Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda informele Landbouwraad 6-8 september 2026 (Kamerstuk 21501-32-1831)
21 501-32 Landbouw- en Visserijraad
Nr. 1835
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 2 september 2026
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur over de brief van 27 augustus 2026 over de geannoteerde agenda informele
Landbouwraad 6–8 september 2026 (Kamerstuk 21 501–32–1831).
De vragen en opmerkingen zijn op 31 augustus 2026 aan de Minister van Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van 2 september 2026 zijn de vragen,
mede namens de staatsecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Steen
Adjunct-griffier van de commissie, Bosman
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersonen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de informele Landbouw- en Visserijraad van 6–8 september aanstaande. Deze
leden zijn positief over de keuze van het Iers voorzitterschap om innovatie centraal
te stellen: onderzoek en technologie zijn belangrijke instrumenten waarmee de veehouderij-
en eiwitsector economisch sterker, ecologisch duurzamer én toekomstbestendig kunnen
worden. Zij zien in deze Raad een kans voor Nederland om als koploper op eiwitinnovatie
het voortouw te nemen in Europa. Wel hebben deze leden op een aantal punten nog vragen
en aandachtspunten.
De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat de veeteeltstrategie en het Proteïne
Actieplan de eiwittransitie en de versterking van de Europese strategische autonomie
op het gebied van voedselzekerheid met elkaar verbinden. Deze leden delen de ambitie
om de Europese Unie (EU)-productie van eiwitgewassen te laten stijgen van 25 procent
naar 35 procent in 2035 en onderschrijven dat een diverser eiwitaanbod, ook op basis
van nieuwe productiewijzen zoals kweekvlees en precisiefermentatie, bijdraagt aan
klimaatdoelen, dierenwelzijn en een kleinere ecologische voetafdruk. Zij vragen het
kabinet om tijdens de informele Raad expliciet te pleiten voor gelijkwaardige Europese
inzet op alternatieve en plantaardige eiwitten naast dierlijke eiwitten en vragen
of het kabinet bereid is aan te dringen op concrete Europese onderzoeksmiddelen en
regelgevend perspectief voor kweekvlees en fermentatie-eiwitten, zodat innovatieve
Nederlandse koplopers niet vastlopen in trage of versnipperde EU-toelatingsprocedures.
Het kabinet zal tijdens de informele Raad pleiten voor voldoende ruimte voor innovatie
en verdere ontwikkeling van alternatieve en plantaardige eiwitten.
De Europese Commissie (hierna: Commissie) zet in op het opschalen van investeringen
in onderzoek en innovatie via Horizon Europa en het Europees Fonds voor Concurrentievermogen.
Het kabinet verwelkomt deze inzet en benadrukt het belang van een brede inzet op innovatie
zonder uitsluitingen, waarbij innovaties op het gebied van plantaardige en alternatieve
eiwitten nadrukkelijk onderdeel blijven van de onderzoeks- en innovatieagenda.
In de Biotech Act I stelt de Commissie wijzigingen voor in de Algemene levensmiddelenverordening
(Verordening (EG) nr. 178/2002) om de risicobeoordelingsprocedures voor biotechnologie
te vereenvoudigen en doorlooptijden te verkorten. Het kabinet steunt deze voorstellen,
omdat ze aansluiten bij de ambitie van het kabinet voor doelmatige en voorspelbare
toelatingsprocedures, zoals uitgesproken in de Kabinetsvisie op biotechnologie 2025–2040
(Kamerstuk 2025D16515).
Zij vragen het kabinet voorts een appreciatie te geven van de veeteeltstrategie en
het Proteïne Actieplan op het punt van onderzoek en innovatie en daarbij aan te geven
hoe deze voorstellen zich verhouden tot de Nederlandse ambities op het gebied van
stikstofreductie, dierenwelzijn en de eiwittransitie zoals vastgelegd in het coalitieakkoord.
Het kabinet zal de Kamer binnenkort door middel van twee aparte BNC-fiches informeren
over het kabinetsstandpunt ten aanzien van de veeteeltstrategie en het EU-Actieplan
voor het eiwitsysteem en daarin op het punt van onderzoek en innovatie aangeven hoe
deze voorstellen zich verhouden tot de Nederlandse ambities op het gebied van stikstofreductie,
dierenwelzijn en de eiwittransitie, zoals vastgelegd in het coalitieakkoord.
De leden van de D66-fractie hechten sterk aan het weren van de meest schadelijke bestrijdingsmiddelen
van de Europese markt, ook wanneer producten van buiten de EU komen. Een gelijk speelveld
tussen Europese en niet-Europese producenten is in hun ogen niet alleen een kwestie
van eerlijke concurrentie voor Europese boeren, maar ook van consumentenbescherming
en volksgezondheid. Deze leden zijn dan ook positief over het uitgangspunt achter
de spiegelclausule in het vereenvoudigingspakket food/feed. Tegelijkertijd constateren
zij dat de uitkomsten van het Joint Research Centre (JRC)-onderzoek, met mogelijke
gevolgen voor 235 producten uit 86 landen, tot aanzienlijke internationale weerstand
leiden, met formele klachten bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO) als gevolg.
De leden van de D66-fractie hechten aan een op wetenschap gebaseerde, zorgvuldige
en case-by-case beoordeling, zoals de Europese Commissie (EC) ook voorstaat en aan
het zoveel mogelijk voorkomen van escalatie in de internationale handelsverhoudingen.
Deze leden vragen het kabinet welke inzet het pleegt om te waarborgen dat de uitwerking
van de spiegelclausule wetenschappelijk onderbouwd en proportioneel blijft en hoe
het kabinet de zorgen van derde landen en producentenorganisaties weegt tegen het
belang van een gelijk speelveld en voedselveiligheid. Zij vragen tevens of het kabinet,
gelet op de kritische bevindingen van het Europees Parlement (EP) over spiegelclausules
in algemene zin, kansen ziet om via multilaterale dialoog escalatie bij de WTO te
voorkomen, zonder dat dit ten koste gaat van de bescherming van Europese consumenten
en boeren.
De Europese Unie (EU) kan, onder bepaalde voorwaarden uiteengezet in de studie over
de toepassing van de gezondheids- en milieunormen van de EU op ingevoerde landbouw-
en agrovoedingsproducten, zogenoemde autonome maatregelen treffen.1 Daarbij geldt dat «maatregelen» alleen omwille van het behoud van de concurrentiepositie
van EU-bedrijven indruisen tegen de regels van de Wereldhandelsorganisatie (hierna:
WTO) waar de EU en Nederland aan gebonden zijn. WTO-conformiteit van de maatregelen
is ook van belang voor het imago van Europa als een betrouwbare handelspartner. Daarnaast
moeten de maatregelen wetenschappelijk onderbouwd en proportioneel zijn en zal er
per geval gekeken worden naar de technische en economische haalbaarheid van de controlemechanismen.
Derhalve is de EU tot heden terughoudend omgegaan met spiegelmaatregelen omdat alle
landen, net als de EU, een «recht om te reguleren» hebben om hun eigen wet- en regelgeving
in te richten. Handel zou al snel onmogelijk worden als ieder land zijn eigen productiestandaarden
aan importen uit andere landen zou opleggen.
In de Visie voor Landbouw en Voedsel heeft de Commissie aangegeven een sterkere afstemming
van productiestandaarden die van toepassing zijn op geïmporteerde producten, met name
op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen en dierenwelzijn, na te streven. Daartoe
kondigde de Commissie in deze visie een impact assessment aan om de gevolgen voor
de concurrentiepositie van de EU en de internationale implicaties te onderzoeken.
Zoals aangegeven hecht het kabinet waarde aan de uitvoering van dit impact assessment,
voordat de Verordening over Maximale Residu Limieten hierop wordt aangepast (Kamerstuk
22 112, nr. 4261).
Op 11 augustus jl. heeft het Joint Research Centre (JRC) van de Commissie een studie
gepubliceerd over de mogelijke gevolgen voor de EU-handel, producenten en consumenten
van het verlagen van de Maximum Residu Limiet (MRL) van stoffen die in de EU verboden
zijn voor gebruik vanwege bepaalde gevaareigenschappen.2 Deze studie wordt niet gezien als impact assessment, omdat milieu en sociale aspecten
niet zijn meegenomen. De resultaten van de studie moeten worden beschouwd als een
indicatie van mogelijke uitkomsten in plaats van als voorspellingen. Het is nog niet
duidelijk hoe de Commissie de uitkomsten van de JRC-studie meeneemt in de discussie
over voorstellen voortvloeiend uit de omnibussen, het kabinet volgt dit nauwlettend.
Het is bekend dat een aantal WTO-leden haar zorgen over deze mogelijke EU-wetgeving
in deze context kenbaar heeft gemaakt. Het kabinet houdt deze ontwikkelingen nauwlettend
in de gaten en hecht belang aan voortzetting van deze dialoog met onze handelspartners.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de informele Landbouwraad van 6–8 september 2026. Deze leden hebben hierover
nog enkele vragen en opmerkingen.
Innovatie in de veehouderij
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van technologische innovatie
in de veehouderij. De Nederlandse landbouw en veehouderij lopen van oudsher voorop
in het ontwikkelen en toepassen van nieuwe technologieën. Deze leden onderschrijven
daarom het belang van onderzoek naar de wijze waarop verschillende beleidsdoelen,
zoals emissiereductie en dierenwelzijn, integraal kunnen worden behaald. Daarbij moet
niet de techniek, maar het aantoonbare resultaat centraal staan en moeten ondernemers
ruimte houden om zelf te bepalen met welke maatregelen zij de gestelde doelen bereiken.
Kan de Minister bevestigen dat Nederland zich tijdens de informele Raad zal uitspreken
voor een resultaatgerichte en technologieneutrale benadering?
De leden van de VVD-fractie lijken te doelen op doelsturing. Wij hebben de Kamer in
de Verdiepingsbijlage hoofdlijn I bij de Kamerbrief van 26 juni 2026 (Kamerstuk 36 800–XIV, nr. 87) over het maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof over onze inzet ten aanzien
van doelsturing geïnformeerd. Deze inzet dragen wij ook uit tijdens de informele Raad.
Ook onderschrijven deze leden de inzet van het kabinet dat boeren zelf moeten kunnen
meedenken en meebeslissen over dergelijke innovaties. De betrokkenheid van boeren
is daarbij van belang om ervoor te zorgen dat innovaties aansluiten bij de praktijk
en de voorwaarden worden gecreëerd voor een succesvolle en brede toepassing. Hoe wil
de Minister ervoor zorgen dat de betrokkenheid van boeren niet beperkt blijft tot
de ontwikkeling van innovaties, maar ook wordt meegenomen bij de verdere toepassing
en opschaling daarvan? Is de Minister bereid daarbij expliciet aandacht te vragen
voor het wegnemen van Europese en nationale regels die praktijkproeven, toelating
en opschaling onnodig vertragen?
De innovatiekracht in de veehouderij is groot. Dat blijkt uit het grote aantal innovatieprojecten
gericht op (integrale)emissiereductie dat loopt, onder andere met subsidie van het
Ministerie van LVVN. Via het Nationaal Innovatieloket Veehouderij, dat is opgericht
vanuit de partijen in het Regieorgaan «Versnellen innovatie emissiereductie duurzame
veehouderij», worden dergelijke belemmeringen in kaart gebracht. Daar waar het gaat
om Europese belemmerende regels zijn wij zeker bereid daar in Europees verband aandacht
voor te vragen. Voor wat de verdere opschaling en toepassing van innovatieve emissiearme
stalsystemen en technieken betreft, is de natuurvergunningverlening momenteel een
belemmerende factor. Voor het toepassen van dergelijke systemen is immers in veel
gevallen een natuurvergunning nodig. In de Kamerbrief van 26 juni 2026 (Kamerstuk
36 800–XIV, nr. 87) is de Kamer geïnformeerd over het maatregelenpakket inclusief het ondersteuningspakket.
Bij de verdere uitwerkingen van het onderdeel stalmaatregelen zullen ook sectororganisaties
betrokken worden.
Daarnaast vinden deze leden het van belang dat ondernemers voldoende zekerheid hebben
over de werking en erkenning van technologieën waarin zij investeren. Hoe borgt de
Minister dat boeren die investeren in innovaties om bij te dragen aan publieke doelen,
kunnen rekenen op voorspelbare en juridisch houdbare kaders, zodat zij niet achteraf
worden geconfronteerd met veranderende uitgangspunten waardoor de waarde of bruikbaarheid
van hun investering onder druk komt te staan?
Met het maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof werken we aan een toekomstbestendige
landbouw en schetsen hiervoor de kaders. Daarnaast werken we aan de vernieuwing van
het stelsel van stalbeoordeling. Dit is het stelsel dat gebruikt wordt om de prestatie
van technieken voor het reduceren van stalemissies van zowel ammoniak, fijnstof als
geur te beoordelen. In het te vernieuwen stelsel wordt de beoordeling van broeikasgasemissiereductie
toegevoegd. Het beoogde stelsel biedt een toetsingskader voor milieubelastende activiteiten
en kan een basis bieden voor toestemmingverlening van Natura 2000-activiteiten. Met
deze maatregelen werken we aan het met vertrouwen toepassen van maatregelen binnen
heldere kaders.
De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat innovaties moeten passen binnen «ethische
grenzen». Kan de Minister concreet toelichten wat hiermee wordt bedoeld, wie deze
grenzen bepaalt en hoe wordt voorkomen dat dit open begrip wordt gebruikt om wetenschappelijk
veilig bevonden innodaties om politieke of ideologische redenen te blokkeren?
Het is van belang dat innovaties zowel technisch, juridisch, economisch als maatschappelijk
werken. Indien een innovatie op een van deze vier aspecten niet goed werkt, zal de
toepassing in de praktijk niet tot de gewenste effecten gaan leiden. Met ethische
grenzen wordt primair gedoeld op de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier,
zoals verankerd in wet- en regelgeving en maatschappelijke normen. Deze grenzen worden
bepaald door wettelijke kaders, wetenschappelijke inzichten, maatschappelijk dialoog
en de sector zelf, waarbij transparantie, juridische toetsing en participatie willekeur
voorkomen.
Diversificatie van eiwitbronnen
De leden van de VVD-fractie vinden het van belang dat de discussie over de toekomst
van eiwitten niet wordt benaderd als een strijd tussen verschillende eiwitbronnen.
Met het oog op de groeiende wereldbevolking en de toenemende mondiale vraag naar eiwitten
zien deze leden juist kansen in een divers en complementair aanbod. Dierlijke en plantaardige
eiwitten, maar ook nieuwe productiewijzen zoals precisiefermentatie en kweekvlees,
kunnen elkaar aanvullen en gezamenlijk bijdragen aan de voedselzekerheid en voldoende
beschikbaarheid van eiwitten. De keuze welke producten worden geconsumeerd, blijft
daarbij aan mensen zelf. Kan de Minister bevestigen dat de Nederlandse inzet is gericht
op het vergroten van het aanbod en de innovatiekracht en niet op Europese sturing
op consumptie van dierlijke of plantaardige eiwtten? Kan de Minister tevens bevestigen
dat de bestaande veehouderij volwaardig onderdeel blijft van de Nederlandse en Europese
voedselvoorziening?
Het kabinet zal de Kamer binnenkort door middel van twee aparte BNC-fiches informeren
over het kabinetsstandpunt ten aanzien van de veeteeltstrategie en het EU-Actieplan
voor het eiwitsysteem en daarin ingaan op de positie van de veehouderij voor de Nederlandse
en Europese eiwitconsumptie en voedselzekerheid.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van Europese innovatie op het
gebied van nieuwe eiwitbronnen en productiewijzen. Deze leden constateren dat landen
als China fors investeren in biotechnologie en nieuwe eiwitproductie. Hoe wil de Minister
borgen dat Europa en Nederland hun technologische en industriële koppositie op dit
terrein behouden en voorkomen dat veelbelovende innovaties uiteindelijk buiten Europa
worden opgeschaald en gecommercialiseerd, vanwege een ongunstig regelgevings- en investeringsklimaat?
Is de Minister bereid in Europees verband te pleiten voor snellere, voorspelbare en
meer proportionele toelatingsprocedures voor nieuwe voedseltechnologieën, zonder daarbij
concessies te doen aan de voedselveiligheid? Welke conrete knelpunten in de Europese
toelatingsprocedures wil het kabinet tijdens de Raad agenderen?
De Agrifood Innovatieagenda, die momenteel ontwikkeld wordt, zet in op het wegnemen
van belemmeringen en het stimuleren van innovaties op vier domeinen, waaronder die
op voedselinnovaties. Ook een aanpak gericht op het op orde brengen van de randvoorwaarden
voor een positief innovatieklimaat behoort tot deze agenda. Meer mogelijkheden voor
opschaling, en het wegnemen van belemmerende wet- en regelgeving zijn onderdeel van
die aanpak. Deze agenda wordt voor het einde van het jaar gepresenteerd.
Daarnaast heeft de Commissie al concrete voorstellen gedaan om de toelatingsprocedures
te verkorten en te vereenvoudigen. Samen met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport gaat de Staatssecretaris kijken hoe hij deze voorstellen kan steunen en het
belang ervan verder onder de aandacht te brengen.
Keurmerken en verdienvermogen
De leden van de VVD-fractie lezen dat concepten met lagere emissies of hogere dierenwelzijnsnormen
via keurmerken een betere melk- of vleesprijs in de supermarkt kunnen opleveren. Deze
leden merken op dat een hogere prijs in de supermarkt niet automatisch betekent dat
de meerwaarde ook daadwerkelijk (in voldoende mate) bij de boer terechtkomt. Uit de
Agro-Nutri Monitor 2025 van de Autoriteit Consument en Markt (ACM), uitgevoerd met
Wageningen Social & Economic Research, blijkt dat 62 procent van de respondenten met
een duurzaamheidskeurmerk aangeeft dat de ontvangen meerprijs de meerkosten niet volledig
dekt. Daarnaast worden administratie en kosten voor certificering als belemmeringen
ervaren. Kan de Minister toelichten hoe hij voorkomt dat keurmerken leiden tot extra
kosten en administratieve lasten voor boeren, zonder dat daar een voldoende en structureel
verdienmodel tegenover staat?
Het kabinet erkent dat deelname aan een keurmerk extra kosten en administratieve lasten
voor boeren met zich mee kan brengen. Deze kosten zijn niet in alle gevallen volledig
terug te verdienen via een hogere productprijs. Tegelijkertijd kan deelname ook andere
economische voordelen bieden, zoals toegang tot specifieke afzetmarkten en een breder
afzet van het product. Het is aan marktpartijen om hierin een passende balans te vinden.
Het kabinet vindt transparantie over de prijsvorming en margeverdeling in de keten
daarbij van belang. Dit is ook het doel van de Agro-Nutri Monitor om meer inzicht
te geven in de prijsvorming en margeverdeling in de landbouwketen, voor zowel gangbare
als duurzame producten. De monitor biedt daarmee een inhoudelijke basis voor de maatschappelijke
discussie over de verdeling van kosten en opbrengsten in de keten. Daarnaast financiert
het Ministerie van LVVN Milieu Centraal voor het publiceren en onderhouden van de
Keurmerkenwijzer. In dit instrument wordt onder andere zichtbaar gemaakt bij welke
keurmerken de producent extra betaald krijgt voor zijn duurzaamheidsinspanningen.
De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat de ACM heeft aanbevolen het grote aantal
duurzaamheidskeurmerken terug te brengen tot een beperkt aantal voor consumenten duidelijk
herkenbare keurmerken. Deze leden vragen hoe de Minister aankijkt tegen de aanbeveling
van de ACM om het grote aantal duurzaamheidskeurmerken terug te brengen tot een beperkt
aantal voor consumenten duidelijk herkenbare keurmerken. Welke mogelijkheden ziet
de Minister om de versnippering van duurzaamheidskeurmerken terug te dringen? Daarnaast
vragen zij hoe de Minister de aanbeveling van de ACM beziet om nationale keurmerken
internationaal te benchmarken en te positioneren. Ziet de Minister mogelijkheden om
te voorkomen dat Nederlandse boeren wel investeren om aan hoge keurmerkeisen te voldoen,
maar bij export onvoldoende kunnen profiteren van de commerciële waarde daarvan omdat
Nederlandse keurmerken in andere lidstaten onvoldoende herkenbaar zijn?
Het kabinet onderschrijft het belang van meer duidelijkheid en herkenbaarheid van
duurzaamheidskeurmerken. De Europese richtlijn Empowering Consumers for the Green
Transition (EGCT), die eind september in werking treedt, draagt bij aan meer harmonisatie
van de regels voor duurzaamheidsclaims en keurmerken binnen de EU. Dit kan de versnippering
verminderen en de herkenbaarheid van keurmerken in andere lidstaten vergroten. Het
kabinet ziet de verdere implementatie van deze richtlijn daarom als een belangrijke
stap en beziet in dat kader ook de aanbeveling van de Autoriteit Consument & Markt
(ACM) over internationale benchmarking en positionering van Nederlandse keurmerken.
Ondersteuning van boeren en generatievernieuwing
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van praktische en boergedreven
ondersteuning, met focus op generatievernieuwing binnen de sector. Deze leden constateren
dat een succesvolle bedrijfsovername niet alleen vraagt om goede begeleiding en toegang
tot kennis, maar vooral ook om voldoende toekomstperspectief voor de nieuwe generatie
ondernemers. Jonge boeren moeten de ruimte en zekerheid hebben om te investeren, te
ondernemen en een economisch gezond bedrijf op te bouwen. Zij vragen hoe de Minister
ervoor zorgt dat de inzet op generatievernieuwing niet beperkt blijft tot het faciliteren
van bedrijfsovername, maar er ook aan bijdraagt dat jonge boeren na een overname voldoende
perspectief hebben om een gezond en toekomstbestendig bedrijf voort te zetten. Welke
concrete Nederlandse en Europese regels vormen volgens de Minister momenteel de grootste
belemmering voor bedrijfsovername en investeringen door jonge boeren? Is de Minister
bereid tijdens de informele Raad te pleiten voor een concreet Europees actiepunt om
deze belemmeringen en de bijbehorende regeldruk te verminderen? Kan de Minister daarnaast
inzichtelijk maken hoe de ruim 4 miljoen euro subsidie aan het Nederlands Agrarisch
Jongeren Kontakt (NAJK) en het Programma Voor de Volgende Generatie wordt vertaald
in meetbare resultaten? Hoeveel jonge boeren worden hiermee bereikt, hoeveel bedrijfsovernames
worden daadwerkelijk ondersteund en op welke wijze wordt beoordeeld of het programma
bijdraagt aan meer succesvolle bedrijfsovernames?
Om de uitdagingen waar jonge boeren voor staan aan te pakken en de leefbaarheid op
het platteland te versterken, zet het kabinet al in op een brede waaier aan maatregelen
op verschillende beleidsterreinen. Zo gebruiken we middelen uit het Europese Landbouwgarantiefonds
om jonge boeren in de huidige periode van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)
extra inkomenssteun te bieden. Daarnaast ondersteunen we hen via het Europees Landbouwfonds
voor Plattelandsontwikkeling. Dit doen we onder meer met vestigingssteun en aanvullende
subsidies voor investeringen in hun bedrijf. Ook stimuleren we actief dat jonge boeren
kennis uitwisselen en brede ervaring opdoen.
Op Europees niveau wordt deze problematiek inmiddels breed erkend. In de Strategie
voor generatievernieuwing in de landbouw (gepubliceerd in oktober 2025) benoemt de
Commissie onder andere toegang tot financiering en grond expliciet als structurele
barrières. Nederland pleit er in Brussel actief voor dat binnen het toekomstige GLB
voldoende geoormerkte middelen (6%) beschikbaar blijven om jonge boeren gericht te
ondersteunen. Het programma «voor de Volgende generatie» heeft als doel het aantal
succesvolle bedrijfsopvolgingen binnen de familie, maar ook van overnames en bedrijfsstarts
door bevlogen zij-instromers te vergroten. In 2025 is tevens € 1,2 miljoen beschikbaar
gesteld voor praktijkgericht onderzoek via SIA, het regieorgaan voor Hogescholen.
Het is lastig om dit meetbaar te maken. Wel kan inzichtelijk worden gemaakt hoeveel
jonge boeren gebruik hebben gemaakt van de diensten die in het voorgenoemde programma
worden aangeboden. Mogelijk kan eveneens inzichtelijk worden gemaakt hoeveel bedrijfsovernames
er jaarlijks plaats vinden en welke daarvan gebruik hebben gemaakt van de diensten.
GLB en groene doelen
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet zich inzet voor voldoende ambitie
op EU-niveau ten aanzien van de groene doelen binnen het toekomstige Gemeenschappelijk
Lanbouwbeleid (GLB). Kan de Minister nader toelichten wat hieronder wordt verstaan?
Welke concrete doelen, voorwaarden of verplichtingen wil het kabinet in het toekomstige
GLB opnemen en welke gevolgen kunnen deze hebben voor Nederlandse boeren? Deelt de
Minister de opvatting dat groene doelen vooral resultaatgericht en technologieneutraal
moeten worden vormgegeven, met ruimte voor ondernemers om zelf te bepalen hoe zij
de gestelde doelen bereiken? Zij benadrukken dat daarbij ook het verdienvermogen,
de productiecapaciteit en de marktvraag nadrukkelijk in ogenschouw moeten worden genomen.
Een toekomstbestendige landbouw kan niet uitsluitend afhankelijk zijn van publieke
steun, maar moet in de eerste plaats kunnen steunen op een gezond verdienmodel vanuit
de markt. Hoe borgt de Minister dat de verdere vergroening van het GLB niet leidt
tot het onnodig onder druk zetten van bestaande verdienmodellen, waarna boeren vervolgens
via publieke middelen voor dat verlies aan verdienvermogen afhankelijk(er) worden
gemaakt van compensatie en subsidies? Hoe ziet de Minister de verhouding tussen groene
doelstellingen enerzijds en voedselzekerheid, concurrentiekracht en het behoud van
de Europese productiecapaciteit anderzijds bij de verdere vormgeving van het GLB?
Nederland pleit voor voldoende gezamenlijke EU-ambitie op het niveau van de doelen
van het GLB. Bij de instrumenten is flexibiliteit juist belangrijk, zodat de verschillende
GLB-regelingen beter kunnen aansluiten op wat werkt op het boerenerf en in verschillende
gebieden. Met groene doelen bedoelt de Minister vrij algemeen een versterkte inzet
op het beter belonen van diensten die landbouwers leveren voor natuur, milieu, water,
biodiversiteit, dierenwelzijn en klimaat. De Nederlandse inzet is daarbij inderdaad
zoveel mogelijk resultaatgericht en technologieneutraal, met meer flexibiliteit voor
lidstaten en ondernemers om zelf de beste instrumenten te kiezen om de GLB-doelen
mee te behalen. Maar er moet wel voldoende gezamenlijke ambitie op Europees niveau
zijn om in alle lidstaten inzet te plegen op grensoverschrijdende milieuuitdagingen
en ook om het gelijk speelveld te beschermen. De Nederlandse inzet is verder dat het
primaire inkomen van landbouwers uit de markt zou moeten komen en dat GLB-steun zoveel
mogelijk gericht is op het versterken van de lange termijn weerbaarheid inclusief
de economische weerbaarheid en het concurrentievermogen van de sector, door investeringen
in kennis, innovatie, generatievernieuwing en ook verduurzaming. Verdere inzet op
vergroening in het GLB zou juist ook moeten bijdragen aan die lange termijn weerbaarheid
en aan een beter verdienmodel voor landbouwers.
Deze leden lezen voorts dat Nederland inzet op het geleidelijk verlagen van de gehele
bandbreedte van de degressieve areaalgebonden inkomenssteun. Kan de Minister toelichten
welke concrete verlaging Nederland nastreeft, welke gevolgen dit naar verwachting
heeft voor verschillende typen Nederlandse landbouwbedrijven en hoe wordt voorkomen
dat Nederlandse boeren hierdoor een concurrentienadeel ondervinden ten opzichte van
boeren in andere lidstaten? Waar moeten de hiermee vrijvallende middelen volgens het
kabinet terechtkomen?
In het Commissievoorstel staat nu een gemiddelde bandbreedte voor het instrument degressieve
areaalgebonden inkomenssteun (DABIS) van € 130,– tot € 240,– per hectare. Aangezien
Nederland inzet op het versterken van de lange termijn weerbaarheid van de Europese
agrarische sector en een voorkeur heeft voor meer doelgerichte instrumenten, wil Nederland
meer vrijheid om zelf te kiezen met welke GLB-instrumenten ze de landbouwsector wil
ondersteunen. De ondergrens van deze DABIS-bandbreedte functioneert als een verkapte
oormerking en dwingt lidstaten dit instrument in te zetten, terwijl andere GLB-instrumenten
mogelijk effectiever zijn om de lange termijn weerbaarheid te versterken. Daarbij
zet Nederland zich ook in om de bovengrens van de DABIS-bandbreedte te verlagen, omdat
dit kan bijdragen aan een meer doelgericht GLB op Europees niveau. De Europese en
de Nederlandse landbouwsector blijven dus steun ontvangen vanuit de GLB-enveloppe,
maar dan met ander type, meer doelgerichte GLB-instrumenten zoals de vestigingssteun
jonge landbouwers, investeringsregelingen voor productieve of niet-productieve investeringen,
de eco-regeling, het agrarisch natuur- en landschapsbeheer, kennis en innovatie, de
brede weersverzekering of sectorale ondersteuning groente en fruit. In de nationale
planvorming van het GLB-hoofdstuk binnen de Nationale en Regionale Partnerschapsplannen
(NRPP) zal de Minister samen met de provincies, waterschappen en belanghebbenden het
volgende GLB-programma 2028–2034 vormgeven. Een gelijk speelveld en de internationale
concurrentiepositie blijven daarbij uiteraard ook belangrijke aandachtspunten.
Tot slot constateren deze leden dat het Ierse voorzitterschap in het komende halfjaar
tot een gemeenschappelijke Raadspositie wil komen. Welke inhoudelijke rode lijnen
hanteert het kabinet daarbij? Kan de Minister toezeggen dat de Kamer tijdig en voorafgaand
aan bepalende besluitvormingsmomenten wordt geïnformeerd over de Nederlandse inzet
en niet pas nadat politiek moeilijk omkeerbare afspraken zijn gemaakt?
De Minister komt binnenkort met een aparte kamerbrief over de laatste stand van zaken
wat betreft de Europese onderhandelingen voor het GLB nu de onderhandelingen inderdaad
versnellen onder het Iers voorzitterschap.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda. Hierover
hebben deze leden enkele vragen en opmerkingen.
Innovatie
De leden van de PRO-fractie zien innovatie prominent op de agenda staan. Deze leden
moedigen duurzame innovatie uiteraard aan, met de nadruk dat publiek geld ten alle
tijden moet worden ingezet voor bewezen effectieve maatregelen die bijdragen aan publieke
doelen. Zij steunen de ambities om alternatieve duurzame eiwitproductie op gang te
helpen. Zij vragen het kabinet om concreet te maken welke (Europese) belemmeringen
er nu zijn op duurzame eiwitproductie en welke specifieke maatregelen het kabinet
bepleit voor effectieve productiemethoden die voor Nederland relevant zijn. Welke
maatregelen zijn er op zowel nationaal als Europees niveau mogelijk?
Er is een aantal belemmeringen te benoemen als het gaat om het verder brengen van
innovaties op het gebied van duurzame eiwitproductie. Als het gaat om novel foods
zijn de niet-transparante toelatingsprocedures met lange doorlooptijden een probleem.
In de verdere ontwikkeling van innovaties op dit gebied zien we dat valorisatie en
opschaling nu nog te versnipperd georganiseerd zijn en er zijn investeringen nodig
in first-of-a-kind fabrieken (eerste commerciële productiefaciliteit op industriële
schaal voor een gloednieuwe, baanbrekende technologie). Voor het wegnemen van deze
belemmeringen wil het kabinet zich inzetten in de Agrifood innovatieagenda, waarover
de Kamer in juni is geïnformeerd (Kamerstuk 33 009, nr. 179). Deze agenda wordt voor het einde van het jaar gepresenteerd tijdens de High-level
summit over innovatie.
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2028–2034
De leden van de PRO-fractie zijn blij dat het kabinet zich inzet voor het verlagen
van de bandbreedte voor inkomenssteun binnen het GLB om meer geld vrij te maken voor
ecosysteemdiensten, conform de aangenomen Kamermotie-Bromet/Podt (Kamerstuk 21501–32, nr. 1780). Deze leden vragen het kabinet om toe te lichten of Nederland ervoor pleit om een
bepaald percentage van de GLB-middelen af te bakenen («ringfencing») voor groene doelen.
Zo niet, is het kabinet bereid om een percentage te bepleiten? Volgens deze leden
kan het GLB aangewend worden om onderdelen van de Natuurherstelverordening (NHV) te
bekostigen. Kan het kabinet duidelijk maken voor welke artikelen van de NHV-financiering
vanuit de GLB mogelijk zou zijn? Als dit nog niet voldoende het geval is, is het kabinet
dan bereid om ervoor te pleiten dat GLB-middelen aan deze doelen gekoppeld worden?
Het Nederlandse kabinet is in algemene zin geen voorstander van verdere oormerking
van budgetten voor specifieke doeleinden binnen de NRPP. Maar specifiek binnen de
gereserveerde GLB-envelop pleit Nederland wel voor versterking van zogenoemde artikel
10-maatregelen, zoals de eco-regeling en het agrarisch natuur- en landschapsbeheer.
Herintroductie van een dergelijk principe zou kunnen bijdragen aan meer gezamenlijke
ambitie op Europees niveau voor de groene doelen van het GLB. Hier heeft de Minister
afgelopen Landbouw- en Visserijraad namens Nederland voor gepleit en hij blijft zich
hiervoor inzetten.
Het is op dit moment al mogelijk om verschillende doelen van de Natuurherstelverordening
(NHV) te financieren, bijvoorbeeld voor herstel van landbouwecosystemen op basis van
artikel 10, via de eco-regeling, agrarisch natuur- en landschapsbeheer en eventueel
de nieuwe transitieregeling. Uiteindelijk zijn de nationale uitwerking van de GLB-interventies,
de voorwaarden van de daaraan gekoppelde regelingen en de beschikbaar gestelde nationale
middelen bepalend voor de mate waarin NHV-doelen met GLB-middelen kunnen worden ondersteund.
Wat betreft de Europese juridische kaders pleit Nederland voor het vergroten van de
mogelijke instrumenten om de NHV te ondersteunen via het GLB door dit ook mogelijk
te maken via artikel 9, wat vergoeden voor nadelen die voortvloeien uit wettelijke
beperkingen mogelijk maakt.
Diversen
De leden van de PRO-fractie vragen volop de aandacht voor de ontwikkelingen rondom
de Omnibus Food & Feed. Deze leden vragen het kabinet om duidelijk te maken: 1) hoe
de komende tijd zal worden onderhandeld over dit voorstel, 2) of het kabinet bevestiging
heeft gekregen van het Ierse voorzitterschap dat EU-lidstaten niet nogmaals overvallen
worden met nieuwe compromisteksten op het laatste moment en3) wat het kabinet doet
om de Kamer en nationale experts en wetenschappers in staat te stellen om een nieuw
voorstel tijdig en volledig te beoordelen, voordat het kabinetsstandpunt wordt bepaald.
Kan het kabinet op deze drie vragen in gaan?
De Kamer is op 23 juni 2026 geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 768) dat onder het huidige voorzitterschap gewerkt zal worden aan een compromisvoorstel
dat op voldoende steun van lidstaten kan rekenen. Naar verwachting zal het voorzitterschap
in de komende periode eerst een ambtelijk overleg over de Omnibus veiligheid van voedsel
en diervoeder plannen, alvorens een nieuw compromisvoorstel aan de lidstaten voor
te leggen. Onze inzet bij verdere onderhandelingen is conform de eerder met de Kamer
gedeelde Nederlandse inzet (Kamerstuk 22 112, nr. 4261) waarbij wij het van groot belang vinden dat het huidige beschermingsniveau voor
mens, dier en milieu minimaal gehandhaafd blijft.
Afgelopen juni heeft de Staatssecretaris bij het Ierse voorzitterschap het belang
van zorgvuldige procedures benadrukt met hierbij voldoende tijd voor het bepalen van
een standpunt op een nieuw compromisvoorstel waarbij tevens de Kamer wordt betrokken.
Het is aan hen om het proces vorm te geven om te komen tot een nieuw compromisvoorstel.
De Staatssecretaris zal de Kamer blijven betrekken bij dit proces en informeren zodra
een nieuw compromisvoorstel aan de lidstaten wordt voorgelegd. De Staatssecretaris
zal de Kamer daarbij ook infomeren over het advies van het Ctgb hierop waarbij de
bevindingen van de wetenschappers betrokken bij de wetenschapstoets (Kamerstuk 27 858, nr. 748) zijn meegenomen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Algemeen
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het verslag
van de Landbouw- en Visserijraad van 13 juli 2026 en het verslag van de informele
Visserijraad van 28–29 juli 2026 in Cork. Deze leden maken zich ernstige zorgen over
de toenemende stroom aan Europese regelgeving en de impact daarvan op de economische
levensvatbaarheid van onze boeren en vissers.
De leden van de PVV-fractie benadrukken dat voedselzekerheid, soevereiniteit en het
beschermen van de nationale agrovoedingssector en de visserijgemeenschappen topprioriteiten
moeten zijn voor het kabinet. Deze leden leggen in dat kader een aantal kritische
vragen en opmerkingen voor aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur (LVVN) en de Staatssecretaris van LVVN.
Landbouw- en Visserijraad van 13 juli 2026
Werkprogramma van het Iers voorzitterschap
De leden van de PVV-fractie lezen dat het Iers voorzitterschap heeft zijn prioriteiten
voor de tweede helft van 2026 gepresenteerd, met de nadruk op een concurrerende en
duurzame landbouw- en visserijsector en de voorbereiding van het toekomstig GLB en
het Meerjarig Financieel Kader (MFK). Deze leden vragen de Minister of hij kan toelichten
hoe het kabinet de prioriteit van het voorzitterschap ten aanzien van een duurzame
sector weegt. Kan de Minister de garantie geven dat het begrip duurzaamheid niet door
de EC zal worden misbruikt om knellende milieumaatregelen en verdere administratieve
lasten aan onze boeren en vissers op te leggen? Zo ja, hoe gaat het kabinet dit in
de Raad bewaken?
Zij vragen de Minister om een reactie op de inzet van het voorzitterschap voor een
MFK dat de sectoren voldoende blijft ondersteunen. Is het kabinet bereid zich in te
zetten voor het behoud of de verhoging van het landbouw- en visserijbudget in het
komende MFK, zonder dat dit gepaard gaat met aanvullende groene verplichtingen of bureaucratische voorwaarden?
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke en toekomstbestendige landbouw-
en visserijsector. Zoals toegelicht in de Kamerbrief van 22 mei jl. over de update
van de Nederlandse inzet voor het volgende MFK en het eigenmiddelenbesluit (Kamerstuk
22 112, nr. 4357), leidt het Commissievoorstel voor het volgende MFK tot een voor het kabinet onacceptabele
stijging van de Nederlandse afdrachten aan de EU. Het kabinet zet daarom in op een
verlaging van de omvang van het MFK-voorstel van de Commissie en op herprioritering
binnen de Europese begroting. Zoals in genoemde brief aangegeven, is daarbij de inzet
om verder te besparen, met name binnen pijler 1 (Nationale en Regionale Partnerschapsplannen)
en pijler 4 (Europese publieke administratie), met uitzondering van de migratie- en
interne veiligheidsfondsen en de verplichte rente- en terugbetalingen van NextGenerationEU.
Verder zetten wij ons in de Raad steeds in voor de juiste balans tussen vereenvoudiging,
administratieve lasten, de bijdrage van het GLB aan verduurzaming en het versterken
van verdienvermogen.
Strategie voor de veehouderij en het EU-Eiwitactieplan
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat de EC op 7 juli 2026 de Strategie voor de
veehouderij en het EU-Eiwitactieplan heeft gepubliceerd, gericht op voedselzekerheid,
strategische autonomie en het concurrentievermogen van de EU. Deze leden hebben er
met grote bezorgdheid kennis van genomen dat de EC en het kabinet inzetten op een
evenwichtiger consumptie van dierlijke en plantaardige eiwitten en het verminderen
van de afhankelijkheid van ingevoerde eiwitten. Zij vragen de Minister of dit betekent
dat er vanuit Brussel of Den Haag actieve ontmoediging van de consumptie van dierlijk
eiwit (vlees en zuivel) zal plaatsvinden.
Het kabinet zal de Kamer binnenkort via een BNC-fiche informeren over het kabinetsstandpunt
ten aanzien van het EU-Actieplan voor het eiwitsysteem en daarbij de Nederlandse positie
op het gebied van eiwitconsumptie uiteenzetten.
Is de Minister het met hen eens dat consumenten volledig vrij moeten zijn in hun voedselkeuze
en dat de overheid of de EC hier geen sturende rol in moet spelen? Zij vragen of de
Minister kan toelichten hoe het studievoorbehoud dat Nederland heeft gemaakt bij deze
strategieën zich verhoudt tot het maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof
zoals verwoord in de brief van 26 juni jongstleden. Kan de Minister uitsluiten dat
deze Europese initiatieven de nationale besluitvorming over het stikstofdossier zullen
doorkruisen of verzwaren? Zij vragen of de Minister bereid is om bij de uitwerking
van de Strategie voor de veehouderij harde garanties te eisen dat deze niet zal leiden
tot krimp van de Nederlandse veestapel of tot onevenredige administratieve lasten
voor onze veehouders. Zo ja, welke concrete rode lijnen trekt het kabinet hierbij
in Brussel?
Het kabinet zal de Kamer binnenkort door middel van twee aparte BNC-fiches informeren
over het kabinetsstandpunt ten aanzien van de veeteeltstrategie en het EU-Actieplan
voor het eiwitsysteem en daarin op het punt van onderzoek en innovatie aangeven hoe
deze voorstellen zich verhouden tot de Nederlandse ambities op het gebied van stikstofreductie,
dierenwelzijn en de eiwittransitie, zoals vastgelegd in het coalitieakkoord.
Handelsgerelateerde landbouwvraagstukken
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat tijdens de Raad is gesproken over de Chinese
heffingen op zuivel en varkensvlees uit de EU, evenals over het voorgestelde handelsakkoord
met Indonesië. Deze leden maken zich grote zorgen over de Chinese heffingen. Zij vragen
de Minister wat de concrete economische gevolgen zijn van deze heffingen voor de Nederlandse
zuivel- en varkensvleessector. Welke stappen onderneemt het kabinet, al dan niet in
EU-verband, om onze boeren en aangesloten bedrijven te beschermen tegen deze oneerlijke
handelsbarrières en de negatieve impact hiervan te minimaliseren? Zij vragen de Minister
of het kabinet bereid is om bij nieuwe handelsakkoorden, zoals het voorgestelde akkoord
tussen de EU en Indonesië, te eisen dat er een strikt gelijk speelveld geldt waarbij
geïmporteerde producten aan exact dezelfde hoge eisen moeten voldoen als de producten
van onze eigen boeren. Hoe gaat het kabinet borgen dat onze boeren niet worden weggeconcurreerd
door goedkope importproducten die onder lagere standaarden zijn geproduceerd?
Het kabinet heeft zijn zorgen over de Chinese heffingen op Europese zuivelproducten
en Europees varkensvlees meermaals opgebracht in de EU. De Staatssecretaris zal dit
ook de volgende keer dat handelsgerelateerde landbouwzaken op de agenda staan van
de Landbouw- en Visserijraad doen. Tevens hebben zowel de Staatssecretaris als de
Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hun zorgen over de heffingen
uitgesproken tijdens de bezoeken aan China afgelopen mei resp. juli. Omdat er meerdere
factoren meespelen die de omzet van bedrijven bepalen, kan het kabinet, gezien de
complexiteit hiervan, geen uitspraken doen over concrete economische gevolgen.
Met betrekking tot productiestandaarden geldt dat ieder land eigen wet- en regelgeving
heeft waarbij verschillen in productiestandaarden ook worden bepaald door landbouwkundige,
klimatologische, milieukundige en geografische omstandigheden. De ruimte om te komen
tot wijzigingen in nationale wet- en regelgeving van derde landen is over het algemeen
beperkt. Ter vergelijking: de EU zelf gaat ook niet lichtvaardig over tot aanpassing
van productiestandaarden op aangeven van derde landen. Het kabinet is, conform het
Coalitieakkoord, voorstander van nieuwe handelsverdragen, onder andere met strategische
partners zoals India, Australië, en Indonesië. Daarbij zet het kabinet in op hoge
duurzaamheidsstandaarden. Ieder akkoord wordt uiteindelijk op de merites door het
kabinet beoordeeld en voorzien van een kabinetsappreciatie die aan de Tweede Kamer
wordt aangeboden. In een dergelijke appreciatie wordt een brede afweging gemaakt,
waarbij gekeken wordt naar de brede economische effecten op de Nederlandse economie
en naar duurzaamheids- en geopolitieke aspecten.
Rol van vrouwen in de landbouw
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat de Raad een gedachtewisseling hield over
de rol van vrouwen in de landbouw en het recent opgerichte EU-platform «Women in Farming».
Deze leden vragen de Minister wat de concrete toegevoegde waarde is van dit platform.
Is de Minister het met deze leden eens dat dergelijke initiatieven het risico dragen
te verzanden in symboolpolitiek en bureaucratie? Deelt de Minister de mening dat we
de focus moeten leggen op het verminderen van de algehele regeldruk voor alle boeren
en boerinnen, in plaats van het optuigen van specifieke gender-platforms?
Vrouwen spelen een belangrijke rol in de landbouw, omdat zij bijdragen aan innovatie,
een duurzame transitie en de economische weerbaarheid van agrarische (familie)bedrijven
(bijvoorbeeld via nevenactiviteiten en nieuwe verdienmodellen). Daarnaast spelen zij
een sleutelrol bij bedrijfsopvolging en de besluitvorming binnen coöperaties en belangenorganisaties.
Het EU platform Women in Farming is erop gericht om meer vrouwen aan te trekken tot
de landbouw en de uitwisseling van ervaringen tussen vrouwelijke ondernemers mogelijk
te maken. Het initiatief is gebaseerd op vrijwilligheid en vrouwen kunnen zich aanmelden
als zij hier behoefte aan hebben. Wij zien dus geen verband tussen dit platform en
de algehele regeldruk voor boeren en boerinnen.
Diversenpunten op de agenda
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat de Viségrad-groep (Hongarije, Tsjechië,
Polen en Slowakije), met steun van Bulgarije, Kroatië en Roemenië, kritiek heeft geuit
op het crisismanagement in het GLB, dat volgens hen niet effectief genoeg is. Daarnaast
heeft Italië gepleit voor een ambitieus EU-promotiebeleid. Deze leden vragen de Minister
waarom het kabinet bij deze beide punten niet heeft geïntervenieerd. Is de Minister
het met Italië en deze leden eens dat er voldoende middelen beschikbaar moeten blijven
voor de promotie van onze hoogwaardige landbouwproducten, juist in het licht van geopolitieke
onrust? Deelt de Minister de kritiek van de Viségrad-groep dat het huidige crisisbeheersysteem
binnen het GLB niet effectief en flexibel genoeg is bij extreme omstandigheden?
Voor wat betreft deze onderwerpen steunt Nederland de Commissie. Het diversenpunt
omtrent crisismanagement betrof een informatiepunt van de Viségrad-groep. Wat Nederland
betreft moet hierbij niet worden vooruitgelopen op de integrale besluitvorming rond
het MFK en het GLB en moet worden ingezet op het vergroten van de weerbaarheid van
de landbouw. Nederland voelt zich hierbij gesteund door de Commissie, die eind dit
jaar met een «Climate Resilience Plan» komt. Voor wat betreft het promotiebeleid steunt
Nederland een actief Europees promotiebeleid. De Commissie spant zich in om, in lijn
met de Visie voor Landbouw en Voedsel, voldoende financiering beschikbaar te stellen
voor dit beleidsdoel in de definitieve begroting voor 2027.
Aanpassing Verordening Vangstmogelijkheden 2026
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat via een tussentijdse aanpassing van de Verordening
Vangstmogelijkheden 2026 aanvullende maatregelen zijn getroffen, waarbij de ingangsdatum
in de EU-wateren is uitgesteld naar 1 november 2026 wegens vertraging bij de implementatie
door het Verenigd Koninkrijk. Deze leden vragen de Staatssecretaris of de vertraging
bij het Verenigd Koninkrijk nadelige gevolgen heeft voor Nederlandse vissers. Is de
Staatssecretaris ervan overtuigd dat het uitstellen van de ingangsdatum in de EU-wateren
inderdaad voldoende is om een gelijk speelveld te waarborgen, of lopen onze vissers
hierdoor alsnog nadeel op?
De Kamer is door middel van het verslag van de Landbouw- en Visserijraad van juli
jl. (Kamerstuk 21501–32, nr. 1829) geïnformeerd over de vertraging van de implementatie van de aanvullende maatregelen
die het Verenigd Koninkrijk (VK) en de EU zijn overeengekomen in het Written Record. Er zijn op dit moment geen signalen dat de vertraging bij het VK nadelige gevolgen
heeft voor Nederlandse vissers. Het uitstellen van de ingangsdatum in EU-wateren naar
1 november 2026 is bedoeld om een gelijk speelveld te waarborgen, zodat vissers uit
de EU en het VK tegelijkertijd met dezelfde maatregelen te maken krijgen. Het kabinet
blijft de ontwikkelingen volgen en zal indien nodig, met de Commissie en andere lidstaten,
actie ondernemen om onevenwichtigheden te voorkomen.
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat er tevens is gesproken over de North East
Atlantic Fisheries Commission (NEAFC)-makreelmaatregelen om de visserijactiviteiten
op makreel door Russische vaartuigen te bemoeilijken. Deze leden vragen de Staatssecretaris
hoe het overleg met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de visserijsector
verloopt over de uitvoering van deze NEAFC-aanbeveling. Welke administratieve of handhavingslasten
brengt dit met zich mee voor Nederlandse havens en visserijbedrijven en hoe wordt
voorkomen dat de sector hierdoor onevenredig wordt belast?
De aanbeveling van de North East Atlantic Fisheries Commission (NEAFC), die een limiet
van 1.495 ton toekent aan de makreelvangsten (stock protection reserve) door vaartuigen van de Russische Federatie, geldt voor vangsten die zijn gedaan
in het verdragsgebied (de Noordoostelijke Atlantische Oceaan). Dergelijke vangsten
vinden minimaal doorgang tot de EU via Nederlandse schepen of havens, waardoor de
Staatssecretaris op dit moment geen negatieve impact voor de Nederlandse visserijsector
verwacht. Wel houdt de NVWA de komende tijd toezicht op deze maatregelen en monitort
de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) middels reguliere controles mogelijke
aanlandingen. De visserijsector ondervindt hier geen hinder van. Door reeds eerder
ingestelde maatregelen, zoals het aanmeerverbod voor Russische vaartuigen in Nederlandse
havens uit 2024, zijn veel activiteiten van Russische vaartuigen in Nederland al beperkt.
Informele Visserijraad van 28–29 juli 2026 in Cork
Generatievernieuwing en de overleving van de sector
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat het centrale thema van de informele Visserijraad
generatievernieuwing in de visserijsector was. Deze leden benadrukken dat generatievernieuwing
van levensbelang is voor de Nederlandse visserijsector, die de afgelopen jaren zwaar
is getroffen door onder andere het onrechtvaardige verbod op de pulsvisserij en ingrijpende,
gedwongen saneringsrondes. Zij vragen de Staatssecretaris hoe het kabinet concreet
invulling gaat geven aan de «Visie 2040» voor de visserij en aquacultuur die door
Eurocommissaris Kadis is aangekondigd. Hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen
dat generatievernieuwing hierin niet slechts een papieren prioriteit blijft, maar
dat er daadwerkelijk een rendabel verdienmodel voor jonge vissers wordt gegarandeerd?
De Staatssecretaris hecht waarde aan het kunnen bieden van toekomstperspectief, juist
ook aan jonge vissers. Op 11 juni 2026 heeft de Staatssecretaris de Nederlandse inzet
voor de Visie 2040 voor de Visserij en Aquacultuur (hierna: visie 2040) met de Kamer
gedeeld (Kamerstuk 26 737, nr. 13) en na parlementaire behandeling aan de Eurocommissaris voor Visserij en Oceanen
toegezonden. Op dit moment is deze Visie nog niet door de Commissie gepubliceerd en
kan er nog niet op de Nederlandse uitwerking worden vooruitgelopen. De Staatssecretaris
zal op basis van voorgenoemde Nederlandse inzet de komende periode in de diverse Europese
gremia aandacht blijven vragen voor een rendabel verdienmodel voor jonge vissers.
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat tijdens de vergadering is gewezen op de
stijgende brandstofkosten voor vissers als gevolg van conflicten in het Midden-Oosten.
Deze leden vragen de Staatssecretaris welke concrete ondersteunende maatregelen, hetzij
nationaal, hetzij via Europese fondsen, het kabinet overweegt om onze vissers te beschermen
tegen deze extreme brandstofkosten.
Door het conflict in het Midden-Oosten zijn de brandstofprijzen in 2026 gestegen.
Dit heeft ook impact op de visserij. Om de visserij- en schelpdiersector weerbaar
te maken tegen deze prijsfluctuaties zal de Staatssecretaris op 28 september 2026
een energie-efficiëntieregeling openstellen (Kamerstukken 36 933, nr. 1; 21501–32, nr. 1795 en 29675, nr. 240). Om de visserij te ondersteunen in de directe gevolgen van het
conflict, heeft de Staatssecretaris op 20 augustus jl. de regeling «Steun voor hogere
bedrijfskosten» onder het European Maritime, Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF) opengesteld. De regeling dient ter overbrugging tot de openstelling van de
energie-efficiëntieregeling (Kamerstuk 29 675, nr. 41). In navolging van motie-Flach c.s. (Kamerstuk 23 432, nr. 713) wordt voor deze regeling gebruik gemaakt van het door de Commissie geactiveerde
crisismechanisme onder het EMFAF. Voor de regeling is een budget beschikbaar van € 13,5
miljoen.
De Staatssecretaris heeft in de discussie gepleit voor de noodzaak om de aanlandplicht
aan te passen met het oog op vereenvoudiging en werkbaarheid van regels. Deze leden
delen de mening dat deze regelgeving onwerkbaar is.
Zij vragen de Staatssecretaris of hij in Brussel zal blijven pleiten voor een algehele
herziening, of idealiter de volledige afschaffing van deze aanlandplicht. Binnen welke
termijn verwacht de Staatssecretaris dat hierover concrete besluitvorming zal plaatsvinden,
aangezien hij zelf heeft aangegeven dat deze aanpassingen urgent zijn en zaken te
lang blijven liggen?
Zoals aangegeven in de brief van 11 juni 2026 over de evaluatie van het Gemeenschappelijk
Visserijbeleid (GVB) en de inzet voor de visie 2040 (Kamerstuk 26 373, nr. 13), zal de Staatssecretaris zich blijven inzetten voor een herziening van de aanlandplicht.
De Commissie heeft aangegeven dit najaar de visie 2040 te presenteren, waarin ook
aangegeven wordt welke wijzigingen in het GVB de Commissie nodig acht. Op dit moment
is nog niet met meer duidelijkheid aan te geven wanneer concrete besluitvorming over
wetsaanpassingen zal plaatsvinden. De Staatssecretaris zal blijven wijzen op de urgentie.
Veel lidstaten hebben het capaciteitsplafond benoemd als een grote belemmering voor
de modernisering van de visserijvloot. Deze leden vragen de Staatssecretaris of hij
het met deze lidstaten eens is dat dit plafond modernisering in de weg staat. Is het
kabinet bereid om in Brussel actief te pleiten voor het verhogen of afschaffen van
dit capaciteitsplafond, zodat vissers hun vaartuigen kunnen moderniseren ten behoeve
van de veiligheid en betere werkomstandigheden, zonder te worden belemmerd door knellende
tonnage- en vermogensgrenzen?
Het Nederlandse capaciteitsplafond kent voldoende ruimte om eventuele uitbreidingen
van vaartuigen te accommoderen. Tegelijkertijd wordt er door lidstaten in de EU opgeroepen
tot aanpassing van het capaciteitsplafond van de vloot, omdat de situatie in deze
lidstaten wel beperkend kan zijn. De Staatssecretaris staat hier niet onwelwillend
tegenover.
De leden van de PVV-fractie vragen tot slot hoe de Staatssecretaris gaat borgen dat
er in het MFK 2028–2034 voldoende financiële middelen worden gereserveerd voor de
modernisering van de vloot en de ondersteuning van bedrijfsovernames door jonge vissers,
zonder dat hieraan onrealistische groene of bureaucratische voorwaarden worden gesteld.
De onderhandelingen over het toekomstige MFK 2028–2034 zijn nog gaande. Het kabinet
zet zich daarbij in om de Nederlandse belangen zo goed mogelijk te behartigen. Het
BNC-fiche over het Gemeenschappelijk Visserijbeleid, het Ocean Pact en het maritieme
en aquacultuurbeleid (Kamerstuk 22 112, nr. 4146) en de Kamerbrief «Update Nederlandse inzet ten aanzien van de onderhandelingen over
het Meerjarig Financieel Kader en het eigenmiddelenbesluit van de EU voor de periode
2028–2034» (Kamerstuk 22 112, nr. 4357) zijn daarbij leidend.
Overige opmerkingen
De leden van de PVV-fractie dringen er bij het kabinet op aan om in alle Europese
gremia een harde en compromisloze lijn te trekken ten aanzien van het beschermen van
de Nederlandse landbouw- en visserijsector. Onze nationale voedselproducenten mogen
niet langer het slachtoffer worden van Brusselse regelzucht en ideologische transitieagenda's.
Deze leden zien de schriftelijke beantwoording van de gestelde vragen met grote belangstelling
tegemoet.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk
overleg over de Landbouw- en Visserijraad 6–8 september (informeel) en hebben enkele
vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Nederlandse inzet op het spoor
van innovatie in eiwitsectoren. In maart is de motie-Lohman (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1767) aangenomen die verzoekt om een concrete en samenhangende visie op de eiwitketen
uit te werken als onderdeel van de nationale voedselstrategie. Hoe verhoudt de uitwerking
van deze motie zich tot de inzet van Nederland tijdens de informele raad in september?
Kan de Minister aan de Kamer laten weten hoe deze visie in Europees verband actief
wordt ingebracht?
Het kabinet zal tijdens de informele Raad pleiten voor voldoende ruimte voor innovatie
en verdere ontwikkeling van alternatieve en plantaardige eiwitten. De motie-Lohman
(Kamerstuk 21 501–32, nr. 1767) wordt betrokken bij de verdere uitwerking van de nationale visie op de eiwitketen.
De uitwerking van deze visie is daarmee niet los te zien van de Nederlandse inzet
in Europees verband.
Het kabinet zal de Kamer binnenkort via een BNC-fiche informeren over het kabinetsstandpunt
en de Nederlandse inzet ten aanzien van het EU-Actieplan voor het eiwitsysteem.
De leden van de CDA-fractie constateren dat in de geannoteerde agenda wordt gesproken
over open strategische autonomie als argument voor eiwitdiversificatie. Kan de Minister
concretiseren wat dit betekent voor de afhankelijkheid van geïmporteerde eiwitten
(bijvoorbeeld soja uit Zuid-Amerika)? Zijn er concrete doelstellingen of tijdpaden
om deze afhankelijkheid te verminderen?
Het kabinet zal de Kamer binnenkort via een BNC-fiche informeren over het kabinetsstandpunt
ten aanzien van het Actieplan EU-eiwitsysteem. Daarbij zal het kabinet onder meer
de Nederlandse inzet op het gebied van handelsdiversificatie toelichten.
Daarnaast wil de Staatssecretaris de komende periode, in het kader van de tweede pijler
van de aankomende voedselzekerheidsagenda (Kamerstuk 31 532, nr. 310) over het adresseren van strategische afhankelijkheden, samen met relevante stakeholders
en Europese partners in kaart brengen welke concrete mogelijkheden er zijn om de strategische
afhankelijkheid van onder meer geïmporteerde eiwitten te verminderen en eventuele
risico’s hiervan te beperken. De uitkomsten hiervan en mogelijke maatregelen neemt
de Staatssecretaris mee in de verdere ontwikkeling van de voedselzekerheidsagenda,
die hij voor de zomer van 2027 aan de Kamer zal aanbieden.
De leden van de CDA-fractie onderschrijven het belang van diversificatie van eiwitbronnen.
Deze leden vragen de Minister hoe hij ervoor zorgt dat de eiwittransitie niet alleen
een verhaal wordt van grote foodtech-spelers, maar ook bijdraagt aan het verdienmodel
van bestaande Nederlandse en Europese boeren. Op welke manier worden boeren in staat
gesteld om zelf een rol te spelen in de teelt, verwerking of productie van nieuwe
eiwitbronnen, bijvoorbeeld als leverancier van grondstoffen of als mede-eigenaar van
nieuwe verdienmodellen? Is de Minister bereid zich in EU-verband in te zetten voor
instrumenten (bijvoorbeeld via het GLB of Horizon Europe) die specifiek gericht zijn
op het betrekken van boeren bij de eiwittransitie?
Boeren worden ondersteund in de teelt van plantaardige eiwitten doordat de eco-activiteit
«stikstofbindend gewas» in de eco-regeling van het GLB 2023– 2027 is opgenomen. Daarnaast
is het ministerie betrokken bij het vervolg op de Green Deal Vlinderbloemigen (oftewel
Bean Deal) die van 2022 tot 2025 liep. Deze deal heeft 72 partijen uit de eiwitketen
samengebracht, met als doel het opschalen van de Nederlandse teelt en verwerking van
eiwitrijke, vooral stikstofbindende gewassen voor humane consumptie. De samenwerking
wordt voortgezet binnen drie pijlers gericht op marktkansen (Plant Protein Forward),
marktactivatie (consumentencampagne «Bean Meal») en de verdere professionalisering
van de producentenorganisatie Eiwitboeren van Nederland. Het kabinet is niet positief
om gekoppelde steun toe te passen voor de teelt van stikstofbindende gewassen gezien
het marktverstorende karakter. Nederland maakt hier in het huidige GLB geen gebruik
van.
Het kabinet zal de Kamer binnenkort via een BNC-fiche informeren over het kabinetsstandpunt
ten aanzien van het Actieplan EU-eiwitsysteem. Daarbij zal het kabinet onder meer
de Nederlandse inzet op het gebied van toelichten.
De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland ten aanzien van de ondersteuning van
boeren zal aangeven dat deze praktisch en boer-gedreven moet zijn, met een focus op
generatievernieuwing, waarbij een combinatie van financiële prikkels, kennisdeling
en structurele hervormingen van belang wordt geacht. Deze leden vragen de Minister
nader te concretiseren welke structurele hervormingen zij hierbij voor ogen heeft,
bijvoorbeeld op het gebied van grondbeleid, fiscale regelingen bij bedrijfsovername
of toegang tot financiering. Wordt dit ook op EU-niveau ingebracht, of betreft dit
vooralsnog een nationale aangelegenheid?
De leden van de CDA-fractie merken op dat een van de grootste knelpunten bij bedrijfsovername
de hoge grondprijs en de beperkte toegang tot kapitaal voor startende boeren is. Deze
leden vragen de Minister op welke manier dit knelpunt in EU-verband wordt geadresseerd.
Ziet de Minister hierin een rol voor het GLB weggelegd, bijvoorbeeld via gerichte
investeringssteun of garantstellingen voor jonge boeren?
Op Europees niveau wordt deze problematiek inmiddels breed erkend. In de Strategie
voor generatievernieuwing in de landbouw (gepubliceerd in oktober 2025) benoemt de
Commissie toegang tot financiering en grond expliciet als structurele barrières. Nederland
pleit er in Brussel actief voor dat binnen het toekomstige GLB voldoende geoormerkte
middelen (6%) beschikbaar blijven om jonge boeren gericht te ondersteunen. Op welke
manier de steun voor jonge boeren exact vorm zal krijgen binnen het toekomstige GLB,
is op dit moment nog niet definitief uitgewerkt. De inhoud van het toekomstige GLB
staat namelijk nog niet vast en de onderhandelingen en onderlinge discussies tussen
de lidstaten hierover zijn momenteel nog volop gaande.
Vanaf 2028 zullen de lidstaten verplicht zijn om hun eigen geïntegreerde nationale
strategie voor generatievernieuwing in landbouw te ontwikkelen als onderdeel van hun
nationale en regionale partnerschapsplannen (NRPP). Bij het ontwikkelen van de Nederlandse
nationale strategie streven we ernaar structurele oplossingen te creëren die op de
meest effectieve manier tegemoetkomen aan de behoeften van onze jonge boeren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de informele Landbouwraad van 6–8 september 2026 te Dublin, van het verslag
van de informele Visserijraad van 28 en 29 juli 2026 te Cork en van het verslag van
de Landbouw- en Visserijraad van 13 juli 2026. Deze leden hebben daarover nog enkele
vragen en opmerkingen, in het bijzonder over de visserij.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de informele Raad van 6–8 september in
het teken staat van innovatie in de veehouderij- en eiwitsectoren en dat visserij
niet op de agenda staat, terwijl de sector voor een reeks urgente vraagstukken staat.
Deze leden vragen het kabinet of, en zo ja, op welke wijze, visserijonderwerpen tijdens
deze informele Raad aan de orde worden gesteld en wordt nagegaan in hoeverre vooruitgang
is geboekt op voor Nederland belangrijke prioriteiten.
De informele Raad van 6–8 september a.s. gaat over innovatie in de veehouderij- en
eiwitsectoren. Visserij is niet geagendeerd en zal tijdens deze Raad niet worden behandeld.
De leden van de JA21-fractie lezen in het verslag van de informele Visserijraad dat
de Staatssecretaris in Cork heeft bepleit dat de aanlandplicht wordt aangepast met
het oog op vereenvoudiging en werkbaarheid en daarbij heeft aangegeven dat de genoemde
aanpassingen urgent zijn. Deze leden delen constatering en die urgentie. In het verslag
van de visserijraad van juni lezen zij dat Nederland «verwelkomde dat de commissie
in haar mededeling aankondigt de aanlandplicht effectiever te willen maken en gaf
in dit kader aan te werken aan een AI-systeem voor automatische vangstregistratie.»
Zij vragen de Staatssecretaris te preciseren welke aanpassing van de aanlandplicht
Nederland nu voorstaat en heeft bepleit, hoe de sector daar nu bij is betrokken, op
welke termijn dat beleid kan worden aangepast en langs welk spoor hij dat wil realiseren.
In hoeverre is een dergelijk AI-systeem al getest in de praktijk en welke beelden
moeten de daarvoor benodigde camera’s gebruiken? Hoe kan worden voorkomen dat dit
leidt tot fouten en welke procedure wordt daarbij voorzien? Zij vragen welke lidstaten
Nederland hierin steunen en wanneer de Kamer een concreet Nederlands voorstel tegemoet
kan zien.
De herziening van de aanlandplicht is en blijft een prioriteit voor de Staatssecretaris.
De Staatssecretaris heeft dit herhaaldelijk opgebracht in relevante EU-gremia als
één van de prioriteiten die hij heeft binnen het GVB, zoals tijdens de recente informele
Visserijraad van 28–29 juli 2026 (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1830). De Staatssecretaris zal dit de komende periode ook steeds onder de aandacht blijven
brengen. De inzet van Nederland is het bewerkstelligen van een breed gedragen alternatief
voor de huidige aanlandplicht, toepasbaar in verschillende visserijzones, vlootsegmenten
en lidstaten.
Nederland zet al jaren in op de doorontwikkeling van het Fully Documented Fisheries (FDF), een systeem dat als mogelijk alternatief voor de aanlandplicht kan dienen.
Uit contacten met andere lidstaten en de sector zijn tot op heden geen andere alternatieven
in beeld gekomen. Daarmee zet Nederland momenteel alleen in op FDF. Om FDF een zo
goed mogelijke kans van slagen te geven, vindt de Staatssecretaris het belangrijk
dat de vissers en de sectorvertegenwoordigers actief zijn betrokken bij de doorontwikkeling.
Om die reden is de sector onderdeel van het consortium dat het camerasysteem van FDF
verder ontwikkelt en doet zij mee met de huidige prakrijkproeven op zee. Er doen op
dit moment meerdere kotters mee met de praktijkproef, waarbij naar alle facetten van
het gebruik van de camera en de data wordt gekeken (software en hardware). Het systeem
wordt dus al geruime tijd actief getest, en is geheel ingepast in de dagelijkse gang
van zaken aan boord. Verder vinden er reguliere gesprekken plaats met vertegenwoordigers
van de sectororganisaties over een mogelijk alternatief op de aanlandplicht op basis
van FDF als ook ten algemene op de aanlandplicht. De sector wordt hierbij actief om
input gevraagd en kan uiteraard altijd ook op eigen initiatief met suggesties komen.
Zoals gezegd is in de lopende discussie over de evaluatie van het GVB de herziening
van de huidige aanlandplicht één van de speerpunten van de Staatssecretaris. Hiervoor
is een wijziging nodig van de basisverordening van het GVB (EU 1380/2013). Dat betekent
dat de Commissie een wijzigingsvoorstel moet indienen bij de Raad en het Europees
Parlement. Hiervoor is er nog geen planning. Nederland zal er uiteraard op aandringen
dat de wijziging van de aanlandplicht ook in de tijd prioritair moet zijn. Veel andere
lidstaten ervaren de huidige aanlandplicht ook als knellend. Om te komen tot zo'n
fundamentele aanpassing van het GVB is breed draagvlak nodig. De inzet van Nederland
is er daarom op gericht om ook samen met andere lidstaten op te trekken. Ook de visserijsectoren
uit de verschillende lidstaten kunnen gezamenlijk optrekken om de gewenste aanpassing
van de aanlandplicht effectief te bewerkstelligen samen met de lidstaten.
De leden van de JA21-fractie lezen dat veel lidstaten het capaciteitsplafond als een
belemmering beschouwen voor modernisering van de vloot. Deze leden vragen of het kabinet
die analyse deelt en of Nederland in de Raad bepleit dat het capaciteitsplafond wordt
aangepast.
Het Nederlandse capaciteitsplafond kent voldoende ruimte om eventuele uitbreidingen
van vaartuigen te accommoderen. Tegelijkertijd wordt er door lidstaten in de EU opgeroepen
tot aanpassing van het capaciteitsplafond van de vloot, omdat de situatie in deze
lidstaten wel beperkend kan zijn. De Staatssecretaris staat hier niet onwelwillend
tegenover.
De leden van de JA21-fractie constateren dat generatievernieuwing zowel in Cork als
in Dublin het leidende thema is, maar dat het perspectief voor jonge vissers uiteindelijk
afhangt van verdienvermogen en werkbare regels. Deze leden vragen het kabinet welke
concrete resultaten het op deze drie punten in het komende halfjaar wil boeken.
Voor zowel het verdienvermogen als voor werkbare regels is de Commissie aan zet om
met voorstellen te komen. De Staatssecretaris roept met regelmaat de Commissie op
om met voorstellen te komen. Zo heeft hij op 11 juni 2026 een brief aan de Kamer gestuurd
waarin de Nederlandse inzet is gedeeld op de Visie 2040 Visserij en Aquacultuur (hierna:
Visie 2040) waarin de Nederlandse inbreng is opgenomen om toekomstperspectief te kunnen
bieden (Kamerstuk 26 737, nr. 13). De Staatssecretaris zal dit de komende periode onder de aandacht blijven brengen.
Zij vragen voorts hoe het kabinet zich in de onderhandelingen over het MFK 2028–2034
inzet voor een visserijbudget.
Zoals eerder vermeld zijn de onderhandelingen over het toekomstige MFK 2028–2034 nog
gaande. Het kabinet zet zich daarbij in om de Nederlandse belangen zo goed mogelijk
te behartigen. Het BNC-fiche over het GVB, het Ocean Pact en het maritieme en aquacultuurbeleid
(Kamerstuk 22 112, nr. 4146) en de Kamerbrief «Update Nederlandse inzet ten aanzien van de onderhandelingen over
het Meerjarig Financieel Kader en het eigenmiddelenbesluit van de EU voor de periode
2028–2034» (Kamerstuk 22 112, nr. 4357) zijn daarbij leidend.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de NEAFC-aanbeveling die een
limiet van 1.495 ton stelt aan de makreelvangsten door vaartuigen van de Russische
Federatie en van het gegeven dat implementatie eind augustus 2026 werd voorzien. Deze
leden vragen of die implementatie inmiddels een feit is, hoe de naleving wordt gemonitord
en door wie en welke gevolgen de maatregel heeft voor Nederlandse havens, aanvoer
en dienstverlening. Zij vragen wat de uitkomst is van het overleg van de Staatssecretaris
met de NVWA en de sector over de uitvoering, welke extra handhavingslast dit oplevert
en hoe wordt voorkomen dat de maatregel wordt ontweken via derde landen.
De maatregelen naar aanleiding van de North East Atlantic Fisheries Commission (NEAFC)
zijn in augustus jl. geïmplementeerd. Dergelijke vangsten vinden nauwelijks doorgang
tot de EU via Nederlandse schepen of havens, waardoor de Staatssecretaris op dit moment
geen negatieve impact voor de Nederlandse visserijsector verwacht. De NVWA houdt de
komende tijd toezicht op deze maatregelen en monitort middels reguliere controles
mogelijke aanlandingen. Door middel van de originele vangstcertificaten, die bij import
van bewerkte producten moeten worden aangeleverd bij de NVWA, is dit ook zichtbaar
voor producten die in een derde land zijn verwerkt. De visserijsector ondervindt hier
geen hinder van. Door reeds eerder ingestelde maatregelen, zoals het aanmeerverbod
voor Russische vaartuigen in Nederlandse havens uit 2024, zijn veel activiteiten van
Russische vaartuigen in Nederland al beperkt.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de aanvullende maatregelen ter bescherming
van kabeljauw en wijting in de Ierse Zee en van tong en schol in het Kanaal in EU-wateren
pas per 1 november 2026 ingaan, omdat het Verenigd Koninkrijk vertraging heeft bij
de implementatie. Deze leden vragen welke afspraken zijn gemaakt voor het geval het
Verenigd Koninkrijk ook de datum van 1 november niet haalt en hoe het kabinet in bredere
zin borgt dat afspraken uit het »Written Record» wederkerig en tijdig worden nagekomen.
De Commissie treedt namens de EU-lidstaten in dialoog met het VK over de implementatie
van aanvullende beschermingsmaatregelen. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen en
blijft in overleg met de Commissie en andere lidstaten om erop toe te zien dat de
afspraken tijdig en volledig worden nagekomen. Het gelijke speelveld tussen de EU
en het VK blijft daarbij een belangrijke voorwaarde.
De leden van de JA21-fractie vragen tot slot of het kabinet kan toelichten hoe de
onderhandelingen over de Visie 2040 voor visserij en aquacultuur verlopen en over
de Nederlandse inzet.
De Visie 2040 is nog niet door de Commissie gepubliceerd. De Staatssecretaris heeft
op 11 juni jl. de Nederlandse inbreng op deze visie met de Tweede Kamer gedeeld en
na parlementaire behandeling aan de Europees Commissaris voor Visserij en Oceanen
toegezonden (Kamerstuk 26 737, nr. 13).
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de Landbouw-
en Visserijraad en hebben hier nog enkele vragen over.
De leden van de PvdD-fractie lezen dat Nederland zich inzet voor onderzoek naar en
innovaties voor het integraal behalen van verschillende beleidsdoelen, zoals minder
uitstoot en beter dierenwelzijn. Deze leden benadrukken het belang van een integrale
aanpak. Bedoelt het kabinet hier ook mee dat Nederland innovaties die bijdragen aan
één doel, maar ten koste gaan van een ander doel (zoals specifiek dierenwelzijn) niet
zal faciliteren en ondersteunen? Zo nee, hoe verhoudt dit zich tot de gewenste integrale
aanpak?
Het kenmerk van innovatie is dat op voorhand niet precies kan worden aangegeven wat
de effecten zijn. Het kabinet zet in op integrale oplossingen maar uit onderzoek moet
blijken hoe innovatieve technieken presteren op verschillende aspecten, waaronder
de reductie van emissies en dierenwelzijn. Als een innovatie bijdraagt aan één doel
maar ten koste gaat van een ander doel, kan worden bezien of mitigerende maatregelen
mogelijk zijn.
De leden van de PvdD-fractie lazen in een bijlage op de Kwartaalrapportage lopende
EU-wetgevingsvoorstellen tweede kwartaal 2026 (Kamerstuk 22 112, nr. 4414) dat «wordt gestreefd om in het derde kwartaal van 2026 een Raadspositie vast te stellen»
over de Food and Feed Omnibus. Kan de Minister al meer duidelijkheid geven over de
planning? Is dit een streven van het Iers voorzitterschap of een streven van de Nederlandse
regering? Wil de Minister het Iers voorzitterschap erop attenderen dat de Nederlandse
regering eerst de compromistekst aan de Kamer zal voorleggen en aan het College voor
de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en wetenschappers en
de Kamer de tijd moet hebben om ernaar te kijken, voordat hij een oordeel erover kan
vellen, conform de motie-Bromet c.s. (Kamerstuk 22 112, nr. 4335)? Wil de Minister het Iers voorzitterschap erop attenderen dat Nederland niet akkoord
zal gaan met een compromisakkoord dat volgens wetenschappers en het Ctgb op een manier
een verslechtering zal opleveren voor de bescherming van de gezondheid van mens, dier
en natuur, conform motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 22 112, nr. 4328)? Kan de Minister de Kamer op de hoogte stellen van de procedurele en inhoudelijke
inzet van het Iers voorzitterschap omtrent de Food and Feed Omnibus zodra hij hier
meer over weet?
Het huidige voorzitterschap zal naar verwachting in de komende periode eerst een ambtelijk
overleg over de Omnibus veiligheid van voedsel en diervoeder organiseren voordat een
nieuw compromisvoorstel aan de lidstaten wordt voorgelegd. De inzet van de Staatssecretaris
bij verdere onderhandelingen is conform de eerder met de Kamer gedeelde Nederlandse
inzet (Kamerstuk 22 112, nr. 4261) waarbij het van groot belang is dat het huidige beschermingsniveau voor mens, dier
en milieu minimaal gehandhaafd blijft.
Afgelopen juni heeft de Staatssecretaris bij het Ierse voorzitterschap het belang
van zorgvuldige procedures benadrukt met hierbij voldoende tijd voor het bepalen van
een standpunt op een nieuw compromisvoorstel waarbij tevens de Kamer wordt betrokken.
Het is aan hen om het proces vorm te geven om te komen tot een nieuw compromisvoorstel.
De Staatssecretaris zal de Kamer blijven betrekken bij dit proces en informeren zodra
een nieuw compromisvoorstel aan de lidstaten wordt voorgelegd. De Staatssecretaris
zal de Kamer daarbij ook infomeren over het advies van het Ctgb hierop waarbij de
bevindingen van de wetenschappers betrokken bij de wetenschapstoets (Kamerstuk 27 858, nr. 748) zijn meegenomen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
informele Landbouwraad van 6 tot en met 8 september 2026. Deze leden hebben vragen
over de Nederlandse inzet op het gebied van eiwitten en over de kansen die het Ierse
voorzitterschap biedt om de Nitraatrichtlijn ter discussie te stellen.
De leden van de BBB-fractie constateren dat Nederland tijdens de informele Landbouwraad
opnieuw nadrukkelijk inzet op plantaardige en alternatieve eiwitten, waaronder precisiefermentatie
en kweekvlees. Deze leden vragen waarom het kabinet zo sterk inzet op deze zogenoemde
eiwittransitie. Welk concreet probleem wordt hiermee volgens het kabinet opgelost?
Is deze inzet gebaseerd op een aantoonbare vraag van consumenten en boeren, of vooral
op beleidsmatige klimaat- en stikstofdoelen?
Met een groeiende wereldbevolking is er een toenemende vraag naar dierlijke eiwitten.
Om aan deze groeiende vraag, binnen de planetaire grenzen, te kunnen voldoen, zijn
innovaties nodig, die inzetten op andere manieren van eiwitproductie en daarmee complementair
zijn aan de huidige manier van productie van (dierlijke) eiwitten, zoals vlees en
zuivel. Ook voor de diversificatie van eiwitten en het verkleinen van de strategische
afhankelijkheden is het nodig om in te zetten op nieuwe productiewijzen van dierlijke
eiwitten.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de EC in haar eigen werkdocument (EUR-lex, 7 juli
2026, Commissiestaf Werkdocument over de EU Veehouderijsector (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX:52026SC0576)) over de Europese veehouderij beschrijft dat de sector ongeveer 40 procent van de
agrarische toegevoegde waarde in de EU vertegenwoordigt, jaarlijks ongeveer 400 miljard
euro omzet en werk biedt aan ongeveer zeven miljoen mensen op vier miljoen landbouwbedrijven.
Ook benadrukt de EC het belang van dierlijke eiwitten voor de voedselzekerheid en
van de veehouderij voor de leefbaarheid van het platteland. Hoe verhoudt de sterke
Nederlandse inzet op alternatieve eiwitten zich tot deze analyse van de EC? Deelt
het kabinet de opvatting dat het versterken van onze eigen veehouderij minstens zo
belangrijk is voor de voedselzekerheid en strategische autonomie als het investeren
in kweekvlees en andere alternatieve productiemethoden?
Het kabinet zal de Kamer binnenkort door middel van twee aparte BNC-fiches informeren
over het kabinetsstandpunt ten aanzien van de veeteeltstrategie en het EU-Actieplan
voor het eiwitsysteem en daarin op het punt van onderzoek en innovatie aangeven hoe
deze voorstellen zich verhouden tot de Nederlandse ambities op het gebied van stikstofreductie,
dierenwelzijn en de eiwittransitie, zoals vastgelegd in het coalitieakkoord.
Kan het kabinet concreet aangeven hoeveel publiek geld inmiddels wordt besteed aan
de ontwikkeling, subsidiëring en promotie van kweekvlees, precisiefermentatie en andere
alternatieve eiwitten? Het kabinet stelt dat innovaties «boer-gedreven» moeten zijn.
Waarom noemt het kabinet vervolgens vooral technologieën en productiemethoden die
vanuit de overheid en onderzoekswereld worden aangejaagd? Welke concrete invloed hebben
boeren gehad op de Nederlandse inzet voor deze Landbouwraad? Kan het kabinet toezeggen
dat boeren niet door middel van beleid, subsidies of regelgeving worden gedwongen
richting een door de overheid gewenste eiwittransitie?
Het kabinet heeft in 2022 met middelen vanuit het Groeifonds € 60 miljoen geïnvesteerd
in het ontwikkelen van opleidingen, het doen van onderzoek en opschaling van kweekvlees
en precisiefermentatie. Het gaat hier om een looptijd van 8 jaar. Het kabinet financiert
daarnaast in 2026 voor € 1,4 miljoen. in publiek-private samenwerking voor de ontwikkeling
van alternatieve eiwitten door de inzet van onderzoekscapaciteit van Wageningen Research.
Bedrijven financieren eenzelfde bedrag voor deze ontwikkeling. Tenslotte heeft het
kabinet bijgedragen aan de ontwikkeling van een proefboerderij voor kweekvleesproductie
in Schipluiden, in totaal € 3 miljoen. De proefboerderij wordt ontwikkeld om boeren
in de praktijk te laten zien wat kweekvleesproductie voor hen kan betekenen, als aanvullend
bedrijfsmodel. Het is aan de boeren zelf of zij kennis willen nemen van deze ontwikkeling.
De leden van de BBB-fractie constateren dat Ierland momenteel als enige EU-lidstaat
beschikt over een derogatie van de Nitraatrichtlijn. Deze derogatie loopt tot en met
31 december 2028 en maakt onder voorwaarden een gebruiksnorm van 220 of 250 kilogram
stikstof uit dierlijke mest per hectare mogelijk. Ierland begrijpt als geen ander
hoe belangrijk deze ruimte is voor een grondgebonden landbouw en een goede benutting
van dierlijke mest. Waarom gebruikt Nederland het Ierse voorzitterschap niet om de
werking en toekomst van de Nitraatrichtlijn als diversenpunt te agenderen? Is het
kabinet bereid dit alsnog te doen? Zo nee, waarom laat het kabinet deze kans liggen?
Is het kabinet bereid samen met Ierland te pleiten voor een Nitraatrichtlijn die meer
rekening houdt met regionale omstandigheden, bodemsoort, gewasopname, grondgebondenheid
en de lange groeiperiode van gras? Wil het kabinet daarbij inzetten op meer ruimte
voor het gebruik van dierlijke mest, zodat minder kunstmest hoeft te worden geïmporteerd
en boeren nutriënten beter kunnen benutten? Is het kabinet tevens bereid met Ierland
te verkennen welke route nodig is om ook voor Nederland opnieuw passende ruimte boven
de generieke norm van 170 kilogram mogelijk te maken?
Afgelopen zomer heeft de Commissie het verslag over de evaluatie van de Nitraatrichtlijn
gepubliceerd. De Commissie concludeert dat de Nitraatrichtlijn over het algemeen effectief
is, maar dat er ruimte is voor vereenvoudiging van de richtlijn en het verminderen
van administratieve lasten. Naar aanleiding van deze evaluatie, is de Commissie voornemens
een proces op te zetten met lidstaten om zo te komen tot een effectieve implementatie
van de Nitraatrichtlijn. Daarbij zal de focus liggen op een betere implementatie van
de Nitraatrichtlijn en vereenvoudigingsmogelijkheden (bijvoorbeeld kalenderlandbouw
en het terugbrengen van administratieve lasten). De Commissie zet naar aanleiding
van deze evaluatie niet in op nieuwe mestderogaties of een verruiming van de dierlijke
mestnorm. In de brief Voortgang Mestbeleid van 8 april 2026 (Kamerstuk 33 037, nr. 643.) heb heeft de Minister aangegeven geen ruimte te zien voor een nieuwe mestderogatie.
Nederland heeft nog een grote opgave ten aanzien van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit,
voor wat betreft nutriënten afkomstig uit de landbouw. Een aanvraag voor een nieuwe
mestderogatie is daarbij niet passend, ook gezien de stikstofopgave.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het verslag van de informele
Visserijraad van 28–29 juli 2026 in Cork, Ierland en het verslag van de Landbouw-
en Visserijraad van 13 juli 2026 en de geannoteerde agenda informele Landbouwraad
6–8 september 2026 en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de Groep Markuszower vinden het onbegrijpelijk dat de Minister in Europees
verband gaat praten over voedselzekerheid terwijl zijn eigen beleid in Nederland de
voedselzekerheid aan het afbreken is. Deze leden hebben hier dan ook op geen enkele
manier begrip voor.
Het kabinet denkt dat fermentatie van biomassa en kweekvlees veel kan opleveren. Voor
wie, zo vragen deze leden. Wat leveren deze nieuwe productiemethoden de consument
op? Wil de consument deze nieuwe productiemethode? Zo ja, waaruit blijkt dit? Wat
leveren deze nieuwe productiemethode de boeren op? Willen de boeren deze nieuwe productiemethoden?
Zo ja, waaruit blijkt dit? Wat zijn hiervan de gevolgen voor de consument? Kan de
regering aangeven of en hoeveel Europese middelen Nederland ontvangt om innovatie
in de landbouwsector te versnellen en boeren toegang te geven tot nieuwe technologieën
en bedrijfsmodellen?
Met een groeiende wereldbevolking is er een toenemende vraag naar dierlijke eiwitten.
Om aan deze groeiende vraag, binnen de planetaire grenzen, te kunnen voldoen zijn
innovaties nodig die inzetten op andere manieren van eiwitproductie en daarmee complementair
zijn aan de huidige manier van productie van (dierlijke) eiwitten, zoals vlees en
zuivel. Voor boeren zijn er mogelijkheden voor een aanvullend bedrijfsmodel, zoals
de proefboerderij kweekvlees in Schipluiden laat zien. Er zijn een aantal grote Europese
fondsen die bijdrage aan innovatie in Nederland. Voor landbouw is de belangrijkste
het GLB. Voor kennis en innovatie is daar in de periode 2023 tot en met 2027 een bedrag
van € 170 miljoen. voor beschikbaar vanuit de EU. Een ander belangrijk Europees fonds
is Horizon Europe. Dit richt zich meer op onderzoek dat de basis is voor toekomstige
innovaties.
Nederland heeft daar in de huidige periode € 5 miljard. aan Europees geld binnen gehaald
voor alle sectoren samen.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
J. Bosman, adjunct-griffier