Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Boon en Faber over een antisemitische en geweldverheerlijkende haatdemonstratie in Utrecht
Vragen van de leden Boon en Faber (beiden PVV) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over een antisemitische en geweldverheerlijkende haatdemonstratie in Utrecht (ingezonden 2 juli 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 7 september 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2600.
Vraag 1
Bent u bekend met de beelden1
2
3 van een «demonstratie» in Utrecht waarbij personen in militaire gevechtskleding met
Israëlische vlaggen op hun uniform de rol speelden van Israëlische militairen die
gevangenen mishandelden en martelden en daarmee een antisemitisch bloedsprookje opvoerden?
Deelt u de mening dat deze «demonstratie» niets anders was dan een antisemitische
haatmanifestatie? Zo nee, hoe kwalificeert u deze «demonstratie» dan wel?
Antwoord 1
Ja, ik ben bekend met de beelden, maar kan als Minister niet oordelen over de strafbaarheid
van gedragingen tijdens demonstraties. De beoordeling of uitingen of gedragingen een
strafbaar of discriminerend karakter hebben, is aan de daartoe bevoegde instanties.
Het is aan politie en het Openbaar Ministerie (OM) en uiteindelijk aan de rechter
om in individuele gevallen te beoordelen of sprake is van een strafbaar feit en of
een discriminatoir aspect onderdeel uitmaakt van het delict.
Vraag 2
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat voorbijgangers, waaronder
kinderen, ongevraagd en zonder enige waarschuwing werden geconfronteerd met deze gewelddadige
en antisemitische opvoering, terwijl voor omstanders niet duidelijk kenbaar was dat
sprake was van een demonstratie? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Binnen de wettelijke kaders bestaat veel ruimte voor verschillende vormen van demonstraties,
zolang deze vreedzaam verlopen. Het plegen van of aanzetten tot haat, geweld, intimidatie
of discriminatie hoort daar niet bij. De beoordeling of in een specifiek geval sprake
is van een strafbaar feit, is primair aan het OM en, indien een zaak aan de rechter
wordt voorgelegd, uiteindelijk aan de rechter.
Vraag 3
Was deze «demonstratie» in deze vorm vooraf aangemeld bij de burgemeester? Zo ja,
is daarbij gemeld dat de demonstratie een antisemitisch karakter zou hebben en dat
daarbij door personen in militaire gevechtskleding met Israëlische vlaggen op hun
uniform militair geweld, mishandelingen en martelingen zouden worden uitgebeeld, welke
voorwaarden zijn aan deze demonstratie verbonden en bent u van mening dat aan die
voorwaarden is voldaan of dat naar zijn oordeel had moeten worden ingegrepen? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 3
De gemeente Utrecht heeft aangegeven dat er geen kennisgeving van deze demonstratie
is gedaan en dat er anderszins ook geen contact is geweest met de organisatie over
deze demonstratie.
Vraag 4
Is onderzocht of het dragen van militaire gevechtskleding met Israëlische vlaggen
en andere herkenningstekens, terwijl voor omstanders niet duidelijk kenbaar was dat
sprake was van een demonstratie, in strijd is met de Nederlandse wet- en regelgeving?
Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Antwoord 4
Het is aan het OM en vervolgens aan de rechter om te beoordelen of er in een individueel
geval sprake is van een strafbaar feit. Het OM heeft mij laten weten dat er geen aangiften
zijn gedaan naar aanleiding van dit incident en dat het mede daarom op dit moment
geen aanleiding ziet om een onderzoek in te stellen naar de (strafbaarheid van eventuele)
gedragingen.
In het algemeen geldt dat het in het openbaar tonen van een bepaald symbool, tekst
of afbeelding of het roepen van leuzen, afhankelijk van de omstandigheden van het
geval, een uitingsdelict kan opleveren. Daarbij kan gedacht worden aan onder meer
groepsbelediging, het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld en belediging. Als
wordt aangespoord tot geweld, kan sprake zijn van opruiing. Voor de zomer is het wetsvoorstel
dat terrorismeverheerlijking en openbare steunbetuigingen aan terroristische organisaties
strafbaar stelt, ingediend bij Uw Kamer. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat
de (voorgenomen) strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht niet zodanig specifiek
zijn dat bijvoorbeeld het roepen van leus X of het tonen van symbool Y telkens afzonderlijk
strafbaar is gesteld. Ter verzekering van een breed toepassingsbereik zijn de uitingsdelicten
vrij algemeen omschreven. Deze systematiek zorgt ervoor dat per geval maatwerk kan
en moet worden geleverd, waarbij het van de precieze omstandigheden van het geval
afhangt of de desbetreffende uiting een strafbare uiting oplevert. Daarbij moet niet
alleen worden gekeken naar de uiting op zichzelf, maar ook hoe deze in de omstandigheden
van het geval moet worden begrepen, bijvoorbeeld in het kader van een demonstratie.
Ook is relevant of de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het plegen van het strafbare
feit.
Vraag 5
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat dergelijke antisemitische en geweldverheerlijkende
haatmanifestaties zich opnieuw in de Nederlandse openbare ruimte kunnen voordoen?
Antwoord 5
Het waar mogelijk faciliteren van een demonstratie en de beoordeling wat wel en niet
nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen is aan de burgemeester. Hierover
vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en
de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook
niet aan mij om in deze beoordeling te treden of om daarop vooruit te lopen. Demonstraties
mogen echter nooit een vrijbrief zijn voor (het aanzetten tot of verheerlijken van)
haat, discriminatie of geweld.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.