Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Schilder over het uitblijven van een volledige strafrechtelijke afhandeling van de bestorming van de Utrechtse gemeenteraad
Vragen van het lid Schilder (Groep Markuszower) aan de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het uitblijven van een volledige strafrechtelijke afhandeling van de bestorming van de Utrechtse gemeenteraad (ingezonden 4 augustus 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid), mede namens de Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (ontvangen 1 september 2026). Zie ook Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2758.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Aangifte Utrechts raadslid Yvonne Hessel tegen
XR-/Palliebestormers stadhuis verdwenen»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de mening dat het binnendringen van een gemeenteraad, het verstoren van een
raadsvergadering en het intimideren van gekozen volksvertegenwoordigers een frontale
aanval vormen op onze democratische rechtsorde en daarom keihard en maximaal moeten
worden aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Het opzettelijk verstoren van een raadsvergadering is niet voor niets verboden. Het
is immers van groot belang dat gekozen volksvertegenwoordigers hun ambt kunnen vervullen
en vrij van oneigenlijke druk besluiten kunnen nemen. Het intimideren van volksvertegenwoordigers
is tevens volstrekt onacceptabel. De Minister van BZK heeft daarom het afgelopen jaar
in totaal zes miljoen euro beschikbaar gesteld om de veiligheid van openbare vergaderingen
van de volksvertegenwoordiging te bevorderen.
Het is aan het OM om de afweging te maken om tot vervolging over te gaan en het is
vervolgens aan de rechtspraak om te bepalen hoe de verstoring van de raadsvergadering
bestraft dient te worden.
Vraag 3
Hoe kan het dat ruim een jaar na de bestorming van de Utrechtse gemeenteraad, terwijl
de gebeurtenissen volledig op beeld zijn vastgelegd en de identiteit van meerdere
betrokkenen bekend is, nog altijd geen volledige strafrechtelijke afhandeling heeft
plaatsgevonden?
Antwoord 3
Op 22 juli 2025 is aangifte gedaan tegen de personen die probeerden te voorkomen dat
de burgemeester (in haar rol als voorzitter van de gemeenteraad) zou terugkeren naar
de raadszaal tijdens de raadsvergadering op 17 juli 2025. Een paar weken later deed
mevrouw Hessel aangifte voor het verstoren van diezelfde raadsvergadering.
Dit zijn twee aparte strafbare feiten waar verschillende straffen op staan. Op het
verstoren van een raadsvergadering (art. 144 Sr) staat maximaal twee weken gevangenisstraf
en op de verhindering van de voorzitter om terug te keren (art. 124 Sr) staat maximaal
negen jaar gevangenisstraf.
Na onderzoek heeft het Openbaar Ministerie destijds besloten alleen de personen te
vervolgen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester zou terugkeren naar de raadszaal.
Onderdeel van dat besluit was de overweging om geen opsporingscapaciteit in te zetten
op het identificeren van de grote groep personen die de vergadering hadden verstoord.
De vier verdachten zijn gedagvaard en de zitting zou op 24 november 2025 plaatsvinden.
Door een verzoek van de verdediging van de vier verdachten, vlak vóór de zitting,
is besloten om de zaak op dat moment niet inhoudelijk te behandelen en zijn de zaken
van die zitting ingetrokken. De verwachting is dat binnen enkele weken nadere informatie
over de voortgang bekend zal worden.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u het feit dat de burgemeester van Utrecht geen aangifte heeft gedaan
van de ordeverstoring in de raadszaal zelf, de betrokken actievoerders publiekelijk
voor de camera van RTV Utrecht in bescherming nam en later samen optrok met de organisator
van het protest? Deelt u de mening dat hierdoor de burgemeester de ernst van deze
aanval op de democratie enorm heeft gebagatelliseerd en dat dit een enorm dieptepunt
is voor onze democratie?
Antwoord 4
Het is niet aan mij om de bestuurlijke keuzes en het optreden van de burgemeester
in dezen te beoordelen.
Vraag 5
Klopt het dat raadslid Yvonne Hessel wél aangifte heeft gedaan van de ordeverstoring
in de raadszaal, dat de politie deze aangifte heeft onderzocht en vervolgens heeft
doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie, terwijl het Openbaar Ministerie later heeft
aangegeven deze aangifte niet te hebben ontvangen? Hoe kan een aangifte in een zaak
van deze ernst in hemelsnaam verdwijnen? Bent u hierover al in gesprek geweest met
het Openbaar Ministerie? Zo ja, wat is daarbij besproken?
Antwoord 5
Een paar weken na de aangifte van de burgemeester heeft het raadslid Hessel aangifte
gedaan van het verstoren van diezelfde raadsvergadering. Dit betreft een ander strafbaar
feit dan de aangifte van de burgemeester, Op het verstoren van een raadsvergadering
(art. 144 Sr) staat maximaal twee weken gevangenisstraf en op de verhindering van
de voorzitter om terug te keren (art. 124 Sr) staat maximaal negen jaar gevangenisstraf.
Na onderzoek heeft het Openbaar Ministerie destijds besloten alleen de personen te
vervolgen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester zou terugkeren naar de raadszaal.
Onderdeel van dat besluit was de overweging om geen opsporingscapaciteit in te zetten
op het identificeren van de grote groep personen die de vergadering hadden verstoord.
In het opgestelde dossier was daarom niet de aangifte van mevrouw Hessel opgenomen.
De communicatie hierover richting mevrouw Hessel is niet goed geweest en daardoor
is verwarring ontstaan met als gevolg dat het beeld is ontstaan dat de aangifte was
verdwenen.
Inmiddels is er contact geweest met mevrouw Hessel. Haar is uitleg van de situatie
gegeven en namens het Openbaar Ministerie en de politie zijn excuses aangeboden.
Er is dus geen sprake van een verdwenen aangifte.
Vraag 6
Heeft de burgemeester van Utrecht vóór, tijdens of na de aangifte op enig moment contact
gehad met het Openbaar Ministerie over de strafrechtelijke afhandeling van deze zaak?
Zo ja, wanneer, met wie en wat is daarbij concreet besproken?
Antwoord 6
Het besluit om vier personen te vervolgen voor het verhinderen van de voorzitter om
terug te keren, is gedeeld met de burgemeester. Zij is immers aangever in deze zaak.
Zij heeft uiteraard geen enkele betrokkenheid gehad bij de vervolgingsbeslissing.
Vraag 7
Bent u bereid volledig en onafhankelijk te laten onderzoeken hoe deze aangifte heeft
kunnen verdwijnen, wie daarvoor verantwoordelijk is, of daarbij fouten, nalatigheid,
beïnvloeding of belemmering een rol hebben gespeeld en welke consequenties hieraan
verbonden worden en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 7
Zie het antwoord op vraag 5. Er is geen sprake van een verdwenen aangifte.
Vraag 8
Deelt u de mening dat burgemeesters bij strafbare feiten die worden gepleegd tijdens
een gemeenteraadsvergadering altijd aangifte behoren te doen om de lokale democratie
te beschermen? Bent u bereid hierover landelijke afspraken of een richtlijn op te
stellen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
Het kabinet roept politieke ambtsdragers op om normerend op te treden en altijd aangifte
te doen van intimidatie of van handelingen die de lokale democratie onder druk zetten.
Het is aan de ambtsdrager zelf om daarbij alle omstandigheden af te wegen en een besluit
te nemen.
Vraag 9
Waarom heeft het Openbaar Ministerie niet uit eigen beweging strafrechtelijk opgetreden
tegen de personen die de Utrechtse gemeenteraad hebben bestormd en de vergadering
hebben verstoord, terwijl deze gebeurtenissen uitgebreid op beeld zijn vastgelegd
en publiekelijk bekend waren? Hoe rijmt u dit met de taak van het Openbaar Ministerie
om strafbare feiten op te sporen en te vervolgen?
Antwoord 9
Zie het antwoord op vraag 3. Het OM heeft ervoor gekozen om voor de zwaarste feiten
vervolging in te stellen.
Vraag 10
Acht u het aanvaardbaar dat personen die een democratisch gekozen gemeenteraad hebben
bestormd, de vergadering hebben verstoord en hiermee de democratie frontaal hebben
aangevallen mogelijk geheel of gedeeltelijk buiten vervolging blijven? Zo nee, bent
u bereid alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat de verantwoordelijken
alsnog zo spoedig mogelijk strafrechtelijk worden vervolgd met maximale strafeisen?
Antwoord 10
Zie het antwoord op de vragen 3 en 9. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen
voor welke feiten vervolging wordt ingesteld.
Vraag 11
Indien uit onderzoek blijkt dat de burgemeester van Utrecht op welke wijze dan ook
betrokken is geweest bij het verdwijnen van de aangifte of het frustreren van de strafrechtelijke
afhandeling van deze aanval op de lokale democratie, deelt u dan de mening dat zij
per direct niet langer houdbaar is als burgemeester en dat niet alleen een procedure
tot schorsing en ontslag onmiddellijk in gang moet worden gezet, maar ook strafrechtelijke
vervolging? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 11
Zoals uit het antwoord op vraag 5 blijkt is er geen sprake van een verdwenen aangifte.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede namens
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.