Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Coenradie over het Centrum Seksueel Geweld als toegangspoort voor zedenzaken
Vragen van het lid Coenradie (JA21) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het Centrum Seksueel Geweld als toegangspoort voor zedenzaken (ingezonden 19 juni 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid), mede namens de Staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid en de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport (ontvangen
8 september 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2535.
Vraag 1
Kunt u uiteenzetten hoe de huidige instroom van meldingen, aangiften en signalen van
seksuele misdrijven verloopt en welke rol het Centrum Seksueel Geweld (CSG) daarin
momenteel vervult?
Antwoord 1
Slachtoffers van seksuele misdrijven kunnen zich bij verschillende organisaties melden.
Een groot deel van de slachtoffers die zich melden, meldt zich bij de politie. Daarnaast
melden slachtoffers zich bij het Centrum Seksueel geweld (hierna: CSG) of Slachtofferhulp
Nederland (SHN). Ook bij Veilig Thuis komen signalen van seksueel geweld binnen. Als
een melding binnenkomt bij de politie dan verwijst de politie – indien daartoe aanleiding
bestaat en het slachtoffer dit wenst – door naar CSG, SHN en Veilig Thuis. Een groot
deel van de CSG aanmeldingen komt vanuit de politie. Het CSG biedt 24/7 professionele
hulp aan slachtoffers van seksueel geweld en werkt daarin samen met artsen, verpleegkundigen,
de politie en hulpverleners. Het CSG is operationeel op 16 locaties in Nederland en
heeft daarmee een landelijke dekking, waarbij elke regionale CSG een samenwerkingsverband
behelst van meerdere en variërende lokale instanties. Met deze lokale inbedding, de
landelijke dekking en de specialistische kennis op het terrein van seksueel geweld,
is het CSG een belangrijke netwerkpartner. Slachtoffers krijgen na aanmelding één
vaste casemanager. Deze casemanager beoordeelt de situatie van het slachtoffer altijd
op de noodzaak tot forensisch onderzoek (ten behoeve van een eventuele strafzaak),
medische zorg, juridische ondersteuning en psychologische zorg en leidt toe naar deze
zorg. Vervolgens biedt de casemanager de eerste periode na de melding traumagerichte
begeleiding om het herstel te bevorderen, en coördineert de casemanager de ingezette
multidisciplinaire zorg.
Indien het slachtoffer dit wenst kan het CSG doorverwijzen naar de politie voor het
doen van aangifte of eerst doorverwijzen naar een slachtofferadvocaat of juridisch
medewerker van SHN voor juridische ondersteuning bij het doen van aangifte. Dit geldt
ook andersom: partners verwijzen het slachtoffer indien gewenst door naar het CSG.
De behoefte van het slachtoffer is hierin leidend.
Vraag 2
Hoe verloopt de samenwerking tussen het CSG, de politie, de zedenrecherche, het Openbaar
Ministerie en Slachtofferhulp Nederland in de praktijk?
Antwoord 2
Het CSG is een samenwerkingsverband dat expertise bundelt uit zorg, strafrecht en
veiligheid, waaronder de politie. De samenwerking tussen de in de vraag genoemde partijen
is de afgelopen jaren geïntensiveerd. Uit het onderzoeksrapport «laagdrempelige hulp
voor slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties» uit 2024 van het Verwey-Jonker
instituut bleek dat – met het brede aanbod als het gaat om hulp en ondersteuning van
onder meer slachtoffers van seksueel geweld – slachtoffers niet altijd goed weten
waar zij terecht kunnen omdat het aanbod versnipperd is, de hulp niet altijd aansluit
bij de behoeften van slachtoffers en slachtoffers vaak meerdere keren hun verhaal
moeten doen voordat zij op de juiste plek terecht komen.1 Daarnaast bestaan er regionale verschillen als het gaat om de samenwerking, waardoor
de geboden zorg en ondersteuning aan slachtoffers niet overal hetzelfde is.
Om de genoemde knelpunten weg te nemen, hebben de bij slachtoffers van seksueel geweld
betrokken organisaties2 een position paper opgesteld met daarin de ambitie om te komen tot betere samenwerking.
Om hieraan uitwerking te geven hebben de Ministeries van Justitie en Veiligheid en
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in samenwerking met de Vereniging voor Nederlandse
Gemeenten (VNG), de organisaties gefaciliteerd bij het ontwikkelen van een «nieuwe»
werkwijze onder de noemer «goed georganiseerd hulplandschap voor slachtoffers van
seksueel geweld», kortgezegd «Gezamenlijke Aanpak triage en regie». De werkwijze –
die is uitgewerkt door professionals van de betrokken organisaties – stelt de behoeften
van slachtoffers en hun (in)directe omgeving centraal en ziet erop toe dat partijen
samenwerken om te komen tot de meest passende inzet op het gebied van veiligheid,
zorg (medisch, forensisch en/of psychologisch), herstel en ondersteuning in het strafproces.
De werkwijze bestaat kort gezegd uit drie kernelementen:
– Slachtoffers hebben een goed en uniform afgestemd en georganiseerd eerste contact
met één van de organisaties. Het maakt niet uit waar zij zich melden (één gezamenlijke
aanpak). Tijdens het eerste contact wordt informatie voor triage opgehaald en vastgelegd;
– Slachtoffers komen snel op de juiste plek door doorlopende multidisciplinaire weging
en triage (MDT) van casuïstiek door alle betrokken organisaties. Hierdoor worden medische,
veiligheids-, herstel-, ondersteunings- en strafrechtelijke aspecten niet los van
elkaar beoordeeld, maar in samenhang gewogen;
– Slachtoffers en hun omgeving worden gekoppeld aan een vast aanspreekpunt die zorgt
voor warme overdracht richting betrokken organisaties en andere instanties.
De werkwijze is eind 2025 en begin 2026 in twee regio’s getest en ook geëvalueerd,
zowel op uitvoerbaarheid als op proces. Het procesevaluatierapport is op 9 juli jl.
aan uw Kamer aangeboden3. Uit de evaluatie blijkt dat de ontwikkelde werkwijze op basis van (internationaal)
wetenschappelijk onderzoek positief kan bijdragen aan de mate waarin slachtoffers
zich geholpen voelen. Uit het rapport blijkt ook dat de rollen en taken van het CSG,
SHN en ook Veilig Thuis niet op alle punten helder zijn afgebakend en dat een overlap
daarin een goede samenwerking tussen deze partijen in de weg kan staan bij de hulp
aan slachtoffers. Dit najaar stuurt de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
u, mede namens de Minister voor Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, de beleidsreactie
op dit rapport, tezamen met de door PricewaterhouseCoopers (hierna: PWC) opgestelde
uitvoerbaarheidstoets. In deze brief zal uw Kamer ook worden geïnformeerd over de
besluitvorming met betrekking tot een mogelijk landelijke uitrol van de werkwijze
en de wijze waarop voornoemde knelpunten in de samenwerking zullen worden geadresseerd
en opgelost.
Vraag 3
Welke gegevens worden tussen deze organisaties gedeeld, welke ICT-koppelingen ondersteunen
deze gegevensuitwisseling en welke juridische of praktische belemmeringen bestaan
daarbij?
Antwoord 3
Doorgeleiding van slachtoffergegevens van de politie naar SHN gaat automatisch via
het politiesysteem, mits het slachtoffer hier geen bezwaar tegen heeft. Slachtofferhulp
kan een slachtoffer dan actief benaderen voor ondersteuning. De doorverwijzing vanuit
politie naar CSG vindt plaats via fysiek en telefonisch contact, of door het slachtoffer
te informeren over de mogelijkheid om zelf contact op te nemen met het CSG. Een praktische
uitdaging is dat het CSG regionaal is georganiseerd en bestaat uit samenwerkingsverbanden
van verschillende moederorganisaties, zoals ziekenhuis, GGD, Veilig Thuis of GGZ.
Daardoor verschillen systemen en informatievoorziening tussen regio's. In het kader
van de Gezamenlijke Aanpak wordt onderzocht hoe noodzakelijke gegevensuitwisseling
toekomstbestendig en uniform kan worden ingericht binnen de geldende privacywetgeving.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u de huidige capaciteit binnen de zedenketen, mede in het licht van
vacatures, ziekteverzuim, doorlooptijden, werkvoorraden en een mogelijk verdere stijging
van de instroom?
Antwoord 4
Een efficiënte en effectieve aanpak van zedenzaken heeft prioriteit omdat elk slachtoffer
van seksueel geweld de bescherming, begeleiding en ondersteuning verdient die hij
of zij nodig heeft. De zaakstroom zeden is bovendien één van de geprioriteerde zaakstromen
van het Bestuurlijke Ketenberaad Strafrechtketen (BKB).
Binnen de politie zijn de teams opsporing seksuele misdrijven (voorheen «zedenrecherche»)
belast met de aanpak van seksuele misdrijven. De huidige bezetting van deze teams
(672 FTE) blijft achter bij de formatie (708 FTE).4 Afgelopen jaren zijn verschillende investeringen gedaan ten behoeve van het uitbreiden
van de formatie om de werkvoorraden terug te dringen en de verwachte stijging van
het aantal meldingen en aangiften mede als gevolg van de invoering van de Wet seksuele
misdrijven te kunnen opvangen. Door de pensioenuitstroom en de krappe arbeidsmarkt
blijft het evenwel een uitdaging om de personele bezetting op peil te houden.
Om de doorlooptijden in zedenzaken te verkorten hebben de ketenpartners samen gewerkt
in het Actieplan Versterken Ketenaanpak Zedenzaken. Ten behoeve van dit plan zijn
maatregelen voorgesteld en doorgevoerd die structureel moeten bijdragen aan het verkorten
van doorlooptijden en aan verdere professionalisering van de aanpak van zedenzaken.
Het gaat onder meer om het optimaliseren van werkprocessen binnen en tussen organisaties,
het prioriteren van zedenzaken bij de zittingsplanning, betere sturing op capaciteit
en prioritering en meer maatwerk door een passende en betekenisvolle afdoening voor
slachtoffers – of dat nu een strafrechtelijke afdoening is, begeleiding naar hulpverlening
of toepassing van herstelrecht.
Ondanks al deze inspanningen blijven de teams opsporing seksuele misdrijven onder
druk staan. Niet alleen door de personele bezetting die achterblijft bij de formatie,
maar ook de hogere instroom (+ 9%) en de meer complexere (online) onderzoeken zorgen
ervoor dat de streefnormen/ doorlooptijden (nog) niet worden behaald.
Zoals in eerdere brieven gemeld5 bestaat voor het verkorten van de doorlooptijden – zeker in zedenzaken – geen eenvoudige
oplossing, maar de resultaten over 2024 laten zien dat de gezamenlijke inspanning
die de strafrechtketen de afgelopen jaren heeft verricht resultaat begint op te leveren.
Zoals gemeld in de voortgangsbrief over de strafrechtketen van 16 december 2025 bevestigen
de cijfers tot en met juni 2025 deze voorzichtige tendens.6 Dit ondanks de hogere instroom, die mede het gevolg lijkt van de (publiciteit rondom
de) Wet Seksuele Misdrijven. De organisaties in de strafrechtketen blijven ook in
2026 via de structuur van het actieplan nauw samenwerken en zich inspannen om de gezamenlijke
aanpak van zedenzaken verder te versterken.
Vraag 5
Bent u het ermee eens dat een vorm van triage aan de voorkant noodzakelijk kan zijn
om schaarse opsporingscapaciteit zo effectief mogelijk in te zetten? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 5
Ik ben het ermee eens dat een vorm van triage noodzakelijk is, niet alleen om opsporingscapaciteit
zo effectief mogelijk in te zetten, maar bovenal om goed aan te kunnen sluiten bij
de behoeften en verwachtingen van slachtoffers en hen het beste aanbod te bieden met
het oog op wat zij nodig hebben.
Er vindt op dit moment al triage plaats bij de teams opsporing seksuele misdrijven
van de politie. Deze teams beoordelen of een strafrechtelijke interventie, een alternatieve
interventie of een combinatie hiervan – gehoord ook de wensen van het slachtoffer
– het meest passend is in de concrete zaak. Daarbij wordt ook beoordeeld om welk strafbaar
feit het gaat en of sprake is van spoed en/of acute onveiligheid. Ook factoren als
«kansrijkheid», impact en capaciteit worden hierin meegewogen. Op deze manier wordt
de schaarse opsporingscapaciteit daar ingezet, waar een strafrechtelijk proces ook
echt passend, haalbaar en helpend lijkt te zijn.
Met het inrichten van de Gezamenlijke Aanpak Triage en Regie wordt deze strafrechtelijke
triage niet vervangen, maar aangevuld met multidisciplinaire triage. Hierdoor kan
naast strafrechtelijke interventies ook vroegtijdig worden gekeken naar passende zorg,
herstel, bescherming en ondersteuning.
Vraag 6 en 7
Is in het verleden onderzocht of het CSG een formele intake-, poortwachters- of triagefunctie
kan vervullen voor meldingen van seksuele misdrijven? Zo ja, wat waren de uitkomsten?
Welke wettelijke, organisatorische, financiële, privacyrechtelijke of andere belemmeringen
staan een dergelijke rol van het CSG eventueel in de weg?
Antwoord 6 en 7
In de afgelopen periode is naar aanleiding van geconstateerde knelpunten een nieuwe
werkwijze ontwikkeld om de zorg en ondersteuning aan slachtoffers van seksueel geweld
beter te organiseren. Zie ook het antwoord op vraag 2.
De werkwijze gaat ervan uit dat de verschillende voornoemde organisaties goed samenwerken
en triëren, zodat het niet uitmaakt waar een slachtoffer zich meldt en het in alle
gevallen goed geholpen wordt. Organisaties brengen elk hun eigen verantwoordelijkheid
en kennis in op het gebied van strafrecht, veiligheid, ondersteuning, herstel en zorg.
Zo wordt ook voorkomen dat medische, veiligheids- en strafrechtelijke aspecten los
van elkaar worden beoordeeld. Eén partij hiervoor verantwoordelijk maken komt niet
tegemoet aan de noodzaak om deze verschillende perspectieven/expertises bij elkaar
te brengen. Daarnaast hebben politie en OM hun eigenstandige rol als het gaat om opsporing
en vervolging.7
Vraag 8
Welke voordelen en risico’s ziet u in een grotere rol van het CSG bij de beoordeling,
doorgeleiding en prioritering van meldingen van seksuele misdrijven?
Antwoord 8
Het CSG is een samenwerkingsverband dat expertise bundelt uit zorg, strafrecht en
veiligheid, waaronder de politie. Het CSG heeft geen rol in een betere selectie en
doorgeleiding van zaken die zich lenen voor strafrechtelijke afdoening. Dit is in
ons rechtsbestel voorbehouden aan de politie, in nauwe samenwerking met het openbaar
ministerie (OM). Het slachtoffer kan hier desgewenst juridisch in worden ondersteund
door een slachtofferadvocaat of een juridisch medewerker van SHN. Het is onwenselijk
dat hulpverlenende organisaties deze rol zouden overnemen van de opsporingsinstanties
en ik zie daar geen voordelen van. Wel heeft het CSG een belangrijke rol in het organiseren
van de eventuele noodzakelijke medische zorg in de eerste 7 dagen na een incident
en het veilig stellen van forensisch bewijs, alsook het herkennen en doorverwijzen
in het geval van trauma en de behoefte aan (specialistische) psychologische zorg bij
misbruik langer geleden.
Vraag 9
Deelt u de opvatting dat niet iedere melding van seksueel grensoverschrijdend gedrag
automatisch hoeft te leiden tot een strafrechtelijk traject, mits slachtoffers wel
snel toegang houden tot passende zorg, ondersteuning en bescherming?
Antwoord 9
Ja. De huidige praktijk weerspiegelt deze opvatting ook. Er wordt ingezet op verdere
versterking van dit uitgangspunt via de verbeterde samenwerking tussen voornoemde
samenwerkingspartners.
Vraag 10
Welke alternatieve routes naast strafvervolging bestaan er momenteel voor slachtoffers
en hoe worden zij hierover geïnformeerd?
Antwoord 10
Na elke melding van een seksueel misdrijf wordt door de teams opsporing seksuele misdrijven
aan de melder informatie verstrekt over het aangifteproces, de rechten van het slachtoffer
en over de mogelijkheid van herstel(recht). Er zijn mogelijkheden voor slachtoffers
bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven om een financiële tegemoetkoming aan te vragen,
om ondersteuning te ontvangen van Perspectief Herstelbemiddeling, Slachtofferhulp
Nederland, een slachtofferadvocaat of reguliere zorg (bijvoorbeeld doorgeleiding naar
de GGZ). Binnen de werkwijze van de gezamenlijke aanpak informeert een casemanager
of regiehouder slachtoffers over de mogelijkheden en zorgt voor afstemming tussen
betrokken partijen.
Vraag 11 en 12
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt welke behoeften slachtoffers hebben ten aanzien
van zorg, herstel, bescherming en strafvervolging? Zo ja, hoe zien deze gegevens eruit?
In hoeveel gevallen kiezen slachtoffers uiteindelijk niet voor aangifte nadat zij
informatie of begeleiding hebben ontvangen, zowel absoluut als procentueel?
Antwoord 11 en 12
Behoeften van slachtoffers kunnen verschillen en in elke zaak anders zijn. Uit het
onlangs verschenen onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC)
«De behoeften van slachtoffers van misdrijven – een systematised review (2008–2025) van geuite slachtofferbehoeften» blijkt dat slachtoffers onder andere
behoefte hebben aan erkenning, duidelijke informatie, passende ondersteuning en een
eenvoudige toegang tot hulp8. Juist daarom is het van belang dat slachtoffers toegang hebben tot meerdere vormen
van ondersteuning en dat niet uitsluitend vanuit een strafrechtelijk perspectief wordt
gekeken. Het voornoemde onderzoeksrapport van het Verwey-Jonker instituut geeft inzicht
in de belemmeringen die slachtoffers ervaren bij het vinden van de juiste hulp (en
impliciet het doen van een melding). Wat blijkt is dat het voor slachtoffers vooral
belangrijk is dat de professionals die zij tegenkomen begrijpen binnen welke context
het misbruik of geweld heeft plaatsgevonden en dat zij niet telkens opnieuw hun verhaal
hoeven doen.
De meeste slachtoffers doorlopen een aantal fasen in hun zoekgedrag. Zij proberen
eerst door middel van gesprekken met hun omgeving en online informatie te vinden om
te kunnen duiden wat hen is overkomen. Daarna gaan ze op zoek naar de juiste hulp
waarna zij zich mogelijk ergens melden. Niet elk slachtoffer doorloopt deze drie fasen.
Er is een groep slachtoffers die vrijwel meteen nadat zij te maken hebben gehad met
misbruik of geweld hulp zoeken of aangifte doen. Dit zijn voornamelijk slachtoffers
van geweld bij wie de pleger een onbekende is en waarbij er dus geen sprake is van
een afhankelijkheidsrelatie. Er is echter een veel grotere groep slachtoffers die
niet meteen hulp zoekt of aangifte doet. Voor hen is dit veelal een complex en langdurig
proces dat weken, maanden of jaren in beslag kan nemen. Omdat slachtoffers zich op
verschillende plekken kunnen melden zijn er geen cijfers te geven over het aantal
slachtoffers dat wel informatie ontvangt of wordt begeleid, maar niet kiest voor het
doen van aangifte.
Vraag 13
Deelt u de opvatting dat voor sommige slachtoffers erkenning, hulpverlening of herstel
belangrijker kan zijn dan een strafproces en hoe wordt hiermee binnen de zedenketen
rekening gehouden?
Antwoord 13
Ja, die opvatting deel ik. Voor sommige slachtoffers is erkenning, traumagerichte
begeleiding (waaronder psycho-educatie), behandeling, schadevergoeding, inzet van
ervaringsdeskundigen en/-of lotgenoten of het herstelrecht belangrijker dan een strafproces.
Herstelrecht kan worden ingezet in of naast het strafrecht. Als de toepassing van
herstelrecht wenselijk wordt geacht in het kader van het strafproces is op grond van
het Beleidskader Herstelrechtvoorzieningen gedurende het strafproces (hierna: Beleidskader)
mediation in strafzaken de voorliggende voorziening. Herstelbemiddeling is daarnaast
altijd mogelijk naast het strafproces bijvoorbeeld met inzet door Perspectief Herstelbemiddeling
(PH). Herstelbemiddeling wordt door PH in toenemende mate ingezet.
Vraag 14
Welke eerdere onderzoeken, pilots, evaluaties of beleidsinitiatieven zijn uitgevoerd
naar centrale intake, triage of ketensamenwerking binnen de aanpak van seksuele misdrijven
en welke lessen zijn daaruit getrokken?
Antwoord 14
Zie het antwoord op vraag 6 en 7.
Vraag 15
Zijn er internationale voorbeelden bekend waarbij gespecialiseerde centra zoals het
CSG een centrale intakefunctie vervullen en welke lessen kunnen daaruit worden getrokken?
Antwoord 15
Ik heb navraag gedaan binnen het European Network on Victims’ Rights (ENVR). Daaruit
blijkt dat er geen internationale voorbeelden zijn waarbij gespecialiseerde centra
zoals het CSG een centrale intakefunctie vervullen. In het evaluatierapport van Regioplan/NSCR
worden wel verschillende (internationale) onderzoeken aangehaald die ingaan op en
een onderbouwing bieden voor verschillende onderdelen van de ontwikkelde werkwijze,
waaronder een uniforme intake, triage en regie. De beleidsreactie op dit rapport wordt,
tezamen met de door PWC opgestelde uitvoerbaarheidstoets, zoals ik in antwoord twee
heb aangegeven, dit najaar aan uw Kamer aangeboden.
Vraag 16
Deelt u de opvatting dat het CSG kan bijdragen aan een betere selectie en doorgeleiding
van zaken die zich daadwerkelijk lenen voor strafrechtelijke afdoening? Zo ja, welke
stappen zijn nodig om dit mogelijk te maken
Antwoord 16
Zie het antwoord op vraag 8.
Vraag 17
Bent u bereid samen met politie, Openbaar Ministerie, het CSG, Slachtofferhulp Nederland
en zorgpartners een verkenning uit te voeren naar een toekomstbestendige inrichting
van de zedenketen, waarbij specifiek wordt gekeken naar centrale intake, triage, digitalisering,
gegevensuitwisseling en capaciteitsverdeling? Zo ja, binnen welk tijdspad kan de Kamer
hierover worden geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 17
Nee. Zoals hierboven geschetst is reeds een nieuwe werkwijze ontwikkeld waar het CSG
– naast andere partners – nauw bij betrokken is en een van de kernelementen multidisciplinaire
triage betreft. Over de uitvoerbaarheid van een mogelijk landelijke uitrol van deze
werkwijze, ook met het oog op gegevensdeling en privacy, zal de Staatssecretaris van
Justitie en Veiligheid u, mede namens de Minister voor Langdurige zorg, Jeugd en Sport
uw Kamer in het najaar informeren.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede namens
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport -
Mede namens
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid