Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Maes over activistische ngo's
Vragen van het lid Maes (VVD) aan de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over activistische ngo's (ingezonden 20 augustus 2026).
Antwoord van Minister Sjoerdsma (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking)
(ontvangen 8 september 2026).
Vraag 1
Kunt u bevestigen dat het maatschappelijke middenveld in Nederland voor een substantieel
deel van haar inkomsten afhankelijk is van de Nederlandse overheid, waaronder tientallen
miljoenen via subsidiekaders zoals Power of Voices?
Antwoord 1
De afhankelijkheid van overheidsfinanciering is per organisatie verschillend. Dergelijke
gegevens zijn over het algemeen te vinden in de financiële jaarverslagen van ngo’s
die worden gepubliceerd. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) schatte in 2024
op basis van deze gegevens dat een meerderheid van de Nederlandse ngo’s die subsidie
ontvingen uit het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld, waaronder het
programma Power of Voices, voor minder dan de helft van hun inkomsten afhankelijk
was van middelen van BZ.
In het nieuwe beleidskader voor samenwerking met maatschappelijke organisaties in
ontwikkelingssamenwerking, genaamd Focus, beoogt het kabinet de onafhankelijkheid
van maatschappelijke organisaties van overheidsfinanciering verder te stimuleren.
Zo is er een vereiste dat organisaties minstens 25% van hun totale inkomsten van anderen
dan het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) moeten ontvangen. De mate van financiële
onafhankelijkheid van BZ bepaalt ook hoeveel middelen organisaties maximaal kunnen
ontvangen uit dit kader.
Vraag 2
Hoe kijkt u naar de situatie dat de overheid organisaties financiert die diezelfde
overheid vervolgens regelmatig voor de rechter dagen en publiekscampagnes tegen bewindspersonen
opzetten? Bent u het eens dat het onwenselijk is dat de overheid op deze schaal organisaties
financiert die zich tegelijkertijd opstellen als ware zij politieke oppositie?
Antwoord 2
Het kabinet vindt het belangrijk dat maatschappelijke organisaties zich kritisch kunnen
uitlaten over het Nederlandse beleid, ook wanneer zij financiering ontvangen van de
overheid voor specifieke activiteiten. Tegenspraak is een fundamenteel onderdeel van
een gezonde democratische samenleving. Zoals ook opgenomen in het coalitieakkoord
heeft het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol tussen regering en alle inwoners
van Nederland en tussen regering en het bedrijfsleven.1 Binnenkort zal het kabinet in de kabinetsreactie op het rapport van het College voor
de Rechten van de Mens over de maatschappelijke ruimte verder ingaan op dit onderwerp.2
Uit de BHOS-middelen wordt de pleitbezorgingsrol van het maatschappelijk middenveld
dan ook gefinancierd, ook binnen Nederland, zolang dit ten goede komt van de ontwikkelingsdoelen
in lage- en middeninkomenslanden. Een subsidieontvanger mag de subsidie niet gebruiken
voor andere activiteiten dan waarvoor de subsidie is verstrekt. Dat betekent dat activiteiten,
inclusief pleitbezorgingsactiviteiten die door het ministerie worden gefinancierd,
moeten passen binnen de doelen zoals vastgelegd in de Subsidieregeling Buitenlandse
Zaken 2006.3 Het ministerie heeft geen zeggenschap over activiteiten van organisaties die niet
door het ministerie worden gesubsidieerd.
Vraag 3
Hoe beoordeelt u het verweer van ngo's dat dergelijke binnenlandse campagnes bekostigd
worden uit private middelen?
Antwoord 3
Zie antwoord op vraag 2.
Vraag 4
Deelt u de mening dat de publieke perceptie van ontwikkelingssamenwerking onlosmakelijk
verbonden is met het gedrag en de profilering van ngo's die deze programma's met overheidsgeld
uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
De publieke perceptie van ontwikkelingssamenwerking is van vele factoren afhankelijk.
Mogelijk speelt het gedrag van ngo’s hier een rol in, zowel positief als negatief.
Uit onderzoek van Ipsos I&O blijkt dat in 2025 50% van de ondervraagde Nederlanders
ontwikkelingssamenwerking redelijk tot heel belangrijk vindt.4 Van diezelfde groep gaf 60% aan humanitaire hulp redelijk tot heel belangrijk te
vinden. Beide cijfers zijn een stijging ten opzichte van de voorgaande jaren.
Vraag 5
Erkent u het risico dat het maatschappelijk draagvlak voor daadwerkelijke armoedebestrijding
en humanitaire hulp afneemt, wanneer gesubsidieerde organisaties zich opwerpen als
partijdige en activistische spelers in nationale politieke kwesties? Wat betekent
dit naar uw mening voor het werk waar zij voor zijn opgericht, zoals het bestrijden
van armoede en onrecht in zuidelijke landen?
Antwoord 5
Zie antwoord op vraag 4. Maatschappelijke organisaties en hun achterban gaan zelf
over de doelen die zij nastreven en de manier waarop zij dit doen.
Vraag 6
Bent u het eens dat een meer politiek neutrale opstelling van door de overheid gefinancierde
organisaties wenselijk is, niet alleen vanuit een democratisch principe, maar juist
ook om een bestendig publiek vertrouwen in de ontwikkelingssector en het bijbehorende
draagvlak te behouden?
Antwoord 6
Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 2, dient er juist vanuit een democratisch
principe, ruimte te zijn voor tegenspraak. Maatschappelijke organisaties spelen een
belangrijke rol in het laten doorklinken van verschillende stemmen in de maatschappij.
Vraag 7
Bent u bekend met de manier waarop in andere landen wordt omgegaan met de politieke
rol van ngo’s, zoals in de Verenigde Staten waar een wettelijke scheiding is aangebracht
tussen apolitiek humanitair werk en gepolitiseerd activisme?
Antwoord 7
Ja.
Vraag 8
Wat vindt u van het Britse model, waarbij een toezichthouder meekijkt naar de politieke
neutraliteit van maatschappelijke organisaties, en waarbij belastingvoordelen in het
geding kunnen komen indien een organisatie zich richt op partijpolitiek of gepersonaliseerde
campagnes?
Antwoord 8
Zie antwoord op vraag 9.
Vraag 9
Ziet u buitenlandse modellen als voorbeeld voor het subsidiëren van Nederlandse ngo’s?
Als het antwoord nee is, waarom niet?
Antwoord 9
Nee, ik zie dergelijke buitenlandse modellen niet als voorbeeld. In Nederland verstrekt
BZ subsidies op basis van de Algemene wet bestuursrecht en de Kaderwet subsidies Ministerie
van Buitenlandse Zaken. Voorwaarden worden gesteld aan de te financieren activiteiten,
niet aan de te financieren organisaties. Activiteiten, inclusief pleitbezorgingsactiviteiten,
die door het ministerie worden gefinancierd moeten passen binnen de doelen zoals vastgelegd
in de Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006. Uitgesloten van subsidiering zijn
activiteiten die zich (mede) richten op bekeringsdrang en activiteiten waarbij sprake
is van racisme, stigmatiserende uitingen, antisemitisme of andere vormen van geloofsvervolging
of discriminatie die naar maatstaven van Nederlands en/of Europees recht strafbaar
en/of verboden zijn.
Vraag 10
Welke mogelijkheden ziet u binnen het nieuwe subsidiekader (2026–2030) om te bevorderen
dat organisaties die subsidie krijgen van de Nederlandse overheid zich meer politiek
neutraal opstellen, mede om het maatschappelijk draagvlak te beschermen of te vergroten?
Antwoord 10
Zie antwoord op vraag 9 over de basis waarop subsidies worden verstrekt. Deze voorwaarden
zijn ook toegepast op de subsidies die zijn of worden verstrekt binnen het nieuwe
beleidskader Focus.
Vraag 11
Welke aanvullende instrumenten heeft het kabinet over de volle breedte ter beschikking
om te zorgen voor een betere scheiding tussen gesubsidieerd ontwikkelingswerk en binnenlands
politiek activisme?
Antwoord 11
Zie antwoord op vraag 2.
Vraag 12
Bent u bereid om opties te verkennen om te voorkomen dat organisaties met een door
de overheid gesubsidieerd profiel fungeren als partijdig activistisch platform?
Antwoord 12
Zie antwoord op vraag 2.
Vraag 13
Is uw inschatting dat, wanneer de Nederlandse overheid vaker internationale ngo’s
zou steunen, het activistische element minder groot zou zijn? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 13
Zoals wordt toegelicht in het antwoord op vraag 2, vindt het kabinet het belangrijk
dat maatschappelijke organisaties zich kritisch kunnen uitlaten over het Nederlandse
beleid. Dat geldt voor zowel internationale als Nederlandse ngo’s ook wanneer zij
financiering ontvangen van de overheid voor specifieke activiteiten.
Vraag 14
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en tijdig beantwoorden, voorafgaand aan
het debat over de beleidsbrief Buitenlandse Zaken van 9 september?
Antwoord 14
De vragen zijn zo veel als mogelijk afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Ondertekenaars
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking