Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Boomsma en Nanninga over de antwoorden op vragen over de contacten van de minister van OCW met vertegenwoordigers van de Moslim Studenten Associatie
Vragen van de leden Boomsma en Nanninga (beiden JA21) aan de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de antwoorden op vragen over de contacten van de Minister van OCW met vertegenwoordigers van de Moslim Studenten Associatie (ingezonden 24 juli 2026).
Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), mede namens de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (ontvangen 7 september 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2819.
Vraag 1
In uw antwoord op vraag 2 van de schriftelijke vragen van Boomsma en Nanninga over
gesprekken met de Moslim Studenten Associatie (MSA)1 verwijst u naar de Nationale Moslimstudenten Enquête om te staven dat «veel moslimstudenten
zich vaak niet thuis voelen op hun instelling» en deze peiling is gedaan in 2023/2024
op initiatief van en in samenwerking met de MSA en de moskeekoepel Stichting Platform
Islamitische Organisaties Rijnmond (SPIOR) onder supervisie en eindredactie van een
voormalig gemeenteraadslid bij NIDA, een voormalige islamitische partij (2013–2022)
en beweging, waarvan verschillende leden functies hebben in organisaties van de Moslimbroederschap
in Nederland2, zoals het «islamitisch kennis- en dawah-centrum» De Middenweg in Rotterdam.3 Meent u dat de ideologische achtergrond in het islamitische activisme van de personen
onder wiens supervisie dit onderzoek is gedaan van belang is om de bevindingen te
duiden en beoordelen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 1
In vraag 2 van de set schriftelijke vragen waar de leden Boomsma en Nanninga aan refereren,
vroegen de leden Boomsma en Nanninga wat de klachten van moslimstudenten zijn. Daarop
heb ik onder andere geantwoord dat moslimstudenten zélf aangeven, op basis van een
eigen enquête onder hun achterban, dat thuisgevoel in het onderwijs een belangrijk
issue voor hen is. Dit onderzoek duid en beoordeel ik dan ook op die manier: dat het
een weergave is van de ervaringen van moslimstudenten zelf. Onderzoek moet mijns inziens
altijd in de context worden bezien waarin het gedaan is. Dat is niet uniek aan deze
casus.
Vraag 2 en 3
De Nationale Moslimstudenten Enquête concludeert dat Nederlandse onderwijsinstellingen
nog te weinig inclusief zijn vanwege de beperkte beschikbaarheid van ruimten voor
gebed en wassing, halal eetvoorzieningen of les- en examenroosters die rekening houden
met islamitische feestdagen. Deelt u die conclusie? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom
niet?
Vindt u de beschikbaarheid van ruimten voor gebed, wassing, halal eetvoorzieningen
of les- en examenroosters die rekening houden met islamitische feestdagen een taak
of verantwoordelijkheid van een openbare en/of door de overheid gefinancierde universiteit
of hogeschool in Nederland? Zo ja, waarom? Kunt u uw antwoord toelichten?
Antwoord 2 en 3
Ik vind het als Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap belangrijk dat ons onderwijs
een inclusieve en toegankelijke omgeving is voor alle studenten: een omgeving waarin
elke student zich veilig en thuis voelt en wordt gezien, gehoord en ondersteund. We
weten bovendien dat thuisgevoel van invloed kan zijn op studiesucces. In het Landelijk
Kader Studentenwelzijn (2023–2030) is «sense of belonging» dan ook genoemd als één
van de belangrijke pijlers. Via het Kader worden instellingen opgeroepen om passende
faciliteiten te bieden voor studenten die bijdragen aan een inclusief studieklimaat.
Het is en blijft aan onderwijsinstellingen zelf om te zorgen voor een omgeving waar
studenten zo optimaal mogelijk kunnen leren en zich kunnen ontwikkelen, en op welke
manier onderwijsinstellingen hier invulling aan geven.
Vraag 4
Op de vraag wat u vindt van de bevindingen van onder andere de Franse sociologe en
kenner van de Moslimbroederschap Florence Bergeaud-Blackler dat Forum of European
Muslim Youth and Student Organisations (FEMYSO) en bij haar aangesloten verenigingen
zoals MSA vooral zijn bedacht «om een hier geboren islamitische elite op te leiden
die als missie heeft om een Europa te vormen dat sharia compatible» is en dat FEMYSO «hiertoe druk uitoefent op Europese instellingen terwijl het tegelijk
profiteert van de subsidies van dezelfde instellingen», gaf u aan dat u niet bekend
bent met dat onderzoek.4 Bent u bereid hier alsnog kennis van te nemen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
Hier is kennis van genomen.
Vraag 5
Bent u bekend met het Franse overheidsrapport Frères musulmans et islamisme politique en France5 dat werd opgesteld door een groep hoge ambtenaren in opdracht van het Ministerie
van Binnenlandse Zaken, en in mei 2025 is verschenen? Zo nee, bent u bereid hier kennis
van te nemen?
Antwoord 5
Hier is kennis van genomen.
Vraag 6
Op pagina 31 van dit rapport staat over FEMYSO bijvoorbeeld dat de organisatie wordt
beschouwd als de «jongerentak van de CEM» en functioneert als «opleidingsstructuur
voor de vorming van kaderleden voor de beweging met een hoog potentieel», waarbij
het rapport de Council of European Muslims (CEM) beschrijft als de belangrijkste door
de Broederschap opgerichte Europese koepelorganisatie en een centrale structuur van
de Europese «broederistische» beweging. Heeft u hier kennis van genomen en bent u
bereid dat te doen? Kunt u uw antwoord toelichten? Hoe beoordeelt u de bevindingen
van dit rapport?
Antwoord 6
Hier is kennis van genomen. Vooropgesteld moet worden dat organisaties internationaal
kunnen verschillen in zowel structuur, omvang als activiteiten. Met deze reden kunnen
de bevindingen van een buitenlands rapport niet worden gerelateerd aan de situatie
in Nederland. Als Minister van OCW is het niet aan mij om te oordelen over de bevindingen
van dit rapport en/of eventuele opvolging te geven hieraan.
Vraag 7
Heeft u kennisgenomen van de bevindingen van de verschillende experts6 en inlichtingendiensten – zie bijvoorbeeld een rapport van maart 2026 van het Belgische
Vast Comité van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten7 – die FEMYSO omschrijven als een onderdeel van het «hechte netwerk van verenigingen
en organisaties dat de Moslimbroederschap heeft opgebouwd»? Zo nee, bent u bereid
hier alsnog kennis van te nemen?
Antwoord 7
Hier is kennis van genomen.
Vraag 8
Het onderzoek van het Franse Ministerie van Binnenlandse Zaken was voor de Franse
president Macron aanleiding om aan te dringen op maatregelen; kunt u aangeven welke
maatregelen zijn genomen naar aanleiding van dit onderzoek, of om andere redenen,
met betrekking tot de invloed die de Moslimbroederschap of gelieerde organisaties
proberen uit te oefenen? Ziet u aanleiding om zelf ook maatregelen te nemen?
Antwoord 8
Het rapport heeft geleid tot de aankondiging van President Macron om de regering te
vragen de bestaande wetgeving aan te scherpen met sancties waaronder een uitbreiding
van de mogelijkheden om over te gaan tot ontbinding van donatiefondsen, de gedwongen
overdracht van de activa van een ontbonden vereniging, en het bevriezen van activa.
Er is tot op heden nog geen wetsvoorstel ingediend.
Tevens heeft het Franse parlement op 22 januari jl. een resolutie aangenomen waarin
de regering wordt gevraagd om de Moslimbroederschap aan te merken als terroristische
organisatie op de EU-sanctielijst. De resolutie is niet onomstreden. Over eventuele
lopende sanctietrajecten worden vanwege de vertrouwelijkheid en effectiviteit geen
uitspraken gedaan. In algemene zin is een organisatie van rechtswege in Nederland
verboden indien deze organisatie op de EU-terrorisme sanctielijst is geplaatst (artikel 2:20,
vierde lid BW en artikel 10:123 BW indien het een buitenlandse corporatie betreft).
Plaatsing op de EU-sanctielijst terrorisme is aan strenge voorwaarden verbonden en
unanimiteit onder EU-lidstaten is vereist.
Op 17 maart jl. heeft uw Kamer de motie van de leden Boon en Wilders (beiden PVV)
aangenomen, die de regering verzoekt om de Moslimbroederschap en de daaraan gelieerde
organisaties in Nederland te verbieden.8 Deze motie valt binnen de portefeuille van de Minister van Justitie en Veiligheid.
Het verbieden van organisaties volgt in Nederland een civielrechtelijke procedure:
de civiele rechter kan op verzoek van het Openbaar Ministerie een rechtspersoon waarvan
het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, verboden verklaren
en ontbinden (artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek). Er wordt momenteel bezien of en met
welke concrete gronden uitvoering kan worden gegeven aan de motie.
Vraag 9
Op welke manier wordt in Nederland gemonitord of en in welke mate de Moslimbroederschap
of gelieerde en/of vergelijkbare organisaties hier activiteiten ontplooien?
Antwoord 9
Het kabinet blijft onverminderd oog houden voor zorgen over antidemocratische boodschappen
of processen die ondermijnend kunnen zijn aan de democratische rechtsorde. Wanneer
sprake is van strafbare feiten, zoals aanzetten tot haat, discriminatie, opruiing,
intimidatie of vandalisme, dan is strafrechtelijk optreden in concrete gevallen mogelijk
door de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Daarnaast kan de AIVD op basis van
de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 onderzoek doen naar personen
of organisaties, waarbij het vermoeden bestaat dat zij een gevaar vormen voor het
voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel de nationale veiligheid of andere
gewichtige belangen van de staat.
Vraag 10
De Nederlandse expert op het gebied van islamisme Carel Brendel heeft erop gewezen
dat de Council of European Muslims, die tot 2022 Federation of Islamic Organisations
Europe (FIOE) heette en die volgens onder andere de AIVD de Europese koepelorganisatie
is van de Moslimbroederschap9, FEMYSO zèlf ook heeft betiteld als een eigen instelling10. Hoe beoordeelt u dit? Ziet u nog steeds geen reden om aan te nemen dat deze banden
bestaan of om dit nader te bekijken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Antwoord 10
Hier is kennis van genomen. Zie ook het antwoord onder vraag 9.
Vraag 11
MSA ontving in juni jongstleden Altaf Husain, een vooraanstaande Amerikaanse moslimbroeder
en voormalig voorzitter van de Muslim Student Association in de Verenigde Staten.
Husain was betrokken bij de oprichting van MSA Nederland en is een regelmatig terugkerende
spreker die waarschuwt tegen wat hij beschrijft als de gevaren van assimilatie11. Ziet u dit bezoek als een aanwijzing van mogelijke banden met de Moslimbroederschap
dan wel gelieerde organisaties?
Antwoord 11
Organisaties zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van hun activiteiten en kunnen
deze vrijelijk organiseren binnen de daarvoor bestaande wet- en regelgeving. Het kabinet
laat zich verder niet uit over eventuele interpretaties van een dergelijk bezoek.
Zie ook het antwoord onder vraag 9.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede namens
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.