Schriftelijke vragen : De aanhoudende uitpondgolf van huurwoningen.
Vragen van het lid Russcher (FVD) aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over de aanhoudende uitpondgolf van huurwoningen (ingezonden 2 september 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Verkoopgolf huurwoningen gaat nog harder: «Zwartste
scenario Hugo de Jonge komt nu al dichtbij»»?1
Vraag 2
Kunt u bevestigen dat er in het tweede kwartaal van 2026 met 9.930 woningen méér is
uitgepond dan in hetzelfde kwartaal een jaar eerder (9.870 woningen)?2
Vraag 3
Kunt u bevestigen dat sinds de inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur op 1 juli
2024 per saldo 76.471 woningen uit de private huurmarkt zijn verdwenen?3
Vraag 4
Indien de antwoorden op vraag twee en drie bevestigend luiden, wat zegt dit over de
wenselijkheid van de Wet betaalbare huur?
Vraag 5
Hoeveel middenhuurwoningen worden er op dit moment landelijk te huur aangeboden en
hoe verhoudt dit aanbod zich tot het aanbod in de periode direct vóór de inwerkingtreding
van de Wet betaalbare huur op 1 juli 2024?
Vraag 6
Hoe verklaart u dat het aanbod aan middenhuurwoningen twee jaar na de invoering van
een wet die dit aanbod juist moest vergroten door verhuurdersorganisatie Vastgoed
Belang als praktisch non-existent wordt omschreven, waardoor juist woningzoekenden
met een middeninkomen – de beoogde doelgroep van de Wet betaalbare huur – nergens
meer terechtkunnen?
Vraag 7
Erkent u dat de Wet betaalbare huur zelf de prikkel creëert om woningen aan het middensegment
te onttrekken, nu vrijkomende middenhuurwoningen doorgaans worden verkocht of via
kwaliteitsverbeteringen naar het ongereguleerde segment worden getild, waarvoor geen
maximumhuur geldt?
Vraag 8
Acht u een gezond en ruim aanbod op zowel de huur- als de koopmarkt wenselijk, en
zo ja, hoe rijmt u dit met het in stand houden van een wet die het huuraanbod aantoonbaar
doet krimpen zonder dat daar per saldo nieuwe woningen tegenover staan?
Vraag 9
Beschouwt u de Wet betaalbare huur als een verstorende factor op de huurmarkt, en
kunt u ditzelfde oordeel afzonderlijk geven over de Wet vaste huurcontracten, het
verhoogde box 3-tarief en de verhoogde overdrachtsbelasting voor verhuurders, mede
in het licht van hun cumulatieve effect op het rendement van woningverhuur?
Vraag 10
Erkent u dat de in april 2026 aangekondigde versoepelingen van de Wet betaalbare huur
kennelijk onvoldoende zijn om de uitpondgolf te keren, nu het uitpondtempo ook ná
die aankondiging verder is toegenomen, en zo ja, welke conclusie verbindt u daaraan?4
Vraag 11
Wat zeggen de nieuwste cijfers van het Kadaster volgens u over de houdbaarheid van
de Wet betaalbare huur en bent u, nu zelfs het somberste scenario van uw eigen ministerie
al binnen enkele jaren gerealiseerd dreigt te worden, bereid de wet in zijn geheel
in te trekken?
Vraag 12
Indien u niet bereid bent de Wet betaalbare huur in te trekken, kunt u dan aangeven
bij welk percentage van uw eigen somberste uitpondscenario u de wet wél als mislukt
beschouwt, nu 48 procent binnen twee jaar daartoe kennelijk onvoldoende is?
Vraag 13
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Indieners
-
Gericht aan
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Indiener
Tom Russcher, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.