Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Synhaeve en Van der Werf over een omstreden concept dat kinderen van hun ouders scheidt
Vragen van de leden Synhaeve en Van der Werf (beiden D66) aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over een omstreden concept dat kinderen van hun ouders scheidt (ingezonden 17 juni 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 9 september
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2499.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt:
«Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Antwoord 1
Ja. Ik ben bekend met het bericht.
Vraag 2
Acht u het wenselijk dat jeugdbeschermers op basis van een theorie die niet vaststaat
en waarbij internationaal ernstige zorgen zijn over de schadelijke gevolgen van deze
theorie, dergelijke ingrijpende beslissingen kunnen nemen over kinderen?
Antwoord 2
Het uitgangspunt is dat beslissingen niet mogen steunen op een omstreden, niet vaststaande
theorie. Zij moeten rusten op professionele standaarden en zorgvuldige casusafweging,
met transparante motivering en rechterlijke toetsing. Ik ga hierover in gesprek met
Jeugdzorg Nederland en de betrokken gecertificeerde instelling.
Vraag 3
Welke jeugdbeschermingsorganisaties in Nederland werken vanuit deze of een vergelijkbare
theorie en hoeveel kinderen zijn er – gebaseerd op deze theorie – uit huis geplaatst?
Antwoord 3
We beschikken landelijk over cijfers over ondertoezichtstellingen en machtigingen
tot uithuisplaatsing via onder meer CBS en de Rechtspraak. Toezicht op de uitvoering
vindt plaats via de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, de contractuele verantwoording
tussen gemeenten en gecertificeerde instellingen en de interne kwaliteits- en dossieraudits
bij GI’s en de Raad voor de Kinderbescherming. Periodieke materiële controle is geborgd
in samenwerkingsafspraken over dossiervorming en besluitvorming en via de reguliere
accountants- en rechtmatigheidscontroles bij gemeenten.
Er is geen landelijk overzicht van welke jeugdbeschermingsorganisaties werken met
deze of een vergelijkbare theorie. Er bestaat ook geen registratie die beslissingen
tot uithuisplaatsing koppelt aan een specifieke methodiek. Daardoor is niet vast te
stellen hoeveel uithuisplaatsingen op deze theorie zijn gebaseerd.
Vraag 4
Op welke wijze wordt voorkomen dat onbewezen of onvoldoende wetenschappelijk onderbouwde
werkwijzen – en in dit geval bewezen ineffectieve werkwijzen – een rol spelen bij
beslissingen die kunnen leiden tot dermate ingrijpende maatregelen zoals beperking
van contact met een ouder of gedwongen plaatsing bij een van beide ouders?
Antwoord 4
Gecertificeerde instellingen werken in het algemeen volgens professionele richtlijnen
en kwaliteitskaders en borgen vakinhoud via intervisie, supervisie en zo nodig een
second opinion. Beslissingen steunen op de best beschikbare kennis, beroepsnormen
en multidisciplinaire casuïstiek, met een duidelijke motivering. Ingrijpende maatregelen
kunnen alleen na toetsing door de kinderrechter en moeten proportioneel en subsidiair
zijn. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de werkwijze van de
gecertificeerde instellingen. Hierbij baseert de Inspectie zich op de geldende wetten,
regels en veldnormen.
Vraag 5
Deelt u de opvatting dat het volstrekt ongewenst is dat een werkwijze waarover onder
wetenschappers en deskundigen aanzienlijke discussie bestaat in de praktijk leidt
tot beslissingen waarbij kinderen, tegen hun uitdrukkelijke wens in, contact met een
ouder verliezen of hun veilige plek thuis verliezen?
Antwoord 5
Hierover ben ik helder. Het is in het algemeen ongewenst dat betwiste werkwijzen leiden
tot zulke ingrijpende beslissingen. Jeugdprofessionals werken volgens de professionele
standaard van hun beroepsgroep. Die omvat de beroepscode, de richtlijnen jeugdhulp
en jeugdbescherming en de veldnormen en handelen conform deze standaard is wettelijk
verankerd. De richtlijnen geven onderbouwde aanbevelingen op basis van wetenschap,
praktijkkennis en ervaringskennis en worden ontwikkeld en ingevoerd door het Nederlands
Instituut van Psychologen, de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen,
en Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk. De Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd ziet toe op naleving. Contactbeperking of uithuisplaatsing kan alleen op
basis van de best beschikbare kennis, een zorgvuldige casusafweging en het zwaarwegende
belang en de veiligheid van het kind, met toets door de kinderrechter. De stem van
het kind weegt in deze toetsing mee.
Vraag 6
Deelt u de opvatting dat deze kinderen recht hebben op een onafhankelijke beoordeling
van hun gevoelens, ervaringen en veiligheidsbeleving, en hoe wordt dit in de praktijk
gewaarborgd?
Antwoord 6
Ja. Kinderen hebben recht op een onafhankelijke beoordeling van hun beleving en veiligheid.
In de praktijk gebeurt dat via het kindgesprek bij de kinderrechter en via onderzoek
door de Raad voor de Kinderbescherming, maar ook door jeugdbeschermers en betrokken
zorgaanbieders. Het gaat hierbij steeds om de vraag welke beslissing uiteindelijk
het meest in het belang van het kind wordt geacht. Kinderen hebben daarnaast toegang
tot een cliëntenvertrouwenspersoon via Jeugdstem en de Inspectie Gezondheidszorg en
Jeugd houdt toezicht op de werkwijze van gecertificeerde instellingen.
Vraag 7
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat signalen van onveiligheid, verwaarlozing
of mishandeling onterecht worden geïnterpreteerd als uitingen van zogenaamde ouderverstoting,
waardoor kinderen mogelijk juist niet beschermd worden tegen onveilige situaties?
Antwoord 7
Het kabinet is, samen met betrokken organisaties, aan de slag met het verbetertraject
«Recht doen aan veiligheid», dat als doel heeft dat huiselijk geweld en kindermishandeling
beter onderzocht, naar voren gebracht en meegenomen wordt in het familie-, jeugd-
en strafrecht. Uw Kamer is in juli 2026 geïnformeerd over de voortgang van dit verbetertraject.2 Binnen dit traject wordt onder meer gewerkt aan deskundigheidsbevordering, het verbeteren
van de informatie-uitwisseling en een toetsingskader. Daarbij is er ook aandacht voor
dat voorheen het uitgangspunt vooral was dat contact of omgang met beide ouders het
meest in het belang van het kind was. Met de betrokken partners werken we ernaartoe
dat gewaarborgd wordt dat in die belangenafweging (het risico op) slachtoffer en/of
getuige zijn van huiselijk geweld ook prominent wordt meegewogen.
Vraag 8
Deelt u de opvatting dat bij ingrijpende beslissingen over kinderen de veiligheid
van het kind leidend moet zijn, en hoe wordt getoetst of dit ook daadwerkelijk gebeurt
wanneer beslissingen worden gebaseerd op een theorie waarvan de validiteit ter discussie
staat?
Antwoord 8
Ja. De veiligheid van het kind moet altijd leidend zijn. Gecertificeerde instellingen
werken volgens professionele richtlijnen en dienen transparant te zijn in hun besluitvorming
en de onderbouwing van deze besluiten vast te leggen. Hier worden zij door het KeurmerkInstituut
volgens het normenkader op gecontroleerd en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
ziet toe op het handelen conform deze richtlijnen. De Raad voor de Kinderbescherming
toetst onafhankelijk. De rechter toetst eveneens onafhankelijk en maakt een afgewogen
beslissing tussen enerzijds het belang van het kind om contact met beide ouders te
hebben en anderzijds het belang van het kind om in veiligheid op te groeien.
Vraag 9
Hoe bent u van plan om overzicht te krijgen van regionale handelwijzen en praktijken
in de jeugdbescherming en jeugdzorg teneinde misstanden als deze te voorkomen en in
te kunnen grijpen waar nodig?
Antwoord 9
In mijn periodieke gesprekken met de gecertificeerde instellingen zal ik de regionale
handelwijzen en praktijken ter sprake brengen. De Inspectie Justitie en Veiligheid
en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houden toezicht op de kwaliteit van jeugdbescherming
en jeugdzorg. Als zij in het toezicht normoverschrijdingen constateren in de handelwijzen
van organisaties, kunnen zij verdiepend onderzoek doen om vast te stellen of de kwaliteit
en veiligheid van de zorg onvoldoende is. Indien nodig kunnen zij een maatregel opleggen.
Ondertekenaars
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid