Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Moinat over het bericht dat veel ouders ondanks hogere toeslag extra betalen voor kinderopvang
Vragen van het lid Moinat (Groep Markuszower) aan de Staatssecretaris van Financiën over het bericht dat veel ouders ondanks hogere toeslag extra betalen voor kinderopvang (ingezonden 10 augustus 2026).
Antwoord van Minister Aartsen (Werk en Participatie) en de Staatssecretaris van Financiën
(ontvangen 3 september 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht van nu.nl over het feit dat veel ouders ondanks een
hogere toeslag extra betalen voor kinderopvang?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Kunt u een overzicht geven van de totale overheidsuitgaven aan kinderopvangtoeslag
vanaf 2015? Hoe verklaart u deze ontwikkeling?
Antwoord 2
Tabel 1: Kinderopvangtoeslag per jaar (miljoen euro’s)
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
2024
2025
1.644
2.006
2.273
2.626
3.088
3.351
3.636
3.916
4.180
4.716
5.425
Bron: SZW Jaarverslagen.
Tabel 1 geeft een overzicht van de ontwikkeling van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag
(gesaldeerd met de ontvangsten) vanaf 2015. Nadat de uitgaven aan de kinderopvangtoeslag
in de periode voor 2015 enkele jaren afnamen door ombuigingen op de kinderopvangtoelsag
en een dalend aantal kinderen dat gebruik maakte van kinderopvang, zijn de uitgaven
aan kinderopvangtoeslag vanaf 2015 over de gehele periode toegenomen. Tussen 2015
en 2025 gaat het om een toename van € 3.741 miljoen. Gecorrigeerd voor prijsstijgingen
bedraagt het verschil circa € 3,1 miljard (in prijzen 2025). Hiervoor zijn verschillende
verklaringen. Enerzijds gaan meer kinderen met kinderopvangtoeslag naar de kinderopvang.
Zo gingen in 2025 gemiddeld 922.000 kinderen met kinderopvangtoeslag naar de opvang,
tegenover gemiddeld 639.000 kinderen in 2015. Ook gingen kinderen gemiddeld meer uren
per week naar de opvang in 2025 (65,9 uur) dan in 2015 (58,1 uur). Anderzijds zijn
de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag meermaals verhoogd en is ook de
maximum uurprijs voor de kinderopvangtoeslag enkele keren aangepast.
Vraag 3
Klopt het dat de kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd uit belastingen en premies?
Zo ja, om welke belastingen en premies gaat het precies (loon- en inkomstenbelasting,
btw of andere belastingen)? Wilt u graag een toelichting geven op uw antwoord?
Antwoord 3
Het klopt dat de kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd uit belastingen en premies.
Voor wat betreft de belastingen gaat het om de algemene middelen van het Rijk. Er
zijn geen specifieke belastingen waarvan (een gedeelte van) de opbrengst wordt geoormerkt
voor de kinderopvangtoeslag. Bij de premies gaat het om de Werkgeversbijdrage kinderopvang.
Dit is een opslag op de Aof-premie (premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds) ter
hoogte van 0,5% van de premieplichtige loonsom.
Vraag 4
Hoeveel procent van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd door werknemers
en hoeveel procent door werkgevers? Wilt u graag een overzicht geven van deze lastenverdeling
vanaf 2015 en een toelichting op uw antwoord?
Antwoord 4
De kinderopvangtoeslag wordt deels gefinancierd uit werkgeverslaten (via een hogere
Aof-premie), en deels uit de algemene middelen. Werknemers dragen niet direct financieel
bij aan de kinderopvangtoeslag.
De lastenverdeling tussen overheid (algemene middelen) en werkgevers van de uitgaven
aan kinderopvangtoeslag is weergegeven in onderstaande tabel:
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Overheid
34%
45%
49%
54%
59%
63%
64%
64%
62%
64%
67%
Werkgevers
66%
55%
51%
46%
41%
37%
36%
36%
38%
36%
33%
Totaal
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
Het aandeel dat werkgevers bijdragen is afgelopen jaren gedaald naar 1/3e van het totaal in 2025. Dit komt gedeeltelijk doordat de overheid in 2025 een groter
deel van de kinderopvangkosten vergoedt. De bijdrage uit de Aof-premie staat immers
geheel los van het werkelijke gebruik van kinderopvang. Daarnaast is het gebruik van
kinderopvang sterker gestegen dan de omvang van de werknemerspopulatie. Daardoor wordt
de totale kinderopvangtoeslag hoger, terwijl daar niet direct een hogere werkgeversbijdrage
tegenover staat. Hierdoor neemt het aandeel van de kinderopvangtoeslag dat uit collectieve
middelen moet worden gefinancierd toe.
Vraag 5
Hoe wordt de hoogte van de kinderopvangtoeslag precies bepaald: welke variabelen (inkomen,
vermogen, in rekening gebrachte kosten door de opvang, aantal gewerkte uren van de
vader/moeder, etc.) zijn bepalend? Wilt u graag een toelichting geven op uw antwoord?
Antwoord 5
De hoogte van de kinderopvangtoeslag wordt in de kern bepaald door (1) de hoogte van
het inkomen, (2) het soort kinderopvang dat wordt afgenomen, (3) het aantal uren kinderopvang
dat wordt afgenomen en (4) het aantal kinderen waarvoor kinderopvangtoeslag wordt
aangevraagd. Het vermogen of het exacte aantal gewerkte uren van de ouder(s) spelen
geen rol. In detail:
1. Toetsingsinkomen: de hoogte van het toetsingsinkomen bepaalt het percentage van de opvangkosten dat
wordt vergoed. Dit is opgenomen in de toeslagtabel.2 Het toetsingsinkomen betreft het verzamelinkomen van beide ouders. Hoe hoger het
inkomen, hoe lager het vergoedingspercentage. In alle gevallen betalen ouders een
eigen bijdrage; het vergoedingspercentage is nooit 100%. Het vergoedingspercentage
voor het eerste kind bedraagt voor 2026 minimaal 36,5% (voor de hoogste inkomens)
en maximaal 96% (voor de laagste inkomens) van de jaarlijks vastgestelde maximum uurprijs.
Voor tweede kinderen en verder, geldt over het algemeen een hoger toeslagpercentage,
van 68,2% voor de hoogste inkomens, eveneens tot maximaal 96% voor de laagste inkomens.
Hierbij geldt dat het eerste kind niet per se het eerste kind is in leeftijd, maar
het duurste kind. De maximum uurprijs is het maximale bedrag waarover de kinderopvangtoeslag
wordt berekend. Kinderopvangorganisaties kunnen in de praktijk een hoger uurtarief
rekenen.
Ouders maken vooraf een inschatting van hun inkomen. Nadat de belastinginspecteur
het inkomen definitief heeft vastgesteld, vindt de definitieve toekenning van de toeslag
plaats. Dit kan ertoe leiden dat ouders een nabetaling of een terugvordering krijgen,
als het door henzelf geschatte inkomen afwijkt van het definitief vastgestelde inkomen.
2. Type opvang: de maximum uurprijs verschilt voor ieder type kinderopvang. Er zijn drie typen formele
kinderopvang, te weten kinderdagopvang (voor kinderen van 0–4 jaar), buitenschoolse
opvang (bso, voor kinderen van 4–12 jaar) en gastouderopvang (voor kinderen van 0–12
jaar). De maximum uurprijs voor iedere opvangsoort wordt jaarlijks geïndexeerd en
vastgesteld via het Besluit Kinderopvang. Uw Kamer heeft op 23 april 2025 de evaluatie
van de indexeringssystematiek kinderopvangtoeslag ontvangen, waarin staat beschreven
hoe de mamximum uurprijs jaarlijks wordt geïndexeerd.3
3. Aantal opvanguren: de hoogte van de kinderopvangtoeslag is eveneens afhankelijk van het aantal uren
kinderopvang dat wordt afgenomen. Ouders krijgen per uur vergoed tot een maximum van
230 uur per maand (maximaal 2.760 uur per jaar).
4. Aantal kinderen: een ouder kan kinderopvangtoeslag aanvragen voor meerdere kinderen. Voor het eerste
kind en volgende kinderen (tweede kind en verder) worden verschillende vergoedingspercentages
gehanteerd. Deze percentages zijn te vinden in de toeslagtabel.4
Vraag 6
Hoeveel mensen maken gebruik van kinderopvangtoeslag terwijl zij niet of niet volledig
(fulltime) werken? Kunt u hiervan een overzicht vanaf 2015 geven en een toelichting
hierop?
Antwoord 6
De meeste ouders die gebruik maken van kinderopvangtoeslag, hebben werk. De arbeidseis
zoals omschreven in artikel 1.6 is namelijk een voorwaarde voor het recht op kinderopvangtoeslag.
Soms kunnen ouders om bepaalde redenen niet voldoen aan de arbeidseis. Wanneer deze
mensen niet in aanmerking zouden komen voor kinderopvangtoeslag, kan dit de arbeidsparticipatie
nu of in de toekomst juist belemmeren. Daarom zijn in artikel 1.6 een aantal uitzonderingen
op de arbeidseis opgenomen. De twee belangrijkste categorieën zijn 1) ouders die activiteiten
uitvoeren die gericht zijn op toekomstig werk, bijvoorbeeld een opleiding of reïntegratietraject
van het UWV, en 2) ouders die werken, maar een partner hebben die niet of tijdelijk
niet kan voldoen aan de arbeidseis, bijvoorbeeld een partner met een Wlz-indicatie
die langdurige zorg nodig heeft. Zij komen ook in aanmerking voor kinderopvangtoeslag.
Zie ook de brief van 24 juni 2025 over de arbeidseis voor een uitgebreidere toelichting.5
Het is niet haalbaar gebleken om binnen kort tijdsbestek exact te becijferen hoeveel
ouders afgelopen 10 jaar gebruik maakten van kinderopvangtoeslag dankzij een uitzondering
op de arbeidseis. De reden is dat ouders die gebruik maken van een bepaalde uitzondering
soms ook (gaan) werken, terwijl dit in het systeem dan niet altijd aangepast wordt.
Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat een student naast diens studie gaat werken, maar
in het systeem als student aangemerkt blijft. Het zou meer uitzoekwerk vergen om exact
in beeld te brengen hoeveel ouders gebruik maken van kinderopvangtoeslag terwijl zij
niet werken. Het is wel mogelijk om een indicatie te geven van het aantal ouders dat
gebruik maakt van een uitzondering op de arbeidseis. Tussen 2015 en 2025 ging het
om zo’n 10.000 ouders per jaar. Ongeveer 50% van deze ouders kwam in aanmerking voor
kinderopvangtoeslag door een studie, 25% door een traject naar werk en 25% door het
volgen van een inburgeringstraject. Ter indicatie, in totaal ontvingen tussen 2015
en 2025 jaarlijks tussen de ca. 500.000 en 720.000 huishoudens kinderopvangtoeslag.
Vraag 7
Bent u het ermee eens dat de kosten van de kinderopvangtoeslag leiden tot hogere loonkosten
en dat het inhuren van werknemers daardoor duurder wordt voor werkgevers? Kunt u een
toelichting geven op uw antwoord?
Antwoord 7
Nee, ik ben het niet eens met deze redenering. Tot 2005 bestonden er verschillende
voorzieningen voor kinderopvang. Sommige werkgevers organiseerden zelf kinderopvang
voor hun werknemers. Daarnaast was er aanbod vanuit gemeenten en betaalden sommige
ouders zelf alle kosten voor kinderopvang. Hierdoor waren ouders onder andere afhankelijk
van waar zij woonden en wie hun werkgever was voor de eigen bijdrage die zij betaalden
voor kinderopvang. Met de introductie van de kinderopvangtoeslag in 2005 kwam er voor
het eerst één landelijke regeling, waar alle ouders onder dezelfde voorwaarden gebruik
van konden maken. De kinderopvangtoeslag wordt deels gefinancierd uit collectieve
middelen en deels uit werkgeversbijdragen. Het gaat dat om een opslag op de Aof-premie
ter hoogte van 0,5% van de premieplichtige loonsom (zie het antwoord op vraag 4).
De kinderopvangtoeslag stelt ouders in staat om de zorg voor hun kinderen te combineren
met werk en bevordert op deze manier de arbeidsparticipatie. De werkgever kan dus
beschikken over werknemers dankzij de kinderopvangtoeslag.
Vraag 8
Welke inkomensgroepen ontvangen kinderopvangtoeslag? Kunt u een overzicht verstrekken
en daarbij onderscheid maken tussen verschillende inkomensgroepen (minimumloonverdieners,
één keer modaal, 1,5 keer modaal, twee keer modaal, 2,5 keer modaal, drie keer modaal,
vier keer modaal, vijf keer modaal, zes keer modaal of meer), maar daarin ook verschillende
huishoudtypen (huurders/woningeigenaren, alleenstaand/gehuwd, fulltime/parttime werkend)
opnemen? Kunt u tevens een toelichting geven op uw antwoord?
Antwoord 8
De beantwoording van deze vraag is gebaseerd op gegevens van Kinderopvangtoeslag die
het Ministerie van SZW van Dienst Toeslagen ontvangt. Daarin kan enkel onderscheid
worden gemaakt tussen de huishoudtypen alleenstaanden en paren. Onderstaande tabel
1 toont het aantal huishoudens in elke categorie dat in 2025 kinderopvangtoeslag heeft
ontvangen. Vanwege de geringe aantallen voor alleenstaanden zijn de hoogste inkomensgroepen
samengevoegd tot «3 x modaal en hoger».
Tabel 1: aantal huishuishoudens met kinderopvangtoeslag in 2025, uitgesplitst naar
inkomensgroep en huishoudtype (paren en alleenstaanden). Het modaal inkomen in 2025
is € 46.500.
Paren
Alleenstaanden
Totaal
Tot 100% Wml
5.700
31.700
37.300
100% Wml tot modaal
10.500
28.100
38.600
Modaal tot 1,5 x modaal
53.200
17.100
70.300
1,5 x modaal tot 2 x modaal
125.800
6.800
132.500
2 x modaal tot 2,5 x modaal
120.900
2.200
123.100
2,5 x modaal tot 3 x modaal
82.300
800
83.100
3 x modaal en hoger
135.200
1.000
136.200
Totaal
533.500
87.600
621.100
Bron: Dienst Toeslagen, cijferbeeld april 2026, bewerking Ministerie van SZW.
Aanvullend is hieronder voor de inkomenscategorie «3 keer modaal en hoger» een nadere
uitsplitsing gemaakt op totaalniveau (136.200 huishoudens):
Inkomenscategorie
Totaal
3 x modaal tot 4 x modaal
82.300
4 x modaal tot 5 x modaal
29.500
5 x modaal tot 6 x modaal
12.100
6 x modaal en hoger
12.200
Totaal
136.200
De laagste inkomenscategorieën, met een gezamenlijk inkomen tot het minimumloon respectievelijk
tussen 100% WML en modaal, bestaan grotendeels uit alleenstaanden. Bij een gezinnen
met twee werkende ouders komt het totale inkomen al gauw boven modaal uit. Bij paren
met een inkomen tot modaal komt het relatief vaak voor dat één of beide ouders zijn
uitgezonderd van de arbeidseis (zie het antwoord op vraag 6). Daaronder vallen onder
meer studenten en ouders die een traject naar werk volgen.
Vraag 9
Hoeveel (absoluut en procentueel) van de huidige ontvangers van kinderopvangtoeslag
blijft boven het sociaal minimum wanneer de kinderopvangtoeslag voor hen zou worden
afgeschaft? Kunt u een overzicht vanaf 2015 geven en een toelichting op uw antwoord?
Antwoord 9
Kinderopvangtoeslag is geen vorm van inkomensondersteuning, maar een tegemoetkoming
in de kosten van kinderopvang. Kinderopvangtoeslag zorgt er dus voor dat ouders te
maken hebben met lagere netto-uitgaven aan kinderopvang, zodat ze de zorg voor hun
kinderen kunnen combineren met werk. Ouders betalen daarbij altijd een eigen bijdrage
voor kinderopvang. Zonder kinderopvangtoeslag is kinderopvang voor veel ouders te
duur en is het niet aantrekkelijk om te werken. Het is niet precies bekend hoeveel
ouders zouden stoppen met werken als de kinderopvangtoeslag zou worden afgeschaft
en hoeveel ouders vervolgens boven het sociaal minimum zouden blijven. Andersom is
het ook mogelijk dat ouders met kinderopvangtoeslag zich nu al op het sociaal minimum
bevinden, bijvoorbeeld wanneer zij een opleiding volgen en nog geen betaald werk verrichten.
Vraag 10
Bent u van mening dat iedereen, die op dit momentrecht heeft op kinderopvangtoeslag
en ontvangt, deze toeslag ook absoluut nodig heeft om financieel het hoofd boven water
te houden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Kunt u tevens een toelichting geven
op uw antwoord?
Antwoord 10
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 9, is de kinderopvangtoeslag niet bedoeld als
inkomensondersteuning, maar om ouders tegemoet te komen in de kosten voor kinderopvang.
Zo kunnen ouders arbeid combineren met de zorg voor hun kinderen. Zonder kinderopvangtoeslag
zouden veel ouders niet in staat zijn te betalen voor kinderopvang en dus minder of
niet kunnen werken, wat de bestaanszekerheid van deze ouders onder druk zou zetten.
In de huidige vergrijzende samenleving hebben we bovendien iedere arbeidskracht hard
nodig. Kinderen van werkende ouders hebben op deze wijze toegang tot kwalitatief goede
kinderopvang met positieve effecten op de ontwikkeling tot gevolg.
Vraag 11
Hoeveel euro bedragen de totale uitvoeringskosten van de kinderopvangtoeslag (exclusief
de kosten voor het herstel van de schade die is veroorzaakt door het toeslagenschandaal)?
Kunt u een overzicht geven vanaf 2015?
Antwoord 11
Dienst Toeslagen heeft géén inzicht in de uitvoeringskosten van de kinderopvangtoeslag,
omdat de processen integraal zijn georganiseerd om de vier toeslagsoorten uit te voeren
en dus niet per toeslagsoort. Hierdoor kan Dienst Toeslagen niet de gevraagde doorsnede
van kinderopvangtoeslag leveren. Op dit moment is er een model in ontwikkeling dat
op termijn dit inzicht voor kinderopvangtoeslag (en andere toeslagsoorten) wel kan
leveren voor de jaren 2024 en verder.
Vraag 12
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting
(box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag
wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt
u een toelichting geven op uw antwoord?
Antwoord 12
Een verlaging van het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting specifiek
voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant
doorgerekend waarin het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting voor
iedereen wordt verlaagd.
Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven
het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer
hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag
worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van
deze opbrengst kan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting met 2,02%-punt
worden verlaagd6.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling
van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen.
Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag
en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren
of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren.
Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan
kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum
bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan
kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum
uit zou komen.
Vraag 13
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting
(box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag
wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt
u een toelichting geven op uw antwoord?
Antwoord 13
Een verlaging van het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting specifiek
voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant
doorgerekend waarin het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting voor
iedereen wordt verlaagd.
Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven
het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer
hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag
worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van
deze opbrengst kan het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting met 6,25%-punt
worden verlaagd7. Het enkel verlagen van het tarief tweede schijf zorgt ervoor dat dit tarief lager
uitvalt dan dat van de eerste schijf. Een gevolg hiervan zou zijn dat er een regressief
belastingstelsel zou ontstaan, waarbij lagere inkomens zwaarder worden belast dan
hogere inkomens. Huishoudens zouden naarmate ze meer verdienen en van de eerste schijf
in de inkomstenbelasting in de tweede schijf belanden namelijk relatief minder belasting
gaan betalen.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling
van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen.
Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag
en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren
of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren.
Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan
kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum
bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan
kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum
uit zou komen.
Vraag 14
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting
(box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag
wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt
u een toelichting geven op uw antwoord?
Antwoord 14
Een verlaging van het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting specifiek
voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant
doorgerekend waarin het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen
wordt verlaagd. Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen
boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak
meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op
de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan
kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting
met 16,54%-punt worden verlaagd. Het enkel verlagen van het tarief derde schijf zorgt
ervoor dat dit tarief lager uitvalt dan dat van de eerste en tweede schijven. Een
gevolg hiervan zou zijn dat er een regressief belastingstelsel zou ontstaan, waarbij
lagere inkomens zwaarder worden belast dan hogere inkomens. Huishoudens zouden naarmate
ze meer verdienen en van de tweede schijf in de inkomstenbelasting in de derde schijf
belanden namelijk relatief minder belasting gaan betalen.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling
van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen
en een hoog inkomen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor
werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal
minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op
kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat
verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin
dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de
dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het
gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
Vraag 15
In welke mate leidt een afschaffing van de kinderopvangtoeslag en een gelijktijdige
verhoging van de arbeidskorting met hetzelfde bedrag tot veranderingen in de arbeidsparticipatie?
Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Antwoord 15
De kinderopvangtoeslag is een gerichte vorm van ondersteuning in de kosten van kinderopvang
zodat ouders werk kunnen combineren met de zorg voor hun kinderen. Het aantal werkende
ouders is per definitie kleiner dan het totaal aantal werkenden. Het afschaffen van
de kinderopvangtoeslag voor werkende ouders zal dus tot een kleinere verhoging van
de arbeidskorting voor alle werkenden leiden. De verwachting is daarom dat de negatieve
effecten op arbeidsparticipatie van het afschaffen van de kinderopvangtoeslag groter
zijn dan de eventuele positieve arbeidsparticipatie-effecten van het verhogen van
de arbeidskorting.
Vraag 16
Kunt u deze vragen vóór Prinsjesdag beantwoorden?
Antwoord 16
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie -
Mede ondertekenaar
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.