Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Ark over EU delegated cooperation
Vragen van het lid Van Ark (CDA) aan de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over EU delegated cooperation (ingezonden 21 augustus 2026).
Antwoord van Minister Sjoerdsma (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking)
(ontvangen 8 september 2026).
Vraag 1
Herinnert u zich de aangenomen motie Klink/Amhaouch waarin verzocht werd meer EU-gelden
door middel van delegated cooperation (EU-DC) aan te wenden?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Klopt het dat het bedrag dat Nederland in 2025 aan EU-DC gemobiliseerd heeft € 243 miljoen
bedraagt, terwijl de doelstelling conform de aangenomen motie Kamminga zou moeten
zijn dat dit bedrag de komende jaren vergroot moet worden naar ten minste 1 miljard
euro?2
3
Antwoord 2
Het totaal dat Nederland aan EU-DC mobiliseert bestaat uit bedragen voor projecten
die worden toegekend aan Nederlandse partijen en uit garanties die de Europese Commissie
aan Nederlandse partijen alloceert. Het bedrag dat Nederland tot januari 2026 middels
EU-DC heeft gemobiliseerd voor projecten is EUR 243 miljoen. Inmiddels is dit bedrag
opgelopen tot EUR 318 miljoen. Daarnaast werd door Nederland voor circa 1,8 miljard
euro aan garanties gemobiliseerd. Garanties worden net als bijdragen gerealiseerd
door EU-DC. Zoals aangegeven in de Memorie van Toelichting bij de begroting van 2026
wil het kabinet het instrument van Delegated Cooperation in toenemende mate toepassen.
Vraag 3
Kunt u de huidige stand van zaken geven van EU delegated cooperation (EU-DC) en de
ambitie voor de komende jaren, inclusief een concrete streefwaarde en tijdpad in relatie
tot de hiervoor genoemde moties?
Antwoord 3
Zie beantwoording vraag 2 voor de huidige stand van zaken.
Aangezien Nederland bij de toepassing van EU-DC afhankelijk is van de (procedures
en besluitvorming van de) EC en omdat het budget onder het nieuwe EU-financieel kader
voor 2028–2034 nog niet bekend is, is het in deze fase niet mogelijk een realistische
inschatting van een tijdspad met concrete streefwaarden per jaar te geven. Ik kan
u verzekeren dat het kabinet vol inzet op toepassing van EU-DC.
Vraag 4
Kunt u hierbij ook ingaan op hoe Nederlandse organisaties actiever ondersteund kunnen
worden bij het verkrijgen van EU-DC-middelen (zoals voorlichting, capaciteitsopbouw,
en hulp bij contractvorming met de Europese Commissie)?
Antwoord 4
Momenteel worden Nederlandse organisaties op verschillende manieren ondersteund om
beter gebruik te kunnen maken van EU-DC-middelen. Zowel in Brussel als in de partnerlanden
zet het kabinet zich in contacten met de Europese Commissie (waaronder DG INTPA, NEAR
en MENA) in voor goede en transparante toegang van Nederlandse bedrijven, NGOs en
kennisinstellingen tot relevante EU-programmering en instrumenten. Daarnaast informeert
het Ministerie van Buitenlandse Zaken via voorlichting en bijeenkomsten over relevante
beleidsontwikkelingen en mogelijkheden om aan te sluiten bij EU-programma’s.
Ook is binnen het ministerie een EU Support Facility ingericht die organisaties ondersteunt
bij contractvorming wanneer gebruik wordt gemaakt van de DGIS-accreditatie; de capaciteit
hiervan is recent uitgebreid.
Tegelijkertijd blijven er uitdagingen bij de totstandkoming van EU-DC-projecten, zowel
in Brussel als aan de Nederlandse kant. Het vergt inzet op verschillende terreinen
om toegang te krijgen tot EU-DC-middelen, waarbij in iedere fase moet worden bezien
wat mogelijk is, ook binnen de geldende juridische en procedurele kaders. Het ministerie
gaat graag verder in gesprek met de Nederlandse sector om samen te bezien hoe de toegang
structureel kan worden verbeterd. Het kabinet ziet dit nadrukkelijk als een gezamenlijke
opgave van overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.
Vraag 5
Kunt u een overzicht geven van de besteding van de € 243 miljoen aan EU-DC in 2025:
door welke organisaties, in welke landen, op welke thema's, en welk deel al besteed
is versus nog openstaat als lopende verplichting?
Antwoord 5
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 2 is het tot op heden vastgelegde bedrag
van de EU inmiddels opgelopen naar EUR 318 miljoen. Hiervan is ongeveer 40% reeds
ontvangen van de EU. Projecten hebben verschillende looptijden en worden medegefinancierd
door de Nederlandse overheid en andere EU-lidstaten. Het betreft projecten in Afrika,
Latijns Amerika en Oost Europa op de sectoren: Landbouw, Voedselzekerheid, Agro-logistiek,
Jeugdwerkgelegenheid, Goed bestuur, Water, Justitie, Migratie, Veiligheid, Cyber,
Gezondheid, Energie en Kritieke Grondstoffen. Aangezien een deel van de projecten
thematisch en/of regionaal is, kan geen uitsplitsing per land worden gegeven.
Vraag 6
Klopt het dat Nederland, anders dan Duitsland (Deutsche Gesellschaft für Internationale Zusammenarbeit (GIZ), en de KfW) en Frankrijk (Agence Française de Développement (AFD), en Expertise France), geen grote gespecialiseerde uitvoeringsorganisatie heeft voor ontwikkelingssamenwerking?
Antwoord 6
Het klopt dat Nederland in tegenstelling tot de meeste EU lidstaten niet één grote
gespecialiseerde uitvoeringsorganisatie heeft voor ontwikkelingssamenwerking.
Vraag 7
Zo ja, maakt dit het voor Nederland volgens u moeilijker om EU-DC-middelen te verkrijgen
(minder capaciteit, trackrecord of programmeringsinvloed)?
Antwoord 7
Het klopt dat er nadelen kunnen zitten aan het ontbreken van één grote uitvoeringsorganisatie,
zoals bijvoorbeeld in Duitsland en Frankrijk, op een of meerdere van de door u genoemde
aspecten.
Tegelijkertijd biedt het Nederlandse model met een divers landschap van (gespecialiseerde)
uitvoerders ook de nodige voordelen, bijvoorbeeld ten aanzien van flexibiliteit en
expertise op een brede waaier van thema’s. De accreditatie van het Ministerie van
Buitenlandse Zaken wordt mede ingezet om deze expertise te ontsluiten voor EU-DC projecten.
Gelet op het feit dat het werkterrein van de EC in toenemende mate ook betrekking
heeft op sectoren buiten de traditionele ontwikkelingssamenwerking (zoals bijvoorbeeld
veiligheid, energie, migratie, kritieke grondstoffen, digitalisering etc.), hebben
we als Nederland een goede uitgangspositie om ook in de toekomst goed in te kunnen
spelen op nieuwe kansen voor het aantrekken van EU-financiering. Daarbij richten we
ons niet alleen op financiering van DG INTPA, maar ook van andere DGs (ENEST, MENA,
HOME, ECHO, etc.).
Vraag 8
Zijn er naast Buitenlandse Zaken (BZ), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO),
Nuffic en de Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) andere Nederlandse
organisaties die in aanmerking komen om geaccrediteerd te worden als uitvoeringspartner
onder Delegated Cooperation (het zogeheten pillar assessment)? Zo ja, welke stappen
onderneemt het kabinet om accreditatie te ondersteunen?
Antwoord 8
Naast Buitenlandse zaken (BZ), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), Nuffic
en de Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) kunnen organisaties
die voldoen aan de eisen van de EU Financial Regulation van de Europese Commissie
in principe in aanmerking komen voor accreditatie. De beoordeling hiervan ligt bij
de EC. De EC gaat hier momenteel zeer terughoudend mee om, hetgeen de ruimte beperkt
voor lidstaten en Nederland.
Met betrekking tot de te ondernemen stappen zal het kabinet daarom alleen accreditatie
actief ondersteunen bij een evident publiek belang.
Vraag 9
Erkent u dat EU-DC, juist bij dalende Official Development Assistance (ODA)-budgetten,
als multiplier kan werken om Europese middelen te mobiliseren ter compensatie van
dalende nationale middelen? Hoe wordt dit uitgangspunt concreet in beleid vertaald?
Antwoord 9
Het kabinet erkent dat EU-DC mogelijkheden biedt om meer Nederlandse kennis en kunde
in te zetten ter versterking van Europees beleid en uitvoering en om de impact van
de Nederlandse inzet te vergroten. EU-DC kan daarbij echter niet worden gezien als
een instrument waarmee dalende ODA-middelen één-op-één kunnen worden gecompenseerd.
De beschikbaarheid, omvang en inzet van EU-middelen worden bepaald binnen de programmering
en prioriteiten van de EC.
Door intensievere samenwerking met de Europese Commissie op verschillende niveaus
zowel in Brussel als in de partnerlanden zet Nederland er op in dat EU-programmering
aansluit bij Nederlandse beleidsprioriteiten. Zo kan met Europese middelen onze eigen
inzet op thema’s en landen worden geïntensiveerd en versterkt het kabinet met de Nederlandse
inzet de Europese positie.
Vraag 10
Wordt bij de heroriëntatie van het postennet en de personele taakstelling rekening
gehouden met de extra capaciteit die uitvoering van EU-DC-projecten op ambassades
vergt?
Antwoord 10
Ondanks de personele taakstelling van het afgelopen jaar, heeft het Ministerie geïnvesteerd
in additionele capaciteit op het ministerie om de ambitie op EU-DC waar te kunnen
maken. Posten kunnen een beroep doen op deze extra capaciteit, met name in de ontwikkelfase
van EU-DC projecten. Na ondertekening van contracten is het uitgangspunt dat de benodigde
capaciteit op ambassades voor de uitvoering van EU-DC projecten vooral wordt gefinancierd
uit EU-projectmiddelen.
Vraag 11
Bent u bereid om, met de nieuwe verantwoordingssystematiek vanaf het jaarverslag 2026,
EU-delegated cooperation als apart en meetbaar onderdeel op te nemen met een vaste
jaarlijkse streefwaarde?
Antwoord 11
Het kabinet zet vol in op toepassing van EU-DC, als middel om Europees ontwikkelingsbeleid
effectiever te maken met Nederlandse kennis en kunde. Vanuit deze optiek zal hierover
ook verantwoording worden afgelegd in het jaarverslag. Het nieuwe EU-financieel kader
voor 2028–2034 en de uitwerking hiervan zullen van invloed zijn op de mate waarin
Nederlandse kennis en kunde kan worden ingezet. Hier kan ik nog niet op vooruit lopen.
Vraag 12
Kunnen deze vragen worden beantwoord voorafgaand aan het commissiedebat over het BHOS-deel
van de beleidsbrief buitenlandse zaken op 9 september?
Antwoord 12
Ja.
Ondertekenaars
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking