Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Grinwis, Goudzwaard, Flach en Struijs over de impact, uitwerking en aanpassing van en communicatie over de stikstofbrief
Vragen van de leden Grinwis (ChristenUnie), Goudzwaard (JA21), Flach (SGP) en Struijs (50PLUS) aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de impact, uitwerking en aanpassing van en communicatie over de stikstofbrief (ingezonden 19 augustus 2026).
Nader antwoord van Minister Van Essen (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)
(ontvangen 4 september 2026).
Vraag 1
Waarom was u de afgelopen weken, tot gisteren, zo stil, terwijl de onrust over de
grote gevolgen van uw Kamerbrief op het platteland groter en groter werd? Waarom heeft
u de tijd niet benut om toegankelijk uit te leggen wat uw aangekondigde beleid wel
en niet betekent in gebieden en op bedrijfsniveau, afgezien van wat zogenaamde misverstanden,
waar pas gisteren een eerste repliek op kwam1?
Antwoord 1
Op 26 juni hebben we als kabinet de aanpak gepresenteerd om te komen tot natuurherstel,
een toekomstbestendige landbouw en een oplossing voor de stikstofproblematiek. We
zijn in de Kamerbrief zo concreet mogelijk geweest wat deze aanpak betekent. Tegelijkertijd
vragen diverse onderdelen om verdere, soms gebiedsgerichte, uitwerking voordat exact
kan worden gezegd wat dit betekent op gebieds- en bedrijfsniveau. Dat doen we de komende
tijd zorgvuldig met de betrokken partijen.
Het is een omvangrijk pakket, want dat is nodig om de beoogde doorbraak te realiseren.
We vragen daarbij in de periode tot 2035 veel, zeker ook van de agrarische sector.
Het is begrijpelijk dat daar vragen en zorgen over zijn. Helder en zorgvuldig uitleggen
wat we doen, waarom we dat doen en wat dit richting 2035 gaat betekenen zie ik daarom
als essentieel. Ik heb de afgelopen zomer daarom zelf gesprekken gevoerd met individuele
boeren, sectorpartijen en terreinbeherende organisaties, over de inhoud van het pakket
en de manier waarop we daar invulling aan kunnen geven. Die gesprekken zijn heel waardevol
en inzichten daaruit benut ik voor de verdere uitwerking van de plannen.
De afgelopen periode heb ik mij zowel rechtstreeks als via belangrijke stakeholders,
ingespannen om vragen die in de sector leven zo goed mogelijk te beantwoorden. Via
zaakbegeleiders is er individueel contact met agrarisch ondernemers. Medeoverheden
zijn deze zomer in een webinar geïnformeerd over de zoneringsplannen en er zijn bijeenkomsten
geweest met agrarisch bedrijfsadviseurs, zodat ook zij in staat zijn om het gesprek
te voeren met agrarisch ondernemers. Ondernemers kunnen met vragen ook terecht bij
het Informatiepunt Stikstof en Natura 2000 van BIJ12 en het klantcontactcentrum van RVO. De ervaring tot nu toe leert dat er
relatief weinig vragen zijn gesteld bij deze loketten. Niettemin blijven we de komende
periode actief communiceren, onder andere via de websites groeiennaarmorgen.nl en
onslevendlandschap.nl, en blijven we beschikbaar om vragen van ondernemers zo goed
mogelijk te beantwoorden.
De verdere invulling van de maatregelen is van groot belang voor de duidelijkheid
die vanuit de sector wordt gevraagd. Dit kwam ook naar voren in het gesprek dat op
20 augustus met LTO en NAJK is gevoerd. We hebben afgesproken om frequent en structureel
in gesprek te blijven. Het kabinet zal de komende periode benutten om samen met medeoverheden,
maatschappelijke partijen en uw Kamer te komen tot een verdere invulling van de verschillende
maatregelen.
Vraag 2
Waarom liet u de informatievoorziening over aan andere organisaties, zoals Agractie
met een heldere gratis rekentool2? Waar was uw explainer en rekentool? Bent u ook zo geschrokken van de impact van
de bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht uit uw brief voor alle melkveehouders
in ons land? Of klopt de globale inschatting van de gevolgen voor de CO2- en ammoniakuitstoot en de financiële impact op melkveebedrijven in de rekentool
van Agractie niet? Op welke punten dan niet en hoe zit het dan wel en met welke impact?
Antwoord 2
De gestelde emissienorm voor de melkveehouderij zal flinke inspanningen vragen van
ondernemers om emissies te reduceren en zal in veel gevallen ook stevige investeringen
vragen. Daarom is belangrijk dat we duidelijkheid bieden waar ondernemers staan ten
opzichte van de norm en welke handelingsperspectieven zij hebben. Ondernemers kunnen
nu via Kringloopwijzer al een eerste indicatie krijgen hoe zij scoren ten opzichte
van de bedrijfsemissienormen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de
website Groeien naar morgen3.
Het kabinet zal daarnaast op korte termijn, met input van sectorpartijen en private
initiatieven, verschillende herkenbare bedrijfssituaties uitwerken als voorbeelden
en daarover communiceren. Ook heeft LVVN opdracht aan WUR verleend om een gebruiksvriendelijke,
maar ook wetenschappelijk gevalideerde, tool te bouwen waarmee melkveehouders inzicht
krijgen wat er op hun bedrijf mogelijkheden zijn om aan de emissienormen voor ammoniak
en broeikasgassen te voldoen.
Er is online een aantal tools te vinden die door derden worden aangeboden, waarmee
boeren een berekening kunnen maken van wat de opgave betekent voor hun bedrijf. Deze
tools zijn niet allemaal juist of volledig, in de tool van Agractie staan bijvoorbeeld
geen managementmaatregelen voor ammoniakreductie in. Aanpassingen in voer of weidegang
worden ook niet meegenomen, terwijl hier wel reductie mee bereikt kan worden.
De gestelde normen zullen veel vragen van ondernemers. Om ondernemers te helpen bij
het nemen van maatregelen heeft het kabinet ook middelen gereserveerd voor het ondersteunen
van innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen en vrijwillig beëindigen.
Vraag 3
Hoe verhouden de potentieel strijdige landelijke sporen uit uw Kamerbrief van 26 juni
jl.4 van bedrijfsspecifieke emissienormen en andere landelijke regelingen, zoals inzake
extensivering en vrijwillige opkoop, zich tot elkaar én tot het spoor van de gebiedsgerichte
aanpak, waarin per Natura 2000-gebied wordt vastgesteld welke drukfactoren moeten
worden verminderd, bij het bepalen van de totale reductieopgave voor de landbouw?
Hoe werkt dit uit voor een individueel landbouwbedrijf, zowel binnen als buiten de
zones?
Antwoord 3
In de Kamerbrief van 26 juni jl. heeft het kabinet een samenhangende aanpak geschetst
om natuurherstel te realiseren en vergunningverlening mogelijk te maken. Deze aanpak
bestaat uit (systeemherstel)maatregelen die op meerdere drukfactoren zijn gericht,
waaronder de opgave voor stikstof.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn gericht op het verminderen van de emissie
per bedrijf via techniek- en managementmaatregelen. In eerste instantie door te informeren
en stimuleren via subsidies. Per 2035 worden deze normen afrekenbaar. De normen worden
vastgesteld op een ambitieus maar haalbaar niveau om zo de innovatiekracht van de
Nederlandse landbouw aan te spreken en te gebruiken om een zo groot mogelijk gedeelte
van de opgave mee te behalen. Tezamen met generiek beleid, zoals gericht op extensivering
en vrijwillige beëindiging, wordt daarmee de emissiereductieopgave ingevuld en een
belangrijke bijdrage geleverd aan het wegnemen van de drukfactor stikstof. De zoneringsaanpak
richt zich op een vijftal drukfactoren in relatie tot landbouw en grondgebruik, te
weten hydrologie, waterkwaliteit, gewasbeschermingsmiddelen, versnippering en stikstof.
Voor met name deze laatste drukfactor geldt dat een belangrijke bijdrage aan wegnemen
van deze drukfactor door generiek beleid wordt geleverd. Hoe dit uitwerkt voor een
individueel landbouwbedrijf is afhankelijk van de specifieke staat van de natuur in
de relevante gebieden en van de nadere invulling van de samenhangende aanpak.
Vraag 4
Hoe verhoudt het antwoord op vraag 3 zich tot de uitspraak van de Raad van State inzake
Lieftinghsbroek5, waaruit blijkt dat niet van een vooraf vastgestelde generieke emissiereductie kan
worden terug geredeneerd naar de ecologische noodzaak, maar dat de causaliteit de
andere kant op moet worden aangetoond: eerst vaststellen welke natuurkwaliteit in
welk gebied moet worden beschermd, welke drukfactoren daarvoor moeten worden aangepakt,
en pas daarna bepalen welke bijdrage van de landbouw nodig is? Erkent u dat een generieke
landelijke reductiedoelstelling niet automatisch volgt uit de ecologische doelstelling
van een afzonderlijk Natura 2000-gebied? En dat een generieke reductie op landelijk
niveau met generieke normen niet afdoende is om lokale discussies rondom vergunningen
(lid 3), PAS-melders en interimmers te beëindigen? Kunt u klare wijn schenken over
welk van deze strijdige paradigma’s prevaleert in de verdere uitwerking van uw beleid?
Antwoord 4
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over Lieftinghsbroek onderschrijft
dat de onderbouwing gebiedsgericht moet zijn. In die zaak was een verwijzing naar
het landelijke maatregelpakket op zichzelf onvoldoende. Pas toen inzichtelijk was
gemaakt welk effect concrete maatregelen in en rond dit gebied hebben, achtte de afdeling
de motivering toereikend. Uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura
2000-gebied volgt niet automatisch een generieke landelijke reductiedoelstelling.
Generieke reductie is, net zoals een uitsluitend gebiedsgerichte aanpak, op zichzelf
onvoldoende effectief om de vergunningverlening overal los te trekken. Juist met de
samenhangende aanpak wordt gewerkt aan de oplossing om Nederland weer in beweging
te krijgen. Op deze manier biedt het kabinet een basis om additionaliteit te onderbouwen
en komt er, stapsgewijs en per gebied, weer ruimte voor vergunningverlening. Het zo
goed als mogelijk monitoren van de staat van de natuur in de verschillende gebieden,
en ook de relevante drukfactoren, is daarbij doorlopend van belang.
Vanwege de noodzaak om zo snel als mogelijk vergunningverlening los te trekken kiest
het kabinet ervoor om voortvarend aan de slag te gaan met de aanpak. Dit betekent
dat er parallel wordt gewerkt aan de invulling van het generieke beleid, de gebiedsgerichte
aanpak en natuurherstelmaatregelen. Voor het kabinet zijn deze onderdelen niet tegenstrijdig
maar versterken zij elkaar juist.
Vraag 5
Maakt u inzichtelijk, bijvoorbeeld via een openbaar en actueel dashboard, hoe de in
vraag 3 genoemde sporen zich tot elkaar verhouden, wat de historische en actuele stand
van zaken qua emissiereductie en natuurherstel is en hoeveel waar bereikt is (bij
Natura 2000-gebieden, regionaal, provinciaal, sectoraal en landelijk)? Hoe kunnen
ondernemers en overheden straks weten waar ze staan, hoever ze zijn en wat er nog
moet gebeuren?
Antwoord 5
Het kabinet vindt het van belang dat de voortgang richting doelbereik nauwkeurig wordt
bijgehouden, en dat de inspanningen die ondernemers leveren hier direct in worden
door vertaald. Om dit mogelijk te maken wordt de bestaande monitoringssystematiek
waar nodig geactualiseerd en richten we aanvullende monitoring in, bijvoorbeeld om
de realisatie op gebiedsniveau inzichtelijk te maken. Het maatregelpakket dat in juni
is gepresenteerd wordt vastgelegd in een nieuw programma. Het kabinet verstuurt het
Ontwerpprogramma dit najaar aan de Kamer, hierin zal de systematiek voor monitoring
en evaluatie ook een plek hebben. Hierbinnen kan onderscheid worden gemaakt tussen
monitoring van stikstofemissies op nationaal en sectorniveau, de monitoring van bedrijfsspecifieke
emissienormen, en monitoring van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.
De voortgang richting de stikstofemissiedoelen per sector voor 2035 wordt inzichtelijk
gemaakt via de nationale realisatiecijfers door WUR (Emissies naar de lucht uit de
landbouw berekend met NEMA), de Emissieregistratie, en de RIVM-rapportage Monitor
stikstofdepositie in Natura-2000 gebieden. In deze jaarlijkse rapportages wordt voor
de (deel)sectoren landbouw, industrie en mobiliteit op nationaal niveau de ontwikkeling
van de ammoniakemissie opgenomen. Ook is te vinden welke emissiereductie sinds 2019
al is behaald door de sector.
Het kabinet stuurt via bedrijfsspecifieke emissienormen op emissiereductie in de melkveehouderij
en in de intensieve veehouderij. Deze normen zijn pas afrekenbaar in 2035 en ondernemers
worden ondersteund bij het treffen van maatregelen om aan deze normen te kunnen voldoen.
Voor de bedrijfsspecifieke emissienormen geldt dat het belangrijk is dat ondernemers
inzicht hebben in wat deze normen in de praktijk voor hun bedrijf betekenen, en hoe
zij stappen kunnen zetten in het behalen van die normen. Melkveehouders kunnen vrijblijvend
de Kringloopwijzer raadplegen voor een eerste indicatie waar zij staan ten opzichte
van de normen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeiennaarmorgen.nl/kringloopwijzer.
Ook wordt er een gebruiksvriendelijke tool gebouwd voor ammoniak en broeikasgassen
die wetenschappelijk onderbouwd en gevalideerd is. Zie ook de beantwoording van vraag
2.
De effecten van de gebiedsgerichte inzet en van de natuurherstelmaatregelen op de
Natura 2000-gebieden worden gemonitord via de, door het Verbeterprogramma VHR-monitoring
ontwikkelde, maatregelregistratie-applicatie. De resultaten daarvan worden iedere
twee jaar gerapporteerd door een consortium van PBL, WUR en RIVM in het kader van
Monitoring en Evaluatie Stikstofreductie en Natuurverbetering. Specifiek voor stikstofgevoelige
Natura 2000-gebieden geldt daarnaast dat de staat van instandhouding in beeld wordt
gebracht via de Natuurdoelanalyses. De Natuurdoelanalyses worden op termijn voor alle
Natura 2000-gebieden gedaan, gekoppeld aan de beheerplancycli.
Vraag 6
Biedt u provincies inzake de gebiedsgerichte aanpak alleen ruimte voor een alternatieve
invulling van de zonering (zoals de brief die u aan de provincies hebt verstuurd suggereert)
en extra reductiedoelen bovenop de generieke stikstofaanpak, of kan de gebiedsgerichte
aanpak ook een alternatief vormen voor de landelijke bedrijfsspecifieke normen zodra
op gebiedsniveau vanuit het natuurbeheerplan wordt aangetoond dat voldaan kan worden
aan de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)? Zo nee, wat stelt de gebiedsgerichte
aanpak van onderop dan nog voor én blijft de onzekerheid rondom vergunningverlening
dan niet bestaan? Zo ja, hoe gaat het precies werken als de normen per fosfaatrecht
en dierplaats niet uniform, maar per regio verschillend worden?
Antwoord 6
De aanpak van het kabinet bestaat uit generieke maatregelen (waaronder de bedrijfsspecifieke
emissienormen), een gebiedsgerichte inzet, natuurherstelmaatregelen, en maatregelen
gericht op ondersteuning van boerenbedrijven en het platteland. Alleen in combinatie
en samenhang leiden de verschillende onderdelen van de aanpak tot de noodzakelijke
emissiereductie en het bredere natuurherstel, die nodig is voor ruimte voor vergunningverlening.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn generiek en gebaseerd op het technisch reductiepotentieel
van maatregelen die veehouders kunnen toepassen en dit reductiepotentieel is niet
anders in andere provincies. Dat betekent dat de bedrijfsspecifieke normen niet vervangen
kunnen worden door gebiedsgerichte inzet. Bij de verdere uitwerking van de bedrijfsspecifieke
emissienormen blijven we wel in gesprek met de provincies om onder andere te leren
van relevante ervaringen die zijn opgedaan.
Een «alternatieve invulling» voor de gebiedsgerichte aanpak (een omwisselbeslissing)6 ziet toe op de vervanging van de aanvullende gebiedsgerichte inspanning die van boeren
in zones rond Natura 2000-gebieden wordt gevraagd. De Rijksinstructieregels vormen
daarmee de ruggengraat van de aanpak. Hieruit volgen kaders op bijvoorbeeld doelbereik,
borging, financiën en tijdspad waaraan een omwisselbeslissing dient te voldoen. In
meerdere gebieden zijn boeren samen met andere partijen in gebiedsprocessen aan de
slag. De omwisselbeslissing kan een uitkomst bieden voor partijen die, op basis van
kennis van en ervaring met de lokale omstandigheden, mogelijkheden zien om de aanvullende
gebiedsgerichte inspanning op een andere manier te leveren.
Vraag 7
Hoe verhouden volgens u de eisen in de zonering (namelijk extensivering middels veebezetting
en mestgebruik, zoals in de Kamerbrief van 26 juni jl. staat) zich tot het alternatief
(geborgde gebiedsplannen, zoals ook benoemd in de genoemde Kamerbrief)? Hoe, wanneer
en op basis van welke berekening/methodiek weet een ondernemer (samen met de provincie
in dat geborgde gebiedsplan) of het alternatief voldoende is?
Antwoord 7
Bovenop het generieke beleid is aanvullende gebiedsgerichte inspanning nodig om verdere
achteruitgang te stoppen. Het ambitieniveau en de borging (het wat) van deze aanvullende inspanning is niet te vervangen als we stevige stappen willen
zetten op natuurherstel en het vlottrekken van de vergunningverlening. De manier waarop
we dit doen (het hoe) kan wel alternatieven kennen. Gezien de urgentie van de problematiek in veel Natura
2000-gebieden, de effecten hiervan op de vergunningverlening, en de mogelijke intrekkingen
als gevolg van een onvoldoende geborgd of doelmatig pakket moet een alternatief plan
(een omwisselbeslissing7) eenzelfde ambitieniveau en borging in de tijd kennen met eenzelfde middelenbehoefte.
Anders is deze alternatieve aanpak onvoldoende stevig om de benodigde stappen te zetten.
De inhoudelijke kaders en het proces van de omwisselbeslissing worden momenteel verder
uitgewerkt. Eind oktober zal ik hier meer informatie over delen met uw Kamer. Gebieden
kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing
indienen. In de loop van 2028 wordt duidelijk of deze omwisselbeslissing aan de vereisten
voldoet en kan dienen als volwaardige vervanging van de door het Rijk uitgewerkte
aanpak.
Vraag 8
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van het doorlopen van een volwaardig gebiedsproces
binnen het door u gestelde tijdsframe? Acht u het praktisch uitvoerbaar om voor alle
gezoneerde gebieden binnen deze termijn tot volwaardige gebiedsplannen te komen? Kunt
u daarbij aangeven of er voldoende procesregisseurs beschikbaar zijn om deze processen
zorgvuldig te begeleiden en op welke wijze en in welke mate de betreffende gebieden
hierbij worden ondersteund?
Antwoord 8
Het is van belang om een onderscheid te maken tussen het opstellen en indienen van
een omwisselbeslissing enerzijds en het volledig uitvoeren van het onderliggende plan.
Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor
een omwisselbeslissing indienen. Dat betekent niet dat het onderliggende plan dan
al volledig moet zijn uitgevoerd. Bovendien zijn in veel gebieden al belangrijke stappen
gezet en kan op bestaande processen worden voortgebouwd. Tegelijk vraagt de volledige
uitvoering van het onderliggende plan bij een omwisselbeslissing op onderdelen om
trajecten met een langere doorlooptijd, waarin onder meer kavelruil en herverkaveling
een rol spelen. Ondernemers krijgen de komende jaren dan ook de ruimte om hun bedrijfsvoering
geleidelijk aan te passen en maken daarbij zelf de keuzes richting extensivering.
Dat vraagt om goede afstemming op gebiedsniveau, waarbij onder meer grondbehoefte
en de inzet van vrijvallende grond samenkomen.
Die puzzel legt zich niet vanzelf. Provincies hebben onder de Omgevingswet een wettelijke
taak voor gebiedsgerichte coördinatie en zullen doorgaans als gebiedsregisseur optreden.
Daar hoort passende ondersteuning bij. Het faciliterend pakket wordt er onder meer
op ingericht om grondmobiliteit op gang te brengen, ondernemers te ondersteunen bij
hun bedrijfsplannen en te voorzien in kennisondersteuning en zaakbegeleiding. Rijk,
provincies en gemeenten werken daarnaast gezamenlijk aan toereikende procesbegeleiding
en voldoende uitvoeringscapaciteit, zodat binnen het gestelde tijdsframe in alle gezoneerde
gebieden waar nodig tot een werkbaar gebiedsproces kan worden gekomen.
Vraag 9
Welke wetenschappelijke basis en rapporten liggen ten grondslag aan uw keuze voor
500 meter en voor (de locatie van) 1.000 meter-zones? Zijn kleinere/minder zones rond
stikstofgevoelige natuur (in slechte staat) ook overwogen? En hoe verhoudt de door
u gekozen zoneringsaanpak zich tot de hotspotaanpak, zoals gehanteerd bij de Veluweaanpak?
Antwoord 9
Er zijn verschillende onderzoeken en rapporten (zie hieronder) benut die de keuzes
omtrent de zoneringsaanpak kunnen motiveren. Daarbij gaat het onder andere om de noodzaak
voor gebiedsgerichte maatregelen buiten het Natura 2000-gebied, evenals het type maatregelen,
het ambitieniveau van deze maatregelen, en het ruimtebeslag hiervan. Daarnaast is
een eigen methodiek toegepast om op basis van beschikbare landbouwgegevens over bedrijfslocaties,
bedrijfstypen en bedrijfsemissies te bepalen waar voldoende aanleiding is om een zone
van 1.000 meter voor te stellen om voldoende bij te dragen aan een vermindering van
druk op het Natura 2000-gebied door (lokale) stikstofemissies.
Kleinere zones zijn in een eerder stadium ook verkend. Om voldoende effect te hebben
zou dat wel betekenen dat het regime in een kleinere zone ingrijpend strenger zou
moeten, wat resulteert in onvoldoende perspectief voor een vorm van landbouwkundig
gebruik. Om een toekomst voor de landbouw rondom Natura 2000-gebieden te bieden (al
dan niet in een extensieve vorm) is gekozen voor zones met een lager ambitieniveau
en een groter ruimtebeslag. Een keuze voor kleinere zones zou op basis van het huidige
ambitieniveau (namelijk behoud van extensieve landbouw) onvoldoende effectief zijn
om landbouw-gerelateerde drukfactoren op Natura 2000-gebieden voldoende te verminderen.
Daarmee zou het doel, natuurherstel realiseren waardoor Nederland stapsgewijs van
het slot komt, niet behaald worden. Als overheden gaan Rijk, provincies, gemeenten
en waterschappen met prioriteit aan de slag in de vijf prioritaire gebieden, juist
omdat hier de grootste opgaven liggen en gestapelde drukfactoren. Hier plegen de vier
overheden extra inzet, onder meer op het versterken van de uitvoeringskracht.
Voor de Veluwe hebben de vier overheden met elkaar de samenwerkingsovereenkomst voor
de Aanpak Veluwe ondertekend. In de Kamerbrief is hierover opgenomen: «Bredere inzet
op emissiereductie, natuurherstel en fysiek beekdalherstel wordt vormgegeven via de
Aanpak Veluwe.» Hiervoor is met de regionale bestuurders al afgesproken dat aanpassingen
kunnen worden gemaakt in de begrenzing van de zone. Een uitbreiding van de zone van
500 meter naar 1.000 meter is voor de Veluwe niet nodig omdat emissiereductie (65%-69%)
op een groter gebied dan de 1000m-zone, namelijk het hele gebied van de Aanpak Veluwe,
wordt gerealiseerd. Binnen de Aanpak Veluwe worden de natuur- en watermaatregelen
opgenomen die nodig zijn om te voldoen aan de wettelijke vereisten (KRW en VHR) en
die voldoende zijn voor robuust systeemherstel en weer kunnen aantonen van additionaliteit.
Op een later moment zal besloten worden of de Aanpak Veluwe, of het strokenbeleid
als onderdeel hiervan, kan dienen als omwisselbeslissing voor de instructieregels
van de zonering. Anders wordt de Aanpak Veluwe en/of het strokenbeleid aangepast of
gaan de instructieregels in de zone gelden.
En niet-uitputtende lijst van bronnen en onderzoeken die zijn benut voor de totstandkoming
van de zoneringsaanpak:
Omschrijving
Bron
Rapport van de Ecologische Autoriteit over de weging van maatregelen en prioritering
van drukfactoren in Natura 2000-gebieden
https://pas.ecologischeautoriteit.nl/files/ea/5180/5180_advies_priorite…
RIVM-rapport over emissies en deposities uit zones rond Natura 2000-gebieden
https://www.rivm.nl/publicaties/emissies-en-deposities-uit-zones-rondom…
Kennisnotitie WENR over effect van maatregelen in zones van verschillende afstanden
rondom Natura 2000-gebieden in de provincie Zuid-Holland
https://pzh.notubiz.nl/document/16196953/1?connection_type=16&connectio…
Arcadis Rapport met inzicht over drukfactoren per Natura 2000-gebied in de provincie
Zuid-Holland
https://pzh.notubiz.nl/document/16196949/1?connection_type=16&connectio…
PBL Landbouw- en natuurverkenning met scenario’s voor een toekomst van de landbouw
in Nederland met inzicht in overgangszones rond N2000-gebieden
https://www.pbl.nl/publicaties/landbouw-en-natuurverkenning
Onderzoek naar de verspreiding van pesticiden in de Peel
https://wbdp.nl/wp-content/uploads/2026/04/2026-04-28-WBdP-onderzoek-ve…
Reflectie op MCEN-maatregelenpakket vanuit kennisconsortium PBL, Deltares, RIVM &
WUR
https://open.overheid.nl/documenten/a073be31-687e-42a2-a598-4d84e72b3d8…
Haalbaarheidsstudie WSN-doelen met maatschappelijke kosten-batenanalyse voor scenario
met zone van 1km
https://www.greenpeace.org/static/planet4-netherlands-stateless/2026/06…
WUR-rapport over voorkomen pesticiden in N2000-gebieden met inzicht in problematiek
rond gewasbeschermingsmiddelen
https://research.wur.nl/en/publications/pesticiden-in-terrestrische-nat…
Rapport over ruimtelijke benadering voor het oplossen van de stikstofproblematiek
in Nederland
https://ontspannennederland.nl/static/naar-een-ontspannen-nederland.pdf
PON-Telos rapport grond voor verbinding over een grondstrategie rondom Natura 2000-gebieden
https://hetpon-telos.nl/projecten/grond-voor-verbinding-naar-een-gronds…
Natuurdoelanalyses uitgevoerd voor 131 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden met
per gebied inzicht in de knelpunten en oplossingsrichtingen voor de instandhouding
van het Natura 2000-gebied.
Zie individuele publicaties bij verschillende provincies of website Ecologische Autoriteit.
Advies van de Ecologische Autoriteit om Op basis van de hoofdbevindingen en veldbezoeken
nav de natuurdoelanalyses breder te adviseren over wat nodig is om de natuurdoelen
te halen.
https://pas.ecologischeautoriteit.nl/files/ea/5133/advies_doen_wat_moet…
RIVM Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025
https://www.rivm.nl/publicaties/monitor-stikstofdepositie-in-natura-200…
Vraag 10
Bent u bereid de volledige (reken-)methodiek, inclusief rapporten, data, emissie-
en depositiecijfers en de totaalanalyse van alle drukfactoren, voor alle aangewezen
zones, zowel rond Natura 2000-gebieden als beekdalen als grondwaterbeschermingsgebieden,
aan de Kamer te zenden, met daarbij dus de onderbouwing van de aanwijzing per afzonderlijk
gebied?
Antwoord 10
Specifiek voor cijfers over stikstofemissie en -depositie in/uit de zones is gebruik
gemaakt van de RIVM-kennisnotitie Emissies en deposities uit zones rondom Natura 2000-gebieden en onderliggende databestanden.8 Voor de mate van KDW-overschrijding per gebied is gebruik gemaakt van de cijfers
uit het RIVM-rapport Monitor Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden 2025.9
Voor andere drukfactoren wordt op dit moment een proces doorlopen met de provincies
om tot definitieve aanwijzing per gebied te komen. Zoals in de kamerbrief is gesteld
is zonering niet voor elk stikstofgevoelig Natura 2000-gebied nuttig en nodig, omdat
er bijvoorbeeld geen landbouw plaatsvindt of dat (zicht is op dat) instandhouding
van het gebied bereikt wordt.
Voor beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden zijn onderstaande bronnen benut om
te concluderen wat de landbouwgerelateerde problematiek voor de specifieke beken en
grondwaterbeschermingsgebieden is en welke oplossingsrichtingen daar mogelijk zijn.
Bronnenoverzicht kwetsbare watergebieden:
1. Groenendijk, P. (2021). Kansen van de stikstofaanpak voor het doelbereik van de
KRW voor nutriënten: Memo.
2. Groenendijk, P., Duan, K., Renaud, L., & Rietra, R. (2024). Effecten van maatregelen
op nitraat in het agrarische deel van grondwaterbeschermingsgebieden. (Rapport / Wageningen
Environmental Research; No. 3371). Wageningen Environmental Research.1
3. Van der Bolt, F., Groenendijk, P., & Renaud, L. (2025). Verkenning van het effect
van grootschalig herstel van beekdalen op de emissies van nutriënten uit de bodem.
(Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3461). Wageningen Environmental
Research.2
4. Deltares, 2025. Doorrekening van de effecten van maatregelen in brede bufferzones
langs beekdalen voor KRW-doelbereik nutriënten. Memo.
5. Deltares uit 2023: Effectiviteit van bufferzones voor grondwaterstandsverhoging
in grondwaterafhankelijke natuurgebieden op de zandgronden
6. Cleassens et al. 2016. (RIVM) Effecten van het landelijk mestbeleid op de grondwaterkwaliteit
in grondwaterbeschermingsgebieden
7. Ravensbergen et al. 2024. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen
in grondwaterbeschermingsgebieden – quickscan
8. Ravensbergen et al. 2025. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen
in grondwaterbeschermingsgebieden – verdiepende studie op quickscan
9. Van Driezum et al. 2025. (KWR) Bestrijdingsmiddelen in Nederlandse bronnen voor
drinkwater (2018–2022)
10. Gies et al. 2023. Scenariostudie naar doelen en doelrealisatie in het kader van
het Nationaal Programma Landelijk Gebied
11. Ercan et al. 2025. Landbouw in klimaatrobuuste beeklandschappen
X Noot
1
Effecten van maatregelen op nitraat in het agrarische deel van grondwaterbeschermingsgebieden
- Research Portal - Wageningen University & Research
X Noot
2
Verkenning van het effect van grootschalig herstel van beekdalen op de emissies van
nutriënten uit de bodem - Research Portal - Wageningen University & Research
Vraag 11
Hoe beoordeelt u de grote verschillen tussen provincies in de invulling en uitwerking
van hun natuurbeheerplannen als ook de daadwerkelijke monitoring van het beheer in
relatie tot andere drukfactoren dan stikstof? Wat vindt u ervan dat daarin veelal
de stikstofproblematiek vanuit lid 3 VHR wordt aangevlogen in plaats van met de benodigde
onderbouwing vanuit lid 1 en 2, met als extreem voorbeeld de situatie in de provincie
Noord-Brabant? Herkent u deze problematische situatie en welke instructies bent u
voornemens te geven (zoals inzake tempo, evaluatiemethodiek, afweging van drukfactoren
en definiëring van de emissieruimte) ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
Antwoord 11
In Nederland hebben we een eenduidig kader om te voldoen aan de juridische eisen,
onder andere voortvloeiend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Het natuurbeleid
in Nederland is gedecentraliseerd, zodat maatwerk mogelijk is met inachtneming van
de fysieke kenmerken van en specifieke kennis uit een gebied. Om aan de geldende juridische
kaders te voldoen is een goede, gebiedsspecifieke, evaluatiemethodiek van belang,
waarin alle relevante drukfactoren worden meegenomen. De natuurdoelanalyses (NDA’s)
spelen hierin een belangrijke rol. Ik heb de Ecologische Autoriteit gevraagd te adviseren
over de geactualiseerde handleiding voor de NDA’s. Daarnaast bezie ik of aanvullende
instructieregels voor Natura 2000-beheerplannen nodig zijn.
Via de SNL-systematiek is de monitoring van het natuurbeheer in belangrijke mate gestandaardiseerd.
In aanvulling daarop monitoren provincies de effecten van drukfactoren, hierin is
veel ruimte voor maatwerk. Ik werk via het Verbeterprogramma VHR-monitoring met provincies
aan verbetering van de monitoring, onder meer van omgevingscondities. Dit moet adequaat
beheer ten goede komen. Daarnaast kunnen provincies aan de slag met het opstellen
van een plan waarmee zij additionaliteit kunnen onderbouwen. Als wordt aangetoond
dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden –
intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Het stikstofbeleid
richt zich dan ook op maatregelen die nodig zijn voor zowel het eerste, tweede als
derde lid van de VHR.
Voor de genoemde situatie in Noord-Brabant geldt dat provincies als bevoegd gezag
individuele intrekkingsverzoeken beoordelen. In dit geval ging het om een passende
maatregel gebaseerd op artikel 6, tweede lid van de VHR. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk
voor duidelijke landelijke kaders. Zie hierover ook mijn antwoord op vraag 12 en mijn
eerdere beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp10.
Vraag 12
Hoe staat u ondertussen ondernemers en provincies bij die te maken hebben met aanvallen
op de natuurvergunningen? Hoe voorkomt u daarbij dat er verschil (rechtsongelijkheid)
ontstaat in de omgang met vergunninghouders uit diverse sectoren, zoals in Noord-Brabant
het geval is, waar de provincie op een andere wijze omgaat met industriële bedrijven
en de Amercentrale dan met de vijf pluimveehouders? Welke instructies bent u voornemens
te geven ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
Antwoord 12
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen van het lid Van der Plas11 vind ik het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen
blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Als een intrekkingsverzoek wordt
gedaan, zijn provincies in Nederland het bevoegde gezag om die verzoeken te beoordelen,
waarbij een grote mate van zorgvuldigheid nodig is. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk.
Daaraan geef ik invulling met het stikstofpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft
gepresenteerd. Het landelijke pakket gaat daarbij uit van een bijdrage van alle sectoren,
met perspectief voor de agrarische sector. Naast de agrarische sector leveren ook
de industrie en mobiliteit door fors minder stikstof uit te stoten.
In Noord-Brabant heeft de provincie zich naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak
en de specifieke situatie in en rond Natura-2000 gebieden tot het voornemen genoodzaakt
gezien om de natuurvergunningen van vijf pluimveehouders in te trekken. Ik heb daarover
bij de provincie aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten
genomen worden totdat het trappetje van Remkes is doorlopen en dat de effecten van
het maatregelenpakket worden meegenomen bij de afweging.
Vraag 13
Kunt u garanderen dat een ondernemer die aantoonbaar voldoet aan de generieke normen
uit uw brief en die de daarvoor noodzakelijke maatregelen uitvoert, ook daadwerkelijk
juridische ruimte krijgt om zijn bedrijf voort te zetten en te ontwikkelen? Zo nee,
waarin bestaat de rechtszekerheid van het voorgestelde doelsturingsbeleid dan concreet?
Antwoord 13
Het kabinet heeft er vertrouwen in dat met deze samenhangende aanpak de vergunningverlening
losgetrokken kan worden en ruimte kan worden geboden voor boer, natuur en bouw. Deze
aanpak bestaat onder andere aan de bedrijfsspecifieke emissienormen maar ook uit ander
generiek en gebiedsgericht beleid.
Vraag 14
Waarom kiest u ervoor om de norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen te koppelen
aan de emissies van stallen en mestopslagen en lijken veld- en mestaanwendingsemissies
hierbij buiten beeld te blijven? Als u niet bereid bent deze keuze te herzien, wat
is dan uw repliek waard op het zogenaamde misverstand dat de in de Kamerbrief van
26 juni gecommuniceerde bedrijfsspecifieke norm slecht uitpakt voor extensieve en
biologische melkveebedrijven, aangezien investeren in technische stalmaatregelen helemaal
niet past bij hun bedrijfsstijl? Bent u bereid managementmaatregelen als meer weidegang,
eiwitarmer voeren, aanzuren van mest, meer mestkwaliteit en mestverdunning bij aanwending
volwaardig mee te tellen als bijdrage aan het behalen van de norm per fosfaatrecht?
Waarom wel/niet?
Antwoord 14
Het klopt dat de bedrijfsspecifieke emissienorm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht
alleen gebaseerd is op stal- en opslagemissies. Er is gekozen om voor het terugdringen
van de veldemissies van ammoniak geen systeem van doelsturing in te voeren omdat de
keuzemogelijkheden ten opzichte van de bestaande middelvoorschriften beperkt zijn.
Daarbij geldt ook dat de borging van veldemissies complexer is omdat het meten hiervan
lastiger is ten opzichte van emissies uit stallen. Daarnaast speelt een rol bij de
keuze voor een norm per fosfaatrecht dat het meenemen van veldemissies niet goed past
in de systematiek, omdat er dan een prikkel zou ontstaan om zoveel mogelijk land te
verkopen en mest af te voeren (waardoor er ook geen veldemissies op het bedrijf zijn
en een melkveehouder beter scoort op een norm per fosfaatrecht). Tevens worden de
hoogtes van de veldemissies ook bepaald door omstandigheden waar een ondernemer geen
invloed op heeft, zoals het weer. Daarom wordt ingezet op het verder aanscherpen van
de voorschriften voor emissiearm aanwenden van meststoffen.
Het is een misverstand dat alleen technische stalmaatregelen kunnen worden ingezet
om aan de norm te voldoen. Om de norm de te halen kunnen ondernemers verschillende
maatregelen nemen, zoals meer weidegang of eiwit armer voeren. Keuzevrijheid en ruimte
voor ondernemerschap zijn één van de belangrijkste uitgangspunten van bedrijfsgerichte
doelsturing. De overheid stelt de normen, maar ondernemers kunnen zelf bepalen welke
maatregelen zij inzetten om aan deze normen te voldoen. De inzet van managementmaatregelen
kunnen hier een belangrijk onderdeel van zijn bij zowel gangbare als extensieve bedrijven.
Hierbij is het goed om rekening te houden dat het kabinet heeft aangekondigd om te
kijken naar de gevolgen van de ammoniak norm voor biologische, biodynamische, natuurinclusieve
en/of productie-extensieve melkveehouderijen en of dit moet leiden tot een aanpassing
van de emissienormen voor deze categorie bedrijven, of in de gehanteerde rekenmethoden
ook voldoende rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering van extensieve veehouderij
en of extra (financiële) ondersteuning noodzakelijk is. Bovendien is ook al een uitzondering
aangekondigd op de klimaatnorm voor biologische bedrijven omdat niet alle maatregelen
passen binnen de biologische bedrijfsvoering. Daarmee heeft en houdt het kabinet oog
voor extensieve en biologische melkveebedrijven.
Vraag 15
Als onverhoopt het terugdringen van veldemissies geen onderdeel maakt van de voorgestelde
doelsturing, dan wel niet meetelt in relatie tot de door u gekozen norm van 0,164
kg NH₃ per fosfaatrecht, terwijl deze wel circa de helft uitmaken van de ammoniakemissies
van de melkveehouderij, is het dan niet redelijk de gekozen norm navenant aan te passen?
Antwoord 15
De huidige emissienorm voor ammoniak (NH₃) van 0,164 kg per fosfaatrecht is gebaseerd
op het technisch reductiepotentieel van maatregelen gericht op stal- en opslagemissies.
Veldemissies zijn in de bepaling hiervan niet meegenomen en een aanpassing van de
norm is daarom nu niet aan de orde. Er vindt nog een nadere wetenschappelijke validatie
van de normen plaats. De uitkomsten hiervan volgen in het eerste kwartaal van volgend
jaar.
Vraag 16
Bent u bereid om, gelet op de grote uitdaging voor melkveehouderijbedrijven om aan
de gecommuniceerde bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht te kunnen voldoen (en
daarmee samenhangend de hoge kosten, uithollend draagvlak en het risico op rechtszaken
zodra de norm niet wordt gerealiseerd en handhaving volgt), de norm verder te differentiëren
naar bedrijfstype en te herformuleren naar een norm op bedrijfsniveau, waarbij het
fosfaatrecht alleen wordt gebruikt om de norm in uit te drukken, waarna alle maatregelen
inzetbaar zijn om aan deze reductie op bedrijfsniveau te voldoen? Als daarmee een
equivalente reductie mogelijk is met draagvlak vanuit de sector, is dat dan niet te prefereren boven generieke uitrol van een hoge
norm waarmee de sector verder moet intensiveren?
Antwoord 16
Met het stellen van een bedrijfsspecifieke emissienorm per fosfaatrecht krijgen bedrijven
een duidelijk doel op bedrijfsniveau dat afhankelijk is van het aantal fosfaatrechten
dat zij hebben. In eerste instantie wordt daarbij ingezet op het informeren en stimuleren
van ondernemers. In 2035 wordt de norm afrekenbaar en moeten ondernemers daaraan voldoen.
Ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om de benodigde emissiereductie
te realiseren, zoals het aanpassen van de stal, het nemen van managementmaatregelen,
het verwerven van meer fosfaatrechten, of het extensiveren van de bedrijfsvoering.
De emissienorm is vastgesteld op basis van het technisch reductiepotentieel en daarmee
is er sprake van één generieke norm om overal in Nederland te sturen op geborgde emissiereductie.
Ook wordt hiermee voorkomen dat er complexe systematiek ontstaat waarin er verschillende
normen gaan gelden voor verschillende bedrijven en gebieden.
Daarbij geldt wel dat het kabinet in de brief van 26 juni al heeft aangegeven goed
te kijken naar de impact van de stikstofnorm op biologische en extensieve bedrijven.
Mogelijk past deze norm niet goed bij de bedrijfsvoering van deze groep ondernemers.
Daarom wordt er gekeken naar of er aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning
nodig is voor deze bedrijven. Voor de klimaatnorm geldt dat biologische bedrijven
beperktere handelingsperspectieven hebben en daarom zal voor deze bedrijven een uitzondering
worden uitgewerkt.
Vraag 17
En kunt u nog een aantal zaken met betrekking tot de ammoniakemissie per fosfaatrecht
ophelderen, zoals: (a) Hoe ziet de achterliggende berekening voor de 0,164 kg NH3 per fosfaatrecht eruit?; (b) Is die 0,164 kg NH₃ is gebaseerd op het huidige aantal
rechten, en zo ja, hoe gaat u dan om met de doorgehaalde rechten bij afroming en opkoop?
Worden die opnieuw uitgegeven? En welke bedrijven komen daarvoor dan in aanmerking?
Wat is de rol van de bestaande fosfaatbank daarbij?; (c) Is innovatie volgens u een
belangrijk onderdeel van de oplossing? Zo ja, is dan de lijst van toegestane technieken
niet veel te kort? Hoe wilt u daarbij het wantrouwen in de eerder afgeschoten Regeling
Ammoniak en Veehouderij-lijst (RAV-lijst) verhelpen? Hoe en wanneer komt er een nieuwe
juridisch houdbare lijst met meer nieuwe technieken met daarbij een herbeoordeling
van de oude innovaties en stalvloeren, met zekerheid voor ondernemers; (d) Hoe regelt
u de erkenning voor managementmaatregelen op dier- en stalniveau, die zorgen voor
een belangrijke reductiedaling? Hoe wordt dit op de zeer korte termijn geregeld qua
systematiek, waarbij hedendaags vakmanschap wordt beloond? En hoe wordt ten slotte
hierbij de opgave voor dierwaardigheid meegewogen?
Antwoord 17
Beantwoording onder vraag 18.
Vraag 18
Kunt u duidelijkheid geven aan de Kamer en aan veehouders of reeds gedane investeringen
in inmiddels afgekeurde stalvloeren wel mee gaan tellen in het doelbereik, aangezien
een vloer die circa de helft aan emissies reduceert ten opzichte van de aanvankelijke
belofte nog altijd die helft van de oorspronkelijke emissies reduceert?
Antwoord 18
Om de hoogte van de norm te bepalen is in beeld gebracht wat op basis van bekende
maatregelen het technisch reductiepotentieel is. Hiervoor is door de WUR het rapport
«Technisch reductiepotentieel voor ammoniak, methaan en lachgas in de melkveehouderij»12 opgesteld. Deze gedane analyse rust in belangrijke mate op technische studies en
rapporten, waarbij gekeken is naar op dat moment concreet beschikbare maatregelen
in de sector. Daardoor wordt niet het onmogelijke gevraagd van blijvende ondernemers13. Uitgangspunt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen is het technisch reductiepotentieel.
Met de bekende technieken kan niet de hele opgave worden gerealiseerd. Daarom zijn
er ook aanvullende maatregelen nodig. Het kabinet kiest er zodoende voor om de hoeveelheid
productierechten te verminderen via afroming en vrijwillige beëindiging, en is niet
voornemens om doorgehaalde rechten opnieuw uit te geven. Pas nadat de totale nationale
fosfaatproductie onder het nationale mestproductieplafond ligt kan de fosfaatbank
opengesteld worden waarmee het mogelijk wordt om aan grondgebonden (jonge) boeren
niet-verhandelbare ontheffingen te verlenen voor de productie van een in de ontheffing
opgenomen hoeveelheid fosfaat met melkvee, zonder dat de melkveehouders daar fosfaatrechten
voor nodig hebben.
Om aan de normen te voldoen kunnen ondernemers verschillende maatregelen inzetten,
zoals de inzet van (stal)techniek en innovatie, toepassing van managementmaatregelen,
extensivering van de bedrijfsvoering, of verwerving van extra fosfaatrechten. Ondernemers
die al stappen hebben gezet en al investeringen hebben gedaan, kunnen de gerealiseerde
reductie meetellen in het halen van de norm. Uiteindelijk mogen de individuele bedrijven
maximaal de gestelde emissienormen uitstoten en moet een ondernemer dit ook geborgd
kunnen aantonen. Voor de inzet van (stal)technieken is het dan wel van belang dat
(stal)technieken doen wat ze beloven. Hier zijn nog wel stappen te zetten, zodat nieuwe
technieken en stalmaatregelen ook goed geborgd zijn. Daarom zijn de Ministeries IenW
en LVVN bezig met het programma Vernieuwing Stalbeoordeling. In dit programma wordt
een systematiek ontwikkeld waarbij de gemiddelde emissiereducties van staltechnieken
geborgd wordt aangetoond en zo deze technieken voorzien van onderbouwde emissielabels
waarmee ondernemers beslissingen kunnen nemen of en welke technieken zij in willen
zetten. Juist ook om te borgen dat maatregelen doen wat ze beloven, en ondernemers
ook voldoende rechtszekerheid te bieden en voldoende ruimte voor hun vakmanschap zijn
nog de nodige stappen te zetten. Daarom worden de normen ook pas in 2035 afrekenbaar
en niet eerder.
In de uitwerking van de gehele stikstofaanpak, dus ook bij de uitwerking van de emissienormen,
zal steeds naar de integraliteit van de opgaven worden gekeken zodat boeren weten
waar ze aan toe zijn en verantwoorde investeringsbeslissingen nemen, waaronder voor
integraal duurzame stallen.
Vraag 19
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van de klimaatnorm van 92 kg CO2-eq. per fosfaatrecht, zowel voor extensieve/biologische bedrijfsstijlen met relatief
weinig fosfaatrechten en veel weidegang die niet overgaan tot maatregelen als mestvergisting
en toediening van Bovaer als voor intensievere bedrijfsstijlen?
Antwoord 19
In de brief van 26 juni jl. heeft het kabinet al een uitzondering voor de biologische
sector aangekondigd op de klimaatnorm, omdat niet alle maatregelen die melkveehouders
kunnen nemen passen binnen de biologische bedrijfsvoering (zoals het gebruik van voeradditieven)
en deze norm daarmee niet als haalbaar wordt gezien voor biologische bedrijven. Hoe
deze uitzondering eruit moet komen te zien, wordt met de biologische sector besproken.
De klimaatnorm voor gangbare bedrijven is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel
van maatregelen om broeikasgasuitstoot te verminderen. Onder meer dagontmesting, mestvergisting
en methaanremmende additieven kunnen hieraan bijdragen.
Vraag 20
Hoe voorkomt u dat de gekozen koppeling aan fosfaatrechten economisch juist schaalvergroting
en intensivering bevoordeelt, omdat voor de hand liggende technische stalsysteemaanpassingen
meer passen bij een dergelijke bedrijfsstijl? Heeft u dit mogelijke gedragseffect
onderzocht? En ook eventuele alternatieven die meer aansluiten bij een biologische
en/of extensieve bedrijfsvoering?
Antwoord 20
Met een keuze voor het fosfaatrecht wordt verhandeling van emissieruimte mogelijk,
hetgeen bedrijven meer handelingsperspectieven biedt en wordt de totale emissie in
de melkveesector absoluut begrenst. Voor veel bedrijven zal gelden dat ook investeringen
in stalaanpassingen noodzakelijk zullen zijn om aan de normen te kunnen voldoen. Er
worden middelen ter beschikking gesteld om bedrijven hierbij te ondersteunen. Voor
biologische en extensieve bedrijven zal, ook in overleg met partijen, worden gekeken
naar de impact van de norm op de bedrijfsvoering en zal worden bekeken of het nodig
is om aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning te bieden. Dit omdat deze
bedrijven op allerlei fronten een positieve bijdrage leveren aan maatschappelijke
doelen.
Vraag 21
Op welke wijze voert u de afspraak uit het coalitieakkoord uit, namelijk dat er een
uitzondering op de grondgebondenheidsnorm komt voor bedrijven die voldoen aan doelsturing?
Hoe en op basis van welke parameter(s) geeft u daar invulling aan in uw wetsvoorstel?
Antwoord 21
De voorgestelde grondgebondenheidsnorm zorgt voor een balans tussen het aantal stuks
melkvee en het areaal landbouwgrond in een gebied. Dat draagt bij aan een toekomstbestendige
melkveehouderij, die in balans is met de leefomgeving én een bijdrage levert aan de
verbetering van waterkwaliteit, klimaatmitigatie, weidegang en biodiversiteit. Grondgebondenheid
is dus niet louter gericht op waterkwaliteit.
In het coalitieakkoord is opgenomen dat een zoveel mogelijk gesloten kringloop per
bedrijf of per gebied minder vervuilend is en goed voor de waterkwaliteit en dat een
eenvoudige grondgebondenheidsnorm wordt ingevoerd voor de melkveehouderij met een
uitzondering voor bedrijven die voldoen aan doelsturing. Het kabinet heeft ervoor
gekozen om niet aan vast te houden aan de koppeling met doelsturing en heeft hierbij
in ogenschouw genomen dat het al dan niet realiseren van een norm voor waterkwaliteit
ook wordt bepaald door factoren die buiten de invloed van de melkveehouder liggen
zoals weersomstandigheden en dat de effecten op de waterkwaliteit in achtereenvolgende
jaren kunnen fluctueren. Afhankelijk van de vormgeving van de uitzondering, heeft
dit grote gevolgen voor melkveehouders als zij op een bepaald moment opeens niet blijken
te voldoen aan de norm. De koppeling kan zorgen voor juridische risico’s voor de uitvoerbaarheid
en handhaafbaarheid van zowel de grondgebondenheidsnorm als van afrekenbare doelsturing.
Vraag 22
Wanneer maakt u intern en extern salderen weer mogelijk? En welke afwijkingsmogelijkheden
komen er op bedrijfsniveau, als op gebiedsniveau de doelen worden gerealiseerd? Welke
ruimte biedt u met andere woorden aan een collectieve aanpak op gebiedsniveau met
ruimte voor verschil op bedrijfsniveau?
Antwoord 22
Als er voldoende maatregelen worden getroffen die nodig zijn voor natuur, zijn intern-
en extern salderen mogelijk. Met de samenhangende aanpak en bijbehorend maatregelpakket
zal dat stapsgewijs en per gebied beter mogelijk worden. Het is mogelijk voor een
gebied om een alternatieve gebiedseigen maatwerk-oplossingen (zoals een collectieve
aanpak) vast te stellen als kan worden verzekerd dat individuele wijzigingen niet
leiden tot mogelijke significante effecten.
Vraag 23
Hoe ver bent u, samen met de provincies en het RIVM, met het ophogen van de rekenkundige
ondergrens? Erkent u dat het verhogen van de rekenkundige ondergrens slechts een tijdelijke
tussenoplossing is die vooral behulpzaam is op korte termijn, zolang Aerius een rol
speelt in de vergunningverlening? Wat is de tijdlijn van de aanpassing van het vergunningenstelsel
en vanaf wanneer speelt Aerius geen rol meer in de vergunningverlening?
Antwoord 23
In de brief van 26 juni jl. heb ik aangekondigd dat het kabinet zo snel mogelijk,
maar uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027 de Rekenkundige Ondergrens (RKO) in
zal voeren. Hiervoor zijn, aanvullend op een voldoende en geborgd maatregelenpakket,
specifieke beheersmaatregelen nodig. Samen met provincies werk ik deze beheersmaatregelen
uit en voor het eind van het jaar zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Met de invoering van de RKO zet het kabinet een volgende stap in het verbeteren van
het gebruik van modellen en de toepassing van AERIUS in beleid, in opvolging van meerdere
wetenschappelijke adviezen. AERIUS Calculator, of een vergelijkbaar systeem met depositiemodellen,
blijft een rol spelen bij toestemmingverlening zolang het vergunningenstelsel een
beoordeling van de stikstofdepositie vereist. Volledig overstappen naar emissiesturing
is een brede wens. Met voornoemde Kamerbrief heb ik voor veel beleidsuitgangspunten
een eerste stap in die richting gezet.
Om ook bij toestemmingverlening over te gaan op emissiesturing, zijn echter nog wel
een aantal stappen nodig. Op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen is
het immers verplicht om het effect van de emissie van een nieuwe of te wijzigen activiteit
op de Natura 2000-gebieden te beoordelen. Een berekening van de depositie is daarbij
op dit moment doorgaans noodzakelijk. Op dit moment is het nog niet te zeggen wanneer
de overstap naar emissiesturing ook bij toestemmingverlening mogelijk gaat zijn.
Ondertekenaars
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur