gecertificeerde
instelling in gesprek.
Vraag 3
In hoeverre sluiten de in het artikel beschreven maatregelen aan bij de uitgangspunten
van het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin, met name de punten omtrent
het beperken van schade aan kinderen en het voorkomen van escalatie centraal staan?
Welke lessen uit het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin zijn inmiddels
verwerkt in de werkwijze van de jeugdbescherming, de Raad voor de Kinderbescherming
en de rechtspraak?
Antwoord 3
In Scheiden zonder Schade en opvolgend Een Goed Begin is er gewerkt aan kennisontwikkeling
over (complexe) scheidingen.2 Het uitgangspunt van beide programma’s is het voorkomen van escalatie rond een scheiding
en het centraal stellen van het kind. Dit wordt gedaan door vroegtijdige en laagdrempelige
steun aan ouders, stimuleren van verantwoordelijkheid en duurzame samenwerking tussen
ouders en inzet van passende en zo min mogelijk juridiserende oplossingen. Tijdens
Een Goed Begin is de werkwijze «Duurzaam Ouderschap na Scheiding» ontwikkeld, waarbij
ouders worden begeleid door zogeheten Gezinsvertegenwoordigers. Deze werkwijze is
ontworpen om escalatie te voorkomen en de rust voor het kind terug te brengen. De
werkwijze is getoetst door TNO.3
De lessen van het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin worden meegenomen
in het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming, waar onder andere de gecertificeerde
instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en lokale teams gezamenlijk werken
aan het versterken van de aanpak van onveiligheid in gezinnen. Om in de kind- en gezinsbescherming
tot meer eenduidige werkwijzen te komen wordt, samen met proeftuinen en betrokken
organisaties een handelingskader ontwikkeld. Binnen dit handelingskader wordt ook
een module specifiek gericht op complexe scheidingen ontwikkeld door en met professionals.
Vraag 4
Welke mogelijkheden hebben kinderen zelf om bezwaar te maken tegen beslissingen die
hun woonplaats of contact met ouders ingrijpend veranderen? Vindt u de bestaande mogelijkheden
voldoende toegankelijk en effectief?
Antwoord 4
Hoewel kinderen niet zelfstandig bezwaar kunnen maken, hebben kinderen wel verschillende
mogelijkheden om hun mening kenbaar te maken in procedures die hun woonplaats of het
contact met hun ouders betreffen. In de praktijk worden kinderen vanaf 8 jaar uitgenodigd
voor een gesprek met de (kinder)rechter. In de wet staat nu nog een leeftijdsgrens
van 12 jaar. In het wetsvoorstel «Versterken rechtsbescherming in de jeugdbescherming»
wordt de grens van 8 jaar wettelijk verankerd.
Daarnaast wordt in het wetsvoorstel de procespositie van minderjarigen op andere onderdelen
verbeterd. Voorgesteld wordt dat minderjarigen van 12 jaar en ouder in sommige gevallen
zélf een verzoek kunnen doen aan de rechter, net als hun ouders. Daarnaast wordt voorgesteld
om in die gevallen waarin de minderjarige van twaalf jaar of ouder zelf een verzoek
kunnen doen, een informele rechtsingang open te stellen voor minderjarigen die de
leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt. Hiermee kan het kind zich zonder
formele procedure wenden tot de rechter, bijvoorbeeld met een brief. Hiermee wordt
toegankelijkheid van kinderen tot de juridische procedure verder verbeterd.
Vraag 5
Hoe verhoudt de aanpak zoals beschreven in dit artikel zich tot artikel 12 van het
VN-Kinderrechtenverdrag, waarin het recht van kinderen om gehoord te worden in procedures
die hen raken vastgelegd staat? Hoe wordt geborgd dat kinderen daadwerkelijk worden
gehoord en dat hun verklaringen niet op voorhand terzijde worden geschoven vanuit
de veronderstelling dat zij gemanipuleerd zouden zijn?
Antwoord 5
Artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdrag (IVRK) verplicht staten te waarborgen dat
een kind dat in staat is zijn of haar mening te vormen, de gelegenheid krijgt deze
vrij te uiten in gerechtelijke en bestuurlijke procedures die het kind raken. Daarnaast
moet aan die mening passend gewicht worden toegekend, in overeenstemming met de leeftijd
en rijpheid van het kind. Dit betekent dat de visie van het kind serieus moet worden
betrokken bij de besluitvorming, maar niet zonder meer doorslaggevend is.
In Nederland wordt hieraan onder meer uitvoering gegeven doordat de kinderrechter
kinderen vanaf 8 jaar standaard uitnodigt voor een gesprek. De kinderrechter betrekt
de informatie uit dit gesprek, naast de standpunten van de ouders en de informatie
van de gecertificeerde instelling of andere betrokken professionals, bij de beoordeling
van de zaak en maakt een zorgvuldige afweging.
Indien nodig kan de kinderrechter de Raad voor de Kinderbescherming om advies vragen,
een bijzondere curator benoemen of een onafhankelijk deskundige inschakelen om de
belangen en de stem van het kind beter in beeld te brengen.
Vraag 6
Welke lessen trekt u bij de aanpak van complexe omgangsproblemen uit de ervaringen
van organisaties zoals Villa Pinedo, die de belangen en ervaringen van kinderen van
gescheiden ouders centraal stellen?
Antwoord 6
Ik onderschrijf het belang van organisaties als Villa Pinedo die zich inzetten voor
de belangen van kinderen, waarvan de ouders uit elkaar gaan. Een van de punten die
Villa Pinedo benadrukt is hoe belangrijk de stem en de beleving van het kind zijn,
onder meer bij het maken van omgangsregelingen tussen ouders. Daarnaast toont Villa
Pinedo aan hoe krachtig de stem van het kind zelf is en de meerwaarde van ervaringsdeskundigheid.
Een voorbeeld waarbij dit zichtbaar werd is de plek die jongeren hadden tijdens het
landelijk congres «Een goed begin na scheiding», dat in 2025 door mijn voorganger
werd georganiseerd, waarin zij met veel succes hun ervaringen met professionals op
het gebied van complexe scheidingen konden delen. Door de inzet van Villa Pinedo zagen
professionals, beleidsmakers en betrokkenen zelf wat een scheiding met een kind doet
en hoe je daar als professional mee kan omgaan.
Vraag 7
Hoe reflecteert u op de internationale ontwikkelingen op het gebied van complexe omgangsproblemen,
zoals bijvoorbeeld de keuze van het hooggerechtshof in Italië om het gebruik van de
theorie omtrent ouderverstoring als onwettelijk te bestempelen en de keuze van Spanje
om een verbod in te stellen op het gebruik van het concept ouderverstoting in familierechtzaken?
Hoe verhouden deze ontwikkelingen zich tot de Nederlandse praktijk?
Antwoord 7
Ik volg de internationale ontwikkelingen en wetenschappelijke inzichten op dit terrein
met interesse. In Italië heeft het hooggerechtshof geoordeeld dat de theorie van ouderverstoting
geen zelfstandige grondslag mag vormen voor rechterlijke beslissingen. Daarnaast is
het gebruik van het concept ouderverstoting in familierechtelijke procedures in Spanje
wettelijk uitgesloten. Deze ontwikkelingen hangen samen met de discussie over contactverlies
in de rechtspraktijk.
In Nederland vormen theorieën over ouderverstoting ook geen wettelijk criterium of
zelfstandige juridische grondslag voor beslissingen in familierechtelijke procedures.
De rechter beoordeelt iedere zaak aan de hand van de feiten en omstandigheden van
het concrete geval, waarbij het belang van het kind leidend is. Daarbij worden alle
relevante omstandigheden, waaronder de visie van het kind en de informatie van betrokken
professionals, in onderlinge samenhang gewogen.
Vraag 8
Hoe reflecteert u op het feit dat een omstreden en wetenschappelijk betwiste theorie
over ouderverstoting ten grondslag ligt aan methoden en interventies die diep ingrijpen
in het gezinsleven en kinder- en mensenrechten? Welke eisen stelt u aan de wetenschappelijke
onderbouwing van dergelijke interventies?
Antwoord 8
In het algemeen vind ik het onwenselijk dat bij interventies die ingrijpen in het
gezinsleven, bijvoorbeeld uithuisplaatsing, een omstreden theorie de basis vormt voor
een beslissing. Beslissingen moeten rusten op professionele standaarden en zorgvuldige
casusafweging, met transparante motivering en rechterlijke toetsing. Voor beslissingen
is maatwerk vereist, waarbij dient te worden gekeken naar de omstandigheden van het
geval en het belang van het kind altijd vooropstaat. Een goede onderbouwing van de
beslissing is essentieel. Van professionals mag worden verwacht dat zij werken volgens
professionele standaarden en richtlijnen en kwaliteitskaders en dat zij interventies
toepassen die steunen op de best beschikbare en toetsbare onderbouwing: aantoonbare
effectiviteit en veiligheid en peer-reviewed onderzoek. Besluiten zijn per casus proportioneel,
helder gemotiveerd, met weging van de stem en veiligheid van het kind.
Vraag 9
Wat is momenteel de stand van zaken van de uitvoering van elk van de aanbevelingen
uit het Adviesrapport van het Expertteam Ouderverstoting? Kunt u per aanbeveling aangeven
welke acties zijn ondernemen en of ze volledig, gedeeltelijk of nog niet zijn uitgevoerd?
Wat zijn de concrete opbrengsten van de implementatie van elk van de aanbevelingen?
Antwoord 9
Het Expertteam heeft in haar advies verschillende aanbevelingen gedaan. In de reactie
hierop is richting uw Kamer aangekondigd met de aanbevelingen aan de slag te gaan
door in te zetten op preventie, naleving en kennisbevordering.4 In de afgelopen jaren is door mijn voorgangers, in samenwerking met het Ministerie
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, op verschillende manieren uitvoering gegeven
aan deze aanbevelingen.
Voor wat betreft preventie en het herstellen van contactverlies, is in 2021 geëxperimenteerd
met de Specialist Contactverlies in het Programma Scheiden zonder Schade (2018–2022).
De opbrengsten hiervan waren kansrijk, zoals is te lezen in de opgeleverde rapporten.5 De kansrijke elementen waarmee was geëxperimenteerd binnen het programma, onder andere
het Scheidingsadviesteam (in navolging van de specialist contactverlies), zijn doorontwikkeld
tot een werkwijze (Duurzaam Ouderschap na Scheiding) en getoetst en wetenschappelijk
onderzocht in Een Goed Begin (2022–2025).6 Opvolgend is ingezet op het verspreiden van informatie over deze werkwijze en het
bevorderen van kennisdeling onder gemeenten (bijvoorbeeld door het organiseren van
inspiratiesessies en regionale sessies verspreid door het hele land). Kennisdeling
over complexe scheidingen wordt daarnaast meegenomen het Toekomstscenario kind- en
gezinsbescherming zoals beschreven in het antwoord op vraag 3.
In het kader van naleving van omgangsregelingen is aan het WODC gevraagd om onderzoek
te doen naar de effectiviteit van de huidige sanctiemogelijkheden voor handhaving
en naleving van omgangsregelingen. Het WODC-onderzoek concludeert dat juridische sanctiemiddelen
bij omgangsproblematiek (zoals dwangsom, gijzeling en strafrechtelijke handhaving)
slechts beperkt en vaak tijdelijk effect sorteren.7 Als er onderliggende problemen spelen (veiligheidszorgen, hoge-conflict, psychische
problematiek) werken sancties op zichzelf meestal niet. Het rapport adviseert daarom
terughoudend en selectief gebruik van sancties. Maatwerk, laagdrempelige hulpverlening,
duidelijke regie en goede informatievoorziening aan ouders blijken belangrijkere voorspellers
dan straffen.
Tot slot is de afgelopen jaren ingezet op bevordering van kennis voor professionals
en gemeenten rondom een complexe scheiding. In onderzoek van Significant uit 2025,
in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, is terug te zien dat driekwart
van de ondervraagde gemeenten inmiddels werken aan een aanpak voor complexe scheidingen.8 Het belang van een goede aanpak voor complexe situaties is steeds vaker onder de
aandacht van gemeenten. Complexe scheidingen, met name waarin sprake is van contactverlies
blijven ingewikkeld en maatwerk is nodig. Dit kwam ook terug in recente gesprekken
met belangengroepen en uitvoeringspartners over dit thema.
Vraag 10
Zijn het aantal gevallen van contactverlies teruggedrongen sinds de start van Scheiden
zonder Schade en Een Goed Begin, zoals uw ambtsvoorganger aangaf te verwachten?9 Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, hoe verklaart u dit?
Antwoord 10
Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal kinderen dat één van beide ouders
niet meer ziet. Wel blijkt uit cijfers dat er veel kinderen zijn die te maken hebben
met de situatie dat hun ouders uit elkaar gaan.10 Hoewel dit in de meeste gevallen goed verloopt, blijven er ook zeer complexe situaties
bestaan, waar onder andere ook contactverlies optreedt. Er is blijvend aandacht nodig
om juridische procedures rond gezag en omgang kindvriendelijk en de-escalerend te
laten verlopen. Hier zal ik uw Kamer binnenkort nader over informeren.
Vraag 11
Wat is momenteel de stand van zaken van de implementatie van Scheiden zonder Schade
en Een Goed Begin? Kunt u per onderdeel aangeven welke maatregelen ingevoerd zijn
en welke concrete opbrengsten deze programma’s hebben (gehad) voor kinderen en ouders?
Antwoord 11
In de afgelopen jaren is gewerkt aan kennisontwikkeling over (complexe) scheidingen.11 Graag verwijs ik u naar de kamerbrief van oktober 2025 waarin uitgebreid is ingegaan
op de opbrengsten. Binnen het project Een Goed Begin is, in het verlengde van Scheiden
zonder Schade, de werkwijze «Duurzaam Ouderschap na Scheiding» ontwikkeld en opgeleverd.
Het doel van de werkwijze is dat ouders na een scheiding duurzaam samenwerken met
het welzijn en de ontwikkelkansen van het kind centraal, waarbij zij verantwoordelijkheid
nemen voor hun aandeel in het ouderschap.
Uit onderzoek van TNO is gebleken dat de werkwijze Duurzaam Ouderschap na Scheiding
werkzame elementen bevat.12 Het onderliggende denkkader Duurzaam Samenwerken na Scheiding is daarnaast behulpzaam
voor gemeenten, organisaties en professionals die te maken hebben met ouders in scheiding.13 Om professionals met het denkkader al laagdrempelig kennis te laten maken, zijn 28
inspiratiesessies georganiseerd voor jeugd- en wijkteams, jeugdzorgorganisaties, gemeenten
en regionale samenwerkingsverbanden. Daarnaast is in samenwerking met het Ministerie
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 18 september 2025 een landelijk congres georganiseerd.
Het congres diende als plek voor kennisdeling en aandacht voor het onderwerp (complexe)
scheidingen breed in het land. Hierop volgend zijn in het voorjaar van 2026 vijf regionale
bijeenkomsten georganiseerd om het denkkader en de werkwijze verder toe te lichten,
maar ook om kennisdeling onder jeugd- en wijkteamprofessionals en beleidsmakers te
bevorderen.
Ondertekenaars
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid