Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Heutink en Markuszower over brandveiligheid en de economische houdbaarheid van de afvalverwerkings- en recyclingsector
Vragen van de leden Heutink en Markuszower (beiden Groep Markuszower) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Staatssecretaris van Financiën over brandveiligheid en de economische houdbaarheid van de afvalverwerkings- en recyclingsector (ingezonden 12 augustus 2026).
Antwoord van Minister Van Veldhoven-van der Meer (Klimaat en Groene Groei), mede namens
de Staatssecretaris van Financiën (ontvangen 8 september 2026). Zie ook Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2935.
Vraag 1
Bent u bekend met de berichten over brandveiligheid en de economische houdbaarheid
van de afvalverwerkings- en recyclingsector?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Bent u bekend met de recente branden bij afvalverwerkers in Alkmaar (29 juli 2026)
en Rotterdam-Charlois (nacht van 7 op 8 augustus 2026, opgeschaald naar Gecoördineerde
Regionale Incidentbestrijdingsprocedure 2)? Kunt u bevestigen dat, zoals de sector
zelf meldt, ongeveer 38 procent van de branden bij afvalverwerkers wordt veroorzaakt
door batterijen en accu's in het afval?
Antwoord 2
Ja ik ben bekend met de recente branden bij deze afvalverwerkers. Het Rijk houdt zelf
niet bij hoeveel afvalbranden er plaatsvinden en kan daardoor niet bevestigen welk
aandeel daarvan wordt veroorzaakt door batterijen en accu’s in het afval.
Vraag 3
Welke maatregelen overweegt u om de gescheiden inzameling van batterijen en accu's
te vergroten, gelet op het beperkte effect van de huidige vrijwillige campagnes?
Antwoord 3
Voor batterijen en accu’s geldt een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV).
De producenten van batterijen en accu’s moeten op het moment dat deze producten afval
worden zorgen voor de inzameling en de verwerking. In Nederland voeren Stichting Open
en AutoRecycling Nederland deze verplichtingen namens de producenten uit.
De UPV verplichting komt voort uit de Europese batterijenverordening die vorig jaar
is herzien. Met de herziening van de Batterijverordening worden de regels voor inzameling
aangescherpt: er worden concrete eisen gesteld aan het door de producenten op te zetten
inzamelsysteem, zodat er zoveel mogelijk batterijen gescheiden ingezameld worden.
Ook wordt er naast een aangescherpte inzameldoelstelling voor afgedankte draagbare
batterijen2, een aparte inzameldoelstelling ingevoerd voor batterijen voor lichte vervoersmiddelen3. Om de inzameldoelen te halen zijn er verschillende knoppen waar de producenten aan
kunnen draaien: de toegankelijkheid van het inzamelsysteem, bekendheid van het inzamelsysteem
en motivatie bij ontdoeners om hun afval op een juiste manier in te leveren, bijvoorbeeld
door het geven van een retourpremie of het invoeren van statiegeld. Het is aan de
producenten om hier een effectieve mix aan maatregelen te vinden. De producenten zijn
in ieder geval verplicht om eindgebruikers te informeren over de juiste wijze van
inzameling van afgedankte batterijen. De ILT controleert of producenten deze verplichtingen
in de praktijk brengen en handhaaft wanneer dat niet het geval is.
Daarnaast zal de Europese Commissie uiterlijk 31 december 2027 een onderzoek uitvoeren
naar de verplichte invoering van een statiegeldsysteem, met name voor draagbare batterijen,
om meer batterijen gescheiden in te zamelen.
Vraag 4
Bent u bekend met de risico's van lachgascilinders in afvalstromen als bron van brand-
en explosiegevaar, en welke maatregelen overweegt u om te voorkomen dat deze in reguliere
afvalstromen terechtkomen?
Antwoord 4
Ja ik ben bekend met de risico’s van lachgascilinders in afvalstromen. Vanuit het
Rijk wordt ingezet op preventie (verminderen van de vraag naar lachgas voor recreatief
gebruik), handhaving (verminderen van het aanbod van lachgas voor recreatief gebruik)
en het ondersteunen van gemeenten om (doelmatig) afvalbeheerbeleid vorm te geven4. In aanvulling op het nationale beleid zet de Europese Commissie in op een lachgasverbod
voor recreatief gebruik vanaf Q1 2027. Nederland steunt een Europees verbod, voortbouwend
op het landelijk verbod.
Vraag 5
Onderkent u broei als zelfstandige, structurele oorzaak van brandgevaar bij afvalverwerkers?
Welk beleid voert u om dit te voorkomen of vroegtijdig te detecteren?
Antwoord 5
Broei in afvalhopen kan een mogelijke oorzaak zijn van brandgevaar bij afvalverwerkers.
Het is aan afvalverwerkende bedrijven zelf om de risico’s op broeibranden te mitigeren.
Hier zal dus geen beleid op worden gevoerd vanuit het kabinet.
Vraag 6
Bent u bereid met de Vereniging Afvalbedrijven, Brandweer Nederland en Stichting Open
te komen tot een samenhangende aanpak van deze drie brandoorzaken en de Kamer hierover
dit jaar te informeren?
Antwoord 6
Samenwerking is inderdaad belangrijk om dit vraagstuk aan te pakken. Daarom is er
sinds 2018 een Taskforce Batterijbranden opgezet, gericht op het aanpakken van batterijbranden.
Daarin trekken Stichting Open, de Vereniging Afvalbedrijven, de Koninklijke Vereniging
voor Afval- en Reinigingsmanagement (NVRD), de branchevereniging voor bouw- en slooprecycling
BRBS, branchevereniging Transport en Logistiek Nederland en het Nationaal Recycling
Forum gezamenlijk op. Het ministerie en de Inspectie Leefomgeving en Transport sluiten
waar nodig aan.
Vraag 7
Kunt u bevestigen dat het tarief van de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties oploopt tot 295 euro per ton CO2 in 2030 en de afvalstoffenbelasting stijgt van 39,71 euro per 1.000 kg in 2025 naar
90,21 euro in 2028? Klopt het dat deze kosten via gemeenten worden doorbelast aan
huishoudens, ook aan huishoudens die al zorgvuldig scheiden?
Antwoord 7
De genoemde belastingtarieven zijn onderdeel van een technische invulling. Momenteel
vindt er besluitvorming plaats over een alternatieve invulling hiervan. Afvalverwerkers
zijn belastingplichtig voor de afvalstoffenbelasting en CO2-heffing industrie. De lasten van de CO2-heffing en afvalstoffenbelasting slaan in eerste instantie neer bij de afvalverbrandingsinstallaties
(AVI), die deze (deels) zullen doorberekenen aan afvalontdoeners (bedrijven of gemeenten).
De budgettaire opbrengst zal, indien AVI’s deze volledig doorberekenen in de poorttarieven,
naar verwachting voor 40% door bedrijven betaald worden en voor circa 60% via afvalverwerkers
terecht komen bij gemeenten. Gemeenten kunnen deze kostenpost via de afvalstoffenheffing
(deels) doorberekenen aan hun inwoners of ervoor kiezen om dit (deels) via de algemene
middelen te dekken. Afhankelijk van hoe deze lastenverzwaring lokaal wordt gedekt
en in hoeverre in de betreffende gemeente gebruik wordt gemaakt van tariefdifferentiatie
op restafvalaanbod om zorgvuldige scheiding te belonen, kan dit ertoe leiden dat ook
huishoudens die zorgvuldig afval scheiden meer moeten betalen. Dit betreft lokale
politieke keuzes.
Vraag 8
Is onderzocht welk aandeel van het afval, gelet op praktische scheidingsbeperkingen
(bijvoorbeeld in hoogbouw en bij openbare afvalbakken), op korte termijn daadwerkelijk
aan verbranding kan worden onttrokken? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken voordat
de heffing verder wordt aangescherpt?
Antwoord 8
Rijkswaterstaat voert een jaarlijks samenstellingsonderzoek uit van het huishoudelijke
restafval. Uit dit onderzoek blijkt dat het huishoudelijk restafval nog voor minstens
80% uit recyclebaar materiaal bestaat. De taak om huishoudelijke afvalstoffen gescheiden
in te zamelen ligt bij de gemeente. Zij hebben het meeste handelingsperspectief om
de gescheiden inzameling van afvalstoffen op korte termijn te verbeteren. Via het
Uitvoeringsprogramma Van Afval Naar Grondstof- Huishoudelijk Afval (VANG-HHA) worden
gemeenten ondersteund bij het maken van doelmatig afvalbeheerbeleid. Binnen het programma
is ook aandacht voor afvalscheiding in de hoogbouw. In aanvulling op het uitvoeringsprogramma
VANG-HHA onderzoekt het kabinet momenteel of de uitzonderingsgronden om als gemeente
af te zien van de gescheiden inzameling van bioafval, welke vaak bij de hoogbouw wordt
ingezet, kan worden geschrapt. Daarnaast onderzoekt het kabinet momenteel of afvalscheiding
in Nederland kan worden gestandaardiseerd en wordt het instrument uitgebreide producentenverantwoordelijkheid
(UPV) doorontwikkeld. Al deze activiteiten kunnen eraan bijdragen dat minder recyclebaar
materiaal verbrand wordt.
Vraag 9
Is bij deze heffing meegewogen dat afvalverbrandingsinstallaties ook restwarmte leveren
aan stadsverwarming, en dat een snelle afname van te verbranden afval tot een warmtetekort
kan leiden zolang alternatieven daarvoor niet op schaal beschikbaar zijn?
Antwoord 9
Warmtelevering door AVI’s is ook in de impactanalyse van Trinomics onderzocht5. In 2018 leverden AVI’s 1,5% van de totale nationale warmtevraag. Bovendien leveren
AVI’s 20% van de warmtevraag voor grote stadsverwarmingsnetwerken, dit is geconcentreerd
in bepaalde regio’s die soms meer afhankelijk zijn van AVI-warmte dan deze 20%. Het
onderzoek geeft aan dat het onduidelijk is in hoeverre een vermindering van verbranding
door AVI’s ertoe zou leiden dat deze gebieden niet meer van voldoende warmte voorzien
worden, of dat andere warmtebronnen de warmte van AVI’s zouden kunnen vervangen. Wel
wordt door de onderzoekers aangegeven dat de efficiëntie van het gebruik van AVI-warmte
zou kunnen worden verhoogd en dat er nog steeds capaciteit qua warmtelevering kan
zijn als er minder afval wordt verbrand. Tot slot worden door de onderzoekers ook
kansen benoemd voor innovatie en alternatieve oplossingen voor de warmtevoorziening
indien er minder AVI-restwarmte zou zijn.
Vraag 10
Bent u bereid de versnelde verhoging van de CO2-heffing op te schorten totdat voldoende schaalbare alternatieven, zowel recyclingcapaciteit
als vervangende warmte- en energiebronnen, beschikbaar zijn?
Antwoord 10
De versnelde verhoging van de CO2-heffing is onderdeel van een technische invulling. Momenteel vindt de besluitvorming
over een alternatieve invulling van deze technische invulling plaats, de resultaten
hierover worden met Prinsjesdag bekendgemaakt. Het kabinet kan niet op deze besluitvorming
vooruitlopen.
Vraag 11
Bent u bereid te onderzoeken of vergunningverlening en handhaving voor afvalverwerking
en recycling, nu grotendeels belegd bij gemeenten, beter op provinciaal niveau kan
worden georganiseerd om ongelijke behandeling tussen gemeenten te verminderen?
Antwoord 11
Voor grote afvalverwerkers geldt op dit moment al dat zij onder het bevoegd gezag
van gedeputeerde staten vallen. De omgevingsdiensten voeren vergunningverlenings-,
handhavings- en toezichtstaken uit voor gemeenten en provincies. In het Circulair
Materialenplan (CMP) geeft het Rijk toetsingskaders mee waar het bevoegd gezag rekening
mee moet houden bij het nemen van besluiten (zoals vergunningen) voor afvalverwerking,
het houden van toezicht en de handhaving. Deze toetsingskaders dragen bij aan een
gelijk speelveld in Nederland.
Vraag 12
Klopt het dat verbranding van geverfd/geïmpregneerd hout (C-hout) in Nederlandse bio-energiecentrales
niet is toegestaan, terwijl dit hout wordt geëxporteerd naar Duitsland waar dit wel
mag? Bent u bereid te bezien of dit onder de juiste emissie-eisen ook in Nederland
mogelijk kan worden gemaakt?
Antwoord 12
C-hout is gevaarlijk afval omdat het schadelijke stoffen bevat, bijvoorbeeld omdat
het is geverfd of geïmpregneerd. Ter bescherming van het milieu is de verwerking van
C-hout onderhevig aan regels. Zo moeten bio-energiecentrales waarin C-hout wordt verbrand,
om de benodigde vergunning te verkrijgen, voldoen aan eisen om te voorkomen dat de
schadelijke stoffen in het milieu terechtkomen. Zodra aan alle (vergunnings)eisen
wordt voldaan, is het ook in Nederland toegestaan om C-hout te verwerken in een bio-energiecentrale.
Het is uiteindelijk aan bio-energiecentrales zelf om ervoor te kiezen om de noodzakelijke
investeringen te maken om aan de eisen te voldoen en de noodzakelijke vergunningen
te verkrijgen.
Vraag 13
Herkent u het signaal dat recyclingbedrijven door opeenstapeling van regelgeving worden
geconfronteerd met beperkingen op inname of verwerking, terwijl die inname wettelijk
of maatschappelijk noodzakelijk blijft en verwerking duur of onmogelijk wordt? Deelt
u de opvatting dat dit voor deze bedrijven op termijn economisch niet houdbaar is?
Antwoord 13
Uit de vraag is niet duidelijk op welke regelgeving wordt gedoeld. Het signaal wordt
in die zin niet herkend. Wel is het kabinet in bredere zin bekend met de kansen en
uitdagingen van de afvalverwerkende sector, zoals recyclers. Het kabinet staat hierover
in goed contact met de afvalsector, bijvoorbeeld via de verschillende ketentafels.
Het Nederlandse circulaire economiebeleid is er onder andere op gericht om de recycling
van afvalstoffen te bevorderen. Daarbij hoort ook het wegnemen van onnodige regeldruk.
Ook Europees, waar veel afvalstoffenwetgeving wordt vormgegeven, pleit Nederland op
harmonisatie van regelgeving en waar mogelijk het verminderen van regeldruk6.
Vraag 14
Bent u bereid te onderzoeken hoe primaire grondstoffen fiscaal zwaarder belast kunnen
worden en gebruik van secundaire grondstoffen kan worden gestimuleerd, om het speelveld
tussen primaire leveranciers en recyclingbedrijven gelijker te maken?
Antwoord 14
Fiscale maatregelen kunnen een belangrijke rol spelen in het aanjagen van de circulaire
economie en het aanpakken van knelpunten. De tot nu toe uitgevoerde onderzoeken en
verkenningen laten echter zien dat maatregelen aan het begin van de keten, zoals het
belasten van primair grondstofgebruik, beter in Europees verband kunnen worden genomen.
Een voorbeeld van een effectieve fiscale prikkel is de combinatie van het Europese
emissiehandelssysteem (EU ETS) en het carbon border adjustment mechanism (CBAM). Daar
zet Nederland dan ook op in. Het kabinet blijft tegelijkertijd ook verkennen wat er
daarnaast nationaal kan en is hier ook bereid een aanvullend onderzoek naar te laten
doen.
Vraag 15
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan het eerstvolgende commissiedebat
Circulaire economie?
Antwoord 15
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei -
Mede namens
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën