Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op Vragen van het lid Ergin over moslimhaat aan de Universiteit van Utrecht
Vragen van het lid Ergin (DENK) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over moslimhaat aan de Universiteit van Utrecht (ingezonden 19 augustus 2026).
Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 9 september
2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht dat een stilteruimte van de Universiteit Utrecht is
achtergelaten met bier en Korans onder een tafelpoot?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat is u bekend over de toedracht van deze haatactie en heeft u hierover contact gehad
met de Universiteit Utrecht?
Antwoord 2
Naar aanleiding van dit incident heb ik contact opgenomen met de Universiteit Utrecht
(hierna: UU). Zij heeft met mij gedeeld dat de stilteruimte respectloos is achtergelaten.
Zij geeft aan dit onacceptabel te vinden, ervan geschrokken te zijn en zich te kunnen
voorstellen dat studenten hier ook erg van geschrokken zijn.
De UU heeft mij laten weten dat zij van de situatie heeft vernomen via de instagrampost
van de Islamitische Studentenvereniging INSAN op de betreffende dinsdagmiddag. Daarop
is direct actie ondernomen. Medewerkers van de UU zijn bij de stilteruimte gaan kijken.
Daar troffen zij een rommelige ruimte aan met de Korans inmiddels weer opgeborgen
in de kast. De UU heeft ervoor gezorgd dat de stilteruimte de ochtend erna weer was
opgeruimd zodat de ruimte weer in gebruik kon worden genomen. Voorts heeft de UU contact
gezocht met INSAN en een gesprek met hen over deze gebeurtenis wordt op korte termijn
ingepland.
Vraag 3
Deelt u de mening dat het ontheiligen van religieuze geschriften onacceptabel is?
Antwoord 3
Ja, dat vind ik verwerpelijk.
Vraag 4
Kunt u zich voorstellen dat het plaatsen van Korans onder een tafelpoot en het achterlaten
van bier(resten) door islamitische studenten als moslimhaat en intimidatie wordt ervaren?
Antwoord 4
Ik vind het van groot belang dat we in onze samenleving, en daarmee ook in het onderwijs,
respectvol met elkaar omgaan. Hier was dat niet het geval, dit was een onacceptabele
en respectloze actie. Dit soort incidenten horen zich niet voor te doen.
Vraag 5 en 6
Wordt onderzocht of sprake was van een islamofoob motief? Zo nee, bent u bereid hier
bij de Universiteit Utrecht op aan te dringen?
Welke maatregelen neemt de Universiteit Utrecht om herhaling te voorkomen en de veiligheid
van islamitische studenten te waarborgen?
Antwoord 5 en 6
De UU heeft mij laten weten dat zij dit incident serieus neemt en bekijkt of zij kan
achterhalen wat er precies gebeurd is. Het is tegelijkertijd ook lastig omdat de stilteruimte
een vrij toegankelijke ruimte is zonder een reserverings- of boekingssysteem en er
geen camera’s in of rondom de stilteruimte zijn (in verband met onder meer de privacy).
De UU doet navraag bij gebruikers van het gebouw of men iets gezien heeft, en vraagt
aan gebruikers van het gebouw om alert te zijn op oneigenlijk gebruik van de stilteruimte
en te melden wanneer dit gebeurt. Ook vraagt zij haar facilitair medewerkers UU-breed
om de stilteruimtes vaker te controleren. Tot slot gaat zij over deze gebeurtenis
in gesprek met de Islamitische Studentenvereniging INSAN, die hierover als eerste
aan de bel heeft getrokken via sociale media.
Het is goed dat de UU gedegen opvolging geeft aan deze acties.
Vraag 7
Heeft u zicht op de omvang van islamofobie en discriminatie van moslims binnen het
hoger onderwijs? Zo ja, kunt u de beschikbare cijfers hierover met de Kamer delen?
Antwoord 7
Onderzoek laat zien dat er moslimdiscriminatie plaatsvindt in de Nederlandse samenleving.2 Ondanks dat er geen sectorspecifieke monitor is die islamofobie en moslimdiscriminatie
uitsluitend binnen het hoger onderwijs meet, geven bredere onderzoeken een beeld van
de omvang van islamofobie en moslimdiscriminatie binnen het (hoger) onderwijs.3
Zo rapporteert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) met betrekking tot alle onderwijsrichtingen
dat 45–55% van de moslimstudenten discriminatie ervaart in het onderwijs.4 Uit dit rapport blijkt ook dat 44% van de studenten met een Marokkaanse achtergrond
stagediscriminatie ervaart.5 Stagediscriminatie in het hoger onderwijs kan voorkomen tijdens het sollicitatieproces
en gedurende de stage zelf. Dit kan expliciet zijn, zoals het afwijzen van moslimstudenten
vanwege een hoofddoek of via stereotyperende opmerkingen en micro-agressie.6
Moslimstudenten uit het middelbaar beroeps- en hoger onderwijs geven aan, onder andere
op basis van een eigen enquête7, dat (gebrek aan) thuisgevoel in het onderwijs een belangrijk issue voor hen is.
Vraag 8
Bent u bereid met universiteiten en hogescholen afspraken te maken over het voorkomen,
registreren en aanpakken van moslimhaat?
Antwoord 8
Moslimhaat is onacceptabel en een probleem dat aangepakt dient te worden. Ik verwacht
van instellingen dat zij hier aandacht voor hebben vanuit hun verantwoordelijkheid
voor een veilige leer- en werkomgeving. In het kader van de integrale aanpak sociale
veiligheid voor alle studenten en medewerkers in het hoger onderwijs voer ik hierover
regulier overleg met de sector. In dat gesprek zal ik ook aandacht vragen voor dit
type incidenten bij instellingen. Vanuit OCW betrekken we de moslimgemeenschap bij
relevante beleidsdossiers om te horen wat er leeft binnen de gemeenschap en om ervoor
te zorgen dat alle Islamitisch Nederlandse jongeren zich veilig, gezien en gehoord
voelen op de onderwijsinstellingen.8
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap